← Table of contents
De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

XXIII. Besluit.

Reading edition

Den volgenden morgen, den 12den September, lichtte de Clorinda het anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstige bries, en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.

De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.

Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden, dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan hun nicht.

Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten, alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel van Fingal besloten geweest.

Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang” ten toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal, die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.

Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien nimmer voortbracht.

Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder gelijk.

»En zelfs,” zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een geschilderden Groenen Straal te zien dan....”

»Een natuurlijken,” vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen, doet dat wel pijn aan de oogen.”

En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.

Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf, toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.

De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban ontwaarde.

Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress Sinclair bevond.

Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.

Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten, deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij zich over het gesloten huwelijk gevoelden.

»Zóó, zóó gelukkig,” zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen ben, soms op een glimlach betrap!”....

»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!” zei broeder Sib.

»Zoo, zoo mijne heeren,” merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid waart. De een weent en de ander glimlacht....”

»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi,” merkte Olivier Sinclair op.

»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?” bevestigde de jonge vrouw, terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.

»Hoe? geheel en al hetzelfde?” antwoordde Aristobulus Beerenkooi op dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl de tranen....

»Welnu de tranen?”.... vroeg mistress Sinclair.

»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk en chloorsoda!”

»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer,” zei Olivier Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen.”

»Dat onderscheid vat ik niet,” antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij scherp en bits.

En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig, hem kwijt te zijn.

»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!” zei mistress Sinclair, »die de gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij met den Groenen Straal heeft gedaan.”

»Ja, maar, waarde Helena, terzake!” antwoordde Olivier Sinclair, »wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden willen waarnemen!”

»Wij hebben veel beter gezien,” lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen, maar er kennis meê willen maken.”

Einde van den Wonderstraal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings