XIV. Het leven te Jona.
Reading edition
Intusschen kwam Jona—dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd—met zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.
Het was ongeveer middag, toen de Pioneer bij een kleinen dam aanlegde, die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen—de lezer weet hoeveel—met het doel om te Jona te verblijven.
Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen den machtigen golfslag.
Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen, die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen, aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig onderkomen te vinden.
Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort, welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen wordt, nagenoeg onbekend.
En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten, schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft, met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren, kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.
Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban—de Ierlander, wiens naam het eiland ook draagt—er in de zesde eeuw het eerste klooster in Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen, waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers, wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.
»Vindt miss Campbell,” vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met Oban kan doorstaan?”
»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!” antwoordde miss Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner te veel op het eiland zoude wezen.
Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij namen dus dienzelfden dag hun intrek in het Wapen van Duncan, terwijl Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.
Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen, alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid, om in al haar pracht onder te gaan!
Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken, Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen lief te krijgen.
Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal, dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan toch zijn, wie weet dat een opening zich in de lagere wolkenmassa voordeed, een scheur, een spleet, in één woord, een kleine ruimte om den laatsten straal doortocht te verleenen.

Als een draadpop in een Jan-Klaassenspel. (bladz. 127).
Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor, of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.
En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:
»Nog een weinig van die »cakes” van havermeel, die anders smakelijker zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow.”
»Nog een weinig van die »sowens”, die nog steeds door de bergbewoners in de Hooglanden gegeten worden.”
»Nog wat van die »haggis”, die door onzen grooten dichter Burns waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is.”
»Nog wat van die »cockylecky!” O! al is de haan, die het bestanddeel er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn overheerlijk.”
»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch”, die beter smaakt dan welke schotel ook van Helenaburg!”
Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.
Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin de »usquebaugh”, het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde, of de »hummok”, die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky, uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum”, uit graan gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny”, die altijd met een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van Glasgow te betreuren!
En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer zijn klacht aan te hooren.
Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen avond de kim benevelden.
Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.
De 26, 27, 28 en 29ste Augustus snelden voorbij zonder een oogenblik verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend door de golven van den Oceaan gebeukt werden.
Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met het »rokelay,” hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel met de eenige »snod” versierd, een lint in de haren gewonden, dat den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed, waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories” op, wier eenzaamheid zij stoorden, de »pictarnies”, die kleine vischjes bespieden, welke door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld der Hebriden.
Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:
»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?”
»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met hun gegons.”
»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende ster, vaarwel!”
En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar hunne kleine kamer in de herberg terug.
Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!
Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den 30sten Augustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II tot aan Macbeth.