XXI. Storm in eene grot.
Reading edition
Olivier Sinclair was geheel ongedeerd en voor het oogenblik in veiligheid. De duisternis was evenwel zoo groot in de grot, dat hij daarin niets kon onderscheiden. Het schemerlicht kon slechts van de tusschenruimte van twee golven gebruik maken, wanneer de ingang van de watermassa eenigermate bevrijd was, om de grot binnen te dringen.
Olivier Sinclair trachtte evenwel te ontdekken, waar miss Campbell een toevlucht had kunnen vinden.... Die poging was echter te vergeefs.
Hij riep:
»Miss Campbell! miss Campbell!”
Hoe te beschrijven, wat er in hem omging toen hij een hemelsche stem hem hoorde antwoorden:
»Mijnheer Olivier! mijnheer Olivier!”
Miss Campbell was in leven.
Maar op welke plek had zij zich buiten het bereik van het stormloopen der golven en dus in veiligheid kunnen stellen? Olivier Sinclair trachtte over het pad met alle voorzichtigheid de geheele Fingal’s spelonk rond te kruipen.
In den linker wand had een holte in het basalt eene oneffenheid veroorzaakt, die de gedaante had van eene nis. Daar waren de zuilen van elkander geweken en hadden een schuilplaats gevormd, die bij hare opening vrij breed was, maar zich langzamerhand zoodanig vernauwde, dat slechts ruimte voor één persoon er in aangetroffen werd. De legende verleende aan die uitholling den naam van: »Fingal’s armstoel.”
Het was in die schuilplaats, dat miss Campbell, door het binnenstormende water overvallen, eene toevlucht had gezocht.
Weinige uren vroeger was bij eb de ingang van de grot gemakkelijk toegankelijk geweest, en had het onvoorzichtige meisje haar gewoon bezoek daar afgelegd. Daarbinnen gaf zij zich aan hare mijmeringen over, begreep het gevaar niet, waarmee de opkomende vloed haar bedreigde, en had zij niets opgemerkt van hetgeen buiten omging. Hoe schrok zij, toen zij de grot willende verlaten, geen uitgang meer door het binnenstroomende water kon vinden.
Toch verloor miss Campbell het hoofd niet. Zij zocht een schuilplaats te bereiken, en na twee of drie vruchtelooze pogingen om op het buitenste trapportaal te komen, kon zij eindelijk, niet zonder wel twintigmaal gevaar geloopen te hebben meegesleurd te worden, in dien armstoel van Fingal dringen.
Daar vond Olivier Sinclair haar ineen gedoken, maar buiten het bereik der stortzeeën.
»Oh! miss Campbell!” riep hij, »hoe hebt gij zoo onvoorzichtig kunnen zijn, om u zoo bij het begin van een storm bloot te stellen. Bij God! wij waanden u verloren!”
»En gij zijt gekomen om mij te redden, mijnheer Olivier,” hernam miss Campbell, meer getroffen door het edele moedbetoon van den jonkman, dan verschrikt over de gevaren, die zij geloopen had of nog kon loopen!
»Ik ben gekomen om u uit een neteligen toestand te redden, miss Campbell,” antwoordde Olivier Sinclair met vuur, »en met Gods hulp zal ik slagen!—Gij zijt toch niet bang?”
»Of ik bang ben?.... neen!.... Nu gij bij mij zijt, vrees ik niets meer. En.... daarenboven, kon een ander gevoel dan bewondering mij bezielen bij den aanblik van zoo’n schouwspel?.... Kijk!”
Miss Campbell was tot achter in haar smalle schuilplaats terug geweken. Olivier Sinclair, die voor haar recht overeind stond, trachtte haar, zoo goed hem zulks mogelijk was, te beschutten, wanneer eene golf woedender dan de vorige, haar dreigde te bereiken.
Beiden zwegen in dezen plechtigen stond. Had Olivier Sinclair wel noodig uit te spreken, wat er omging in zijn hart? En zouden woorden wel bij machte geweest zijn, om uit te drukken wat miss Campbell gevoelde?
De jonkman zag evenwel met een onuitsprekelijken angst, niet voor hem maar voor miss Campbell, de gevaren van buiten vermeerderen. Hij moest begrijpen, toen hij het gehuil van den wind en het geklots en gedonder der zee hoorde, dat de storm zich met verdubbelde woede ontketende. Hij zag het peil der wateren stijgen onder den invloed van het getij, dat nog verscheidene uren zou aanhouden.

»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje. (bladz. 166).
Tot waar zou de vloed, welken de golfslag uit volle zee een buitengewone hoogte zou verleenen, stijgen? Dat kon onmogelijk iemand voorspellen. Maar het was duidelijk zichtbaar, dat de grot zich langzamerhand vulde. Indien daarbinnen geen volslagen duisternis heerschte, had dit hierin zijn oorzaak, dat de golfkuiven als het ware door het licht van buiten waren doorweven, en dat hier en daar phosphoresceerende lichtplekken als elektrische straalbundels, die zich aan de hoeken en oneffenheden der basaltblokken vasthechtten, in de watermassa schitterden, die de scherpe hoeken der prisma’s als met vuur overdekten en bij haar terugijlen een twijfelachtige loodkleurige schemering achterlieten.
Wanneer de schelle verschijning van die verlichting plaats had, keerde zich Olivier Sinclair tot miss Campbell, en zag hij haar aan met een ontroering, die niet enkel aan het besef van het gevaar, waarin zij verkeerde, was toe te schrijven.
Miss Campbell glimlachte zwijgend en verkeerde geheel onder den indruk van dit schouwspel van een storm in een grot!
Maar in dat oogenblik sloeg een machtigere deininggolf tot bij de uitholling van Fingal’s armstoel. Olivier Sinclair meende, dat zij beiden uit hun toevluchtsoord gesleurd zouden worden.
Hij vatte het jonge meisje in zijn armen, als een prooi, die de woedende zee hem trachtte te ontrukken.
»Olivier! Olivier!” schreeuwde het jonge meisje in een oogenblik van radeloozen angst, dien zij niet had kunnen bedwingen.
»Vrees niets, Helena!” antwoordde Olivier Sinclair. »Ik zal u beschermen, Helena!.... ik zal....”
Ja, hij zeide dat: Ik zal u beschermen: Maar hoe? Hoe zou hij haar aan het machtig geweld der stortzeeën kunnen ontvoeren, wanneer hunne woede aangroeide, wanneer de wateren nog hooger stegen, wanneer de toevluchtsplaats in dien armstoel onhoudbaar werd? Op welke andere plek zou hij redding zoeken? Waar zou hij een schuilplaats vinden buiten het bereik van dien monsterachtigen opstand der zee. Alle die gebeurlijkheden verschenen voor hem in hare schrikkelijke werkelijkheid.
Maar hij moest boven alles koelbloedig zijn. Olivier Sinclair beijverde zich dan ook kloekhartig om zich zelven meester te blijven.
En hij moest dat te eerder, nu het te voorzien was, dat zoo niet de zedelijke moed, dan toch de lichaamskracht het jonge meisje eindelijk zou ontzinken. Olivier Sinclair voelde reeds, dat zij langzamerhand zwakker werd en ging bezwijken. Hij wilde haar geruststellen, hoewel hijzelf zich de hoop voelde begeven.
»Helena.... dierbare Helena!” lispte hij, »toen ik naar Oban terugkeerde.... vernam ik.... dat gij het waart.... dat ik aan u mijne redding uit de Corryvrekankolk heb te danken!”
»Wat?.... Olivier.... gij wist!....” stamelde miss Campbell, met uiterst zwakke stem.
»Ja, lieve!.... en ik voel heden mijn schuld!.... O! ik zal u uit de Fingal’s grot redden!”
Maar hoe kon Olivier Sinclair van redding spreken in een oogenblik, dat de watermassa met geweld aan den voet hunner schuilplaats neerplofte! Hij slaagde er zelfs gebrekkig in, om zijn gezellin tegen de spatten te beveiligen. Twee of driemaal was hij op het punt van door den golfslag meegesleurd te worden.... En dat hij nog weerstand bood, was het gevolg eener bovenmenschelijke poging; hij voelde immers de armen van miss Campbell, die zijn leest krampachtig omknelden. Hij begreep, dat zij onvermijdelijk met hem voortgesleept zou worden.
Het kon half tien des avonds zijn. De storm moest zijn hoogste punt van geweld bereikt hebben. En waarlijk, de stijgende wateren stortten zich met de onbedwingbare onstuimigheid van een lawine in Fingal’s spelonk. De schok dier watermassa op den achterwand en op de zijwanden der grot, veroorzaakte zoo’n oorverdoovend geraas, en zoodanig was het geweld der golven, dat stukken basalt van de wanden werden afgescheurd, bij hunnen val in het witte, lichtgevende schuim plompten en daarin zwarte gaten vormden.
Zouden onder dien aanval, wiens hevigheid niet te beschrijven is, de zuilen stuk voor stuk losgerukt en in den afgrond neervallen? Zou het gewelf gevaar loopen van intestorten? Alles was in die oogenblikken voorwaar te vreezen. Olivier Sinclair voelde zich dan ook door een niet te overwinnen duizeling bevangen, waartegen hij zich trachtte te verzetten. Dit werd veroorzaakt, door dat de lucht soms ontbrak. Wel werd zij in overvloed de grot binnengestuwd, wanneer de golven binnenstormden, maar somwijlen was het alsof die zelfde golven de lucht weer opslorpten, wanneer zij bij haren terugloop naar buiten ijlden.
Miss Campbell, geheel en al uitgeput, voelde in die omstandigheden hare krachten haar begeven en viel in zwijm.
»Olivier!... Olivier!...” lispte zij, terwijl zij in zijn armen gleed.
Olivier Sinclair had zich met het jonge meisje in het diepste gedeelte van de schuilplaats neergehurkt. Hij ondersteunde miss Campbell, hij dekte haar met zijn lichaam tegen de stortzeeën, hij worstelde, terwijl hij zich tegen de uitstekende gedeelten der basaltrotsen stutte, te midden eener duisternis, die nog zwarter scheen door de tusschenpoozingen van phosphoresceerend licht te midden van het onafgebroken gedonder, veroorzaakt door het voortdurend geklots en geschok, vermengd met geloei en gesis. Neen, het was thans Selma’s stem niet meer, die in het paleis van Fingal weerklonk! Het geleek veel meer een verschrikkelijk gehuil en geblaf van Kamschatka-honden, die, volgens de uitdrukking van Michelet, in groote troepen en bij duizendtallen, gedurende de lange winternachten tegen de loeiende branding huilen en aldus met de woedende Noordelijke ijs-zee een wedstrijd aangaan.
Eindelijk, eindelijk begon de eb in te treden en de zee te dalen. Olivier Sinclair merkte op, dat met de daling der water-oppervlakte ook de deining-golven, die uit volle zee aanrolden, eenigszins, nog wel niet veel, bedaarden. Maar de duisternis in de grot was toen zoo groot, dat het buiten betrekkelijk licht was. In die halve duisternis begon de zwarte opening der spelonk, die niet meer door de aanrollende watermassa bedekt werd, zich flauw te vertoonen. Weldra bereikten nog maar de spatten en de fijne stofregen van de branding den armstoel van Fingal. Het was thans geen wurgende en alles met zich voortsleurende stortzee meer. De hoop keerde in het hart van Olivier Sinclair terug.
Te rekenen naar het volzee-getij, kan aangenomen worden, dat het middernachtuur reeds voorbij was. Nog twee uren, en het pad zou niet meer schoongeveegd worden door de zweepende golfkoppen. Het moest dan weer begaanbaar worden. Het was van belang zich bijtijds hiervan te verzekeren. En eindelijk, na lang wachten, was het zoover gekomen.
Het oogenblik om de grot te verlaten was aangebroken.
Maar miss Campbell was nog niet uit haar onmacht ontwaakt. Geheel krachteloos als zij was, nam Olivier Sinclair haar in zijn armen op, liet zich toen buiten den armstoel van Fingal glijden en begon het smalle pad te volgen, waarvan de ijzeren leuningspijlen onder het geweld der zee afgewrongen, afgesleurd of verbroken waren.
Wanneer een golf op hem aanrolde, bleef hij een oogenblik staan of trad ook wel onder den aandrang een of meer passen terug.
Eindelijk, op het oogenblik, dat Olivier Sinclair den buitensten hoek zou bereiken, sloeg nogmaals een laatste monstergolf over hem heen en omhulde hem met zijn waterstralen geheel en al. Hij dacht niet anders, dan dat hij met miss Campbell tegen den rotswand zou verpletterd of in de loeiende kolk aan zijn voeten worden meegesleept....
Maar door een laatste inspanning, gelukte het hem weerstand te bieden en, gebruik makende van de verademing, die de terugvloeiende golf hem schonk, stormde hij de grot uit.
In minder dan geen tijd had hij den hoek der steile kust bereikt, waar de gebroeders Melvill, Partridge en ook juffrouw Bess, welke laatste zich in haar ongeduld bij hen vervoegd had, den geheelen nacht post hadden gevat.

Begon toen het smalle pad te volgen. (bladz. 168).
Olivier en Helena waren gered.
Maar daar week de overspanning van zedelijke en lichamelijke geestkracht, die Olivier Sinclair tot nu toe geschraagd had, op haar beurt eindelijk ook. Hij viel buiten kennis aan den voet der rotsen neer, nadat hij miss Campbell in de armen van juffrouw Bess had overgegeven.
Zonder zijn toewijding en zijn moed zou Helena de grot van Fingal niet levend hebben verlaten.