← Table of contents
De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2

Einde van de geschiedenis van Scipio.

Reading edition

Een slecht voorbeeld heeft soms ook goede uitwerking. Het gedrag van den jongen Velasquez deed mij over het mijne nadenken. Ik begon mijn slechte neigingen te bestrijden. Maar de gewoonte, om, wanneer ik het geld van anderen kon nemen, dat te doen, was zoo sterk bij mij geworden, dat ze niet gemakkelijk te overwinnen was. Maar ik hoopte erin te zullen slagen; dikwijls reeds had ik gehoord, dat men om deugdzaam te worden het slechts ernstig behoefde te willen.

Onze winkel werd dikwijls bezocht door don Manrique de Médrana, een jong edelman en ridder van de orde van Alcantara. Wij hadden in hem een van onze beste klanten en ik scheen het geluk te hebben, hem te bevallen; steeds als hij bij ons kwam, sprak hij met mij. “Scipio,” zei hij op een goeden dag, “ik zou wel iemand als jij tot lakei willen hebben.” Ik antwoordde: “dat kan gemakkelijk gebeuren, mijnheer, want het is een zwak van mij, om zeer gesteld te zijn op de toegenegenheid van voorname personen.” “Als dat zoo is,” hernam Manrique, “zal ik mijnheer Velasquez vragen of hij goedvindt, dat je van zijn dienst in den mijne overgaat; hij zal mij dat genoegen niet weigeren.”

Velasquez maakte werkelijk geen bezwaar, het verlies van een schelmachtigen knecht scheen hem niet onherstelbaar. Wat mij betreft, de verandering verheugde mij zeer, ’t was voor mij een groot verschil: knecht te zijn van een burgerman of bediende bij een ridder.

Mijn nieuwe patroon was iemand met een zacht, beminnelijk humeur en een goed verstand. Als jongere zoon van een meer beroemd dan rijk huis, moest hij leven op kosten van een oude tante, die in Tolédo woonde, hem als haar zoon lief had en goed voor hem zorgde. Hij kwam in de voornaamste kringen en bezocht vooral dikwijls de markiezin van Alménara. Dat was een weduwe van twee en zeventig jaar met zulke aangename manieren en zooveel geest, dat ze den geheelen adel van Cordova aantrok.

Op een avond, dat mijn meester van haar terug kwam, was hij in een buitengewoon aangename stemming. “Mijnheer,” zei ik, “mag uw getrouwe dienaar vragen, of u vanavond ook iets ongewoons overkomen is?”

Hij antwoordde mij, dat hij een ernstig gesprek had gehad met de markiezin van Alménara. Lachend vroeg ik, of die beminnelijke zeventigjarige hem misschien een liefdesverklaring had gedaan. “Het is geen spotternij,” zei hij, “maar de markiezin bemint mij. Ze heeft op de volgende manier tot mij gesproken: “Ik weet, dat ge weinig fortuin hebt en ik ken uw adel; ik heb een groote genegenheid voor u en ik ben van plan u te trouwen, daar ik geen ander middel weet, om u op behoorlijke wijze rijk te maken. Ik weet wel, dat dit huwelijk mij in de oogen van de wereld belachelijk zal maken, dat men kwaad van mij zal spreken, van mij zeggen zal, dat ik een oude gekkin ben, om weer te willen trouwen, maar dat is mij onverschillig. Het eenige, wat ik vrees is, dat gij mijn gevoelens niet deelt.”

De markiezin deelde mij nog mee, dat ze zeer aanzienlijke goederen bezit, wat ik trouwens reeds wist en dat ze mij daarmee bij haar leven gaarne gelukkig zou maken.

“Gij hebt zeker maar besloten haar aan te nemen?” vroeg ik.

“Kunt ge daar nog aan twijfelen?” antwoordde hij. “De markiezin is niet alleen enorm rijk, maar ze is ook een goede en verstandige vrouw, dus zou ik mijn verstand wel moeten hebben verloren, indien ik geen gebruik maakte van deze gelegenheid.”

