XVII. Aan boord van de »Clorinda”.
Reading edition
Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van Jona de Clorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertig of vijftig ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over, zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.
De Clorinda had miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.
Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi te huis was gelaten.
Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na het voorval van daags te voren had besloten.
Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven, had miss Campbell kortaf gezegd:
»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban, een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid laat blijken.”
Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was, laten varen.
»Welnu, alles wel beschouwd,” merkte broeder Sam tot broeder Sib, dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!”
Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.
Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:
»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!”
»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena,” antwoordde broeder Sam; »maar waarheen zullen wij gaan?”
»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten.”
»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze waarnemingen konden voortzetten?”
Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbele vraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben kunnen beantwoorden.

Staffa (bladz. 140).
Maar Olivier Sinclair was daar—en gelukkig ook.
»Miss Campbell,” zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen, dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen mensch ons komen storen.”
»Hoe heet dat eiland?”
»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee mijlen afstands ten noorden van Jona.”
»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te komen?” vroeg miss Campbell.
»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs,” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren, er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken?”
»Mijnheer Sinclair,” hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn.”
»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries, bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn,” betuigde Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen, die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren, door niemand gestoord worden.”
Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen van de huishoudster weer:
»Bet!”
»Beth!”
»Bess!”
»Betsy!”
»Betty!”
Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.
»Wij vertrekken morgen!” zei broeder Sam.
»Morgen, bij het krieken van den dag!” vulde broeder Sib aan.
Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.
Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de noodige beschikkingen met John Olduck.
John Olduck was de kapitein van de Clorinda, een echte zeerob met zijn ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde, maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.
Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van de Clorinda in, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken, die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van de Clorinda nog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.
Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin,” die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club.”
Het was een waar genoegen voor allen, toen de Clorinda zeil gemaakt had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek, van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die zich loodrecht boven de waterlijn verhief.
De afstand, die deze beiden Hebriden-eilanden Jona en Staffa van elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden, zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en het was tegen een vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte van Staffa te komen.
Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat de Clorinda onder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena zelfs wilde vergeten.
Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:
»Heb ik geen gelijk, papa Sam?”
»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena.”
»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?”
»Ten volle.”
»Welnu,” voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf, »gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo’n man wilden doen huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben.”
Beiden ontkenden het niet.
Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al de Hebridische eilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.
Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en »sandwich’s” in de eetzaal van de Clorinda voorgezet. De gasten allen goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden den wal niet. Die ondankbaren!
Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat schijnen. De bries stak op; de Clorinda worstelde onder haar groote waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren”, om de schotsche uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.
Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging, die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte heenglijdt van een bevroren meer. Niets was bevalliger te zien dan de elegante Clorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt gedragen.
De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de groote Hebriden en ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.
Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was, die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder de Clorinda haar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.
Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als ware het de wieg van een pasgeboren kind.
Tegen elf uur was de Clorinda genoegzaam in het noorden opgestoken om te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.
Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.
De Clorinda stevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op, die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.
De Clorinda drong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte het anker in het water en vond een goeden ankergrond.
Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte der zee tot op den afgeronden top van het eiland.
Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.
Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der Stille Zuidzee had geworpen.