← Table of contents
De Wedergeboorte van Nederland

VIII.

Reading edition

DE INVOERING DER GRONDWET.

Zoo was dan Nederland niet alleen weder opgenomen in de rij der onafhankelijke volken; het herrees ook als koloniale mogendheid; ja het was bovendien zoo goed als verzekerd van een aanzienlijke uitbreiding van grondgebied. Een gevoel van verademing, een gevoel van dankbaarheid doortintelde de geheele natie. „Zij erkende”, zoo sprak men in die dagen, „in den Vorst den redder door de Voorzienigheid gegeven. Oranje was het middenpunt, waarom allen zich schaarden, het eenige rustpunt, waarop men de toekomst veilig kon te gemoet zien.” „Onze redding”, riep men uit, „is volkomen; een algemeene vrede schenkt rust aan de aarde, opent al onze bronnen van welvaart en hergeeft ons niet alleen landen sedert twintig jaren van ons afgescheurd, maar verzekert ons zelfs eene vermeerdering van grondgebied en macht, waardoor deze nauwelijks herboren Staat, tot een hoogeren rang onder de Mogendheden verheven, de krachten zal erlangen, om dien rang, onder Goddelijken zegen, tot ons behoud en de rust van Europa met waarde te handhaven”522).

Zag de natie alzoo hare wenschen vervuld, niet minder was dit het geval met den Souvereinen Vorst, die bovendien in zijne verbeelding zich reeds getooid zag met de koninklijke kroon. Gelukkig echter voor hem, dat werken en zwoegen zijn lust en zijn leven was, want het was er verre van af, dat de tijd van rust en ontspanning voor hem zou zijn gekomen. Den 29sten Maart 1814 was de Grondwet aangenomen. Hiermede was het tusschentijdvak van 's Vorsten onbeperkte heerschappij geëindigd en was de nieuwe orde van zaken verbindend geworden voor Vorst en volk. Maar tusschen de vaststelling eener Grondwet en haar in werking treden ligt nog eene breede kloof. Het was de taak van den Souvereinen Vorst, dat wat op het papier stond, te doen overgaan in het leven. Dat dit zijne taak was, volgde voor een deel uit de uitdrukkelijke bepalingen der Grondwet. Doch ook wanneer de Grondwet hierover zweeg, meende de Souvereine Vorst, dat hij geroepen was om de maatregelen te nemen en de benoemingen te doen, noodig voor de invoering der Grondwet. Eene meening, die geene tegenspraak uitlokte. Ja er was, zooals wij gezien hebben523), alle grond om aan te nemen, dat ook de Notabelen bij de aanneming der Grondwet van deze voorstelling waren uitgegaan.

Eene gewichtige taak stond alzoo den Souvereinen Vorst te wachten. Eéne zaak moest allereerst zijne aandacht trekken. De Grondwet droeg den Souvereinen Vorst op, te bepalen in welke hoofdtakken het Staatsbestuur zoude worden verdeeld; aan te wijzen, welke personen hem bij elk dier takken ter zijde zouden staan. „De Souvereine Vorst”, zoo luidde art. 35 der Grondwet, „stelt ministeriëele Departementen in, benoemt derzelver hoofden en ontslaat die naar goedvinden”. Aan het hoofd van den Staat één persoon, de Monarch; aan het hoofd van elk der onderscheidene takken van Staatszorg één persoon, de Minister.

Eene inrichting van Staatsbestuur, waaraan wij zoo gewoon zijn geraakt, dat wij ze ons bijna niet anders kunnen denken. Toch was ze—wanneer men let op de organisatie van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, en haar daarmede vergelijkt—eene nieuwigheid: zoo iets eigen was aan de oude Republiek, het was dit, dat niet alleen het stedelijk, niet alleen het provinciaal, maar ook het algemeen bestuur niet geplaatst was in handen van één persoon, maar in die van een collegie. De Staten-Generaal aan het hoofd—maar toch staande onder den invloed van de Staten der gewesten en van de vroedschappen der steden. Collegiën toegerust met wetgevende en uitvoerende macht tevens. Onder die Staten-Generaal stonden voorts collegiën van bestuur alleen, zooals de vijf Admiraliteiten, de Raad van State, de Rekenkamer. Dat er, bij de verbrokkeling der Souvereiniteit, onder de collegiën, die aan het hoofd stonden, en bij de verdere verdeeling van de bestuurstaak onder die ondergeschikte collegiën, nog van het algemeen bestuur iets terecht kwam, was bijna een wonder in de oogen van den Raadpensionaris Slingelandt en andere staatslieden der Republiek. Hogendorp524), na de revolutie van 1795 nadenkende over die vroegere organisatie, zocht de verklaring van dat wonder hierin, dat er zeer veel geschiedde, wat staatsrechtelijk niet was te verdedigen. Hij spreekt, als van iets onbekend bij de constitutie, van een geheimen raad van het bondgenootschap, bestaande uit den Stadhouder, uit den Raadpensionaris van Holland, uit de ministers of dienaren der Hooge Vergaderingen en Collegiën, en eindelijk uit eenige voorname leden der Staten-Generaal en van de groote Hollandsche steden, welke laatsten, daar zij voortdurend door anderen werden vervangen, echter in invloed bij al de eerstgenoemden achterstonden. Zoo stond de Stadhouder met eenige bekwame ambtenaren eigenlijk aan het hoofd van dezen Raad. Ja, zegt Hogendorp, zoo de Raadpensionaris een man van vernuft en van moed was, kon hij met den Stadhouder schier alles op zich nemen. En dit niettegenstaande deze laatste zelfs geene stem had in de vergadering der Staten-Generaal, en de Raadpensionaris van Holland niets anders was dan de dienaar van één lid van het bondgenootschap en een der gedeputeerden van dit lid in die hoogste vergadering der Unie: de Staten-Generaal. Al wat men echter deed, moest nog de sanctie dezer hoogste Vergadering erlangen of althans door haar niet worden afgekeurd, van die hoogste Vergadering, welke op hare beurt weder afhankelijk was van de zienswijze der provinciale en stedelijke besturen.

Werd nu door de revolutie van 1795, die het beginsel van staatseenheid invoerde, tevens de collegiale vorm van bestuur verlaten? Ik spreek hier niet van de wetgevende macht, die van de uitvoerende of besturende macht werd gescheiden. Het is de laatste, die hier ter sprake moet komen. Werd nu het voorbeeld gevolgd van Noord-Amerika, en één persoon, de president, aan het hoofd der uitvoerende macht geplaatst? Evenals de vrees voor de monarchie in 1795 in Frankrijk geleid had tot de instelling van het Directoire, zoo was ook hier de vrees voor het eenhoofdig bestuur levendig en wilde men van een president niets weten. De uitvoerende macht werd volgens de staatsregeling van 1798 gesteld in handen van een collegie van 5 leden: het Uitvoerend Bewind. Met den collegialen vorm van bestuur werd alzoo niet gebroken. Het moet hierbij echter worden erkend, dat al de moeilijkheden, verbonden aan het bestuur van de Unie, niet zoozeer een gevolg waren van het collegiale van het bestuur, als van de verbrokkeling van het gezag tusschen de leden van het bondgenootschap en de daarmede gepaard gaande onzelfstandigheid van het hoogste collegie: de Staten-Generaal. Men behoefde die bezwaren niet meer te duchten, nu het beginsel van staatseenheid was ingevoerd en de uitvoerende macht in haar geheel in handen van één collegie geplaatst was. Doch er waren er, die nog verder wilden gaan. Er waren er, die, uit een overdreven vrees voor het eenhoofdig gezag, ook nog den collegialen vorm wilden toepassen op de dienaren der uitvoerende macht, bij de verdeeling der verschillende takken van staatsbestuur. Er waren er, die het uitvoerend bewind door comités wenschten te zien geadsisteerd. De meerderheid der Nationale Vergadering verklaarde zich echter voor ministers. Dit beginsel werd eveneens in de staatsregeling van 1798 gehuldigd. Alleen aan het hoofd werd een collegie geplaatst. Het denkbeeld was, dat dit collegie bedaard, ernstig zou raadplegen over de te nemen maatregelen, terwijl de werkelijke uitvoering, de eigenlijke bediening der uitvoerende macht voor elken hoofdtak van staatsbestuur zoude worden opgedragen aan één persoon, aan één minister. Deze had, meende men, niet te beoordeelen de wijsheid of verkeerdheid van de maatregelen der uitvoerende macht, hij had ze alleen uit te voeren in den geest van het collegie. Voor deze uitvoering nu was het wenschelijk één persoon voor zich te hebben, zoowel omdat hij tegenover het uitvoerend bewind zich niet kon verschuilen achter het scherm van een comité en alzoo zijne verantwoordelijkheid illusoir zoude worden, als omdat, waar het op snelheid en gemakkelijkheid van handelen aankwam, de macht in handen van één persoon verre de voorkeur verdiende. Het springt in het oog, dat veel van hetgeen voor het bestaan van ministers pleitte, ook kon worden aangevoerd voor de samentrekking der uitvoerende macht in de handen van één persoon, en dat omgekeerd zoo aan het hoofd een collegie de vereischte taak kon verrichten, er ook argumenten waren aan te voeren voor het collegiaal karakter der meer ondergeschikte macht. Immers de voorstelling was eenzijdig, dat alleen op de hoogste sport deliberatie te pas kwam; ook de handeling van den minister was in de meeste gevallen niet machinaal. „Wilde men,” zoo vroeg men in de Nationale Vergadering, „eene vloot doen uitzeilen, eene armee doen marcheeren, zonder te overwegen, of de eerste de noodige victualie en de laatste de vereischte sterkte had525)?” Het kon dan ook niet bevreemden, dat, toen in 1801 de revolutiekoorts had uitgewoed en er weder heimwee ontstond naar veel van het oude, ook het nieuwe hoofd der uitvoerende macht: het Staatsbewind, de vrijheid kreeg, om, met uitzondering van Buitenlandsche Zaken, zich door collegiën te laten bijstaan (art. 32). Dit was echter iets voorbijgaands. Op 't voorbeeld van Frankrijk zette men in 1805 de vrees voor het eenhoofdig gezag ter zijde. Wanneer nu aan het hoofd der uitvoerende macht eerst een Raadpensionaris, daarna in 1806 een erfelijk Koning geplaatst werd, lag het voor de hand, dat ook de bediening van elk der onderscheidene deelen der uitvoerende macht aan één persoon werd opgedragen. Had voorts de staatsregeling van 1805—evenals die van 1798 en 1801—nog zelve de wijze van verdeeling van het staatsbestuur geformuleerd (art. 48), koning Lodewijk besliste zelf over die verdeeling. Hij benoemde niet alleen zijne ministers, hij bepaalde ook hun getal en hunne werkzaamheden (art. 27).

Ik keer nu tot 1814 terug. Wat zij in art. 35 opdroeg aan den Souvereinen Vorst, had zich alzoo uit het staatswezen der Revolutie ontwikkeld en had onder koning Lodewijk den vorm gekregen, dien het onderwerp ook nu behield. Toen echter de Souvereine Vorst tot de uitvoering van art. 35 wilde overgaan, vond hij geene tabula rasa meer. Hij had te rekenen met hetgeen er sedert de Novemberdagen van 1813, sedert de optreding van het Algemeen Bestuur en zijne daarop gevolgde aanvaarding der Souvereiniteit, geschied was.

Toen Hogendorp en van der Duyn den 21sten November 1813 het Algemeen Bestuur op zich hadden genomen, waren door hen den 29sten November 1813, dus even vóór de terugkomst van den Prins van Oranje, Commissarissen-Generaal aangesteld voor financien, binnenlandsche zaken, oorlog en politie526). Hunne aandacht was gevallen op Elias Canneman, Mr. Hendrik van Stralen, B. H. Bentinck tot Buckhorst en Mr. A. Hoynck van Papendrecht.

Canneman werd Commissaris-Generaal van financien. In 1777 in nederigen stand te Amsterdam geboren, had hij na 1795 de aandacht getrokken van den financier der Revolutie, Gogel, en was hij in 1798 door dezen, toen Agent of Minister van financien, tot chef de bureau benoemd. Sedert was hij door zijne verdiensten tot hoogere betrekkingen geroepen en diende hij na de inlijving het Keizerrijk als directeur der belastingen in het departement van de Monden van de Maas527). Dit laatste had hem echter niet belet met Hogendorp bij de omwenteling gemeene zaak te maken. Hij was immers ook de steller der proclamatie van 21 November 1813, waarbij het Algemeen Bestuur de Nederlanders van den eed van trouw en gehoorzaamheid aan den Keizer ontsloeg. Evenmin verhinderde hem de nauwe betrekking waarin hij stond tot Gogel528), toen Intendant-Generaal van financien hier te lande, om voor Hogendorp een brief te ontwerpen, waarin deze van Gogel onder inroeping zijner verantwoordelijkheid aan de Hollandsche Natie eischte, in dienst van het Algemeen Bestuur over te gaan529). Onder deze omstandigheden en bij de weigering van Gogel om den eed aan den Keizer gedaan te verbreken, was het niet vreemd, dat Canneman tot Commissaris-Generaal van financien benoemd werd: Canneman, die, na Gogel, wegens zijne kunde wellicht het meest in aanmerking kwam, en die zich noch door gemoedsbezwaren, noch door vrees had laten terughouden tot het vestigen der onafhankelijkheid mede te werken.

Gewichtig was—vooral bij eene ledige schatkist—het Commissariaat-Generaal van financien. Niet minder dat voor binnenlandsche zaken. De man, die hiermede werd belast, Mr. Hendrik van Stralen, was geen medewerker tot de omwenteling geweest. En dit niettegenstaande door haar zijne vurigste wenschen zouden worden vervuld. In 1751 te Hoorn uit eene patricische familie geboren, behoorde hij met Hogendorp vóór 1795 tot de meest verkleefde aanhangers van het huis van Oranje; evenals Hogendorp was ook hij aan de zege der Oranjepartij in 1787 veel verschuldigd. Door de Revolutie van 1795 ambteloos burger geworden, was hij in 1799 bij den inval der Russen en Engelschen in Noord-Holland en bij de aankomst van den toenmaligen Erfprins, de raadsman van dezen geweest, en was het alleen aan een gelukkige samenloop van omstandigheden te danken, dat een tegen hem te dier zake aangevangen strafproces gesmoord werd. Maar hij was sedert—wat met Hogendorp wel het geval was—niet ambteloos gebleven; integendeel, met autorisatie van den voormaligen Stadhouder was hij, evenals zoovele anderen zijner partijgenooten, in 1802 in den dienst der Bataafsche Republiek overgegaan. Onder Schimmelpenninck is hij zelfs Secretaris van Staat voor binnenlandsche zaken. Lodewijk benoemt hem tot lid van het wetgevend lichaam; onder het keizerrijk trekt hij een pensioen van fr. 6000. Hij was voorzeker niet minder dan Hogendorp gestemd voor de afschudding van het fransche juk en den terugkeer van het huis van Oranje. Toch behoorde hij onder dat groote getal van oud-regenten, die voor eene kloeke daad terugdeinsden. Zeker niet om gemoedsbezwaren; maar de herinnering aan de bange dagen van 1799, de vrees voor de gevolgen weerhielden den 62-jarigen man, een werkzaam aandeel aan de omwenteling te nemen. Dit belette Hogendorp niet, van Stralen, die in het binnenlandsch bestuur doorkneed was, de betrekking van Commissaris-Generaal op te dragen530).

Wat te zeggen van de Commissarissen voor Oorlog en de Politie? Minder gewichtig was het ambt van den laatste. Immers het kon de bedoeling niet zijn, de geheime politie, onder welke men gedurende de fransche heerschappij zoo gezucht had, te laten voortduren; men meende echter, terwijl de vijand nog in het land was en men wellicht niet overal van den geest der bevolking zeker was, vooreerst een algemeenen Commissaris van politie noodig te hebben. Waarom daartoe Mr. Antony Hoynck van Papendrecht werd uitgekozen, is mij onbekend. Gewichtiger dan deze betrekking was voorzeker het Commissariaat van Oorlog. Deze taak werd aanvaard door een Overijselsch edelman, B. H. Bentinck van Buckhorst. Geboren in 1751, page van Willem V, later officier, in 1795 uitgeweken, in 1801 teruggekeerd, was hij zijne oude liefde voor het huis van Oranje getrouw gebleven en ontsnapte hij tijdens de fransche heerschappij alleen door den invloed van Schimmelpenninck aan eene vervolging wegens eene geheime briefwisseling met den Prins. Hij behoorde dan ook tot de eedgenooten, die na den oorlog met Rusland zich hadden verbonden om voor de afschudding van het vreemde juk werkzaam te zijn. Ik vermoed, dat meer de naam en de gezindheid van Bentinck, dan de kunde van den man de aandacht op hem hebben doen vestigen.

Zoo vond de Prins den toestand, toen hij den 2den December 1813 de Souvereiniteit aanvaardde en den 6den December 1813 het bestuur overnam. Hij liet de titularissen in functie, doch benoemde Hogendorp tot zijnen Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken, en den 71-jarigen oud-regent Mr. J. C. van der Hoop tot Commissaris-Generaal voor de Marine. Vroeger Raad en Advocaat-fiscaal van de Admiraliteit te Amsterdam, had hij sedert de revolutie van 1795 zich geheel van het werkzame leven teruggetrokken. In de Novemberdagen van 1813 ontmoet men hem weder en nu als voorzitter van het provisioneel bestuur te Amsterdam. Onttrok hij zich alzoo niet, zooals van Stralen, aan de beweging, het was niet om de vaan des opstands omhoog te heffen, integendeel om in een stillen geest werkzaam te zijn tot behoud van orde en rust531). Had men, bij de weigerachtigheid van Gogel, tot Canneman zijne toevlucht moeten nemen, de halsstarrigheid van den Vice-Admiraal Verhuell in het getrouw blijven aan den Keizer mag de reden zijn geweest dat de keuze werd gevestigd op een man, aanbevelenswaardig, door zijne Oranjegezindheid zoowel als door zijne vroegere betrekkingen bij de Marine, maar die in de laatste 18 jaar buiten alle rechtstreeksche aanraking met dit vak gebleven was.

Alzoo waren de hoofdtakken van Staatsbestuur: Binnenlandsche Zaken, Financien, Oorlog, Marine, benevens Politie, elk onder een eigen hoofd gesteld. Waar bleef de Justitie? De hoogste rechterlijke ambtenaar hier te lande was Mr. C. F. van Maanen, de eerste president van het Hoog Gerechtshof, de man, die hoewel een kind der revolutie, evenals Gogel, den Keizer met groote toewijding gediend had.—Van Maanen had tot aan de komst van den Prins hier te lande van deelneming aan de omwenteling niets willen weten. Is er in die dagen recht gesproken, 't moet geweest zijn in naam des Keizers. Toen de Prins echter den 30sten November 1813 was teruggekomen, volgde het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 December 1813, waarbij al de rechterlijke autoriteiten werden ontbonden, doch te gelijkertijd weder bij provisie in werking gebracht, om nu in naam der Hooge Overheid in plaats van in naam des Keizers recht te spreken. Ook van Maanen ging nu over in dienst van het nieuwe bestuur. Doch niet alleen dit. Hij kreeg ook van den Souvereinen Vorst zonder den titel de functie van Minister van Justitie, zoodat al de voordrachten, het justitiewezen betreffende, voortaan door hem zouden gedaan worden532). Daarentegen werd het afzonderlijke Departement van Politie na de bevestiging van den staat van zaken bij besluit van 2 Februari 1814 hier te lande opgeheven, en de Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof533) met de zorg voor de Politie belast534).

Alzoo was in het tijdvak van December 1813 tot 30 Maart 1814, het gewichtige tusschentijdvak, waarin de Prins als Souvereine Vorst de onbeperkte macht uitoefende, het bestuur onder den Vorst geplaatst in handen van van Hogendorp, van Stralen, van Maanen, Canneman, Bentinck en van der Hoop. Naast, zoo niet boven die allen, stond nog A. R. Falck, die, in 1777 geboren, en dus in 1813 nog slechts 36 jaren oud, door zijn kloekmoedig gedrag in de dagen der omwenteling op den voorgrond was gekomen, en alzoo was geroepen om eerst het Algemeen Bestuur, later den Souvereinen Vorst als Secretaris ter zijde te staan, totdat hij 31 December 1813 benoemd werd tot Algemeen Secretaris van Staat535), eene betrekking, waarop ik later terugkom.

Welke verandering zoude in dit alles komen door de uitvoering, die de Souvereine Vorst moest geven aan art. 35 der Grondwet? Vóór hare aanneming was die vraag reeds beslist. Immers reeds den 20sten Maart 1814 wist Mr. H. van Stralen, dat hij het veld moest ruimen voor een ander, en reeds den 23sten Maart 1814 was het zeker, wie zijn opvolger zoude zijn536). De besluiten van de benoeming der Ministers dragen echter de dagteekening van 6 April 1814537). Behalve van Stralen, werden ook Hogendorp, Canneman en Bentinck door anderen vervangen. In de inrichting van het Staatsbestuur kwam overigens geene verandering dan dat de Waterstaat van het departement van Binnenlandsche Zaken afgescheiden en een afzonderlijke tak van bestuur werd, terwijl met het oog op de te verwachten teruggaaf der Koloniën een nieuw departement voor Koophandel en Koloniën werd opgericht.

Het Staatsbestuur was alsnu op de volgende wijze verdeeld: Oorlog: Mr. J. H. Mollerus, onder de opperdirectie van den Erfprins, Generaal en Chef der Nederlandsche Armee; Buitenlandsche Zaken: A. W. C. van Nagell tot Ampsen; Marine: Mr. J. C. van der Hoop; Binnenlandsche Zaken: Mr. W. F. Röell; Financiën: Mr. C. C. Six tot Oterleek; Koophandel en Koloniën: G. A. G. P. van der Capellen; Waterstaat: Mr. O. Repelaer van Driel. De zorg voor de Justitie bleef opgedragen aan 's Hofs Eersten president, evenals die voor de Politie aan den procureur-generaal538). Falck bleef eveneens Algemeen Secretaris van Staat.

Er waren er dus, die 't zij door het Algemeen Bestuur, hetzij door den Souvereinen Vorst benoemd, niet overgingen in het nieuwe Ministerie. Dat Hogendorp als Minister van Buitenlandsche Zaken vervangen werd, laat zich gereedelijk hieruit verklaren, dat de hem opgedragene betrekking van vice-president van den Raad van State moeilijk met het beheer der Buitenlandsche Zaken vereenigbaar was. Aan Bentinck viel de taak van Minister van Oorlog te zwaar; hij was dankbaar naar Overijsel, naar zijn geboorteland te kunnen verhuizen, om aldaar als Gouverneur aan het hoofd te worden geplaatst. Dat van Stralen en Canneman het veld moesten ruimen, was zeker niet een gevolg hunner politieke antecedenten, want de eerste was een der slachtoffers van 1795, de tweede had wel alles aan de omwenteling te danken, maar hij was in 1795 te jong om onder de patriotten te kunnen worden gerekend. In verschil tusschen den Souvereinen Vorst en deze beide Staatslieden over de beginselen van Staatsbestuur schijnt de oorzaak te moeten worden gezocht. Waarom nu juist Mollerus, van Nagell, Röell, Six, Repelaer en van der Capellen werden benoemd, lag, behalve in de bekwaamheid en ondervinding van de meesten hunner, wellicht hierin, dat met uitzondering van van der Capellen, een loot uit een aanzienlijk patriottisch geslacht, allen behoorden tot de oude Oranjepartij, al waren dan ook slechts twee hunner, van der Hoop en van Nagell, in de bange jaren 1795–1813 ambteloos gebleven. Dat de overigen zich hadden verzoend met de revolutionaire besturen, was echter geen bezwaar, daar dit geschied was onder uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring van 's Vorsten vader. Bij allen echter trekt het de aandacht, dat zij zich kenschetsen door adellijke of patricische geboorte, van Maanen alleen uitgezonderd, die, evenals Canneman, door de revolutie zijn fortuin had gemaakt.

Bij eene oppervlakkige beschouwing zoude men meenen, dat ten opzichte van de uitvoering van art. 35 der Grondwet nu alles gezegd was. Immers het Staatsbestuur was in onderscheidene takken verdeeld en aan het hoofd van elk dier takken was één persoon geplaatst. Het gewichtige van een ambt, denkt men wellicht, is gelegen in de taak er aan verbonden. De naam, dien het ambt draagt, zal toch wel onverschillig zijn. Is dit echter wel juist? Ook volwassen mannen blijven groote kinderen. Men hecht aan een naam, aan een titel. Zoowel hij die het ambt bekleedt, als de menigte, die u met dien naam aanspreekt. En naarmate de macht minder is, is de behoefte grooter aan pronk en praal. De Ministers waren volgens de Grondwet van 1814 geen zelfstandige Staatsdienaren: zij voerden den wil van den Vorst uit. Het denkbeeld van ministerieele verantwoordelijkheid in Engelschen zin was vreemd aan ons land. Zoowel onder de Staatsregelingen der Bataafsche Republiek, als onder koning Lodewijk waren de Ministers niets anders geweest dan de dienaren der uitvoerende macht en jegens die macht alleen verantwoordelijk. Aan den aard van dit ambt paste zeer goed de naam van Agent, een naam, voorkomende in de Staatsregeling van 1798. Ook nog de naam, gebruikt in de constitutie van 1806, de naam van Minister; dit beteekent immers dienaar. Of men zoude ze ook Commissarissen-Generaal hebben kunnen noemen. De Souvereine Vorst koos echter een anderen, een meer weidschen titel: den titel van Secretaris van Staat. Een titel, die niet voor het eerst hier te lande werd toegekend. Men had reeds in het ontwerp der Staatsregeling van 1797 deze dienaren der uitvoerende macht aldus genoemd, doch in de Staatsregeling van 1798 aan den meer eenvoudigen naam van agent de voorkeur gegeven. In de Staatsregelingen van 1801 en 1805 komen die dienaren echter voor als Secretarissen van Staat. En zoo had de Souvereine Vorst, zooals wij vroeger hebben opgemerkt, Hogendorp onder dezen titel aan het hoofd der Buitenlandsche Zaken geplaatst. Volgens art. 32 van de Grondwet van 1814 zoude ook de Vice-President van den Raad van State een Secretaris van Staat zijn. Een titel, die hooger geacht werd—zooals ook hieruit blijkt, dat aan Mollerus, die, omdat hij stond onder den Erfprins, den naam kreeg van Commissaris-Generaal voor Oorlog, desniettegenstaande de rang van Secretaris van Staat werd toegekend539). Wanneer nu echter, zooals ik geloof, die titel zijnen oorsprong vindt in de Engelsche Monarchie, waar de Secretarissen van Staat geroepen zijn door hunne mede-onderteekening aan de handelingen van de Kroon authenticiteit en kracht te verzekeren, dan betwijfel ik, of wel een van die Ministers tusschen wie het Staatsbestuur verdeeld was, recht op dien titel had. Ja ik zoude meenen, dat dit alleen het geval was met Falck, die, zooals wij gezien hebben, de betrekking van Algemeen Secretaris van Staat bekleedde.

Bij deze betrekking wensch ik nu een oogenblik te blijven stilstaan. Wij vinden haar onder den naam van Algemeen Secretaris in de Staatsregelingen van 1798 (art. 91) en 1801 (art. 32), en onder dien van Algemeen Secretaris van Staat in de Staatsregeling van 1805 (art. 47). Een ambtenaar, die het Uitvoerend Gezag in zijn geheel ter zijde stond en wiens mede-onderteekening voor de geldigheid van de akten van het gouvernement vereischt werd. Wanneer men de instructie van 1 Mei 1805 naleest, zal men zien, dat het na den Raadpensionaris het gewichtigste ambt der Republiek mocht genoemd worden. Mr. C. G. Hultman bekleedde die betrekking onder de Staatsregelingen van 1801 en 1805. Toen koning Lodewijk optrad, benoemde hij in zijne plaats onder den titel van Minister, Secretaris van Staat, Mr. W. F. Röell, dien wij nu hebben zien optreden als Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken. Het is opmerkelijk, dat koning Lodewijk langzamerhand begon te vreezen, door Röell te zullen worden overschaduwd. Hij vreesde, dat Röell als eerste minister zoude worden beschouwd, en eerste minister wenschte hij zelf te zijn. Zoo werd in 1808 na het aftreden van Röell de heer Appelius, die hem opvolgde, geen Minister Algemeene Secretaris, maar Staatsraad-Secretaris des Konings, terwijl na diens ontslag in 1809 de geheele betrekking verviel en met een deel der werkzaamheden de Minister van Justitie en Politie belast werd, terwijl een ander deel werd opgedragen aan den heer Verheyen, als Eersten Secretaris van 's Konings Kabinet540). Toen dit geschiedde, was Falck, volgens Lodewijk: „un jeune homme très instruit et d'une grande espérance”, reeds in betrekking, 't laatst Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Marine en Koloniën. Was het de herinnering aan hetgeen met Röell was voorgevallen, die hem in 1813, toen hem dit ambt zou worden opgedragen, eerst deed terugdeinzen voor den titel van Algemeen Secretaris van Staat, en hem de voorkeur deed geven aan dien van Raad-Secretaris? Falck, wien het meer om de zaak, dan om den titel te doen was, dacht hierdoor minder naijver op te wekken; hij meende ook, dat deze naam beter overeenkwam met de ideeën van eenvoudigheid en economie, die hij ook elders voortplanten wilde541). Onbekend zijn de redenen, die ten slotte toch den titel van Algemeenen Secretaris van Staat hebben doen herleven. Hij stond dus in rang met de overige Ministers gelijk. Het maakt een vreemden indruk, wanneer wij zien, dat Falck's grootste vereerder dit ambt beschouwt als eene ondergeschikte betrekking542). Het tijdvak 1813–1818, waarin Falck als zoodanig optreedt, is integendeel het gewichtigste deel van zijn ambtelijk leven. Want hoewel bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid, bij het geheel persoonlijk gouvernement van Willem I de Algemeene Secretaris in gewichtige zaken niets te bevelen had, zoo werd hij toch wegens den aard zijner betrekking in alles gekend, en moesten zijne inzichten in alle zaken van aanbelang ter kennis van den Vorst komen. Zoowel in de buitenlandsche als in de binnenlandsche politiek moest hij meer dan iemand anders invloed uitoefenen. Hij was toch voor een groot deel de trechter tusschen den Vorst en zijne Ministers; hij is het, die, bij 't overbrengen van 's Vorsten wil, de pen voert. Ik heb er vroeger op gewezen543), hoe, toen in 1814 de onderhandelingen met Engeland over de teruggaaf der koloniën gevaar liepen te mislukken, Falck de man was, die den wagen weder in het rechte spoor bracht. Het was, althans wat de eerste jaren na 1813 betreft, geene ijdele lofuiting, dat Willem I, Falck voorstellende aan Keizer Alexander, tot dezen zeide: „ziehier mijne rechterhand”544). Zoo er dus onder de dienaren van den Vorst iemand was, die aanspraak had op den weidschen titel van Secretaris van Staat, dan was het Falck;—Falck, wiens taak het was door mede-onderteekening aan de handelingen van het Souverein Gezag authenticiteit te verzekeren; Falck, die in 't middenpunt van alles stond en dus den gang van zaken in zijn geheel 't best kon overzien. Of was dit wellicht ook het geval met de andere Secretarissen van Staat, had er ook tusschen hen onderlinge raadpleging plaats? De Staatsregeling van 1798 had in art. 96 het vormen van een afzonderlijken Raad door de Agenten uitdrukkelijk verboden; dit nu had de Grondwet van 1814 niet gedaan. Toch lag een dergelijke Raad niet in den geest dezer Grondwet. De Ministers hadden ieder alleen voor zijn eigen departement te zorgen; zij hadden, elk voor zijn eigen departement, uitvoering te geven aan de besluiten van den Vorst. En wanneer Falck spreekt van een Ministers-Conseil, dan is het een raad, waarin de Souvereine Vorst presideert545). Het was, zooals men het later noemde, een Kabinetsraad. Daarin hadden, behalve de Ministers, ook andere hooge Staatsdienaren zitting, althans de Vice-President van den Raad van State546). Is er in de eerste jaren reeds bovendien een Ministerraad geweest? Ik heb daarvan vóór 1823 geene sporen gevonden547). Maar dit is zeker: de taak van dien, 't zij Kabinets-, 't zij Ministerraad, is in elk geval niet van dien aard geweest, dat de Ministers daardoor bekend werden met den gang van het geheele Staatsbestuur. Hoe weinig de Ministers onder de regeering van Willem I met de algemeene staatsbelangen bekend waren, blijkt uit menige omstandigheid. Van Maanen, die meer dan iemand anders in lateren tijd voor het regeeringsstelsel van Willem I aansprakelijk werd gesteld, komt er in 1817 rond voor uit, in de Financiën onwetender te zijn dan de minste leek, en schijnt dit zeer natuurlijk te vinden548). Nog sterker is hetgeen voorviel met den Minister van Buitenlandsche Zaken, van Nagell, die, toen in 1818 op aandrang der vreemde mogendheden een wetsontwerp zoude voorgesteld worden tot beteugeling der drukpers, een paar dagen vóór de indiening er van aan den Engelschen gezant moest bekennen, dat hij van dat ontwerp nog niets gezien had, en dat de geheele zaak, met uitsluiting van ieder ander, tusschen den Koning en van Maanen was afgesproken en in orde gebracht549). Soms wordt een dergelijke wijze van handelen zelfs van Maanen te kras, en zoo klaagt hij, als de Belgische Revolutie in aantocht is, dat de Vorst zijne Ministers niet bijeenroept tot onderling overleg, zoodat ieder geheel op zich zelven werkt, en zij niets weten van elkander550).

Welk een verschil tusschen den staatsrechtelijken toestand van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, zonder voldoende kracht in het centrum en met de verdeeling van macht tusschen allerlei collegiën, en den toestand, zooals hij door deze nieuwe orde van zaken werd gevestigd. De Vorst mocht der Revolutie van 1795 dankbaar zijn, die al deze hindernissen had opgeruimd en het terrein voor hem had effen gemaakt. Maar welk een afstand lag er ook tusschen het tijdvak der Bataafsche Republiek, toen men uit vrees voor de overmacht van één persoon, van geen president, alleen van een collegie van bestuur wilde weten, en tusschen dit oogenblik, toen de geheele macht van bestuur geconcentreerd werd in één en nog wel in een door het toeval der geboorte aangewezen persoon? Het waren de gulden dagen van het monarchaal bijgeloof. Meende men dan bij de uitoefening van het Staatsbestuur inderdaad alles aan dien eenen persoon te kunnen overlaten? Dit te beweren, zoude niet vrij van overdrijving zijn. Men greep naar een middel, dat, evenals het ministerieel bestuur, door de Bataafsche Republiek was in praktijk gebracht. Ik bedoel den Raad van State. Zoolang de uitvoerende macht aan één collegie, eerst het Uitvoerend, later het Staatsbewind (1798, 1801) was toevertrouwd en onderlinge raadpleging en besluit in een en 't zelfde lichaam waren vereenigd, zoolang kon geen afzonderlijke Raad van State te pas komen. Toen echter in 1805 en 1806 het gouvernement onder Franschen invloed eenhoofdig werd, werd ook hier op het voorbeeld van Frankrijk een Staatsraad ingesteld, ter bevordering van het overleg, dat de gewichtigste daden van Staatsbestuur behoorde vooraf te gaan. Een collegie, dat echter niet het gewicht had, 't welk het in Frankrijk bezat, waar het niet alleen optrad als adviseur in zaken van bestuur, maar ook tevens de hoeksteen was der administratieve rechtspraak, en bovendien een beslissenden invloed op de samenstelling der wetten en reglementen uitoefende, ja welks adviezen, mits door den Keizer goedgekeurd, in rechtskracht de wet evenaarden. Niet alzoo bij ons. In de constitutie van 1805 en 1806 was het hoofd van het uitvoerend gezag alleen verplicht het collegie te hooren over ontwerpen van wet, en was het hooren er van verder aan zijn goedvinden overgelaten (1805 art. 45; 1806 art. 31). Werd nu het eene of het andere voorbeeld door de Grondwet van 1814 gevolgd? Ik meen geen van beide. De Raad van State kreeg een zuiver adviseerend karakter, en in zoover onderscheidde hij zich van den Franschen Staatsraad, maar hij moest gehoord worden over alle daden der Souvereine waardigheid, en alzoo was zijne taak ruimer dan die van den Staatsraad onder Schimmelpenninck of onder koning Lodewijk. Bij het ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid en in de vooronderstelling dat een Vorst het goede wil en dat hij tevens wat goed is, weet te onderscheiden, kon in een dergelijk collegie voorzeker een waarborg liggen voor een goed Staatsbestuur, een collegie, dat zijn advies moest geven, voordat de Souvereine Vorst eenig besluit nam. Was de benoeming der Secretarissen van Staat eene zaak geweest, die met nauwgezetheid behoorde te worden behandeld, het was zeker geen minder gewichtige taak de instructie voor den Raad van State te ontwerpen en tevens aan te wijzen, wie in dit collegie zitting zouden nemen. De instructie werd den 6den April 1814, denzelfden dag, waarop de ministers benoemd werden, vastgesteld551). Zij regelde de wijze van werken van het collegie en maakte geen inbreuk op het zuiver adviseerend karakter door de Grondwet daaraan toegekend. Het zoude den Vorst dienen van consideratiën en advies over alle stukken en zaken, door hem aan hetzelve toegezonden (art. 5). Opmerkelijk alleen is de bepaling van art. 18, waarbij de Souvereine Vorst zich de bevoegdheid voorbehield, een of meer leden dienstbaar te maken aan het Staatsbestuur, door hun de uitvoering van eene commissie op te dragen; eene taak, die eerder viel binnen den werkkring der ministers.

Doch, zooals ik reeds heb opgemerkt, het kwam bij de samenstelling van dezen grondwettigen regeeringsraad niet minder dan bij de benoeming der ministers, op de keuze der leden aan. De Souvereine Vorst was hierin niet geheel vrij. Zooveel mogelijk moesten zij uit al de provinciën of landschappen gekozen worden, en hun getal mocht dat van 12 niet te boven gaan. De Souvereine Vorst bepaalde zich voorshands tot de keuze van elf. Het waren A. F. van der Duyn van Maasdam, F. S. van Bylandt-Halt, Mr. C. T. Elout, E. Canneman, J. H. van Lynden van Lunenburg, W. H. van Hambroick van Weleveld, Jacob Fagel, Mr. W. Queysen, G. W. J. van Lamsweerde, E. J. Alberda en S. J. G. J. van Burmania Rengers.—Althans de meesten hunner waren slachtoffers geweest van de omwenteling van 1795; onder hen waren echter slechts enkelen, zooals Jacob Fagel en van der Duyn, die de opvolgende besturen niet hadden gediend. Dat het behoord hebben tot de oude Oranjepartij niet een volstrekt vereischte voor de benoeming was geweest, bewijst de keuze van den patriot Queysen en van Canneman. En de keuze van dezen laatste bewijst tevens, dat oppositie tegen de zienswijze van den Vorst, mits daarvan slechts niets bleek in 't openbaar, geene reden was voor volslagen ongenade. Doch behalve die elf leden, behoorde tot dit collegie ook de vice-president; 't is waar, de Souvereine Vorst kon zijn Raad presideeren, maar het zou hem wel niet mogelijk zijn in de dikwijls te houden vergaderingen tegenwoordig te zijn. Vandaar dat de Grondwet de bevoegdheid gaf een vice-president met den titel van Secretaris van Staat aan te stellen. Ik heb reeds vroeger er op gewezen, dat aan die bepaling uitvoering gegeven werd en dat de keuze viel op Hogendorp. Het was een geniaal en energiek, eer- en heerschzuchtig man als Gijsbert Karel, de man bovendien, wiens verdiensten ten opzichte van de herleving van ons volksbestaan die van alle anderen in de schaduw stelden; het was dezen niet kwalijk te nemen, zoo hij er meende aanspraak op te hebben eene gewichtige plaats in het Nederlandsche Staatsbestuur in te nemen. Het ambt van Raadpensionaris, in zijne Schets eener Grondwet opgenomen, was door het niet overnemen daarvan in de Grondwet, hem reeds ontgaan. Hij kwam nu aan het hoofd te staan van den grondwettigen Regeeringsraad: den Raad van State. Hij werd bovendien de president van de eerste gewone vergadering der Staten-Generaal. Hij heeft zich voorzeker gevleid eene plaats te zullen innemen, die, zoo zij al niet gelijk stond met die van den Souvereinen Vorst, toch van eene zelfstandige en invloedrijke natuur was. Evenals de Vorst gaf ook Hogendorp elke week audientie552). Hij zal echter spoedig hebben ontwaard, dat er naast Willem I, den regent door geboorte, voor hem den geboren regent geene ruimte was. Hij heeft het spoedig moeten ondervinden, dat aan de bepaling den Raad van State over alle daden der Souvereine waardigheid te hooren, de hand niet gehouden werd; dat integendeel de Souvereine Vorst ten opzichte hiervan naar zijn welgevallen te werk ging. Over diplomatieke aangelegenheden werd de Raad van State niet gehoord; over zaken van specialen aard evenmin. Wat er overbleef waren zaken van algemeene strekking, betreffende het binnenlandsch en koloniaal bestuur553), en dan waarschijnlijk nog alleen voor zoover de Souvereine Vorst het oirbaar achtte. Doch ook al ware aan dit onbeperkte, in de praktijk moeilijk op te volgen voorschrift de hand gehouden, zou het de vraag zijn geweest, of Hogendorp zich op den duur had kunnen schikken in een toestand, waarin hij toch volgens de Grondwet niets anders kon zijn dan het invloedrijkste lid van een zuiver adviseerend collegie, waarin hij alzoo geene actieve rol konde spelen. Die positie veranderde niet van aard door zijne deelneming aan den Kabinetsraad, waarvan hij tevens, zooals wij gezien hebben, lid was. Het zij hoe het zij, spoedig kon het worden voorzien, dat er eene botsing moest ontstaan tusschen de beide overheerschende persoonlijkheden, den Vorst en het hoofd der omwenteling—en dat Hogendorp voor een meer kneedbaar individu zoude moeten plaats maken. Zijn presidium der Staten-Generaal duurt slechts voor ééne zitting; het vice-presidentschap van den Raad van State overleeft slechts korten tijd de vereeniging met België; het houdt op met den herfst van 1816554). In eene monarchie als die van Willem I was voor een man als Hogendorp geene plaats dan in de rijen der oppositie.

Zoo hebben wij dan de aandacht gevestigd op de benoeming der Ministers en op de samenstelling van den Raad van State.

Dezelfde 6 April 1814 zoude zich echter hiertoe niet bepalen. Er werd ook gezorgd voor het bestuur der deelen. Onder het Fransche régime bestonden voor de departementen een préfet, een conseil de préfecture en een conseil général du département555). De taak dezer beide collegiën was echter van zeer ondergeschikten aard. Het geheele bestuur was toevertrouwd aan den prefect. Onder het Keizerrijk was Frankrijk een aan de krijgstucht onderworpen leger, gecommandeerd door burgerlijke officieren, die jegens niemand anders dan jegens den Keizer plichten te vervullen hadden. Dit gold van de gemeente, dit gold ook van de departementen. Toen nu de Franschen waren afgetrokken, werden door den Souvereinen Vorst Commissarissen-Generaal voor de departementen aangesteld, die in de plaats traden der vroegere prefecten. Wat had echter de Grondwet bepaald? Zij had, in de verte navolgende de Schets van Hogendorp, aan de deelen zelfbestuur willen toekennen; maar een zelfbestuur gecontroleerd door het algemeen bestuur, en, voor zoover het gewestelijk bestuur belast werd met de behartiging van het algemeen rijksbelang, handelende naar de zienswijze van het centraal gezag. Een noodzakelijk gevolg hiervan was, dat er een ambtenaar des Vorsten in elk gewest diende te zijn, die kon waken voor de algemeene belangen. Art. 76 had dan ook, zooals wij gezien hebben556), bepaald, dat er in alle provinciën of landschappen Commissarissen van den Souvereinen Vorst zouden zijn, op eene instructie door dezen vast te stellen. Hogendorp had hun in zijne schets den titel van Stadhouder gegeven. Maar die naam herinnerde te veel aan het ambt, door de Prinsen van Oranje zelven bekleed. De Grondwet liet de keuze van de benaming aan den Vorst zelven over, en zoo werden zij getooid met den weidschen, ook in de Republiek der Vereenigde Nederlanden gebruikelijken titel van Gouverneur. Hoewel de Grondwet er van zweeg, liet de Souvereine Vorst bij de vervulling dezer betrekkingen zich zooveel mogelijk leiden door het beginsel, aan het hoofd van elke provincie een gewestgenoot te plaatsen. J. C. E. van Lynden trad op in Gelderland, F. van Leyden van Westbarendrecht in Zuid-Holland, J. H. Schorer in Zeeland557), J. M. van Tuyll van Serooskerken in Utrecht, I. Aebinga van Humalda in Friesland, B. H. Bentinck van Buckhorst in Overijsel, G. W. van Imhoff in Groningen, P. Hofstede in Drente. Alleen de keuze van Mr. A. W. N. van Tets van Goudriaan, geboren te Dordrecht, voor Noord-Holland, en die van Mr. C. G. Hultman, geboren te Zutphen, voor Brabant, maakten hierop eene uitzondering. Het trekt de aandacht, dat nog meer dan bij den Raad van State aanzienlijke geboorte bij de keuze op den voorgrond heeft gestaan. Niet vreemd, als men in aanmerking neemt, dat deze Gouverneurs den Vorst in de provincie moesten vertegenwoordigen.

Ik noem hen vertegenwoordigers van den Vorst. De residentie kon zich vermeien in al den praal en luister, aan een hofhouding verbonden. Zoude het voor het monarchaal beginsel niet wenschelijk zijn, zoo de provincie zich ook kon verheugen in iets dat op eene hofhouding geleek? Daarom werd de Gouverneur ruim bezoldigd en bewoonde hij een paleisje. En in dat paleisje kon men gaan buigen en met eenigen goeden wil zich inbeelden, dat men ten hove was. Zoo kon het gebeuren, dat de menigte in dezen ambtenaar bij voorkeur iemand zag, die door costuum had te schitteren en door nederbuigende goedheid de menschen aan zich had te verbinden. Zoo kon het licht gebeuren, dat men voorbijzag, hoe deze ambtenaar ook eene gewichtige taak te verrichten had. Was dit laatste ook den Souvereinen Vorst bij het vervullen dezer betrekking ontgaan? Ik meen van neen. Van Imhoff, vóór 1795 oranjeman, in 1813 lid van het Fransche Wetgevend Lichaam, werd gouverneur van Groningen; Hofstede, eveneens oranjeman, maar in den Franschen tijd 's Keizers prefect, werd gouverneur van Drente; Hultman, een dienaar van de Bataafsche Republiek reeds in hare eerste jaren, en tot het einde der Fransche heerschappij eveneens prefect, werd gouverneur van Brabant. Moet bij deze benoemingen niet hunne bekwaamheid den doorslag hebben gegeven?

Tot dusver heb ik gehandeld over de invoering der Grondwet, voor zoover die, volgens uitdrukkelijke bepalingen, aan den Souvereinen Vorst was opgedragen. Doch er waren andere keuzen te doen, waarbij dit niet het geval was. De collegiën moesten worden samengesteld, die, nog meer dan de Raad van State, de waarborg moesten zijn voor een goed staatsbestuur. Allereerst komen in aanmerking de Staten-Generaal. Niet de Staten-Generaal van voorheen, niet meer de afgezanten der Souvereine gewesten, maar eene vergadering, door welker oprichting geofferd werd aan de goden van den nieuwen tijd. Eene vergadering, die evenals het hoogste collegie in de staatsregeling van 1798, het volk zoude vertegenwoordigen, en welker leden eveneens vrij en onafhankelijk zouden zijn in het uitbrengen hunner stem (art. 52, 62). Zonder haar zouden geene wetten worden vastgesteld; met haar zouden de financiën worden geregeld (art. 46, 70, 72). Bij de samenstelling van dit lichaam kwam het dus op personen aan, die het vertrouwen des volks, juist niet dat des Vorsten, genoten. De Grondwet had de keuze aan de Staten der gewesten opgedragen. Maar deze Staten moesten nog geboren worden. Wie zoude nu de eerste keuze doen? Zoo er nog eenig bewijs voor het gemis van alle publiek leven noodig was, het zou wel dit zijn, dat de Vorst zich bij het zwijgen der Grondwet geroepen achtte de eerste keuze te doen, en dat dit denkbeeld bij niemand eenige afkeuring ontmoette. Hoe heeft nu Willem I die taak vervuld? Welke leidende beginselen zijn bij deze keuze gevolgd? Wij vinden onder de leden Hogendorp, die moeilijk kon worden voorbijgegaan. Wij vinden er onder vier leden der grondwetcommissie: van Aylva, van Heerdt, van Lynden tot Blitterswijk, van Tuyll van Serooskerken. Ook de overige leden zijn bijna allen mannen van aanzienlijke geboorte, die een jaar later op de lijst der edelen staan geboekt. Het was menschelijk, dat de Vorst hierop meer lette dan op kunde en zelfstandigheid. Men beschouwde die benoeming dan ook als de ontvangst eener weldaad. Het was een begeerlijk baantje. Versierd met den titel van Edelmogende, begiftigd met eene bezoldiging van ƒ 2500, had men niets anders te doen, dan een paar maanden des jaars genoegelijk in de residentie door te brengen. Toen van Stralen de portefeuille van Binnenlandsche Zaken moest vaarwel zeggen, verkreeg hij als pleister op de wonde eene plaats in 't gerechtshof voor zijnen zoon, een pensioen van ƒ 3000 en het lidmaatschap van de Staten-Generaal voor zich zelven. Hij betuigt aan den Souvereinen Vorst, dat door het een zoowel als door het ander de dankbaarheid en verplichting jegens dezen vermeerderd zijn558). Het was dan ook te verwachten, dat dit collegie den Souvereinen Vorst geene bezwaren in den weg zou leggen. Is die verwachting beschaamd? De Staten-Generaal vergaderden achter gesloten deuren; hierdoor wordt het moeilijk een juist oordeel over dit lichaam te vellen. Mij is echter niet bekend, dat het ooit eene wet heeft afgestemd, terwijl de stormpas, waarmede de gewichtigste ontwerpen werden aangenomen, doet vermoeden, dat er weinig kracht in dit collegie zat. Een sterk sprekend voorbeeld van zijne volgzaamheid vindt men in de regeling der Nationale Schuld; eene regeling, waardoor onze financiën voor eeuwen zouden worden verbonden. Den 6den Mei 1814 werd het ontwerp ingediend; den 14den Mei verscheen het als wet in het Staatsblad. Dat het een collegie was, zooals een Vorst die zelf in alles zijn zin wilde hebben zich zoude wenschen, wordt bevestigd door het oordeel, dat een jaar later door Falck is uitgesproken. Toen tengevolge der vereeniging met België het tweekamerstelsel werd ingevoerd, en de keuze der Tweede Kamer voor de eerste reis ook weder aan den Koning was toevertrouwd, verzocht Falck zijnen vriend D. J. van Lennep hem eenige knappe lieden op te geven, die hij den Koning kon aanbevelen, lieden, die niet alleen in naam het volk vertegenwoordigden, zooals „de zwijgende Staten-Generaal”, waarvan men toen stond afscheid te nemen. „Patriciërs”, zegt Falck, „zijn er genoeg, en ook adellijken. Op Plebejers komt het aan, of ten minste op menschen, die het volk kennen en van hetzelve gekend worden”559).

Zoo werd door Falck de volksvertegenwoordiging geteekend, waarmede Willem I zijne regeering aanving.

Wat er, met deze inzichten, van de besturen, van de vertegenwoordiging der deelen worden zou, valt gemakkelijk te gissen. Ook de eerste keuze van de Provinciale Staten ging eveneens—hoewel 't niet was bepaald—van den Vorst uit. Eerst met 1817 zoude toch het beginsel van verkiezing door Ridderschappen, stedelijke besturen en eigenerfden of landeigenaren beginnen te werken560). Hier kon dus de Vorst een nog grooter aantal zijner onderdanen door dankbaarheid aan zich verbinden. Hetzelfde was het geval met de samenstelling der Ridderschappen en met de eerste vervulling der stedelijke besturen, ja met de eerste benoeming der kiezers voor den stedelijken raad. Dat de Vorst dit alles deed, sprak, meende men, van zelf561).

Dat men alzoo niet alleen de benoeming van griffier als eene gunst beschouwde, maar eveneens het lidmaatschap zelf, blijkt uit de menigte rekwesten, ingekomen om lid der Staten, om Gedeputeerde Staat te worden562). De nieuw benoemde Gouverneurs waren de mannen, die hierover den Minister van Binnenlandsche Zaken moesten adviseeren. Wanneer men nu op de personen let, die tot Gouverneur benoemd waren, dan is het natuurlijk, dat men in de Provinciale Staten dezelfde klasse in hoofdzaak zou zien vertegenwoordigd, die de grondstof voor de Staten-Generaal had opgeleverd. Men werd door gunst vertegenwoordiger der Provincie, ja zelfs erlangde men langs dezen weg het bezoldigde ambt van Gedeputeerden Staat. Van dergelijke collegiën was wel volgzaamheid, geene zelfstandigheid te verwachten, en zoo laat het zich dan ook verklaren, dat de kiemen van zelfregeering der deelen in de Grondwet van 1814 nedergelegd, en in die van 1815 overgenomen, eerst in veel lateren tijd, vooral na 1848, tot wasdom zijn gekomen.

Vóór het einde van 1814 was het groote werk volbracht. De Grondwet van 1814 was zoowel wat betreft het algemeen bestuur, als dat der deelen, ingevoerd. Er was niet alleen eene uitvoerende of besturende macht, er was ook eene vertegenwoordiging van Rijk, Provincie en Stad—al was het er ook eene, die gekozen was door hen, wien zij geroepen was te controleeren. Dit was vreemd, maar 't was nu eenmaal niet anders, en wie vond er eenig bezwaar in? Evenmin was dit het geval met de samenstelling der Rekenkamer, het collegie, dat waken moest tegen financieel wanbeheer. Zoo ergens zelfstandigheid tegenover de Regeering een eerste vereischte was, 't was voorzeker hier. Overeenkomstig art. 120 der Grondwet zoude de Souvereine Vorst dan ook de leden van dit collegie kiezen uit eene door de Staten-Generaal op te maken nominatie. Toch werd voor de eerste samenstelling van dit collegie geene nominatie opgemaakt. Waarom niet? Omdat de Grondwet in art. 120 alleen van nominatie bij eene vacature gesproken had; hier nu was geene vacature—er kwam een geheel nieuw collegie. Dit was nu de reden dat, niettegenstaande de Staten-Generaal er reeds waren, de wet van 9 Juli 1814 (Staatsblad no. 76) den Vorst voor de eerste benoeming aan geene nominatie bond. Evenmin geschiedde dit met de eerste benoeming van Raden en Generaalmeesters van de Munt, voor wie art. 119 der Grondwet hetzelfde had bepaald. Ook hier gaf de wet van 11 Juli 1814 (Staatsblad no. 78) voor de eerste benoeming de vrije keus aan den Souvereinen Vorst.

Ik zoude hier mijne beschouwingen over de maatregelen genomen ter invoering der Grondwet van 1814 kunnen eindigen, ware het niet, dat de adel een aandeel aan het Staatsbestuur zoude hebben, en dat dus over de organisatie dezer instelling een woord dient gezegd te worden. Uitdrukkelijk, zooals vroeger reeds is vermeld563), had de Grondwet in art. 58 bepaald, dat het aan den Souvereinen Vorst bleef voorbehouden eene wet voor te dragen, waardoor aan de edelen of Ridderschappen een evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal zoude worden verzekerd. Doch voor de toepassing dezer bepaling was alzoo eerst eene wet noodig, eene wet, die niet is tot stand gekomen, zelfs niet is voorgesteld. Dit aandeel in het Staatsbestuur ontging dus den adel. Wat echter de Grondwet wel niet uitdrukkelijk bepaald had, maar toch in de bedoeling zoowel van den Souvereinen Vorst als van de Commissie had gelegen, was dat de adel een aandeel zoude hebben in de verkiezing van de leden der Provinciale Staten. Van Maanen wees in zijne toespraak aan de Notabelen er op, hoe in de Staten der Provinciën onze oude, edele, aanzienlijke geslachten naast de vertegenwoordigers der steden en die van het platteland plaats zouden nemen. Het was dus geheel en al overeenkomstig die bedoeling, toen de Souvereine Vorst in de Reglementen, den 26sten Augustus 1814 over de samenstelling der provinciale Staten ter uitvoering van art. 74 der Grondwet vastgesteld, aan den adel in elke provincie een aandeel in de verkiezing van of verkiesbaarheid voor de Staten toekende. Bij die reglementen werd tevens de vraag beslist, in welke provincie de Edelen op zich zelven zouden staan, in welke zij eene Ridderschap, een lichaam van Edelen zouden uitmaken. Voorshands werden hiervan alleen uitgesloten Zeeland en Friesland. In Zeeland was—zooals bekend is—vóór de revolutie van 1795 het hoofd van het Huis van Oranje de eenige Edele. Er was dus in 1814 in Zeeland weinig stof voor een lichaam van Edelen. Dit zal wel de reden zijn geweest, dat men aan de Edelen in Zeeland geen kiesrecht toekende, maar alleen bepaalde dat de kiezers 6 leden der Staten uit den stand der Edelen moesten kiezen. Voor Friesland kan zoo iets de reden niet geweest zijn. Er waren oude Edelen in voldoenden getale; edelen, wier recht wel niet rustte op brieven van adeldom, wier recht alleen in verjaring gegrond was, maar die daarom vóór de revolutie van 1795 niet minder als zoodanig waren erkend. Immers elke grietenij vaardigde één edele en één eigenerfde ter Statenvergadering af. Waarom dan in Friesland niet, in het daarnaast gelegen Groningen wel eene Ridderschap ingesteld? In Groningen wel, waar vóór 1795 wel de bezitters der regeeringsrechten ten platten lande uit courtoisie jonkers genoemd werden, maar waar aan eenen adel als zoodanig geene rechten waren toegekend, waar iets dergelijks noch krachtens vorstelijke opdracht, noch krachtens verjaring had bestaan? Zoude de reden niet deze geweest zijn, dat men de gehechtheid der Friezen aan hunne vroegere instellingen wilde eerbiedigen en daarom in plaats van eene afzonderlijke Ridderschap in te stellen, de stemgerechtigden in elke grietenij, evenals van ouds, een edelman en een eigenerfde liet verkiezen? Daar nu in de overige gewesten eene Ridderschap als kiescollegie werd ingesteld, bleven Zeeland en Friesland in dit opzicht voorloopig een bijzondere positie innemen564).

Wie zouden echter tot die Edelen of Ridderschappen behooren? Het antwoord ligt voor de hand. Men moest van adel zijn. Maar wie was van adel? De Grondwet bepaalde in art. 42, dat de Souvereine Vorst in den adelstand verhief. En art. 77 bepaalde, dat de eerste bijeenroeping en admissie tot de Edelen of Ridderschappen door den Vorst overeenkomstig de omstandigheden zoude geschieden. Toen men, om aan de bepalingen van de reglementen van 26 Augustus 1814 werking te verzekeren, zoude overgaan tot de uitvoering van dit art. 77, kwam de vraag op, of de Souvereine Vorst niet eerst gebruik moest maken van zijn prerogatief, vervat in art. 42, en daarna de alzoo geadelden moest oproepen en admitteeren. De Minister van Binnenlandsche Zaken, Röell, toen hij zag, dat men die verheffing in den adelstand niet wilde laten voorafgaan, deed die vraag aan den Algemeenen Secretaris van Staat. Waarom zoude dit noodig zijn? antwoordde Falck. Admissie tot de Ridderschap was volgens hem verheffing in den adelstand, gelijk het mindere in het meerdere was begrepen. Men zoude, meende Falck, door den anderen weg in te slaan, ook stuiten op het bezwaar, dat eenigen, hij noemde van der Dussen, van Leyden, zouden beweren, die verheffing niet noodig te hebben, dat wil zeggen: zij zouden beweren reeds van adel te zijn. Daar lag dus in de erkenning van Falck, dat, wanneer de Grondwet den Souverein het recht toekende, iemand in den adelstand te verheffen, er reeds buiten de Grondwet zoodanige stand bestond, en dat die er toe behoorden, geene verheffing meer noodig hadden.

Dit was ook in den geest van de wetgeving van koning Lodewijk. Toen deze bij de wet van 22 April 1809 de instelling van den adel in het Koninkrijk invoerde, had hij vooral den ouden adel van ons land op het oog. Deze had—in tegenstelling tot de personen, die de Koning in den adelstand zou verheffen—alleen bevestiging noodig. Daaronder zouden volgens het besluit van 1 October 1809 niet alleen vallen de geslachten, vóór de Revolutie van 1795 in de Ridderschap beschreven, maar ook de zoodanigen, die bewijzen konden, steeds voor inlandschen adel te zijn gehouden, ja zelfs die, welke vroeger tot den adel van het land hadden behoord, doch later er geen effect van hadden genoten. Er waren dus twee categoriën; geslachten, die in den adelstand bevestigd, en geslachten, die er in verheven werden. Hierbij kwam nu nog eene derde categorie: de vreemde adeldom. Geslachten, hier, te lande gevestigd, die konden aantoonen van een uitheemsch adellijk geslacht te zijn of brieven van adeldom van uitheemsche Keizers en Koningen minstens 25 jaar geleden te hebben verkregen, konden door den Koning in den adel worden ingelijfd. Er was dus bevestiging, verheffing en inlijving.

In denzelfden geest werd gehandeld door den Souvereinen Vorst onder de Grondwet van 1814. Den 24sten Juni 1814 werd een Hooge Raad van Adel opgericht. Hij zoude den Souvereinen Vorst als adviseerend lichaam ter zijde staan. Op zijn advies werd uitvoering gegeven aan art. 77 der Grondwet en werden bij onderscheidene besluiten de personen aangewezen, die—zonder dat er eene uitdrukkelijke verheffing in den adelstand plaats vond—tot de Edelen of Ridderschappen in elke provincie geadmitteerd werden565). Dat echter voor de toekomst de beginselen van de wetgeving van koning Lodewijk zouden gevolgd worden, bleek uit het besluit van den Souvereinen Vorst van 13 Februari 1815 (Staatsblad no. 15). Het werd genomen op voordracht van den Hoogen Raad van Adel en op advies van den Raad van State. Volgens dat besluit zouden niet alleen tot den adelstand behooren die door den Souvereinen Vorst in de Ridderschappen of Edelen benoemd en geadmitteerd waren, maar bovendien, die bij vervolg door Hem in den adelstand zouden worden erkend, ingelijfd of verheven. Tevens zouden, wat volgens de regeling van koning Lodewijk niet het geval was, alle hunne wettelijke afstammelingen ook tot den adelstand behooren.

Hiermede had dan ook de instelling van den adel hare organisatie ontvangen. Terwijl de Grondwet—behoudens de eerste admissie volgens art. 77—alleen sprak van verheffing in den adelstand, zag men er geen bezwaar in de deur open te stellen voor twee andere categoriën. De eerste werd gevormd door de personen uit de oude adellijke geslachten van ons land, die bij de eerste admissie konden geacht worden vergeten te zijn. Daartegen bestond weinig of geen bezwaar. Meer bedenkelijk was de toelating der tweede categorie, waardoor de nationale adeldom toegankelijk is gemaakt voor zoovelen, die hun recht ontleenden aan het gunstbetoon van een of ander vreemden Souverein. Bedenkelijk vooral om deze reden. Wanneer men in den adelstand verheven werd, zoude men verwachten, dat dit geschiedde wegens diensten, aan het vaderland bewezen. Wanneer men tot den Nederlandschen adel bracht die geslachten, die ook vroeger als zoodanig erkend waren, dan was het de herstelling van een vroegeren toestand, en bestond er althans een vermoeden, dat de verdiensten van de voorouders de grond daarvan waren geweest. Maar nu men ook vreemden adeldom als grond van verheffing boven zijne medeburgers ging erkennen, nu werd de adel geheel en al losgemaakt van verdienste. Een poging in de commissie voor het ontwerpen der Grondwet van 1815 gedaan, om althans de verheffing in den adelstand met diensten, aan den Staat bewezen, in verband te brengen, stuitte dan ook af op de beslissing van den Vorst566).

Tot dit alles heeft voorzeker medegewerkt het voorbeeld van koning Lodewijk. Wellicht echter nog meer het politiek recht aan den adel verbonden. De oude adel was in sommige gewesten bijna uitgestorven, in andere had hij niet bestaan. In elke provincie moest nu een aanzienlijk getal edelen aanwezig zijn, hetzij om als kiescollegie dienst te doen, hetzij om er uit te kunnen kiezen. Daarom moesten de deuren zoo wijd mogelijk worden opengezet. Daardoor laat zich ook de mildheid verklaren, waarmede Willem I in het verleenen dezer gunst te werk ging. Eindelijk ook, met afwijking van het beginsel van koning Lodewijk, de bepaling, dat de adel op al de wettelijke afstammelingen zoude overgaan. Ware de toestand geweest, zooals hij nu is, er zoude met deze sociale distinctie niet zoo zijn gemorst, als onder de werking der Grondwet van 1814 en vooral onder die van 1815 het geval is geweest.

Zoo waren dan binnen het tijdsverloop van één jaar de maatregelen genomen, noodig voor de invoering der staatsregeling van het herboren vaderland. Eene zaak van gewicht moet hiervan echter worden uitgezonderd. Het geheele vierde hoofdstuk: van de Justitie, bleef onuitgevoerd. Niet alleen wat de beloofde nieuwe burgerlijke- en strafwetgeving, maar tevens wat de eveneens voorgeschreven nieuwe samenstelling der Rechterlijke Macht betreft. Ten opzichte van het laatste onderwerp had men zich dit niet voorgesteld. Had toch niet de grondwetcommissie bij art. 4 van het besluit van 21 December 1813 de opdracht gekregen reeds vóór de indiening van het ontwerp der Grondwet een voorloopig rapport over de regeling der judicieele administratie aan den Souvereinen Vorst in te dienen; blijkbaar met het doel dezen in staat te stellen de noodige maatregelen voor eene nieuwe samenstelling der Rechterlijke Macht voor te bereiden? Aan die opdracht had de commissie door de afzonderlijke aanbieding van het vierde hoofdstuk voldaan567). Doch na de invoering der Grondwet en onder hare werking kwam er niets tot stand. Behoudens de bij het besluit van 11 December 1813 reeds ingevoerde wijzigingen, bleven de Fransche rechterlijke instellingen bestaan, en het duurde tot 1 October 1838 voordat de belofte, ook gedaan door de Grondwet van 1815, vervuld werd en het daarin voorkomende vijfde hoofdstuk: van de Justitie, tot uitvoering kwam—altijd nog zonder de vaststelling van een Nederlandsch Strafwetboek. Is het behoud der Fransche rechterlijke organisatie gedurende zoo langen tijd alleen een gevolg geweest van de moeilijkheid van het onderwerp, of lag de reden ook tevens hierin, dat men tegen de afschaffing van het sedert de inlijving hier bestaande stelsel opzag? De man, die als hoofd der justitie den meesten invloed op dit onderwerp uitoefende, van Maanen, was een verklaard voorstander van dat stelsel. In de zitting der grondwetcommissie van 19 Januari 1814 hoorden wij hem zeggen, dat de oude rechtspleging monstrueus was en dat de justitie zeker nimmer beter was geadministreerd dan op dat oogenblik568). Wij mogen dus aannemen, dat de drang naar de invoering der grondwettelijke bepalingen bij de machthebbenden niet sterk is geweest.

Op één punt echter begreep de Souvereine Vorst, dat door de invoering der Grondwet wijziging in de Fransche wetgeving gekomen was. De Fransche constitutie van het jaar VIII had in art. 75 bepaald, dat geen agenten van het gouvernement wegens daden betrekkelijk hunne functiën konden worden vervolgd dan krachtens eene beslissing van den Staatsraad. De Souvereine Vorst gaf bij besluit van 22 September 1814 te kennen, dat door de invoering der Grondwet deze bepaling der Fransche constitutie vervallen was. Men zoude dus voortaan bij ondervonden willekeur een ambtenaar zonder vergunning van het hooge bestuur voor den rechter kunnen dagen. Eene bescherming tegen willekeur, die echter meer zoude gebaat hebben wanneer de Fransche wetgeving over de rechterlijke macht tevens was vervallen. Zoo bleef het hier te lande executoir verklaarde art. 13 der wet van 24 Augustus 1790 van kracht, hetwelk luidde: „Les fonctions judiciaires sont distinctes et demeureront toujours séparées des fonctions administratives. Les juges ne pourront, à peine de forfaiture, troubler de quelque manière que ce soit les opérations des corps administratifs, ni citer devant eux les administrateurs pour raison de leurs fonctions”. Het slot van dit artikel nam veel weg van de waarde van het besluit van 22 September 1814. De annalen onzer rechtspleging zouden, indien ik mij niet bedrieg, dit kunnen bewijzen.

Doch ik loop vooruit op hetgeen ik in de volgende bladzijden wensch te behandelen.

Ministers van het Algemeen Bestuur (hiervóór, bl. 268).—18 November, als hij hoopt omringd te worden door zijne Staten-Generaal, heeft Gijsbert Karel het volgende lijstje van door dit lichaam te doene politieke aanstellingen in den zak:

President van de Staten-Generaal: van der Duyn.

Raadpensionaris van de Staten-Generaal: Hogendorp.

Secretaris van de Staten-Generaal: Falck.

Minister van Buitenlandsche Zaken: Hendrik Fagel.

Minister van Binnenlandsche Zaken: .................. (blank).

Minister van Oorlog en Marine: Bentinck van Buckhorst; onder hem Jacob May als commissaris-generaal voor marine, C. F. de Jonge als dito voor oorlog.

Minister van Financiën: Repelaer.

Minister van Koophandel en Koloniën: .................. (blank).

Ambassadeur in Engeland: Jacob Fagel569).

De Staten-Generaal dacht hij zich dus majestueus genoeg, om „ministers” aan te stellen ook in afwezigheid van den Prins.—Maar er kwam niet van; en als hij 21 Nov. met van der Duyn het Algemeen Bestuur in eigen handen genomen heeft maakt hij een nieuw lijstje:

Intendant van Financiën: Canneman.

Commissaris-generaal voor oorlog: C. F. de Jonge; dito voor marine: Job May.

Secretaris van Binnenlandsche Zaken: Changuion.

Secretaris van het Algemeen Bestuur: Falck570).

Deze „provisioneele aanstellingen” gelijk hij er boven schrijft, zijn niet alle aldus geschied, daar de omstandigheden ieder oogenblik veranderden. Gaan wij ze intusschen één voor één na.

Voor minister van financiën is 18 Nov. Repelaer bestemd. Deze is 21 Nov. niet meer beschikbaar, daar hij met een zelfgegeven opdracht veiligheid had gezocht in Engeland. Daarentegen heeft zich 20 Nov. bij geschrifte met G. K. in betrekking gesteld de ex-patriot en Keizerlijke ambtenaar Canneman571); hij wordt op den 21sten 's ochtends door G. K. ontvangen572), stelt voor hem de proclamatie van ontslag uit den eed van trouw aan Napoleon en de brieven waarbij Gogel en Falck worden opgeroepen zich ter beschikking te stellen van het A.B.

Tusschen die proclamatie van 21 Nov.573) en het plakkaat dat G.K. den 18den had willen doen uitvaardigen door zijne Staten-Generaal574), ligt eene wereld. In het Plakkaat verzinkt het Keizerlijk Nederland in het niet en duikt dat van vóór 1795 „provisioneel” weder op: „in alle de steden vergaderen de oude Regenten......, ten platten lande de oude Geregten......; alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelven bestonden in 1794 en 1795, aanvaarden hun oud Regtsgebied......” Behouden blijven slechts (voorshands) de bestaande belastingen, en er zal worden recht gesproken niet naar de in 1795 gevolgde wetten, maar naar die van 1809. Aan dit plakkaat zullen de hand houden „onze Ministers, Commissarissen, Ambtenaren......”; andere dan die aan de Staten-Generaal hun aanwezen ontleenen zullen er niet meer zijn.

Canneman's stuk daarentegen ontslaat slechts van den eed en verbiedt correspondentie met de Franschen; het beveelt „alle Hollandsche ambtenaren” (dat is, op enkele weggeloopen Fransche hoofden na, de gansche toestel des Keizerlijken bestuurs) op hunne posten (die van 1811 dagteekenen) te blijven, en stelt hen in de uitoefening hunner ambtsverrichtingen onder de bescherming van alle rechtschapen Nederlanders. Waar een hoofdambtenaar vertrokken is, moet de eerstvolgende in rang diens plaats innemen, en wordt verantwoordelijk gesteld voor alle nadeelen welke, door zijn dralen of verzuimen, uit langeren stilstand der (ex-Keizerlijke) administratie kunnen voortvloeien. De justitie is uit te oefenen volgens de wetten, thans in vigueur.

Of Gijsbert Karel de volle draagwijdte van wat hij onderteekende aanstonds begrepen heeft? Men zou er aan willen twijfelen, gelet op eene aanschrijving als hij b.v. 25 Nov. aan een „gewezen baljuw van Delfland” doet, om de stukken van het A. B. te doen publiceeren en affigeeren „waar zulks in Delfland gebruikelijk was575)”. In een stelsel dat de prefecturen en onderprefecturen handhaaft, komt geen baljuwschap Delfland te pas. Doch dit zijn kleine onregelmatigheden, in verband staande met omstandigheden van plaats en oogenblik die wij natuurlijk niet alle meer kunnen nagaan. De algemeene gang van het werk is duidelijk genoeg, en die is niet in de richting dier aanschrijving van 25 Nov. Als Kemper en Scholten informeeren hoever hun gezag als „commissarissen voor Amsterdam en verdere Noordhollandsche steden” eigenlijk gaat, is het ommegaand antwoord: „Heeren commissarissen hebben de macht van den Prefect en stellen aan een onder-commissaris in iedere sous-prefectuur576)”. Zoodra Falck zijne functiën aanvaard heeft en het A. B. voor het eerst over een geordend bureau beschikt, wordt deze wederopneming der Keizerlijke administratie met groote snelheid en regelmaat tot stand gebracht zoover het gezag van het bestuur reikt. Trouwens wie hebben zij aanstonds uit Amsterdam ontboden om hun in zaken van het binnenlandsch bestuur bij te staan? Janssen, chef van divisie, Schneither, chef de bureau der intendance van binnenlandsche zaken, de twee bekwaamste Hollandsche ambtenaren van d'Alphonse; eerstgenoemde diens rechterhand, bewerker van het Aperçu577)!

Men bespeurt dus dat Gijsbert Karel tegelijk zeer illusionnair is en zeer realistisch. Op zijn studeerkamer laat hij zich makkelijk gaan, maar als hij handelen moet weet hij zich zeer wel naar bestaande noodzaak te voegen. Het eerste belang is voor hem de bevrijding des lands, en als hij erkennen moet dat het op zijne wijze niet gaat, gaat hij zonder mokken over tot een andere.

Nu de bestaande bestuurstoestel overeind was gebleven, was het voor de leiders van den opstand een groot belang, zich de medewerking der financieele ambtenaren te verzekeren. De Franschen hadden bij hun vertrek de kassen zooveel mogelijk geleegd; kon men de bestaande organisatie in werking houden, dan zouden zij geheel automatisch weer worden gevuld. Nu bleek, wat een goed gedrild, goed bezoldigd ambtenarencorps voor een regeering waard was, mits die regeering bevelen kon. De keizerlijke ambtenaren hadden het gehoorzamen geleerd en verlangden niet beter dan zich voor de macht te buigen, maar zij waren er niet op gesteld hun aanzienlijke posten te verliezen of de geperfectionneerde techniek hunner administratie te verruilen voor de gebrekkige oud-vaderlandsche methoden uit een tijd waarin het centrale regeeringsgezag òf ontbrak òf slecht bewerktuigd was. Er zijn een vrij groot aantal brieven uit de Novemberdagen bewaard, waarbij ambtenaren aan van Maanen of aan Gogel verslag doen van de moeilijkheden waarin zij verkeeren, en daaronder drie van Canneman zelf. „De positie der publieke ambtenaren is belabberd in deze conjoncture”, is het thema van een brief van hem van den 18den aan zijn chef Gogel578). Den 19den schrijft hij hem: „Uit vele bijzonderheden is op te maken, dat de Franschen geen plan hebben om terug te keeren. Hier als elders hebben zij alles in confusie gelaten, wie zal de boel aanpakken? Het verwondert mij, dat het provisioneel gouvernement nog geen orders gegeven heeft, want specie is altoos de eerste behoefte...579)”. Die zoo schrijft is in de beste stemming om een bevel te ontvangen; Canneman heeft het zelfs niet afgewacht, maar zich zelf 20 Nov. tot Gijsbert Karel gewend met een opwekking tot het vestigen eener regeering en inrichting eener volkswapening; „nu maar alles opgezet”, is zijn gedachtengang geweest, „om de Franschen er beslist uit te houden580)”.

Naar aanleiding van zijn stuk, laat G. K. hem 21 Nov. roepen581) en biedt hem het opperbestuur der financiën aan. Canneman's persoonlijke verhouding tot Gogel laat niet toe, zulk een post aan te nemen zoolang Gogel zelf dien niet geweigerd heeft; hij stelt dus een oproepingsbrief aan Gogel die door G. K. wordt geteekend582). Als den 23sten Gogel's bericht is ontvangen dat hij op die oproeping „de orders vraagt van het (Fransche) gouvernement”, wordt Canneman 24 Nov. benoemd tot „commissaris voor de financiën, om ons bij alle voorkomende zaken van advies te dienen583)”, en 29 Nov., op een door hemzelf geschreven instructie, tot commissaris-generaal van financiën584). Een overleg met Hogendorp omtrent de wederinvoering van het oude tarief brengt hem 30 Nov. op diens studeerkamer, op het belangrijk oogenblik der nadering van den Prins585).

Voor oorlog en marine zien wij 18 Nov. Bentinck van Buckhorst aangewezen, van wien Hogendorp in den zomer van 1813 „een belangrijk bezoek” ontvangen had; „wandelende in mijnen tuin gaf hij mij ongemeen veel licht door losse woorden, met dat onbepaald vertrouwen, welk de vrienden van het Vaderland toen aan elkander bond”586). Bentinck was toen juist uit de gevangenis ontslagen, waarin de Fransche politie hem geworpen had wegens de onderschepping van een brief, waarbij Willem VI hem kennis gaf van zijn vertrek naar Engeland587). De Russen hadden hem kort na hun verschijning te Zwolle tot gouverneur van Overijsel aangesteld, waar hij zich nu vooralsnog onmisbaar hield. Dat hij op het lijstje van 21 Nov. niet voorkomt beteekent niet dat Gijsbert Karel hem niet langer tot minister bestemde; dat lijstje is er een van oogenblikkelijk te doene aanstellingen, en Bentinck was nog niet aanwezig.

Onder hem worden op het lijstje van 18 Nov. aangewezen de gewezen majoor C. F. de Jonge als commissaris van oorlog en de gewezen kapitein ter zee Job May als commissaris van marine. De Jonge was de broeder van F. C. de Jonge, het weldra naar Engeland uitgeweken lid van het Haagsche opstandscomité. De hem op het lijstje van 21 Nov. wederom toegedachte bestemming van commissaris van oorlog wordt tenzelfden dage vervangen door eene benoeming tot „generaal van het leger tegen Utrecht”, in welke kwaliteit hij te Woerden in den vroegen morgen van den 24sten de bekende nederlaag lijdt. Het A.B. heeft hem toen 25 Nov. inderdaad tot commissaris van oorlog benoemd en Krayenhoff tot generaal van het leger tegen Utrecht; daar Kemper en Scholten echter meenen, Krayenhoff te Amsterdam te moeten houden, blijft de Jonge in zijn commando en treedt niet aan het hoofd van het bureau van oorlog op, dat inmiddels toch gevormd wordt onder van Stirum, bijgestaan (zonder titel) door Piepers, den gewezen secretaris-generaal van het oorlogsdepartement onder koning Lodewijk588). Den 29sten Nov. wordt Bentinck van Buckhorst formeel benoemd tot commissaris-generaal van oorlog, en tot hij uit Overijsel over zal komen de waarneming van het departement opgedragen aan de Jonge, die 30 Nov. aanschrijving krijgt, zijn bevel te Leiden over te dragen aan den in rang volgenden officier, gelijk hij 1 Dec. doet; hij is echter nimmer in zijn post van waarnemend minister opgetreden, maar 6 Dec. met een nieuw commando te Alkmaar, tegen Verhuell belast. Onderwijl heeft van Stirum het departement van oorlog waargenomen tot de komst van Bentinck op 12 December.

Job May, zoowel 18 als 21 Nov. tot commissaris van marine bestemd, is niet als zoodanig opgetreden; hij verschijnt 21 Nov. in den Haag maar wordt den volgenden dag uitgezonden om de Engelsche oorlogsschepen, die in zee mochten zijn, naar de Maas te dirigeeren. Deze zending brengt hem tot in Engeland, vanwaar hij in December terugkeert om dan den post op zich te nemen van secretaris-generaal van het inmiddels (7 Dec.) opgerichte departement van marine onder van der Hoop. Dat deze de benoeming aannam was eigenlijk een tegenvaller; de Vorst meende hem niet voorbij te kunnen gaan maar was niet aangenaam verrast toen op Falck's polsingsbrief per omgaande een toestemmend antwoord inliep.589) Canneman had Falck zelven den aangewezen minister van marine genoemd (hij was secretaris-generaal van dit departement geweest onder Lodewijk), en Falck zou bij weigering van van der Hoop de benoeming wel niet zijn ontloopen, daar de Vorst Falck's naam onder zijn besluiten (om de woorden van G. K. te gebruiken)590) aanvankelijk „te gemeen” vond, en eigenlijk den nog in Engeland verblijvenden Jacob Fagel tot Algemeenen Secretaris van Staat doodverfde. Toen deze echter, uit Engeland terug, gansch niet belust bleek op dien drukken post, nam de Vorst Falck voor goed aan, wiens buitengemeene talenten hij onderwijl had leeren op prijs stellen.

Zoowel op 18 als op 21 Nov. neemt G. K. zich voor, een departement van binnenlandsche zaken in te richten. De naam van den titularis is 18 Nov. niet ingevuld; voor een voorloopige benoeming brengt G. K. 21 Nov. in aanmerking Changuion, den eenige van het comité van 17 Nov., die, met van der Duyn, hem onder alle omstandigheden was trouw gebleven. Changuion was een even bescheiden als standvastig man, en kende zich tot den post niet geschikt. Hij vergenoegde zich het Bestuur tot de aankomst van Falck als secretaris te dienen, en is vervolgens 29 Nov. benoemd tot commissaris bij de te dien dage gelande Engelsche hulptroepen. Onderwijl bracht Canneman591) Hendrik van Stralen aan voor den post van commissaris-generaal van binnenlandsche zaken; hij is er 1 Dec. toe benoemd. Dit departement omvat ook den waterstaat592), die echter 8 Jan. 1814 door den S. V. weder zelfstandig gemaakt is en in April tot een ministerieel departement werd verheven. „De C.-G.” heet het in het besluit van 1 Dec., „zal zorg dragen dat de eeredienst, het hooger en lager onderwijs, de kunsten en wetenschappen, de geneeskundige staatsregeling, de landbouw, de fabrieken en trafieken, het armwezen, provisioneel beheerd blijven op den tegenwoordigen voet”593). Op de vergadering van den 18den had Hogendorp zich over de medewerking van van Stralen niet zeer te verheugen gehad, die toen met den onsterfelijken voorslag gekomen was, Hogendorp's voorstellen...... „commissoriaal te maken”!594) Doch dit was geschied om zijn bezwaar tegen Hogendorp's opzet: „moest er tegen regeeringloosheid worden gezorgd, dan behoorde daaromtrent te worden gehandeld met notabele leden zonder onderscheid van staatkundige of godsdienstige gevoelens”595). Minder te verdedigen was zijn houding geweest den 20sten, toen aan die voorwaarde voldaan was: ook toen had hij niet dan uitstel weten te pleiten596). Maar Hogendorp hield niemand zijn houding op dien dag na, tevreden zoo zij medewerken wilden nu het A. B. er was. Van Stralen was iemand die reeds tijdens Schimmelpenninck wel met de nieuwe beginselen van regeeringsbeleid verzoend was geraakt, maar in zijn persoonlijk optreden nog alles van de oude breedsprakige regentengewichtigheid had behouden, zoodat het niet verwonderen kan dat Canneman liever Capellen zou hebben gehad, ware deze reeds beschikbaar geweest. Wij hebben reeds vermeld dat ambtenaren van d'Alphonse's bureau naar den Haag waren ontboden, zoodat van Stralen aanstonds goede en met de administratie der laatste jaren vertrouwde hulp had.

Tot secretaris van de Staten-Generaal had G. K. den 18den Falck bestemd, geen oud-regent, maar plachten ook niet tijdens de Republiek juist door de poort der penvoerderij homines novi hun intrede te doen in den geheiligden kring? Hogendorp had Falck nooit ontmoet, maar had reeds eenigen tijd verstandhouding met hem door Repelaer, een zwager van Falck's zwager Singendonck, die vóór 15 Nov. eenige malen tusschen den Haag en Amsterdam heen en weer ging597). Repelaer, staatsraad onder Lodewijk Napoleon, kende Falck's reeds toen vermaarde buitengemeene penvaardigheid598), en uit Singendonck vernam men zijn goeden geest en voornemen, om te Amsterdam te doen wat hij kon. Het optreden der provisioneele regeering in de groote stad is dan ook bovenal Falck's werk geweest, maar hij wist dat lichaam niet met zijn eigen voortvarendheid te bezielen. Grootendeels was het vrees voor Molitor die de Amsterdammers weerhield, kleur te bekennen; gedeeltelijk ook wantrouwen in „het Haagsche werk”. Uit wat hij van Singendonck vernam, was het ook Falck reeds vóór den opstand duidelijk geworden dat hij van Hogendorp in denkbeelden veel verschilde en diens plannen niet geheel zou kunnen ondersteunen. Het amalgama van partijen waartegen Hogendorp geen bezwaar had mits het geschiedde onder den zegen zijner Staten-Generaal, had Falck in zijn Amsterdamsche regeering aanstonds tot stand gebracht. „Vereeniging van alle weldenkenden welke ook de Staatspartij wezen mogt waartoe men vroeger behoord had, was bij Hogendorp, evenzeer als bij ons te Amsterdam, een voornaam oogmerk: maar tengevolge van dat gebrek aan menschenkennis dat zijne uitmuntende gaven en zuivere bedoelingen zoo dikwijls nutteloos heeft gemaakt voor de maatschappij, had hij èn zich zelven èn zijn Haagsche medestanders overreed dat dit doel bereikbaar zoude zijn ook zonder een onverwijld en onmiddellijk ineenslaan aller handen599)”. Het geviel echter dat toen Falck op de vergadering van den 18den verscheen, hij Hogendorp op dit punt niet sterk meer behoefde tegen te spreken: het Staten-Generaalplan was door de flauwhartigheid der opgeroepen regenten toen reeds van zelf verdwenen. Daarentegen viel hij Hogendorp bij in alles wat strekken kon om den opstand zelf door te zetten en algemeen te maken, en keerde naar Amsterdam terug in den hoop deze stad tot toetreding te zullen bewegen, zoodra uit de vergadering van 20 Nov. een algemeene landsregeering, uit prinsgezinden en patriotten samengesteld, was voortgekomen. Daar hij vóór zijn vertrek wist dat tot die vergadering zijn vrienden Kemper en Elout zouden worden genoodigd, zal hij het minder betreurd hebben, toen den 19den bleek dat hij daar zelf niet aanwezig kon zijn: de Amsterdammers, in vrees voor Molitor bevangen, waren „volstrekt onbeweegbaar”, en liever dan van hun stemming verslag te moeten doen, bleef hij geheel weg600). Doch ook Kemper en Elout hadden den 20sten geen wonderen verricht; het allegaartje bleek geen zier moediger dan de oude heeren van twee dagen geleden. Nu bleek eindelijk dat nòch in een regentenbewind qua talis, nòch in een pijnlijk afgewogen politiek amalgama qua talis, heil gelegen was, maar slechts in het naar voren treden van mannen die verantwoordelijkheid aandurfden en door daden toonen zouden dat zij niets dan het nationaal belang bedoelden. Die mannen zijn Hogendorp en van der Duyn geweest, en zoowel oud-oranjelui als oud-patriotten hebben zich onder hen geschaard: van Stirum en Changuion en Fannius Scholten, maar ook Canneman en Kemper en Falck.

De oproeping om zich als secretaris bij het A.B. te vervoegen kwam den 22sten in zijn handen. Hij gaf er niet aanstonds gevolg aan. Er was op het oogenblik iets dringenders te doen: Amsterdam om te zetten. In overleg met den naar die stad overgekomen van der Duyn en zijn metgezel Fannius Scholten besluit Falck een laatste poging te doen tot overreding der provisioneelen; als die mislukt doordat de commandant der nationale garde, van Brienen, hem niet ondersteunt, moet er op dwang worden gezind. Daartoe zijn wel middelen voorhanden. Op zijn eigen compagnie kan Falck vertrouwen, ook wel op enkele medeofficieren. Als zij weten dat het voor Oranje gaat, zullen de Bijltjes zich niet onbetuigd laten, en het patriotsche Doctrina, waar de kern van den Amsterdamschen middenstand vergadert, van Hall, Wiselius en de hunnen, zegt dat het van die leus niet zal verschrikken, nu die, naar Scholten's verzekering, niet leiden zal tot een stadhouderlijke restauratie, maar tot het constitutioneele koningschap. Valckenaer heeft zijne vindingrijkheid, Krayenhoff zijn militaire ervaring, ten behoeve van iedere energieke poging gereed. Den 23sten begeeft zich Falck naar den Haag, om van de hoopvolle verwachting kennis te geven. Als hij aankomt, hoort hij dat Kemper en Scholten reeds als commissarissen van het Bestuur naar Amsterdam vertrokken zijn; hij keert nu terug om hunne pogingen met zijne compagnie de noodige kracht te kunnen bijzetten. Na een laatste overleg met Valckenaer laat hij haar aantreden op het Koningsplein en begeeft zich naar het hôtel waar Kemper en Scholten gelogeerd zijn, om hun kennis te geven dat hij tot hun beschikking staat voor de „onaangename middelen” waarmede de Amsterdamsche Raad alleen tot rede kan worden gebracht601). Onderweg stuit hij op het troepje kozakken, dat thans de eer genoot van der Hoop c.s. de schroomvalligheid te doen afleggen die beraden Hollanders gereed stonden hun uit te kloppen.

Zoodra Utrecht ontruimd was zeide Falck den schutterlijken dienst vaarwel en ging zijn post innemen bij het Bestuur (28 Nov.). Changuion had secretariaat gehouden zoo goed het ging, in het beneden zijkamertje van Hogendorp's huis, tegelijk „tot zoeten inval strekkende aan allen die belust waren op eenig nieuws, en ook tot wachtplaats voor hen, die aan het Bestuur iets te berigten of voor te stellen hadden”602). Falck nam wat er aan papieren was, van hem over, en vestigde zijn bureau in het logement van Rotterdam op het Plein, waar hij van den 29sten af zetelt. Onmiddellijk vallen nu in de zaken van het Bestuur eene regelmaat en snelheid van afdoening op, die tot dusver uit verklaarbare oorzaken hadden ontbroken. Het eerste werk waaraan hij zich zet, is de organisatie der departementen van algemeen bestuur; 29 Nov. worden financiën en oorlog ingericht, 1 Dec. binnenlandsche zaken. Falck's titel is: „Algemeen Secretaris van het Bestuur”.

De aanstelling van A. Hoynck van Papendrecht, oud-baljuw van Zuid-Holland, tot commissaris-generaal van politie, is van 30 Nov. Het is geheel een tijdelijke maatregel. Van uit Gorkum waren nog herhaaldelijk aanschrijvingen door de Fransche autoriteiten gedaan; men had op verdachten te letten en het briefverkeer te bewaken. Er waren bij de Franschen ook Hollanders als politie-ambtenaren aangesteld geweest, waarvan sommigen thans den opstand dienden als de bekende Ampt in den Haag, een man die door zijn tijdigen overgang een oogenblik een importantie kreeg ver boven zijn bekwaamheden. Hij was alleen voor plaatselijken dienst geschikt doch had, na 23 Nov. te zijn aangesteld tot „directeur van politie in het ressort van den Haag”, den 25sten den titel verkregen van „provisioneel intendant-generaal van politie”, daar men de behoefte gevoelde aan een centraal punt. Hij wordt nu 30 Nov. tot zijn niet geringe woede vervangen door iemand van hooger maatschappelijken rang, oud-rechterlijk ambtenaar. Handhaving der politie als een zelfstandig Staatsdepartement heeft nimmer in de bedoeling gelegen; 2 Febr. 1814 reeds keert men tot de vaderlandsche traditie terug door de algemeene politie ondergeschikt te maken aan den procureur-generaal.

Summa summarum mag men vaststellen, dat reeds vóór de Prins de regeering aanvaardde, alle belangrijke takken van algemeen bestuur benevens de justitie in handen waren van lieden òf na de revolutie opgekomen òf met de resultaten der revolutie in vroeger ambt vertrouwen geraakt: Canneman, Piepers, van Stralen, van Maanen; terwijl het algemeen secretariaat mede aan een man van na '95 was toevertrouwd.

Eedgenooten (hiervóór, bl. 271).—Dit woord is veel te deftig voor de zaak. Hogendorp's „losse woorden op een wandeling in den tuin” klinkt veel echter603).

Meer de naam en gezindheid, dan de kunde (hiervóór, bl. 271).—Daar is waars in, maar er is een nuance. De keus moest gedaan worden uit officieren van vóór '95, want de andere waren er niet! De Hollanders die onder Napoleon dienden waren mijlen ver, en—zij dienden Napoleon! Hoogstens waren er eenige generaals uit Lodewijk's tijd, waar Napoleon niet van had willen weten, zooals Bruce en van Sandick, thans beiden te Leiden wonende. Hun gedrag aldaar op 22 Nov. toen zij niet te bewegen waren hun diensten aan de goede zaak te verleenen, en den nieuwbakken generaal de Jonge tegen zijn zin naar Woerden lieten trekken, doet niet betreuren dat Hogendorp niet naar hen heeft omgezien. Dan was er Krayenhoff, maar van diens gezindheid kon G. K. op den 18den niets bekend zijn; het is de vraag, of zij het Krayenhoff zelf op dien dag reeds was604). Sommige militairen van vóór '95 zijn in den opstand goud waard gebleken: van Stirum en Sweerts, maar de eerste had zijn aangewezen rol in den Haag eerst als plaatselijk gouverneur, vervolgens als commandant-generaal van den opstand en hoofddirecteur der algemeene wapening605), functiën waartoe hij even wel berekend is gebleken als hij het weinig heeten mocht of wilde voor een ministerspost. Sweerts komt eerst 20 Nov. uit zijn afgelegen landhuis in den Haag opdagen, en neemt dan aanstonds het gewichtig commando tegen Gorkum op zich, waarin hij goed op zijn plaats blijkt. Ik geloof niet dat G. K. uit het personeel dat hem 18 Nov. voor oogen kon staan, een betere keus zou hebben kunnen treffen dan Bentinck, die een goeden naam had zoowel om kunde als om karaktervastheid; hij had in 1794 met onderscheiding gediend, en men wist dat hij bij den Prins gunstig bekend was. Hij is dan ook, toen hij eenmaal in functie was, vooral tegengevallen om de buitengewone moeilijkheid waarin hij was geplaatst: een leger te voorschijn te roepen uit het niet, en in een zóó korten tijd dat het, zooals de bondgenooten verlangden en ook ons eigen belang raadzaam maakte, nog aan de verovering van België deel kon nemen. „Wordt er beweerd dat hij niet voldaan heeft”, schrijft Falck, „men bedenke, alvorens liefdeloos te oordeelen, wat het zeggen wil uit zoo ongelijksoortige bestanddeelen als zich bij ons opdeden een leger met zijn toebehooren te vormen, en dat een man talenten hebben kan van geen gewonen stempel zonder juist berekend te zijn voor een werk van dien omvang, en waarbij niet eens ruimte van tijd gegund werd”606).

Dit voor de keus van Bentinck—op 18 Nov. Intusschen werd kort daarna in den Haag bekend dat hij als gouverneur van Overijsel was opgetreden onder de Russen. Als zoodanig nam hij tegenover de Haagsche heeren een zeer zelfstandige houding aan; hij wilde zich volstrekt niet onder het A.B. schikken, integendeel als de volkomen gelijke van dat Bestuur beschouwd worden tot de Prins in het land zou zijn607). Juist deze omstandigheid droeg er toe bij, dat hij ondanks zijn afwezigheid 29 Nov. zonder verder verwijl tot commissaris-generaal van oorlog benoemd werd; men hoopte op deze wijze hem naar den Haag te lokken, en zoo te voorkomen dat zijn voorbeeld een ongunstigen invloed had op Friesland en Groningen, die ook nog aarzelden zich bij het A. B. aan te sluiten. Tegelijk met Bentinck's aanstelling werden twee commissarissen benoemd om de provincie Overijsel op naam van het A. B. van hem over te nemen608). Hij weigerde ze te erkennen en beschouwde ook zijn aanstelling tot commissaris-generaal als nul en van geener waarde609). Eerst toen de Vorst de aanschrijving van het Bestuur herhaalde heeft hij zich onderworpen en is naar den Haag gekomen.

Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken (hiervóór, bl. 271).—Ten onrechte is het voorgesteld610) alsof dit een zeer zonderlinge benoeming was van den Vorst en een man als G. K. natuurlijk Binnenlandsche Zaken had moeten hebben. Ten eerste was dit departement al voorzien; maar bovendien was de combinatie van zaken die G. K. nu in handen kreeg: 1o. het presidiaat der commissie die over zijne Schets zou beraadslagen, en 2o. de leiding der buitenlandsche betrekkingen van den pas herboren staat op het oogenblik dat diens erkenning en het lot van België aan de orde moesten komen, veel gewichtiger dan de opvolging, voor eenige maanden, van van Stralen het in de omstandigheden van medio December 1813 met mogelijkheid kon worden. Natuurlijk was alles provisioneel en nam G. K. zich niet voor op den duur in dien post te blijven. Hij hoopte dat de Grondwet hem het Raadpensionarisschap zou bezorgen en heeft later, als vergoeding, ontvangen wat daar het dichtste bij kwam: het voorzitterschap der Staten-Generaal vereenigd met het vice-voorzitterschap van den Raad van State.

Verschil over de beginselen van Staatsbestuur (hiervóór, bl. 274).—Dit is weer veel te deftig uitgedrukt. Waaruit is dat verschil in „beginselen” dan gebleken? De zaak was lager bij den grond. „Wij waren nog niet aan het einde der eerste maand”, schrijft Falck, „of het was voor mij al duidelijk dat Z. H. noch met Canneman in zijn schik was noch met Heintje van Stralen. Deze, te dier tijd door Changuion met den bijnaam van de Baker vereerd, omdat hij een ieder met wien hij te doen had, den Prins niet uitgezonderd, met zijne onmetelijke armen omvademde en als het ware inpakte onder de breedsprakige verzekering, dat hij voor alles zorgen, den boel aan kant helpen zoude—van Stralen, zeg ik, was Minister van Binnenlandsche Zaken zonder dat iemand de eer of de verantwoordelijkheid wilde aannemen van hem te hebben aanbevolen611). In oogenblikken zoo oneindig kostbaar voor het in orde brengen der algemeene zaken was hij gestadig in de weer voor allerlei kleine belangen. Daar ik wel zag dat wij niet lang met hem opgescheept zouden zijn, begon ik al vroeg de aandacht van Z. H. op Röell te vestigen, door wiens keuze tot een Ministerie, om nu niet van de aanwinst van zoo beproefde bekwaamheden te gewagen, te gemoet zou worden gekomen aan het bezwaar dat de eerste stad van het land bij het algemeen bestuur geen invloed of aanblijvenden woordvoerder had. Canneman, namelijk, wilde men niet als Amsterdammer laten gelden, en de Souverein was niet van zins hem lang aan het hoofd der Financiën te laten. Zijne knapheid was onbetwistbaar, maar hij benadeelde zich zelven door al te veel praten. Vluchtige denkbeelden werden dus geopperd waaraan geenerhande gevolg gegeven werd; half bekookte ontwerpen van welke men naderhand niets meer hoorde. Elk travail met den Prins wist hij wel te vullen met zaken van meer of minder aanbelang, maar zelden met die welke Z. H. verwachtte of waarvoor hij gestemd was, en zoo kreeg zijn doen en laten een schijn van wanorde, de fout die aan dat hooge kantoor van alle fouten de onbehagelijkste was”612).

Mollerus en Six waren oude kennissen van den Vorst: Mollerus vóór '95 als secretaris van den Raad van State met den toenmaligen Erfprins als opperbevelhebber van het leger in gedurige aanraking; Six had dien opperbevelhebber in den veldtocht van 1794 ter zijde gestaan als commissaris der Staten-Generaal. Zij waren bij het uitbreken van den opstand beiden in Franschen dienst, de eerste als directeur-generaal van bruggen en wegen, de tweede als directeur der publieke schuld, en Kemper en Scholten hadden vrij veel moeite gehad hen tot aansluiting bij het Bestuur te bewegen. Beiden werden zeer duidelijk aangewezen in de brochures die Valckenaer in December schrijven liet om Vorst en volk tegen de gewezen Keizerlijke ambtenaren op te zetten613). Die beweging liep evenwel op niets uit; de leus: uitsluiting van Napoleonsdienaars, pakte niet, en de Vorst was te minder geneigd er gehoor aan te geven, wijl zulk een uitsluiting zoovelen treffen zou die hem persoonlijk van vroeger bekend waren en als zoodanig hem aangenamer moesten zijn dan anderen. Zoodra het geschreeuw dan ook wat verstomd was zien wij hem Mollerus en Six naar voren brengen, waartoe de invoering der Grondwet goede gelegenheid gaf. Mollerus was wel iemand die verdiend had in de grondwetcommissie te zitten eerder dan b.v. Lampsins of van Heerdt; maar juist toen de commissie benoemd werd was het geschreeuw tegen hem op het hoogst. Officieus heeft de Vorst Mollerus wèl over de Grondwet geraadpleegd: zie Ontstaan II, CXI vv.

Ook van Nagell, gezant der oude Republiek te Londen op het oogenblik der aankomst van de stadhouderlijke familie in 1795, en gedurende eenige jaren tusschenpersoon tusschen die familie en de Engelsche regeering, was een oude kennis van den Vorst. Hogendorp had als zijn opvolger van Spaen van Voorstonde voorgedragen, maar de Vorst verkoos van Nagell ook omdat deze hem zoo goed voldaan had door zijn vast in de hand houden der notabelenvergadering te Amsterdam614).

Falck in rang met de overige ministers gelijk (hiervóór, bl. 278). Dit is onjuist; Tellegen heeft den brief van Falck aan D. J. van Lennep van 24 Dec. 1813 niet begrepen. Falck schrijft daar, dat hij, „om bij een eventueelen val zich minder te bezeeren”, den titel Raad Secretaris [van Staat] boven dien van Minister Secretaris van Staat verkiest. Welnu, hij wordt 31 Dec. ook niet benoemd tot Minister Secretaris van Staat, maar tot „Algemeen Secretaris van Staat”, zooals hij 21 Nov. benoemd was tot „Algemeen Secretaris van het A. B.” Deze titel sluit den ministersrang niet in; Falck heeft toegang tot den Kabinetsraad, maar alleen als „penvoerder”615). Ook bij de correspondentie tusschen Falck en den Koning in 1817 en 1818 gevoerd616) over zijn door Z. M. gewenschte verwijdering van de Staatssecretarie, blijkt duidelijk dat zoowel de Koning als Falck zelf den overgang tot het ministersambt formeel als een bevordering beschouwen, ook al is Falck op die bevordering niet gesteld.

Falck wist zijne positie inderdaad tot een zeer belangrijke te maken. Dit lag niet aan het ambt zelf, dat na hem (aanvankelijk onder een bescheidener titel) door de Mey van Streefkerk bekleed, nimmer meer politiek gewicht verkregen heeft. Het trechter zijn tusschen een alles regelend vorst en ministers wien de koninklijke beslissingen worden ingegoten is op zich zelf niets gewichtigs. Dat Falck meer was dan trechter ligt aan drie oorzaken: 1o. dat de Vorst aanvankelijk vreemd tegenover zaken en personen stond en zich in 1813 en 1814 lang niet zoo zeker van zichzelf voelen kon als in 1818; 2o. aan den aard der voorkomende zaken, die toen alles nog moest worden ingericht veel meer noodzaakten tot overleg dan toen op gelegde grondslagen werd voortgearbeid; 3o. aan het aanpassingsvermogen, de vlugheid en staatsmansgaven van Falck zelf. Na de geringschatting der allereerste dagen is de Vorst, „die knap bediend wilde zijn”617), zeer spoedig met hem ingenomen; in 1814 en 1815 stijgt zijn invloed zeer hoog naarmate die van den als minister onder een man als Willem I onbruikbaren Hogendorp afneemt. Als alles gereed is krijgt de Koning argwaan; wanneer Falck in 1816 voor een badkuur naar Aken vertrekt zijn zijn vrienden al bevreesd dat hij bij zijn terugkeer zijn plaats door een ander ingenomen zal vinden618). Falck lacht hen dan uit; intusschen zal de volgzame de Mey, die Falck gedurende zijn verlof vervangen had, den koning meer naar de hand zijn geweest; hij had het onderscheid nu kunnen voelen, en een paar maanden na Falck's gerusten brief aan van Lennep, hiervóór bl. 278 noot door Tellegen aangehaald, poogt de Koning reeds hem kwijt te raken; hij ontsnapt er aan, doch voor niet langer dan een half jaar, wanneer het aanbod van een ministerie wordt herhaald in een vorm die, zoo al weigering, in ieder geval geen behoud van het bezeten ambt meer toelaat, immers de Koning verklaart dit op te heffen619).

Kabinetsraad; Raad van State (hiervóór, bl. 279 vv).—Er is vóór 1823 geen Ministerraad geweest: die is juist ingesteld na de afschaffing van den Kabinetsraad, waarin de Koning presideerde. Falck schrijft omtrent dien Kabinetsraad het volgende:

„Moeite had ik, den Prins over te halen tot het geregeld houden van een Kabinetsraad620). Veelligt hinderde hem het denkbeeld dat hij aldaar de plichten van Voorzitter zoude te vervullen hebben. Doch een paar proeven waren genoegzaam om hem te doen zien dat deze taak zoo moeilijk niet was. Wij hadden dus sedert alle Woensdagen Kabinetsraad621), maar mijne hoop om door dit middel aan de zaken eene eenparige behandeling en gang te verzekeren en de Ministers zoowel als den Vorst gelegenheid te verschaffen om zich onderling te orienteeren en zich over en weder een algemeen overzigt te geven van hetgene ieder vak van bestuur merkwaardigs opleverde—deze hoop is nimmer verwezenlijkt geworden. De notulen van die vergaderingen bevinden zich onder de papieren die ik als mijn eigendom beschouw622), omdat ik, bij mijn scheiden van de Staats-Secretarie, geen blijk heb willen achterlaten van al het onbeduidende met welk ambtenaren van dat kaliber zich gemeenschappelijk bezig hielden en van het gebrek dat zij doorgaans geleden hebben aan onderwerpen van waarachtig belang. Röell weet ik dat zich heeft uitgelaten alsof de schuld daarvan bij mij gezocht worden moest, die liever de zaken met den Prins tusschen vier oogen afdeed en meer kans had om ze dus naar mijn zin te krijgen, dan indien men er eerst stellig over beraadslaagd had en gestemd. Maar deze zijne meening is niet juist. Heb ik, nu en dan, over opkomende voordragten of vragen een besluit doen nemen, welk het meer eigenaardig geweest ware door eene discussie in den Kabinetsraad te doen voorafgaan, zoo ben ik daartoe waarschijnlijk verleid geworden door de, ik zoude haast zeggen, plichtmatige zucht om met den stroom der dagelijksche bezigheden gelijk te blijven, en zoo kort mogelijk in mijn portefeuille te houden wat voor beslissing en afdoening rijp scheen. De hoofden der departementen zullen om soortgelijke redenen hunne respective maatregelen bespoedigd, en voor den Kabinetsraad slechts zoodanige vraagpunten ter zijde gelegd hebben omtrent welker vertraging en eindelijke beantwoording zij zich onverschillig gevoelden; en de Souvereine Vorst zelve mag de ruime toelichting en nauwkeurig onderzoek, voor welke het hem zeker niet aan smaak ontbrak, liever in schrifturen aangetroffen hebben die hij op den hem gelegen tijd met koelen hoofde overwegen kon, dan in de gedachten- en woordenwisseling zijner meest vertrouwde raadslieden. Kortom, anderen beschuldig ik even weinig als ik zelve beschuldigd worden wil. De daadzaak slechts heb ik willen vermelden. De Mey's notulen zullen van geen belangrijker inhoud geweest zijn dan de mijne, en na eene verveling van bijkans tien jaren heeft de Koning opgehouden den Kabinetsraad bij te wonen en denzelven afgeschaft623)”.

Notes in this chapter

Note 1 · Besluit van 22 Juni 1814, bevelende een algemeenen dankdag.—Verslag den 7 November 1813 door den Minister van Binnenlandsche Zaken, Mr. W. FNote 2 · Hiervóór, bl. 90.Note 3 · Br. en Ged. III, 95.Note 4 · Van Zonsbeek in de zitting van 9 Febr. 1797.Note 5 · Falck, Brieven no. 91.—Staatscourant no. 1.—Hogendorp aan Fagel, 29 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 272): „Nous organisons aujourd'hui les MinistNote 6 · Toen tengevolge van de staatsregeling van 1801 Gogel voorloopig van het staatstooneel aftrad, werd Canneman griffier van den Raad van FinancNote 7 · Sillem, Gogel, 314.Note 8 · Br. en Ged. IV, 337; V, 27.—Sillem, Gogel, 111.Note 9 · Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 253 vv.Note 10 · Br. en Ged. IV, 309.Note 11 · Falck aan Canneman, 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92; de uitgever dateert verkeerdelijk 23 Nov.)—Staatscourant 1814, no. 1, 2.Note 12 · A. W. Philipse, Advocaat-Generaal onder Napoleon.Note 13 · Staatscourant 1814, no. 36.Note 14 · Staatscourant 1814, no. 4.Note 15 · Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 278.Note 16 · Staatscourant 1814, no. 84.Note 17 · Hierdoor laat zich ook verklaren, dat op de begrooting der uitgaven over 1815 geen afzonderlijke post voor de Justitie voorkomt. Deze uitgavNote 18 · Staatscourant 1814, no. 85.Note 19 · Lodewijk Bonaparte, Gedenkstukken I, 152, III, 89; vgl. Röell in Ged. V, 572.Note 20 · Aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, no. 97).Note 21 · O. W. Hora Siccama in de voorrede der Ambtsbrieven, blz. XVI.Note 22 · Bl. 247.Note 23 · Brieven, 23.—In den ruim een jaar vóór zijn aftreden aan D. J. van Lennep den 26sten Februari 1817 gerichten brief schrijft Falck over zijneNote 24 · Brief van 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92); van 2 Maart 1814 (no. 100).Note 25 · „M. de Hogendorp, (vice)-president of the council of state, and one of the cabinet ministers” (Chad aan Castlereagh, 12 Juli 1816; Ged. VIIINote 26 · Thorbecke, Aanteekening I, 186.—Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur, II, 5.Note 27 · Brief van 28 Aug. 1817 aan Röell, toen lid der Eerste Kamer.Note 28 · Clancarty aan Castlereagh, 3 Febr. 1818 (Ged. VIII, 90).Note 29 · Brief van van Maanen aan Röell van 8 Febr. 1829.Note 30 · Voor het eerst gedrukt in den Tijdgenoot, III, 707.Note 31 · Staatscourant 1814, no. 106.Note 32 · Elout in de grondwetcommissie van 1815, zitting van 20 Mei: „de Koning consulteert thans den Raad van State over koloniezaken” (Ontstaan II,Note 33 · Uit een brief van Chad aan Lord Castlereagh van 12 Juli 1816 (Ged. VIII, 38), blijkt, dat Hogendorp zich niet ontzag instructies aan den gezNote 34 · Loi du 17 févr. 1800 (28 pluv. an VIII); Fortuyn II, 101.Note 35 · Bl. 177.Note 36 · Schorer werd, daar Zeeland eerst in Mei van de Franschen verlost werd, eenigen tijd later benoemd.Note 37 · Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 279.Note 38 · 11 Aug. 1815, (Brieven, no. 116).Note 39 · Hiervóór, bl. 185.Note 40 · Vgl. de circulaire van den Gouverneur van Zuid-Holland van 9 Aug. 1814, Bijv. t. h. Staatsblad 1814, bl. 1623.Note 41 · Brief van Falck aan Röell van 10 Aug. 1814.Note 42 · Bl. 129.Note 43 · In Zeeland werd echter reeds in 1816, in Friesland in 1825 eene Ridderschap ingesteld.Note 44 · Besluiten van den Souvereinen Vorst van 28 Augustus, 17 September, 7 en 22 October, 1, 9 en 11 December 1814 (Stuart, Jaarboeken 1814, bl. 2Note 45 · Ontstaan II, 110, 117, 152 (waar voor „voegelijk” het woord „niet” is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.—„Omtrent de verheffing in den adel”,Note 46 · Zie hierboven bl. 81.Note 47 · Bl. 180.Note 48 · Br. en Ged. IV, 250.—Jacob Fagel is 19 Nov. vertrokken met een geloofsbrief van het Haagsche comité van den 17den, doch had niet het minste Note 49 · Ged. VI, inl. 3e stuk, CLXXXVIII.Note 50 · Br. en Ged. V, 26; met „eene memorie betoogende de noodzakelijkheid van eene regeering en wapening en de middelen daartoe aanwijzende”. Dit Note 51 · Vgl. met de in de vorige noot genoemde plaats Ged. VII, 1742, welke brief niet van 22 doch van 21 Nov. is (zie Ged. VII, inl. 3e stuk, CCXXVNote 52 · Br. en Ged. IV, 258.Note 53 · Br. en Ged. IV, 245.Note 54 · Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXIV.Note 55 · Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXVI (27 Nov.; minuut van van der Duyn.)Note 56 · Aldaar, XL en LVIII.Note 57 · Ged. VII, 1523.Note 58 · Aldaar, 1525.Note 59 · Aldaar, 1526.Note 60 · „Zondagmorgen ben ik geroepen bij den heer G. K. van Hogendorp”, schrijft Canneman 24 Nov. aan Gogel (aldaar, 1541); G. K. schrijft: „ik ontNote 61 · Br. en Ged. IV, 337.Note 62 · Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXII.Note 63 · Aldaar, XCII.Note 64 · Hiervóór, bl. 67.Note 65 · Br. en Ged. V, 14.Note 66 · Deze ontdekking had plaats op een oogenblik dat de naam Bentinck bij de politie in een kwaad gerucht stond wegens de gedragingen van den bekNote 67 · „Piepers wil volstrekt niet paraisseeren maar gaarne medewerken en is de ziel van alles” (Falck aan Kemper, 29 Nov. 1813; Brieven no. 91).—PNote 68 · Falck's Gedenkschriften, 125.Note 69 · Br. en Ged. V, 44.Note 70 · Br. en Ged. V, 38. „Naarmate de heer Canneman aan het werk ging, ondervond hij de noodzakelijkheid van een binnenlandsch ministerie, en bragNote 71 · Onder continuatie der bestaande directie (Mollerus).Note 72 · Ged. VI, inl. 3e stuk, XCVII.Note 73 · Aanteekening van Falck op van der Palm (bl. XXXIII der inleiding op mijn uitgave van diens Gedenkschrift); vgl. Falck's Gedenkschriften, 99.Note 74 · Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXII.Note 75 · Aldaar, LXXIII.Note 76 · Br. en Ged. V, 20, waar voor „Repelaer vond hem bij mij” gelezen moet worden „zond hem bij mij”; Falck's Gedenkschriften, 76.Note 77 · Deze is inderdaad bijna onbegrensd geweest. In minuten van zijne hand, ook over de ingewikkeldste zaken, vindt men bijna nooit een doorhalinNote 78 · Falck's Gedenkschriften, 99.Note 79 · Br. en Ged. IV, 256.Note 80 · Falck's Gedenkschriften, 110.Note 81 · Aldaar, 113.Note 82 · „Ik had ingewilligd dat elk vier vertrouwden zoude kiezen, die van hem alleen weten zouden, en dat elk van die vier wederom denzelfden gang Note 83 · Zijn afzegbrief aan Napoleon is eerst van den 19den.Note 84 · Zoodra er 21 Nov. generaals zijn aangesteld krijgt van Stirum (22 Nov.) eene plaats boven hen, als „gouverneur-generaal over de gewapende maNote 85 · Falck's Gedenkschriften, 124.Note 86 · Bentinck aan C. F. de Jonge, 21 Nov. 1813 (Ged. VI, inl. 3e stuk, CXC).Note 87 · Ged. VI, inl. 3e stuk, XCII.Note 88 · Aldaar, CLXVII en CLXXVI; vgl. Br. en Ged. IV, 389.Note 89 · Door Byvanck in Gids 1890, II, 296.Note 90 · Dit had Canneman gedaan (hiervóór, bl. 305), die hem dus weldra moet zijn afgevallen.Note 91 · Falck's Gedenkschriften, 120–'21.—„Zijn eigen ambtenaren klaagden, dat hij altemets in geen drie dagen voor hen zichtbaar was” (Br. en Ged. Note 92 · Falck's Gedenkschriften, 120; vgl. Sillem, Valckenaer II, 340 vv. en Ged. VII.Note 93 · Br. en Ged. V, 68.Note 94 · Br. en Ged. V, 46.—„Zijn titel”, schrijft G. K. in 1817, „was eerst Algemeen Secretaris [van het Bestuur], hij werd later [Algemeen] SecretaNote 95 · Falck's Gedenkschriften, 404 vv.Note 96 · Br. en Ged. V, 44.Note 97 · Falck's Gedenkschriften, 175–176.Note 98 · Loutere schijn, want de Mey krijgt onder den titel van „Staatsraad belast met directie der Staatssecretarie” precies hetzelfde als Falck te Note 99 · De eerste blijkt gehouden 8 Dec. 1813 (Falck's Brieven, no. 90, welke brief, enkel gedateerd „Dinsdagavond”, door den uitgever ten onrechte Note 100 · In den aanvang vaker; zie hierachter den brief van den S. V. aan Hogendorp van 8 April 1814.Note 101 · Zij zijn een tien- of twaalftal jaren geleden door wijlen Mevrouw de weduwe Falck-Crommelin te Utrecht aan het Kabinet der Koningin ten gescNote 102 · Falck's Gedenkschriften, 127–128.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings