XXII. De Groene Straal.
Reading edition
Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar onvoorzichtigheid haar gebracht had.
Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.
Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak waarachtig de lust niet om hem te kussen.
Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.
Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers, onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.
Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links, wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jonge meisje te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen, om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige gaëlische heldengedichten.
Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe, om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn toewijding van hen eischte.
Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben, geheel alleen op het plateau van Staffa.
Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe wist gij het?” toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt, toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!
Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen had te zwijgen.
Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt, bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den horizon had verduisterd.
Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.
Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk uitstrekte—een gedachte, die hem te midden van al de andere, die zijn brein thans vervulden, ontschoten was.
»De Groene Straal!” riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen, na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen....”
Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo’n natuurlijk voorwendsel gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar de grot van Clam Shell.
Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.
»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?....” vroeg hij. »Ja,.... ik zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!”
»Ja, mijnheer Olivier,” antwoordde miss Campbell trillend, toen zij den jonkman ontwaarde.
»Ik meen, dat gij wel zoudt doen,” hernam Olivier Sinclair, »wanneer gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen, die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt overheerlijk. Zij zal u verwarmen.”
»Mijnheer Sinclair heeft gelijk,” zei broeder Sam.
»Geheel en al gelijk,” vulde broeder Sib aan.
»En als ik alles moet zeggen,” ging Olivier Sinclair voort, »dan kon ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen, ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult vervuld zien.”

De geheele familie klom langs de houten trap omhoog. (bladz. 174.)
»Mijn dierbaarste wensch?” mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar, alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.
»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder zal ondergaan!”
»Zou het mogelijk zijn?” riep broeder Sam uit.
»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?” schreeuwde broeder Sib hem na.
»En, er is reden te gelooven,” vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen.”
»Den Groenen Straal!....” antwoordde miss Campbell.
Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal wel kon zijn.
»Ah.... dat ’s waar ook!....” zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!”
»Komaan! komaan!” zei broeder Sam, die verheugd was, dat een gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!”
»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren,” vulde broeder Sib vroolijk aan.
Het was toen vijf uur in den namiddag.
De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte spoedig den rand van het bovenplateau.
Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer, neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren, waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!
En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor zijn oogen ontrolde.
Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit volle zee overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!
Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.
En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:
»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van waar komt uw eeuwig licht?”
»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!”
»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!”
»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het onweder!”
Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich, waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.
En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!
Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan der branding aan den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen enkele rimpel gebroken werd.
Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen waarnemen.
Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden uit en riep:
»Een zeil!”
Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk, dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!
Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren, vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig konden vullen.
»Het is de Clorinda,” zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door varen en onze waarneming niet kunnen hinderen.”
Het was inderdaad de Clorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer kwam opzoeken.
Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.
De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart, welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.
Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.

Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien (bladz. 178).
Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daalde nog meer, en bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de misvorming van de schijf, die door de straalbreking gewijzigd werd, zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.
Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar laatste stralen komen breken of onderscheppen!
Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de voorste rotsen van Staffa treffen.
Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren aangeraakt. Zij gloeiden.
Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee begon aan te raken.
Nog een seconde van gespannen verwachting.
»De Groene Straal! de Groene Straal!” riepen als uit één mond de gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.
Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen, eindelijk zich voordeed!
Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij verzonken waren.
Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen, die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje ontsnapte!
De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden den Groenen Straal gezien!