Gil Blas ontmoet Fabricius nog eens bij toeval. Van het laatste onderhoud, dat zij samen hadden en van den gewichtigen raad, dien Nunez aan Santillano gaf.
Reading edition
De dichter uit Asturië verwaarloosde mij maar al te gaarne, zooals men zal hebben opgemerkt. Van mijn kant had ik weinig tijd om hem te bezoeken, zoodat ik hem niet had weergezien na het geweldige dispuut over Iphigenia.
Het toeval deed mij hem weer ontmoeten. Hij kwam uit een drukkerij.
“Ho ho! mijnheer Nunez! Ge komt uit een drukkerij. Dat schijnt het publiek met een nieuw werk van u te bedreigen.”
“Dat kan men inderdaad verwachten,” antwoordde hij. “Ik zal u zeggen, dat ik een brochure heb geschreven, die thans ter perse is en groot opzien zal verwekken in de republiek der letteren!”
“Ik twijfel niet aan de verdiensten van je werk, maar ik begrijp niet, dat je er lust in hebt een brochure te schrijven. Dat zijn van die kleinigheden!”
“Er zijn toch wel goede onder en de mijne behoort daartoe, hoewel ze in haast is geschreven. Maar ’t was noodzakelijk! De honger, weet je, drijft de wolven het bosch uit.”
“Wat! De honger! Kan de schrijver van den “Graaf de Saldagne” zóó spreken? Iemand met een vast inkomen!”
“Zacht wat! mijn vriend, ik ben niet meer die gelukkige dichter. De zaken van don Bertrand waren in de war. Hij is verdwenen, al zijn goederen zijn verkocht en mijn toelage is naar den duivel!”
“Dat is treurig! Maar is er geen hoop op, dat het weer in orde komt?”
“Niet het minst! Gomez del Ribero is nu even arm als zijn geestige trawant het was. Hij is verdwenen, om nooit weer terug te keeren.”
“Maar mijn vriend, kan ik je dan niet eene betrekking bezorgen, die je schadeloos stelt?”
“Van die zorg moet ik je ontheffen,” antwoordde hij, “wanneer je soms een betrekking bedoelt op een of ander bureau. Ik zou die weigeren al verdiende ik er 3000 pistolen mee. Als dichter wil ik leven en sterven! Overigens zijn wij niet zoo ongelukkig. Wij leven vrij en onafhankelijk en vele rijke huizen staan steeds voor ons open. Zoo heb ik er op ’t oogenblik twee, waar steeds een couvert voor mij klaar staat, het eene bij iemand, wien ik een roman heb opgedragen en het andere bij een rijken koopman, die altijd kunstenaars aan zijn tafel wil hebben en gelukkig niet zeer kieskeurig is.”
“Maar denk er aan Fabricius, dat wanneer je mij mocht noodig hebben, mijn beurs steeds voor je geopend is.”
“Aan dit aanbod herken ik mijn edelmoedigen vriend Santillano. Uit dankbaarheid wil ik je een raad geven. Profiteer van den tijd, dat je nog de gunsten geniet van den eersten minister, haast je om rijk te worden, want je meester is als een kaars, die in den pijp brandt.”
Ik vroeg aan Fabricius uit welke bron hij dat had en hij antwoordde: “Van een ouden edelman uit Calatrava die een ongewoon talent bezit, om zulke zaken te ontdekken. Gisteren hoorde ik hem zeggen, dat de minister veel vijanden heeft, die zich vereenigen om hem in het verderf te storten. Hij rekent te veel op den koning, die echter naar zijn tegenstanders begint te luisteren.”
Ik bedankte Nunez voor zijn waarschuwing, maar hechtte er niet veel waarde aan, omdat ik te veel op den invloed van mijn meester vertrouwde. Ik beschouwde hem als een van die oude eiken in een bosch, die de stormen niet kunnen deren.