Het plan van mijn meester juichte ik sterk toe en ik gaf hem zelfs den raad om haast te maken met de uitvoering, omdat de zaak anders nog wel eens zou kunnen misloopen.

Gelukkig zette de dame zelve er spoed achter en gaf hare orders zóó, dat de toebereidselen tot het huwelijk reeds spoedig waren genomen.

Illustration from De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier

Zoodra men in de stad Cordova wist, dat de oude markiezin d’Almenara voornemens was te trouwen met den jongen don Manrique de Médrana, begon men met de weduwe te bespotten, maar zij liet zich daardoor niet van haar plan afbrengen. Zij liet de menschen in de stad praten en volgde haren ridder naar het altaar. Hun bruiloft werd schitterend gevierd en gaf opnieuw stof aan de kwaadsprekers, die meenden, dat een dergelijke pracht en praal niet paste aan zulk een oud mensch.

Nadat het bal afgeloopen was, gingen de jonggehuwden naar een kamer, met een kamenier en mij. De oude dame zei daarop tot mijn meester: “Don Manrique, dit is uw slaapkamer, de mijne is in een ander gedeelte van het huis; den nacht zullen wij ieder in onze eigen kamer doorbrengen, over dag zullen wij leven als moeder en zoon.”

Toen mijn meester uit beleefdheid wilde tegenspreken, herinnerde zij hem er aan, dat ze hem alleen had getrouwd om hem in het bezit te stellen van de voordeelen van hare goederen en in ruil daarvoor vroeg zij niet anders dan zijn vriendschap.

Na die woorden verliet ze met haar kamenier het vertrek.

Verbaasd bleven mijn meester en ik achter. “Wat zegt ge wel van zulk een dame?” vroeg hij. “Mijnheer,” zei ik, “welk een geluk haar te bezitten. U hebt er alleen de voordeelen van en niet de lasten.”

Don Manrique zei nog, dat hij van plan was haar door oplettende zorgen voor zooveel goedheid te beloonen. Daarop zocht hij zijn mooi bed op en het zal wel geen teleurstelling voor hem zijn geweest, dat hij daar alleen moest slapen.

Het was een zeer gelukkig huwelijk en mijn meester was van een armen ridder plotseling een zeer rijk man geworden. De echtgenooten spraken den volgenden avond af, dat ze, zonder elkaar te hinderen, zouden blijven leven als voor hun huwelijk. Toch mag ik dezen lof niet aan don Manrique onthouden, hij deed n.l. voor zijn vrouw wat weinig anderen in zijn plaats zouden hebben gedaan; hij liet een vriendinnetje in den steek waarvan hij hield omdat hij in niets bij zijn vrouw achter wilde staan wat consideratie betreft. Het voordeel, dat ik daarbij had, was dat ik na eenigen tijd zijn secretaris werd op een jaarwedde van vierhonderd kronen.

Op zekeren dag kreeg mijn meester een brief uit Tolédo, waarin hem werd medegedeeld, dat dona Théodora Muscoso, zijn tante, op haar uiterste lag. Dadelijk ging hij haar opzoeken en behalve mij nam hij nog een knecht en een lakei mee. Wij reden op de beste paarden uit zijn stal en waren spoedig te Tolédo, waar wij de oude dame in beteren toestand vonden dan wij dachten. Niettegenstaande de uitspraak van den ouden dokter, die haar behandelde, begon zij in beterschap toe te nemen, minder misschien door de geneesmiddelen dan door het gezelschap van haar lieven neef.

