← Table of contents
De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht

XVIII. Staffa.

Reading edition

Staffa is maar een eilandje, dat ’s waar; maar de natuur heeft er het meest belangwekkende van den geheelen Hebriden-Archipel van gemaakt. Het groote eivormige rotsblok, dat een mijl lang en een halve breed is, verbergt onder zijn korst bewonderenswaardige grotten van basaltischen oorsprong. Het is dan ook een zeer gezocht punt van samenkomst, zoowel voor de geologen, als voor de toeristen. Noch miss Campbell noch de gebroeders Melvill hadden evenwel vroeger Staffa bezocht. Alleen Olivier Sinclair kende er de bewonderenswaardigheden van. Hij was dus de aangewezen persoon om de eer van het eiland op te houden, waarheen zij gekomen waren om voor eenige dagen gastvrijheid te genieten.

De rots heeft alleen het aanzijn te danken aan de kristalvorming van een overgrooten basaltknoest, die daar in de eerste tijdperken van wording der aardkorst gestold is. En dat dagteekent niet van gisteren; want volgens de waarnemingen van Hemholtz—welke als gevolgtrekkingen van de proefnemingen van Bisschof over de afkoeling van den basalt, die niet in gesmolten toestand heeft kunnen voorkomen dan bij een hitte van twee duizend graden, te beschouwen zijn—is er niet minder noodig geweest om de geheele afkoeling van dat blok te bewerken, dan drie honderd vijftig millioen jaren. Het is dus fabelachtig lang geleden, dat de aarde na eerst in den gasvormigen, daarna in den vloeibaren toestand bestaan te hebben, begon met een vaste korst te vertoonen.

Zoo Aristobulus Beerenkooi tegenwoordig ware geweest, zou hij stof te over hebben gehad voor de een of andere verhandeling over de verschijnselen uit de geologische tijdperken. Maar gelukkig was hij ver af; miss Campbell dacht niet meer aan hem en, broeder Sam fluisterde in het oor van broeder Sib:

De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).
De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).

De grot kon gemakkelijk binnengedrongen worden (bladz. 144).

»Men moet die vlieg stil op den muur laten zitten.”

Schotsch spreekwoord: gelijk aan het Nederlandsche: »men moet geen slapende honden wakker maken.”.

Men vergenoegde zich met rond te kijken en men keek elkaar ook eens aan.

»Wij moeten eerst bezit nemen van ons nieuw domein,” zei Olivier Sinclair.

»Zonder uit het oog te verliezen, waarom wij er gekomen zijn,” sprak miss Campbell met een bekoorlijken glimlach.

»Zonder dat uit het oog te verliezen, zou ik meenen!” bevestigde Olivier Sinclair. »Kom, laat ons een waarnemingspost kiezen en nagaan welken gezichteinder zich westwaarts van ons eiland uitstrekt.”

»Zeker,” zei miss Campbell. »Maar de lucht is een weinig beneveld vandaag. Ik geloof niet, dat wij gunstige verwachtingen van den zons-ondergang te koesteren hebben.”

»Wij kunnen wachten, miss Campbell, en willen dit, desnoods totdat de equinoxiable stormen intreden.”

»Ja, wij zullen wachten!” verzekerden de gebroeders Melvill,... »tenzij Helena bevelen geeft te vertrekken.”

»Oh! ik heb geen haast,” antwoordde het jonge meisje, dat zich sedert hun vertrek van Jona zeer gelukkig gevoelde. »Neen, ik heb geen haast. De ligging van dit eilandje is heerlijk. Een villa, die hier op dit weiland, dat zich als een fraai groen tapijt uitstrekt, gebouwd werd, zou niet onaangenaam te bewonen zijn, zelfs wanneer de windvlagen, die Amerika ons zoo mild toezendt, over de rotsen van Staffa huilen.”

»Hm! hm! die moeten toch schrikkelijk zijn, hier op die uiterste grens van den Atlantischen Oceaan!” zei broeder Sib.

»En dat zijn ze ook waarlijk,” verzekerde Olivier Sinclair. »Staffa staat geheel en al bloot aan al de winden, die uit volle zee waaien en biedt slechts eenige beschutting op zijn oosterstrand aan, aan de zijde, waar de Clorinda voor anker ligt. Het slechte seizoen duurt negen maanden van de twaalf op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan.

»Dat is zeker de reden,” merkte broeder Sam op, »dat wij geen enkelen boom bespeuren. Iedere plant moet hier op dit plateau te niet gaan, wanneer zij zich slechts weinige voeten boven den grond verheft.”

»Welnu, zou het u niet kunnen bekoren, hier op dit eilandje twee of drie zomermaanden door te brengen?” vroeg miss Campbell.—»Gij moest Staffa koopen, oompjeslief, wanneer Staffa te koop is.”

Broeder Sam en broeder Sib hadden reeds de hand in den zak gestoken, alsof het dadelijk gold, dien aankoop komptant te betalen en handelden daarbij als ooms, die geen enkele gril hunner nicht onvervuld willen laten.

»Wien behoort Staffa?” vroeg broeder Sib.

»Aan de familie der Mac Donald’s,” antwoordde Olivier Sinclair. »Zij verpacht het voor twaalf pond (honderd vier en veertig gulden) ’s jaars; maar ik geloof, dat zij het voor geen som ter wereld zouden willen verkoopen.”

»Dat ’s jammer!” zei miss Campbell, die, zooals men weet, van een geestdriftvolle geaardheid was en zich nu in een geestesvervoering bevond, die haar opgetogenheid nog vermeerderde.

Al keuvelende doorkruisten de nieuwe gasten van Staffa de oneffen oppervlakte van hun eiland, die hier en daar met groenende grasstrooken bedeeld is. Het was de dag niet, door de Stoomvaart-maatschappij te Oban bestemd voor het bezoek der kleine Hebriden. Miss Campbell en haar geleiders hadden dan ook niets te vreezen van lastige toeristen. Zij bevonden zich alleen op de eenzame rots. Eenige paarden van zeer klein ras en enkele zwarte koeien graasden er en vonden in het magere gras niet veel voedsel. Hier en daar staken lava-beddingen door de dunne humuslaag heen. Geen herder paste op die dieren en bewaakte men de viervoetige eilandbewoners, dan was het van uit de verte—misschien van Jona of zelfs van de kuststrook van Mull, dat vijftien mijlen oostwaarts gelegen is.

Er was ook geen huis te bekennen. Alleen stonden er de overblijfselen eener hut, welke door de verschrikkelijke stormen, die zich gewoonlijk tusschen de herfst- en lente-evening ontketenen, verwoest was. Waarlijk, twaalf pond was een mooie pachtschat voor eenige bunders weiland, dat er geschoren uitzag, alsof het oud fluweel was, dat tot op den ketting was versleten.

Het onderzoek van de oppervlakte van het eilandje was gauw genoeg afgeloopen; men kon toen overgaan om den gezichteinder waar te nemen.

Klaarblijkelijk had men dien avond niets van den zonsondergang te verwachten. Met de veranderlijkheid, die de Septemberdagen kenschetsen, was de hemel, die daags te voren zoo helder was, weer geheel beneveld. Tegen zes uur vertoonden zich eenige roodachtige wolken, van de soort, die een aanstaande storing in den dampkring aanduiden, en ontdekten zij den westelijken horizon. De gebroeders Melvill moesten zelfs, hoewel tot hun leedwezen, erkennen dat de aneroïde barometer van de Clorinda naar »veranderlijk” terugkeerde, en zelfs een neiging vertoonde dat te overschrijden.

Allen keerden dan ook naar boord terug, nadat de zon was ondergegaan achter een donkere kim, die door de deinende golven, welke uit volle zee aanrolden, nog onzuiverder gemaakt was. De nacht werd rustig doorgebracht in de kleine kreek, die door de ribben van Clam-Shell gevormd was.

Daags daarna, den 7den September, werd tot een zeer ernstige verkenning van het eilandje besloten. Na het onderzoek van het bovendek, betaamde het, dat hetgeen er onder zat ook doorsnuffeld werd. Moest men den tijd niet dooden, nu door een waar noodlot—alleen aan Aristobulus Beerenkooi te wijten—tot nu toe de waarneming van het natuurverschijnsel verhinderd was? Daarenboven, zou men het uitstapje naar de grotten, die dat onnoozel eilandje der Hebriden zoo beroemd gemaakt hebben, niet behoeven te betreuren.

Allereerst werd dien dag overgegaan om den kelder van Clam-Shell, voor welks opening het jacht ten anker lag te onderzoeken. De kok nam, op raadgeving van Olivier Sinclair, alle voorbereidende maatregelen om zelfs het ontbijt daarin te kunnen voordienen. Daar zouden de gasten wanen, in het hol van een schip opgesloten te zitten. En inderdaad, die veertig of vijftig voet lange prisma’s, die als het geraamte der grot vormden, konden zeer wel met de gebinten van een schip vergeleken worden.

De grot, welke dertig voet hoog, vijftien breed en honderd diep was, kon gemakkelijk binnen gedrongen worden. Haar opening is nagenoeg oostwaarts gekeerd, waardoor zij tegen de stormvlagen gedekt is. De groote golven, die door de orkanen in de andere grotten van het eilandje gezweept worden, konden haar niet bereiken. Maar zij was daarom wellicht niet minder belangwekkend.

En toch is de aard van die basaltbogen, die eerder door ’s menschen handen dan door de natuur gevormd schijnen, wel geschikt om bewondering uit te lokken.

Miss Campbell was zeer opgetogen over haar bezoek aan die grot. Olivier Sinclair deed haar de schoonheden van Clam Shell opmerken, met minder wetenschappelijken omhaal den Aristobulus Beerenkooi zulks zou gedaan hebben, maar daarentegen met meer kunstzin voorzeker.

»Ik wenschte wel een herinnering aan ons bezoek aan de Clam-Shell-grot te hebben,” zei miss Campbell.

»Niets is gemakkelijker,” antwoordde Olivier Sinclair.

En met weinige potloodstreepen vervaardigde hij een schets van de grot genomen van de rots, die aan het uiteinde van den basaltweg uitsteekt. De opening der grot, het uiterlijke van een overgroot zee-zoogdier, dat afgaande op de wanden tot geraamte vergaan was; de lichte trap, die naar den top van het eiland voert; het zoo stille en zoo heldere water bij den ingang en waarin de geheele basaltmassa zich spiegelt, dat alles werd heel kunstig op een albumblaadje te voorschijn getooverd.

Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)
Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)

Zij bleven onopgemerkt. (bladz. 146.)

De jeugdige schilder plaatste aan den voet der teekening het navolgend onderschrift, dat volstrekt niet schaden kon:

Olivier Sinclair aan Miss Campbell.

Staffa, 7 September 1881.

Toen het ontbijt genuttigd was, liet John Olduck de grootste der twee sloepen van de Clorinda optuigen. De passagiers stapten er in, en, de schilderachtige oevers van het eiland omzeilende, begaven zij zich naar de grot de Schuit, aldus genaamd, omdat de zee de geheele binnenruimte bespoelt en men er niet zonder vaartuig binnen kan dringen.

Deze grot is op het zuidwestelijk gedeelte van het eiland gelegen. Bij eenigszins hooggaande deining, zoude het zeer onvoorzichtig zijn er in te varen; want dan is de beweging van het water daarbinnen hevig. Maar dien dag was de wind nog niet opgestoken, hoewel het dreigend weer was. Het bezoek aan die grot leverde dus geen gevaar op.

Juist toen de sloep van de Clorinda vóór de opening van die diepe uitholling was aangekomen, liet de stoomboot, met toeristen van Oban bevracht, haar anker in het gezicht van het eiland vallen. Gelukkig zouden onze vrienden, gedurende het tijdsverloop van twee uur, dat Staffa aan de passagiers van de Pioneer toebehoorde, niet gehinderd worden. Zij bleven onopgemerkt in hunne grot de Schuit, terwijl de anderen het voorgeschreven bezoek aan de Fingalsgrot brachten en de oppervlakte van het eiland doorkruisten. De gelegenheid ontbrak dus, om met die wel wat levendige bezoekers in aanraking te komen, waarover miss Campbell en haar metgezellen niet rouwig waren. En inderdaad, waarom zou Aristobulus Beerenkooi, nadat zijn reisgezellen zoo plotseling verdwenen waren, niet aan boord van de stoomboot, die te Jona aanlegde, gestapt zijn, om naar Oban terug te keeren. Van alle ontmoetingen, was men er wel op uit om die te mijden.

Maar hoe het ook zij, of de teleurgestelde minnaar zich bevond onder de bezoekers van den 7den September of niet, zooveel is zeker, dat geen enkele op Staffa was teruggebleven, toen de stoomboot vertrokken was. Toen miss Campbell, de gebroeders Melvill en Olivier Sinclair uit de lange schacht traden, uit een soort tunnel zonder uitgang, die in het basalt zou geboord zijn, was de kalmte op het rotsige eiland Staffa, daar aan de uiterste grens van den Atlantischen Oceaan, weergekeerd.

Men gewaagt van een zeker aantal beroemde spelonken, die in menige streek van den aardbol, maar voornamelijk in de vulkanische aardlagen worden aangetroffen. Zij zijn, naarmate van hun oorsprong, onderscheiden in neptunische of plutonische.

En inderdaad, de eene soort van die holen is gevormd door de uitwerking van het water, dat zelfs de granietmassa’s invreet, afslijt, oplost, zelfs zoodanig, dat uitgestrekte holen ontstaan. Zoo zijn de grotten van Crozen in Bretagne, die van Bonifacio op Corsica, van Morghatten in Noorwegen, van Sint Michiel te Gibraltar, van Saratchel op de kust van het eiland Wight, van Han en Rochefort in België, van Tourana in de steile marmerkust van Cochinchina.

De andere soort, op geheel andere wijze gevormd, heeft haar ontstaan te danken aan de inkrimping der graniet- of basalt-wanden, teweeggebracht door de afkoeling van de heete rotsen in het plutonisch tijdperk. Zij bezitten in den regel een grootscher karakter, dat aan de grotten van neptunischen oorsprong ontbreekt.

Bij de eerste heeft de natuur, haar grondbeginselen steeds getrouw, krachtsinspanning, bij de tweede tijd bezuinigd.

Onder de plutonische grotten, die door de werking van het vuur ontstaan zijn, behoort in de eerste plaats genoemd de Fingal’s grot—de Fingal’s kelder, zooals de prozaïsche uitdrukking der Engelschen luidt.

Aan het bezoek van dat wereldwonder zou de volgende dag worden gewijd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings