XX. Alles ter wille van miss Campbell!
Reading edition
Eenige oogenblikken later kwam Olivier Sinclair, nadat hij den straatweg met versnelden pas had afgelegd, voor den ingang der grot aan, ter plaatse, waar de basalt-trap zich verheft.
De gebroeders Melvill en ook Partridge waren hem op de hielen gevolgd.
Juffrouw Bess was te Clam Shell gebleven, om alles onder onuitsprekelijke angsten voor de ontvangst van Helena, wanneer zij terugkwam, voor te bereiden.
De zee was nu dermate gezwollen, dat zij het bovenste trapportaal bereikte. Zij sloeg reeds over de leuning en belemmerde iederen toegang langs het pad.
Uit de onmogelijkheid om binnen de grot te kunnen dringen volgde natuurlijk ook de onwaarschijnlijke kans om er uit te kunnen komen. Was miss Campbell daar binnen, dan was zij gevangen! Maar hoe zou men dit te weten komen?
»Helena! Helena!”
Zou die naam, uitgegalmd te midden van het onafgebroken geklots der golven, wel kans hebben om gehoord te worden? Het was inderdaad een gedonder èn van den wind èn van de zee, die zich daar met onbeschrijfelijk geweld binnen die grot stortte. Noch geluid, noch oog waren machtig genoeg, om daar thans door te dringen.
»Misschien is miss Campbell daar niet in,” zei broeder Sam, die zich aan die hoop wenschte vast te klemmen.
»Waar zou ze dan zijn?” vroeg broeder Sib.
»Ja juist, waar zou zij dan zijn!” riep Olivier Sinclair uit. »Heb ik haar dan niet te vergeefs op het plat van het eiland, en te midden van de rotsen langs het strand, ja overal gezocht? Zou zij niet reeds bij ons teruggekomen zijn, wanneer dit mogelijk ware?”
»Neen zij is daar!.... daar!”
En men herinnerde zich het geestdriftvolle maar vermetel onbezonnen verlangen, dat het jonge meisje verscheidene malen had aan den dag gelegd, om eens een storm in de grot van Fingal te kunnen bijwonen. Had zij dan vergeten, dat de zee, door den orkaan opgezweept, daar binnen moest dringen, haar met haar razende golven tot aan het gewelf vullen en er een gevangenis van zou maken, welker deur met geen geweld was open te breken?
Wat kon men nu beproeven, om bij haar te komen en haar te redden?
Onder den aandrang van den orkaan, die dezen hoek van het eilandje met volle kracht geeselde, verhieven zich de golven soms tot bij het bovenste gedeelte van het gewelf. Daar braken zij met een oorverdoovend geraas. Het te veel binnen gedrongen water werd door den terugstoot naar buiten geworpen en viel in schuimende stroomen terug op de buitenste rotsen, even als de waterstralen van den Niagara-val. Maar het benedenste gedeelte der golven, onder den machtigen aandrang van de deining uit volle zee, stortte zich met de kracht van een bergstroom, wiens afsluitdijk plotseling bezweken is, binnen de grot. Het was dus tegen den achterwand zelf der spelonk, dat de zee klotste met oorverdoovend geweld.
Op welke plek daar binnen zou miss Campbell een toevlucht, die voor dien golfslag veilig zou zijn, hebben gevonden? De opening der grot was geheel en al aan de woede der wilde baren blootgesteld, die bij hunne uitstrooming, zoowel als bij hun binnenkomen, het pad onweerstaanbaar moesten schoonvegen.
En toch, men trachtte nog te twijfelen, of het jonge meisje daar zou zijn. Hoe zou zij weerstand hebben kunnen bieden aan zoo’n binnendringen der woedende zee in dit slop zonder uitgang? Was haar verminkt en verscheurd lichaam, door den terugstroom meegesleurd, niet reeds naar buiten gevoerd? Had de aanrollende zee, die langs de kust liep, haar reeds snel meegesleept onder langs den straatweg en de klippen, tot bij de grot van Clam Shell?
»Helena! Helena!!”
Die naam weerklonk onophoudelijk te midden van het geloei van den wind, het gedonder en het geklots der golven. Maar geen kreet die daarop antwoord gaf, of ook antwoord kon geven.
»Neen! neen! zij is niet in die grot!” herhaalden de gebroeders Melvill als wanhopigen.
»Jawel, zij is er!” bevestigde Olivier Sinclair met overtuiging.
En met den vinger wees hij op een stuk stof, dat door den terugloop der golven op een der basalttreden geslingerd werd.
Olivier Sinclair stormde de trap af, om die lap te bezichtigen.
Het was de »snod,” het Schotsche lint, dat miss Campbell in heur haren droeg.
Was thans nog twijfel mogelijk?
Maar wanneer dat lint haar ontrukt had kunnen worden, was miss Campbell dan niet door denzelfden golfslag tegen de wanden van Fingal’s spelonk verbrijzeld en verpletterd?
»Oh! ik moet het weten?” riep Olivier Sinclair uit.
En van een terugstrooming der golven gebruikmakende, die het pad halverwege ontblootte, greep hij de eerste spijlen der trapleuning; maar een onmetelijke watermassa stortte zich op hem, sloeg hem van de been en smakte hem op het trapportaal neer.
Wanneer Partridge zich niet met het grootste levensgevaar op hem geworpen en hem gegrepen had, Olivier Sinclair ware tot op de benedenste treden naar onderen gerold en zou de zee hem medegesleept hebben, zonder dat het mogelijk was, hem hulp te verleenen.
De jonkman was opgestaan, maar voelde zijn ijver, om binnen de grot te dringen, niet verkoelen.
»Miss Campbell is daar!” herhaalde hij voortdurend. »Zij is levend daar binnen, dewijl haar lichaam niet naar buiten geworpen is, even als dit lapje stof! Het is dus niet onmogelijk dat zij een toevlucht binnen een of andere uitholling gevonden zal hebben! Maar haar krachten zullen weldra uitgeput zijn! Zij zal onmogelijk weerstand kunnen bieden tot op het oogenblik, dat de eb zal ingetreden zijn!... Wij moeten haar dus bereiken!”
»Ik zal gaan!” zei Partridge.
»Neen!... ik!” antwoordde Olivier Sinclair.
Een uiterste middel om bij miss Campbell te komen, zou door hem beproefd worden. Evenwel zelfs dat middel zou ter nauwernood één kans van slagen aanbieden tegen negen en negentig anderen van mislukken.
»Wacht ons hier, heeren,” zei hij tot de gebroeders Melvill. »Binnen vijf minuten zijn wij terug. Kom Partridge!”
De beide ooms bleven daar op dien uithoek van het eilandje wachten, beschut boven op de steile kust, alwaar de zee hen niet kon bereiken. Olivier Sinclair en Partridge spoedden intusschen in allerijl voort naar de grot van Clam Shell.
Vijf minuten later verschenen de jonkman en de oude dienaar weer; zij sleepten de kleine vlet van de Clorinda, die kapitein Olduck ten gerieve der toeristen had achtergelaten, over den straatweg voort.
Zou Olivier Sinclair zich door de zee binnen de grot laten stuwen, nu men langs den landweg daar niet kon inkomen?
Ja, dat ging hij beproeven. Hij aarzelde evenwel niet. Het schuitje werd beneden bij de trap, achter een der basalttreden, buiten de branding gebracht.
»Ik ga met u!” zei Partridge.
»Neen,” zei Olivier Sinclair. »Dat kan niet. De kleine vlet mag niet noodeloos worden overladen. Is miss Campbell nog levend, dan zouden drie menschen in dat vaartuigje moeten. Neen, ik zal mij alleen wel behelpen!”
»Olivier!” riepen de twee broeders, die hunne snikken niet konden bedwingen. »Olivier! o Olivier! red onze dochter!”
De jonkman drukte hun de hand, sprong in de vlet, zette zich op de middenbank, greep de beide roeiriemen en bereikte behendig de terugstrooming; hij wachtte het aanrollen af eener groote baar, die hem vlak voor de Fingal’s grot bracht.

In minder dan een seconde. (bladz. 162).
De vlet werd door deze omhoog getild; maar Olivier Sinclair slaagde er in haar, door een behendige behandeling der roeiriemen, op den kop der golf te houden. Ware ze dwarszee’s geraakt, dan zou zij onvermijdelijk hebben moeten omslaan.
Die eerste maal heesch de zee het nietige vaartuig bijna tot bij de hoogte op van het gewelf. Men kon vreezen, dat de notendop zich tegen de rotsmassa zou verpletteren, maar toen de golf terugliep sleepte zij dien in haar onweerstaanbare strooming naar volle zee mede.
Drie maal werd de sloep zoo opgetild en met reuzenkracht naar de grot gestuwd. Maar telkens werd ze weer achteruit gesleurd, zonder zich een doortocht te hebben kunnen banen door de watermassa, die den ingang versperde. Olivier Sinclair, geheel en al kalm, en zich zelven volkomen meester, hield de vlet met zijn roeiriemen in evenwicht.
Eindelijk tilde een hoogere golftop het nietig vaartuig op. Het balanceerde een ondeelbaar oogenblik, ter hoogte bijna van het bovenplat van het eiland, op den rug van dien vloeibaren berg. Toen ontstond een schrikkelijk diepe voor, tot aan den voet der grot, en werd Olivier Sinclair in schuine richting voortgestuwd, alsof hij de hellingen van een machtigen waterval afdaalde.
Een kreet van schrik ontsnapte aan al de getuigen van dit vreeselijk tooneel. Het was alsof het vaartuig werkelijk en onweerstaanbaar tegen de basaltzuilen van den linker hoek aan den ingang der grot ging verbrijzeld worden.
Maar de kloeke jongeling gaf met zijn roeiriemen steun aan zijn vlet. Gedurende een kortstondig oogenblik verscheen de ingang als genaakbaar en schoot hij met de snelheid van een voortgedreven pijl vooruit, alvorens de zee teruggerold en zich in een overgroote baar omgekruld kon hebben, en verdween hij voor aller oogen in het innerlijke der donkere grot.
Een seconde later plofte de watermassa als een onmetelijke sneeuwval neer en sloeg tot aan den uitersten bovenkant van het eilandje.
Zou de vlet nu tegen den achterwand van de grot verbrijzeld zijn en moest men nu twee slachtoffers van dien storm te betreuren hebben in plaats van een?
Toch was daar niets van aan. Olivier Sinclair was met groote snelheid voortgeschoten, zonder de ongelijke zoldering van het gewelf te raken. Hij had zich in het vaartuig plat op den buik moeten werpen, om den schok met de basaltbundels, die omlaag hingen en van alle kanten uitstaken, te ontgaan. Dat was hem gelukt. In minder dan een seconde had hij den tegenovergestelden rotswand bereikt en koesterde slechts ééne vrees, namelijk die van door den terugloop der watermassa weer naar buiten te worden meegesleept, zonder zich aan eenig uitstekend punt daarbinnen te hebben kunnen vastklemmen.
Gelukkig stootte de vlet, door eene baar voortgestuwd, welker kracht door een teruggolving zeer verzwakt was, tegen de zuilen die het buffetorgel vormden, waarvan wij vroeger spraken, en dat tegen den achterwand van Fingal’s kelder verrees, en werd meer dan half verbrijzeld door den schok. Maar Olivier Sinclair had gelegenheid een stuk basalt met de hand te grijpen en zich daaraan met de wanhopige kracht eens drenkelings vast te klemmen. Een oogenblik later kon hij zich omhoog hijschen en buiten het bereik der zee zijn werk vervolgen.
Terstond daarop werd de ontredderde vlet door een terugrollende baar medegevoerd en naar buiten geslingerd. Toen zij dat wrak zagen verschijnen, konden de gebroeders Melvill en ook Partridge niet anders meenen, dan dat de koene redder zelf was omgekomen.