Ik zocht mij in die vreemde plaats zoo goed mogelijk te amuseeren. Met eenige jongelieden, die ik had leeren kennen, bezocht ik feesten en ook gingen wij wel eens naar plaatsen, waar gespeeld werd. Maar ik was niet zoo’n handige speler, als don Abel, mijn vorige meester, die altijd won. Ik daarentegen verloor steeds, maar ik kreeg een zekeren hartstocht voor het spel en het zou misschien verkeerd met mij en de kas van mijn meester zijn afgeloopen, wanneer wij niet gered waren geworden door de liefde. Op een dag zag ik door de vensters van een groot huis een jong meisje, dat mij meer een godin scheen, dan een sterveling. Ik zou mij nog van een sterkere uitdrukking bedienen, indien er een was, om u juist uit te drukken, welk een indruk haar verschijning op mij maakte. Dadelijk informeerde ik en ik vernam, dat zij Béatrix heette en kamenier was bij dona Julia, de jongste dochter van den graaf de Polan. Niet lang daarna bood ik haar mijn hand aan, maar daar wij met het oog op onze positie, den eersten tijd nog niet mochten trouwen, besloten wij in stilte te huwen. Dat gebeurde dan ook in tegenwoordigheid van Lorença Séphora en eenige andere personen uit het gevolg van den graaf de Polan.

Eenige malen op den dag had ik gelegenheid mijn vrouw te zien en ’s nachts kwamen wij samen in den tuin. Van een kleine deur, waardoor ik daarin kon komen, had zij mij den sleutel gegeven. Nooit zijn een paar jonggetrouwden zoo gelukkig geweest, als Béatrix en ik waren. Maar de jaloezie kwam ons geluk verstoren. Op een nacht werd ik zeer verschrikt, doordat ik het deurtje open vond. In de duisternis naderde ik het prieeltje, waarin ik gewoon was, met mijn vrouw te spreken. Ik hoorde een mannestem zeggen: “Laat mij dus niet langer verlangen, mijn waarde Béatrix. Maak mijn geluk volkomen. Bedenk, dat uw fortuin er mee gemoeid is.” Inplaats van geduld te hebben en verder te luisteren, meende ik, dat het niet noodig was, meer te hooren; een woedende jaloezie maakte zich van mij meester. Ik dorstte slechts naar wraak en met uitgetrokken degen, trad ik binnen. “Lafaard!” riep ik. “Wie ge ook zijn moogt, ge zult mij eerst het leven moeten benemen, voor ge mij van mijn eer kunt berooven.”

De vreemdeling trok ook zijn degen en verdedigde zich als iemand, die al spoedig de wapens beter machtig bleek dan ik—trouwens ik had slechts eenige schermlessen ontvangen te Cordova.

Maar welk een vechtersbaas hij was, hij kon een stoot van mij niet afweren, of liever gezegd, hij deed een verkeerden pas; en niets anders denkende, dan dat ik hem doodelijk had getroffen, snelde ik weg, zonder Béatrix te antwoorden, die mij met luide stem riep.

Hier werd Scipio in de rede gevallen door zijn vrouw, die zei: “Ja, ik riep om ’t misverstand op te helderen. De heer met wien mijn man mij hoorde spreken, was don Fernand de Leyva. Deze, die mijn meesteres Julia liefhad, had het plan gevormd haar te schaken, omdat hij haar niet op een andere wijze meende te kunnen krijgen. Hij had mij een onderhoud gevraagd in den tuin om mijn medewerking te vragen waarvan, naar hij verzekerde, mijn fortuin zou afhangen. Of ik mijn man al riep, hij was verblind van toorn en verliet mij alsof ik hem ontrouw was geworden.”

Scipio vervolgde hier weer zijn verhaal: “In den toestand, waarin ik mij bevond, was ik tot alles in staat. Zij, die bij ondervinding weten, wat de jaloezie is en welke uitwerking ze heeft, zelfs op de grootste geesten, zullen zich niet verwonderen over de verwarring in mijn zwakke hersenen. Van het eene uiterste viel ik in het andere. Voor de teederheid, die ik, een oogenblik tevoren, nog voor mijn vrouw had gevoeld, was haat in de plaats gekomen. Ik deed een eed, dat ik haar zou verlaten en uit mijn gedachten verbannen.

Bovendien meende ik een moord te hebben begaan, en om niet in de handen van de justitie te vallen, vluchtte ik dus uit Tolédo. Niets anders had ik bij mij dan mijn kleeren en gelukkig had ik in mijn zak ongeveer honderd pistolen.

