Van de liefde van Gil Blas en van de schoone Antonia.
Reading edition
Twee dagen na mijn terugkomst uit Valencia, kwam Basilo, de bewoner van de boerderij, die bij het landgoed behoorde, mij toestemming vragen om mij zijn dochter Antonia voor te stellen, die de eer wilde hebben haren nieuwen meester te begroeten. Ik antwoordde hem, dat mij dit genoegen zou doen. Hij vertrok en kwam een oogenblik later terug met de schoone Antonia, een meisje van zestien à achttien jaar, met regelmatige trekken, een zeer schoone teint en de prachtigste oogen van de wereld. Ze was maar eenvoudig gekleed en had het haar van achter opgebonden in een vlecht, met een klein bouquetje er in.
Toen zij binnenkwam, was ik zoo getroffen door haar schoonheid, dat ik geen woorden kon vinden om haar te begroeten. Scipio nam dat van mij over, maar langzamerhand geraakte ik meer op mijn gemak en ik had met het meisje, dat aardig en volstrekt niet verlegen was, een levendig gesprek. Basilo, die dat niet zonder onrust zag en mij reeds als een man beschouwde, die alles in het werk zou stellen, om Antonia te verleiden, haastte zich, met haar weg te gaan, misschien wel met het voornemen om haar nooit meer onder mijn oogen te laten komen.
Toen Scipio met mij alleen was, zei hij glimlachend: “Ziedaar mijnheer, een ander middel tegen de verveling! Ik wist niet, dat uw boer zoo’n aardige dochter had, ik had haar nog nooit gezien, hoewel ik al tweemaal bij hem ben geweest. Ik geloof, dat hij er goed voor zorgt om haar weg te houden en daarin kan ik hem geen ongelijk geven. Maar ik geloof niet, dat het noodig is om dit alles te zeggen, want ik heb zeer goed gemerkt, welken indruk ze op u heeft gemaakt.”
“Ik kan dat niet ontkennen,” antwoordde ik hem; “zij heeft mij plotseling verliefd op haar gemaakt, de bliksem kan niet sneller gaan, dan zij mijn hart heeft getroffen.”
“Het doet mij een verbazend groot genoegen!” riep mijn secretaris met geestdrift, “te vernemen, dat gij verliefd zijt. Er ontbrak u alleen een maitresse, om in uw eenzaamheid een volmaakt geluk te genieten. De gelegenheid biedt zich nu aan. Ik weet wel, dat we eerst wat last zullen hebben om de waakzaamheid van Basilo te verschalken, maar dat is mijn zaak en ik sta er voor in, dat u over drie dagen een geheim onderhoud met Antonia zult hebben.”
“Scipio,” zei ik, “misschien zoudt ge toch uw woord wel niet kunnen houden, welk talent ge ook bezit in dergelijke zaken; maar ik wil er niet de proef mee nemen. Het is mij niet te doen om dat meisje te verleiden. Maar wel heb ik uw tusschenkomst noodig om haar te trouwen, want dat is mijn plan, indien tenminste haar hart nog vrij is.”
“Ik dacht niet,” zei hij, “dat ge dadelijk zulke ernstige trouwplannen zoudt hebben; andere heeren zouden in uw plaats minder eerlijk handelen. Maar des te beter. De dochter van onzen boer verdient uw liefde. Ik zal trachten vandaag nog een onderhoud te hebben met den vader en misschien ook met haar.”
Mijn vertrouweling was een man, gewoon om zijn belofte te houden. Hij ging Basilo opzoeken en ’s avonds wachtte ik met een mengeling van ongeduld en vrees.
Hij zag er vroolijk uit, toen hij binnen kwam. “Als ik je lachend gezicht mag gelooven,” zei ik, “dan geloof ik, dat je goed nieuws voor mij hebt.”
“Dat heb ik ook,” antwoordde hij, “ik heb Basilo en zijn dochter gesproken en hun uw gevoelens meegedeeld. De vader is er verrukt over, dat ge zijn schoonzoon wilt worden en ik kan u ook verzekeren, dat ge in den smaak valt van Antonia.”
“Wat een geluk!” riep ik uit.
“Twijfel er maar niet aan, zij bemint u reeds; wel heb ik die bekentenis niet uit haar mond gehoord, maar ik kon het opmaken uit haar vroolijkheid, toen ik haar uw plan meedeelde. Echter hebt ge een medeminnaar....”
“Een medeminnaar....!” viel ik hem bleek van schrik in de rede.
“Ja, maar dat behoeft u niet in het minst te verontrusten: ’t is meester Joachim, uw kok!”
“Zoo’n galgenaas!” riep ik lachend. “Daarom toonde hij dus zoo weinig lust, om mijn dienst te verlaten.”
“Juist,” antwoordde Scipio, “hij heeft Antonia ten huwelijk gevraagd, maar ze heeft beleefd geweigerd.”
“Het schijnt mij toch het beste,” zei ik hem, “dat ik mij van dien man ontdoe, voor hij verneemt, dat ik de dochter van Basilo wil trouwen. Een kok is, zooals je weet, een gevaarlijk medeminnaar!”
“Zoo denk ik er ook over,” stemde mijn vertrouweling toe. “Ik zal hem morgenochtend namens u zijn ontslag geven, dan hebben wij niets meer te vreezen, noch van zijn saus, noch van zijn liefde. Het is wel jammer, dat wij zoo’n goeden kok verliezen, maar ik offer mijn trek in lekker eten gaarne op aan uw veiligheid.”
“Dat verlies is overigens niet onherstelbaar,” zei ik, “uit Valencia zal ik een anderen kok laten komen, die even goed is.”
Werkelijk schreef ik dadelijk aan don Alphonse om hem een kok te vragen en hij zond er een, die Scipio troostte met het verlies van meester Joachim.
Hoewel mijn vlijtige secretaris beweerde, dat Antonia mijn liefde beantwoordde, was ik daar nog niet zeker van en ik besloot zelf een onderhoud met haar te hebben. Dus ging ik naar Basilo, om te bevestigen wat Scipio had gezegd. De boer, een goed en eenvoudig man, verklaarde mij, dat hij mij gaarne de hand van zijn dochter schonk. “Maar,” voegde hij er aan toe, “u moet niet denken, dat dit alleen komt omdat ge heer van ons dorp zijt. Al waart ge alleen nog maar intendant van don César, dan zou ik u toch boven alle anderen verkiezen; ik heb altijd een zwak voor u gehad, en het spijt mij alleen maar, dat de bruidschat van Antonia niet grooter is.”
“Ik wil er in ’t geheel geen hebben!” riep ik. ”’t Is mij alleen om haar persoon te doen.”
“Maar ik ben er de man niet naar om mijn dochter zonder bruidschat uit te huwelijken. De toestand van Basilo Buenotrigo is gelukkig niet van dien aard, dat dit noodig is; geeft u haar te eten, dan wil ik, dat zij u te soupeeren geeft. Uw inkomsten van het kasteel bedragen ongeveer vijfhonderd ducaten, ik zal die bij uw huwelijk aanvullen tot duizend.”
“Mijn waarde Basilo, ik vind alles goed, zooals gij het doet. Maar we zijn op ’t oogenblik niet bij elkaar om over zaken te spreken. Wij zijn het met elkaar eens; ’t is nu echter te doen om de toestemming van uw dochter.”

“Ge hebt de mijne. Is dat niet voldoende?”
“Niet geheel en al. Uw toestemming is noodig, maar de hare ook,” antwoordde ik.
“De hare hangt van de mijne af. Ik zou wel eens willen zien, dat Antonia weigerde, wanneer ik het goedvind.”
“Graag geloof ik,” hernam ik, “dat ze u zal gehoorzamen; maar ik hoop, dat ze uit eigen aandrang mij haar hand wil reiken.”
“Dat is philosophie, waarvan ik weinig begrijp. Spreek zelf maar met Antonia.”
Bij die laatste woorden riep hij zijn dochter en verliet het vertrek.
“Schoone Antonia,” zei ik, “beschik over mijn lot. Hoewel ik de toestemming heb van uw vader, wil ik niet, dat ge uw gevoelens geweld zult aandoen.”
Antonia bloosde een weinig en antwoordde mij: “Uw aanzoek is mij zeer aangenaam en de beslissing van mijn vader doet mij genoegen. Ik weet niet of ik goed doe met zoo tot u te spreken, maar indien u mij niet beviel zou ik het ook vrijmoedig zeggen en waarom zou ik het nu dan niet doen?”
Bij die woorden viel ik voor haar op de knieën en kuste haar handen. Een oogenblik later kwam Basilo binnen en vroeg of ik tevreden was over Antonia.
“Ik ben zóó voldaan,” antwoordde ik, “dat ik mij dadelijk zal gaan bezighouden met de toebereidselen voor ons huwelijk.” Dit zeggende verliet ik den vader en de dochter, om te gaan spreken met mijn secretaris.