XIII. De heerlijkheden der zee.
Reading edition
Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde, toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes, die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke dwazen geherbergd had.
Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell, juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-Steamer Pioneer,” zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des avonds weer te Oban terug te zijn.
Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.
Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.
Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd, zonder zich over zijne plannen uit te laten.
De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in den steek laten.
Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende de Pioneer de baai uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.
Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of driemaal ’s weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.
En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht weer zou tot uitstel doen besluiten.
Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt zijn. De vlugge Pioneer stevende de straat Kerrera door, rondde de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.
De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn zware massa.
Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en verheven naar het westen uit.
»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug van de Pioneer gezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.

Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas. (bladz. 120.)
»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!” riep hij uit. »Jazeker, en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten, dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat, hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen.”
»Ja waarlijk,” zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende hoeken treffen.”
»Zie haar thans, miss Campbell,” hernam Olivier Sinclair. »Zij is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin God zich zien kan!”
»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door den adem des storms verdoofd wordt,” vulde miss Campbell aan.
»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den Oceaan vormt!” antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen, het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!”
»Gelooft gij, mijnheer Sinclair,” vroeg miss Campbell, »dat een schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de schoonheden der zee op het doek te brengen?”
»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen, wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles; dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten schijnen, zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een soort van onafgebroken omloop—even als een levend schepsel, welks hart bij de evenachtslijn klopt—voedt hij zich zelf met de dampen, die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken, waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid, de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in zijn wateren weerkaatst!”
»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!”
»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?” vroeg Olivier Sinclair.
»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren voor hetgeen men bewondert?”
»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!”
»Misschien, mijnheer Sinclair,” antwoordde miss Campbell. »In ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb, geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen dat onmetelijk onbekende ingedrongen—wel is waar in de gedachte slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden, zoo groote zaken tot stand brachten!”
»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman, de Poolzeeën met Parry, Franklin, d’Urville, Heemskerk en zoo veel anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!”
»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?” vroeg miss Campbell.
»Zooveel het mij mogelijk geweest is,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijke zeeën van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland zoo mild verkwist heeft....”
»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!”
»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente, met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen, en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden, toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian, Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten, uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell, het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen, niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!”
»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!” antwoordde miss Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man, »aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair, evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!”

Dat terrein, bezaaid met grafsteenen. (bladz. 121.)
»En die woede is inderdaad verheven!” juichte Olivier Sinclair. »Niets weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben! Het is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan, de groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten, kunnen lachen om het geweld van storm en zee!...”
»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof, met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de woede van chloruur van sodium!”
Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden, die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun geestdrift klonken, omgekeerd.
Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.
Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het eiland in het gezicht was.
De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!