Den geheelen dag liep ik door en ’s morgens kwam ik in het dorp Muqueda. Daar vond ik een ezeldrijver, die met vier muilezels naar Madrid moest. Ik maakte een accoord met hem en besteeg een van de dieren.

Nauwelijks waren wij buiten het dorp of de ezeldrijver hief een kerkzang aan. Hoewel hij mij doof schreeuwde, riep ik: “Vooruit maar, mijn vriend. Indien de hemel u goede longen heeft gegeven, moet ge niet nalaten daarvan een goed gebruik te maken.”

“O, wat dat betreft, dat doe ik goddank altijd. Ik ben niet zooals de meeste voerlieden, die lichtzinnige en gemeene liedjes zingen. Niet eens zing ik romances op onze krijgslieden tegen de Mooren, want al zijn die niet onzedelijk, ze zijn toch ijdel en passen een Christen niet.”

Die reinheid van zeden in een ezeldrijver vond ik tamelijk zeldzaam. “Maar zeg mij, vriend, hebt ge ook een gelofte van kuischheid afgelegd voor ’t geval ge in logementen komt met jeugdige dienstboden?” “Natuurlijk,” antwoordde hij, “ik denk daaraan niets anders dan aan de verzorging van mijn muilezels.”

Tegen het einde van den dag kwamen wij aan te Illescas. Toen wij in het logement kwamen, liet ik aan mijn metgezel de zorg voor onze muilezels over en ik ging zelf de keuken binnen, waar ik den waard last gaf een goed souper te bereiden, wat hij beloofde zoo uitstekend te doen, dat ik mij mijn gansche leven zou herinneren bij hem te hebben gelogeerd.

Terwijl de waard het eten klaarmaakte, ging ik naar de eetzaal, waar ik mij uitstrekte op een ruststoel, die daar stond en daar ik den vorigen nacht niet geslapen had, viel ik van vermoeienis in slaap. Na twee uren kwam mijn metgezel mij roepen met de mededeeling dat ons avondeten gereed was.

Wij gingen aan tafel zitten en men bracht ons hazepeper. Ik vond dien buitengewoon goed, misschien deed mijn groote eetlust mij zoo gunstig oordeelen, of mogelijk kwam het wel door de goede bereiding. Daarna kregen wij een schapenbout en daar de ezeldrijver alleen van het laatste gerecht zich bediende en het eerste onaangeroerd had gelaten, vroeg ik de oorzaak daarvan. Glimlachend antwoordde hij mij, dat hij niet van hazepeper hield. Dat antwoord of liever de glimlach, waarmee hij het deed vergezeld gaan, kwam mij geheimzinnig voor. “Ge verbergt mij,” zei ik, “de ware redenen, waarom ge niet van dien hazepeper hebt gegeten. Doe mij genoegen en deel mij die mee.” “Omdat ge zoo benieuwd zijt het te weten,” antwoordde hij, “zal ik u zeggen, dat ik een tegenzin heb in dat soort van eten, sinds ik eens op een avond tusschen Tolédo en Cuença heb gezien, dat men een gebakken kater gebruikte om er hazepeper van te maken.” Hij had die woorden nog niet gesproken, of niettegenstaande al mijn honger, was mijn eetlust opeens verdwenen. Ik stond woedend van tafel op en verwenschte den hazepeper, den waard en zijn logement.

’s Nachts sliep ik beter dan ik verwacht had en den volgenden morgen gingen we vroeg op weg. Ik was zoo vol van den hazepeper van den vorigen dag dat ik alle beesten, die ik tegenkwam, voor katers aanzag.

Zoodra ik in Madrid was aangekomen en mijn drijver had betaald, huurde ik een gemeubileerde kamer. Hoewel ik aan het leven in groote steden gewoon was, verbaasde mij toch de pracht, die zich hier aan mij vertoonde. Vooral in de nabijheid van het hof raakte ik niet uitgekeken.

Het gelukte mij niet spoedig een betrekking te vinden en daar mijn geld intusschen opraakte, moest ik mij met al mijn verdiensten tevreden stellen met een betrekking bij iemand, die zich letterkundige noemde, te Salamanca woonde en voor een familie-aangelegenheid naar Madrid was gekomen.

Mijn nieuwe patroon heette don Ignacio de Ipigna. Hij noemde zich “don”, omdat hij onderwijzer was geweest van een hertog, die hem uit dankbaarheid een jaarlijksch pensioen had geschonken. Hij had ook nog een pensioen als oud-onderwijzer aan een school en bovendien trok hij ieder jaar van het publiek twee- of driehonderd pistolen door boeken over moraal, die hij de gewoonte had, te laten drukken. De wijze waarop hij zijn werken samenstelde, verdient wel vermeld te worden. De beroemde don Ignacio bracht bijna den geheelen dag door met het lezen van Hebreeuwsche, Grieksche en Latijnsche schrijvers en schreef op kleine vierkante papiertjes alle spreuken of schitterende gedachten, die van zijn gading waren. Die papiertjes werden dan door mij aan een ijzerdraad geregen, dat den vorm had van een guirlande en iedere guirlande vormde een deel.

Wat maakten wij een boeken! De persen zuchtten er onder!

Het ergste was echter, dat hij zijn compilaties voor nieuw en oorspronkelijk werk uitgaf. Wanneer de beoordeelaars hem verweten, dat hij de ouden plunderde, antwoorde hij met een fier “Furto laetamur in ipso.”

Intusschen profiteerde ik wel bij dien geleerde; het zou ondankbaar zijn, dat niet te erkennen. Ik begon beter te schrijven, omdat ik zijn werk moest copieeren. Hij behandelde mij meer als een leerling dan als een bediende. Hij zorgde niet alleen voor de vorming van mijn geest, maar ook voor mijn zeden. “Scipio,” zei hij, wanneer hij toevallig hoorde van een of ander schelmstuk, dat door een bediende was uitgehaald, “pas op, mijn jongen, dat je zulk een voorbeeld niet volgt. Een knecht moet zijn meester dienen met evenveel trouw als ijver en deugdzaam worden door het werk, wanneer hij het niet is van natuur.”

In één woord, don Ignacio liet geen gelegenheid voorbijgaan, om te trachten mij te verbeteren en zijn pogingen hadden zulk een goede uitwerking, dat ik niet den minsten aandrang gevoelde hem beet te nemen gedurende de vijftien maanden, dat ik bij hem woonde.

Mijn meester had een familielid in Madrid genaamd Catalina, die in betrekking was bij de min van den prins en van wier tusschenkomst ik mij indertijd ook heb bediend om de bevrijding van den heer Gil Blas uit den toren van Ségovië te bewerken. Deze Catalina nu wist door hare meesteres gedaan te krijgen, dat don Ignacio benoemd werd tot het aartsdekenaat te Granada. Zoodra wij de tijding kregen, vertrokken wij naar Madrid omdat mijn meester zijn weldoener wilde bedanken. Ik had gelegenheid om Catalina te zien en te spreken en—vergeef mij waarde Béatrix, want ik meende toen, dat ge mij ontrouw waart—wij werden op elkaar verliefd.

Na eenigen tijd maakte mijn meester aanstalten om naar Granada te gaan, maar Catalina en ik zagen tegen een scheiding op en dus zonnen wij op een middel om die te voorkomen. Ik deed alsof ik ziek was, ik klaagde over mijn hoofd, over mijn borst, over alle mogelijke kwalen. Don Ignacio liet een dokter komen, waar ik zeer tegen opzag, omdat ik vreesde, dat die man wel dadelijk zou ontdekken, dat ik volstrekt niet ziek was. Maar gelukkig voor mij en alsof wij het eens waren, zei hij na mij goed te hebben opgenomen, dat mijn ziekte ernstiger was dan men dacht en dat ik langen tijd mijn kamer zou moeten houden. Mijn meester, die begeerig was om naar zijn nieuwe woonplaats te gaan, kon om mij zijn vertrek niet uitstellen, hij gaf er de voorkeur aan een anderen jongen in zijn dienst te nemen. Hij vertrouwde mij toe aan de zorg van een verpleegster aan wie hij een som gelds gaf om mij te laten begraven wanneer ik stierf, of om mijn diensten te beloonen voor het geval, dat ik van mijn ziekte genas.

Zoodra ik wist, dat don Ignacio naar Granada was, genas ik dadelijk van al mijn kwalen. Ik stond op, stuurde mijn dokter weg, die zooveel scherpzinnigheid bezat en ontdeed mij van mijn verpleegster, die mij meer dan de helft had ontstolen van het geld, dat ze voor mij had gekregen.

Intusschen had Catalina hare meesteres Anna de Guevara verteld, dat ik bewonderenswaardig geschikt was voor allerlei intriges. Deze dame had zulke personen noodig voor hare winstgevende ondernemingen en zij nam mij onder haar personeel op. Zij gaf mij verschillende opdrachten, die een weinig handigheid vereischten en ik mag zeggen, dat ik mij daarvan niet slecht kweet. Zij was spoedig zoo tevreden over mij als ik onvoldaan was over haar. De dame was zoo gierig, dat ik niet het minste profijt trok van wat ze door mijn werk ontving.

Ik had dan ook al spoedig lust om weg te gaan, maar werd daarvan teruggehouden door Catalina, die met den dag verliefder op mij werd en mij eindelijk formeel voorstelde haar te trouwen.

“Aanbiddelijke schoone,” zei ik, “dat gaat zoo niet; ik moet eerst den dood vernemen van een jeugdige persoon, die u voor is geweest en van wie ik de echtgenoot ben geworden.”

“Maak dat anderen wijs!” riep ze. “Je wilt me vertellen, dat je getrouwd bent. Waarom? Alleen omdat je er een tegenzin in hebt om mij tot vrouw te nemen.”

Tevergeefs trachtte ik haar ervan te overtuigen, dat ik de waarheid sprak. Ze gevoelde zich beleedigd en veranderde ten opzichte van mij.

Onder die omstandigheden vernam ik, dat er een lakei noodig was bij den heer Gil Blas de Santillano, secretaris van den eersten minister en die betrekking stond mij zeer aan. Men zei mij, dat de heer de Santillano iemand was van groote verdiensten, zeer in de gunst bij den hertog de Lerme en bovendien edelmoedig. Ik liet deze gelegenheid niet ongebruikt voorbijgaan en ging mij presenteeren bij den heer Gil Blas, die mij op mijn gezicht aannam en die, de hemel geve het, mijn laatste meester zal zijn.”

Hier eindigde Scipio en richtte zich daarna uitsluitend tot mij: “Mijnheer de Santillano, doe mij het genoegen voor de dames te getuigen, dat ge mij steeds hebt gekend als een even ijverigen, als trouwen dienaar. Ik heb behoefte aan uw getuigenis, om haar te overtuigen, dat de zoon van Coscolina zijn zeden heeft gebeterd en zijn slechte neigingen bedwongen.”

“Ja dames,” zei ik toen, “daar kan ik u voor instaan. Indien Scipio in zijn jeugd een deugniet is geweest, hij heeft zich sedert dien tijd zoo veranderd, dat hij het model is geworden van een volmaakten bediende. Wel verre van hem iets te kunnen verwijten in zijn gedrag tegenover mij, moet ik eerder bekennen, dat ik groote verplichtingen aan hem heb. In den nacht, dat men mij oplichtte en naar den toren van Ségovië bracht, redde hij uit de plundering een gedeelte van mijn geld en bracht dat in veiligheid. Hij had het zich ongestraft kunnen toeëigenen. Hij bepaalde er zich niet toe, om voor mijn geld te zorgen; alleen uit vriendschap voor mij, liet hij zich met mij in de gevangenis opsluiten. Boven de begeerlijkheden der vrijheid gaf hij er de voorkeur aan met mij mijn verdriet te deelen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings