← Table of contents
De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

XII. Nieuwe plannen.

Reading edition

De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug onder den invloed eener teleurstelling.

Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En zij maakte van dat recht gebruik. De gebroeders Melvill zouden het niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet, dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!

Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den Groenen Straal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld; want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in de kalès, zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.

Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?

Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen verzonken, op het strand te Oban.

Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair, dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden en wat hij dan ook niet deed.

Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2den en den 14den Augustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels, in een woord, het alles te zamen was wel geschikt om een leerling in de sterrenkunde die zich aan zijn kijker vastklemt en van een herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!

Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)
Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)

Men at goed in het Wapen van Duncan! (bladz. 113.)

Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen: met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal vereerd zouden worden.

»O! wij zullen hem zien, miss Campbell,” herhaalde Olivier Sinclair, »wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte, en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw bloedverwant.... geloof ik?”

»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt,” antwoordde dien dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.

Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.

Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand, hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.

»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!”

»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!”

Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigen groet gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters geboren worden. De een verdiepte zich in ’s Blaue hinein, alsof hij sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.

Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal zich maar wilde vertoonen.

In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.

Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk” bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.

Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren zelfs groen als absinth. De gebroeders Melvill verbeeldden zich, dat zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet lang meer zoo duren.

Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.

»Miss Campbell,” zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen.”

»Aan wien de schuld?” vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.

»Hier te Oban is geen zeehorizon!” hernam de jonge schilder. »Vandaar de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!”

»Dat ’s helder als de dag!” antwoordde miss Campbell. »Inderdaad, ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor onze waarneming gekozen hebben!”

»Waardste Helena!” prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht....”

»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht....” vulde broeder Sib aan, alsof hij hem te hulp wilde komen.

»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban, in de golven onder te gaan....”

»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!”

»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht,” antwoordde miss Campbell, »zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee ondergaat.”

»Waarlijk!” hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden voor, die den gezichtskring beperken!”

»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen springen....?” vroeg miss Campbell.

»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied zijn!” antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.

»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!” merkte broeder Sam op.

»En waarom niet?”

»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt....”

»Ja, volstrekt!”

»Kom, laten wij dan vertrekken!” antwoordden broeder Sam en broeder Sib met gelatenheid.

En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)
En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)

En de rots met geduchte hamerslagen aanviel. (bladz. 118.)

En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereed waren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam tusschen beiden.

»Miss Campbell,” zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland Seil te gaan vestigen.”

»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd.”

De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken dan in dat oogenblik.

»Het eiland Seil,” hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell, dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan, en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even onmogelijk worden.”

»Waarlijk,” zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!”

»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft.”

»Kent gij zoo’n oord, mijnheer Sinclair?” vroeg miss Campbell met levendigheid.

De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde verlangen te voldoen?

Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.

»Er bestaat een oord, miss Campbell,” zei hij, »niet ver van hier, dat naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden, dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het bekoorlijke eiland Jona.”

»Jona!” riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom Sib? Zijn we er nog niet?”

»Wij zullen er morgen zijn,” antwoordde broeder Sib.

»Morgen vóór zonsondergang,” bevestigde broeder Sam.

»Kom, op reis dan!” zei miss Campbell, »en vinden wij te Jona dien uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O’Groats, het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!”

»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer eenvoudig,” lachte Olivier Sinclair.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings