INLEIDING.
Reading edition
Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de wedergeboorte van Nederland na het ineenstorten der fransche heerschappij in het laatst van 1813. Hoewel dit onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne aantrekkelijkheid nog niet geheel heeft verloren. Het geldt toch ons vaderland. Ons vaderland, dat na de overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het een gevolg der buitengewone krachtsinspanning, was verslapt en ontzenuwd: dat de prooi was geworden van binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en volk te verscheuren, geenszins bij machte, de instellingen der republiek naar de behoeften en ideeën des tijds te hervormen.
Op den inval der Pruisen in 1787 was die der Franschen in 1795 gevolgd: beide gebeurtenissen stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen, daar zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling door onze landgenooten zelven te hulp was geroepen: in 1787 door de oude partij, Oranje in verbond met de oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de patriotten, de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795 beschouwen als te zijn geweest eene straf voor 1787, ook de mannen van 1795 hebben zwaar geboet voor hun onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der fransche hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de satelliet van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk; onze landskinderen het kanonvleesch des keizers; handel en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland meester was van de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en Amsterdam de derde stad van het fransche keizerrijk. Was het te verwonderen, dat men het tijdvak der revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een tijdvak van smaad en schande, van ellende en van rampzaligheid? Was het te verwonderen, dat althans de onnadenkende menigte ééne zaak vergat? Dat zij zich niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795 verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer dacht aan de disharmonie, die er had bestaan tusschen de maatschappij der 18e eeuw en de alleen voor den nood van het oogenblik berekende instellingen der oude republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van 1795 in vele opzichten een operatie was geweest, die, hoe pijnlijk ook, voor de genezing noodzakelijk was, daar met en na die omwenteling veel van het oude en verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen van staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in ons land? Het is waar, het streven naar politieke vrijheid, hetwelk die omwenteling en de eerste staatsregeling, die van 1798 kenmerkte, was spoedig in het zand verloopen; het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke vrijheid de revolutie kenmerkte, tot wasdom was gekomen. De eenheid van den staat met zijne algemeene wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek; éen volk dus en in dit volk geen onderscheid van recht meer uit het oogpunt van kerkgeloof, van stand of van woonplaats, met andere woorden: de gelijkstelling der godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten der geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie van het platteland van den druk der edelen en der steden, de gelijkstelling der generaliteitslanden met de overige deelen des rijks. Het beginsel werd gehuldigd, dat de macht van den een over den ander alleen gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der geregeerden en niet door het belang der regenten; het in vele opzichten privaatrechtelijk karakter van het bestuur loste zich meer en meer op in een publiek recht, een uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van 1795. Veel daarvan was onder franschen invloed tot stand gekomen; zelfs het Fransche keizerrijk, hoe afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde, was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en gelijkheid der ingezetenen een kind der revolutie gebleven, en was ook hier te lande aan opruiming van hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de vernedering in de schaduw gesteld. Eene beweging, die uitliep op het verlies van het hoogste goed, hetwelk een volk bezit, op het verlies van zijne onafhankelijkheid, kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd. De jaren 1795–1813 waren als 't ware door het nederlandsche volk in babylonische ballingschap doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne zonden; het was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het Opperwezen en—het huis van Oranje. En zoo laat het zich verklaren, hoe het hoofd van dat huis bij het betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne landgenooten durfde zeggen: „ik ben bereid en vastelijk besloten, al het verledene te vergeven en te vergeten” (proclamatie van 30 November 1813). Zoo laat het zich verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven, ja zelfs door een man als Falck met ingenomenheid werden begroet1). Er ging geene stem uit het volk op, die zeide: zoo het de vraag is van vergeven en vergeten, de behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene zijde alleen; ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel uit ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt niet zonder schuld geweest. Wie heeft het eerst zich bezondigd aan het inroepen van den vreemdeling? Wie heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de koloniën Engeland in handen te spelen? Was het niet uw vader Willem V? Wie heeft in 1799 bij den inval der Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan, om met geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te hernemen? Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer op ons de schuld ligt van in het stof te hebben gekropen voor den vreemdeling, is het ook in uw levensboek geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe aanspraken op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te hebben afgebedeld een brok duitschen grond2), waarover hij geen recht had te beschikken, en wat gij niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen? Doch van dit alles werd geen woord gerept. Evenmin daarvan, dat de laatste stadhouder, in plaats van oog en oor te hebben voor de nooden en ideeën van den nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in bondgenootschap met de aristocratie was getreden en ook na 1787 geene poging tot hervorming had gedaan. Waarlijk tegenover het zondenregister van het nederlandsche volk kon ook op menige tekortkoming van het huis van Oranje worden gewezen. Over dit alles echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn geweest, in wier geest zoo iets is opgekomen, het was voorzichtig, dit voor zich te houden, dit te verbergen achter den muur hunner tanden. Van de omwenteling van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg, kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de antichrist, wiens rijk door God te pletter was geslagen. En in zijne plaats zouden de oude tijden herleven met het geliefde huis van Oranje aan het hoofd, en Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.
Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien is er wat af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813 verkeerd, indien hij zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een requisitoir tegen Oranje, zooals hij het „enkelen” laat verbergen „achter den muur hunner tanden.” Hij ziet meen ik voorbij, dat de „vergeven en vergeten”-passus uit de proclamatie van 30 November een weerklank is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf opgegaan. De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet van Gijsbert Karel van 17 November: „al het geledene is vergeten en vergeven.” Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik Fagel, die de (in Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins opgesteld heeft, ze overgenomen. Dat de natie vergaf, bleek uit het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op volgen dat ook de teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te verzekeren was van de zijde van Oranje geen ongevraagd durven, maar door het volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich dan ook geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het requisitoir is van een man van 1884, niet van 1813. „Geest en hart,” schrijft Falck, „waren open voor alle redeneeringen gegrond op het beginsel van eensgezindheid en verbroedering. De fraaie proclamatie die den Prins voorafgegaan was, het werk van den voormaligen Griffier Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en Z. M.'s eigene taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke zich bij het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van der Duyn en Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij houden”3).
Waar aan beide zijden schuld is geweest en boete, pleegt men elkander bij het wederzien geen lange lijsten van grieven aan te bieden, maar ziet liever den weg op die voorwaarts leidt.
Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen; zelden of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland zóó groot geweest.