← Table of contents
De Wedergeboorte van Nederland

VIII. (continued 2)

Reading edition

Uit G. K.'s gedenkschriften blijkt dat zeer belangrijke zaken buiten den Kabinetsraad zijn afgedaan; zoo is b.v. van Nagell's ontwerp van instructiën aan Hendrik Fagel omtrent de teruggave der koloniën niet daar behandeld, maar in een door den Vorst bijeengeroepen conseil, uit G. K., van Nagell, Falck en Janssens (als oud-gouverneur-generaal) bestaande624); zoo is de lijst van tot lid der Staten-Generaal te benoemen personen in Maart 1814 (reeds vóór de reis naar Amsterdam) opgemaakt door den Vorst, G. K. en Falck625).

De Vorst schrijft aan Hogendorp, 8 April 1814: „Woensdags zal ordinaire zitting van den Kabinetsraad kunnen zijn, welke vervolgens mij schijnt voldoende te zijn eens in de week, om zulke objecten daarin voor te dragen, waar meerdere Departementen bij betrokken zijn, of materies van groot gewicht, waarop het wenschelijk is dat de geheele Raad gehoord worde, eer het stuk aan den Raad van State afgegeven wordt. Met de Chefs van Departementen [afzonderlijk] zal ik daarentegen eens of tweemaal in de week arbeiden, waar zij mij alsdan mondelinge berichten kunnen maken en projectbesluiten afgeven, waardoor mij voorkomt tijd bespaard te worden, zonder nadeel voor de zaak. In bijzondere gevallen wordt de Raad of eenige der Ministers beroepen tot eene buitengewone conferentie626)”.

Over den aanvang van 's Vorsten regeering onder de Grondwet schrijft Hogendorp in 1817:

„Het beginsel om het geheel van het Bestuur, het overzigt van alle deelen, voor zig alleen te houden, was nog niet tot volkomen rijpheid bij den Prins gekomen, maar het lag in zijn karakter, en moest zig met den tijd ontwikkelen. Hij begon met de mindere zaken en klom op tot de meerdere....

De Prins schreef mij, dat Hij nu maar eens in de week den Kabinetsraad houden zou; dat Hij er slechts die zaken brengen wilde, waar meer dan een ministerie in gemengd was, en dat de zaken voorts in den Raad van State zouden komen627). Hij gaf eene instructie aan dezen Raad, die mij goed voorkwam, en die denkelijk door Falck ontworpen was628). Hij opende denzelven en las er eene aanspraak voor, waarbij de Leden aangemoedigd werden om vrij te adviseeren. Ik droeg zorg, dat 's Prinsen aanspraak in de notulen kwam. Dien eersten dag was er niets anders te doen, dan zaken commissoriaal te maken, zoodat de vergadering schielijk afgeloopen was. Ik bemerkte egter wel, dat de Prins de deliberatiën wilde bijwonen, dat Hij een tweeden Kabinetsraad beoogde. Zijne verdere bezigheden, audientiën enz. lieten Hem egter niet toe er altijd te komen, en zoo moest Hij wel den draad verliezen. Daar kwam bij, dat Hij mij het beleid opdroeg, zig voorbehoudende om tusschen in te spreken; maar dan behandelde ik alles zoo volledig, dat er weinig te zeggen viel. Vervolgens kwam Hij ook maar bij gewigtige deliberatiën, en eigentlijk met een voornemen om de zaken naar zijnen zin te doen uitvallen. Was ik het eens met Hem, zoo was dit niet noodig, en zoo bepaalden zig eindelijk zijne verschijningen tot gevallen, waar Hij niet zeker van mij was, of wist dat ik anders dagt. Dan zeide Hij mij van te voren: ik zal komen om aan te hooren, ik wil wel eens de gedagten vernemen. Dog niemand was er in bedrogen.... In Engeland wordt het advies van den Raad door den President aan den Koning gebragt en het besluit des Konings luidt the King in Council. Op dezen voet had ik mijn ontwerp van de Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad. Dit had men zoo veranderd, dat Hij den Raad hoort629), juist omdat zijne tegenwoordigheid niet noodzakelijk voorkwam. In den Kabinetsraad is het wat anders; daar hoort Hij de adviezen en doet wat Hij wil, zonder eenig besluit op te maken, zonder dat er notulen gehouden worden630). In den Raad van State wordt er op elke zaak een advies bij de meerderheid opgemaakt, aan den Prins gezonden en in de notulen bewaard. De Raad van State is een lichaam bij de Grondwet ingesteld en moet gehoord worden; de Kabinetsraad niet. De Grondwet bepaalde, dat alle zaken tot het Souverein gezag behoorende, in den Raad van State kwamen, en dus ook de buitenlandsche. De Prins verstond dit ook zoo, alzoo Hij mij eens zeide, dat [Jacob] Fagel voor de buitenlandsche zaken dienen zou. Nogtans heeft Hij er de buitenlandsche zaken niet gebragt, zooals hij die ook gaarne buiten den Kabinetsraad hield. In mijnen tijd631) zeide ik Hem meermalen, dat ik iets in den Kabinetsraad brengen wilde, en Hij belette het. Een vast plan van bestuur was dit alles niet, maar het lag in zijn karakter om alleen te regeeren....

De zaken kregen dezen loop. Een minister leverde een rapport in, hetzij uit eigen beweging of op last; dit rapport werd òf aanstonds goedgekeurd en in een besluit veranderd, òf het kwam in den Kabinetsraad, en werd daar eerst goedgekeurd; òf het ging hetzij uit den Kabinetsraad, hetzij aanstonds, naar den Raad van State. Het advies van den Raad van State gaf dan aanleiding tot een besluit, of werd ook altemets wederom in den Kabinetsraad gebragt. Dit laatste egter zelden of nooit... In alle gevallen bleef de laatste beslissing aan den Prins. De minister wiens rapport aanleiding tot een besluit gegeven had, wist niet of de veranderingen in zijne voordragt van den Raad van State of van den Prins kwamen. De Raad van State had nogal de meeste kennis van de zaken, maar de Kabinetsraad veel minder, en de eene minister vernam hoe langer hoe minder van de werkzaamheden der anderen. Deze afzondering der Ministeriën nam vervolgens gedurig toe, en de deliberatiën in den Kabinetsraad liepen eindelijk genoegzaam te niet. Vóór de invoering der Grondwet was de Kabinetsraad de eenige vergadering geweest, en hij zat altemets vijf uren. In de laatste tijden gebeurde het, dat er niets voorgedragen werd; dat de Prins een kwartiertje praatte en opstond......

De eerste zaak van zeer groot gewigt [na de invoering der Grondwet] is de vermaarde financieele wet van 14 Mei 1814 geweest632)... In den Raad van State vond de zaak grooten tegenstand, vooral omdat men daarin zooveel aanleiding tot spel met uitgestelde schuld vond, hetwelk door de uitkomst bewaarheid is. Bij mij bleef de zwarigheid over, dat renteniers, die niet hadden om bij te leggen, met zware schade zouden moeten verkoopen, zooals ook gebleken is. De heer Six rekende uit van neen, omdat de fondsen zouden blijven staan: maar zij vielen, zooals ik voorzegd had. Ik stemde dus tegen, in bijzijn van den Prins, en de stemmen staakten, alzoo er eene twijfelagtig was. Nu moest deze zig voor of tegen verklaren; zij viel uit voor de wet...... De Prins kon zijn gelaat niet meester blijven, en met blikken, ja met woorden, ondersteunde Hij die met Hem, en schrikte Hij af, die tegen Hem waren. Ik at bij Hem dien dag, en genoot geen goed onthaal633). Door al het gebeurde was ik overtuigd, dat de vrijheid van deliberatiën verloren was634), dat mijn werk niet meer bestond in het overbrengen van het advies van den Raad van State aan den Prins, maar dat deze van mij vergde om zijne denkbeelden aan te nemen en in den Raad door te zetten. De Raad kon nooit regt vrij delibereren over de gewigtigste zaken, vooral van Financiën, en zijn werkzaamheid bepaalde zich hoe langer zoo meer tot mindere zaken. Het gebeurde zelfs dat er eene zaak in den Kabinetsraad verhandeld zijnde, de Prins mij zeide, dat ik nu wist hoe men het begrepen had, en dat Hij de stukken aan den Raad zenden zou. Op deze wijze moest deze eindelijk een schaduw worden, een bloote vorm, een naam, die indruk maakte op het publiek, op de Staten-Generaal in de eerste plaats; maar geen aanzienlijk werktuig blijven van de Regering, daar hij bij de Grondwet toe ingesteld was”.

Bij de Grondwet van 1815 (art. 73) werd de rol van den Raad van State teruggebracht tot het adviseeren over voorstellen door den Koning aan de Staten-Generaal te doen of door dezen aan Hem gedaan, alsmede over alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van deszelfs bezittingen in andere werelddeelen.

Geen president (hiervóór, bl. 281). Als in 1801 de Fransche gezant Sémonville, fijn kenner van onzen volksaard, uit Parijs over het denkbeeld gepolst wordt, een presidentschap der Bataafsche Republiek in te stellen, raadt hij het beslist af. „Tel homme n'existe point ici, à qui on permette de prendre un pareil titre à vie ou pour l'espace de dix ans; dans ce cas on préférerait le Stathoudérat. Une famille princière froisserait moins l'amour propre. Le peuple s'acharnerait par tous les moyens à renverser celui que la veille il aurait vu son égal. Vous pouvez (s'il est nécessaire) placer un pouvoir plus étendu et plus durable sur une seule tête du gouvernement, pourvu que vous la décoriez d'un titre modeste comme celui de greffier. Mais ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président”635).

Nog wel door het toeval der geboorte aangewezen (hiervóór, bl. 281). Dit „toeval” dat de man Oranje heette en niet b.v. Schimmelpenninck maakte voor het volksgevoel juist het verschil (zie vorige aanteekening).

Monarchaal bijgeloof (hiervóór, bl. 281). Ik zou eerder zeggen: volstrekte politieke afmatting en ontgoocheling. De natie was blijde iemand te hebben die haar van de zorg, over zaken van regeering na te denken, ontsloeg. Een mystiek gevoel voor de monarchie als zoodanig is er in Nederland nooit geweest; ook toen niet; het gevoel voor Oranje is geheel iets anders.

Leden van den Raad van State (hiervóór, bl. 283). De samenstelling is iets minder overwegend oud-orangistisch als Tellegen te verstaan wil geven. Hij wil Elout, dien hij niet bij de ex-patriotten noemt, toch niet bij de „slachtoffers” tellen?636) En van Lamsweerde was een katholiek, ex-lid der Nationale Vergadering.

Oppositie tegen de zienswijze van den Vorst (hiervóór, bl. 283). Daaraan was Canneman's ontslag als minister niet te wijten, maar aan 's Vorsten overtuiging van zijn mindere geschiktheid voor dien post637). Eerst zijn gedrag in den Raad van State bij de financieele wet was oppositie, niet in het openbaar, en echter reden tot ongenade.

Werden door den Souvereinen Vorst commissarissen-generaal aangesteld (hiervóór, bl. 285). Dit was reeds aanstonds geschied door het A. B.: 23 Nov. Kemper en Scholten naar Amsterdam, die weldra gemachtigd worden voor het geheele departement der Zuiderzee; 29 Nov. Monden van den IJsel, 1 Dec. Monden van de Maas, 2 Dec. Friesland, 3 Dec. Wester-Eems, 4 Dec. Boven-IJsel. De Vorst completeert het voor Monden van de Schelde, Generaliteitslanden, Drente.

Praal en luister (hiervóór, bl. 287). Deze was heel wat minder dan onder Lodewijk Napoleon; de Souvereine Vorst, burgerlijk van leven en voorkomen, was er ook geheel de man niet naar. Alles wat het hof betrof werd zeer eenvoudig ingericht, en dit viel ook in den smaak der natie.

Mij is niet bekend (hiervóór, bl. 289). Toch wel: er is eene wet verworpen op eene quotisatie voor de landprovinciën in plaats van het gemaal, om reden dat de quotisatie te hoog voorkwam. De Raad van State was ook tegen geweest638). Maar dit is dan ook het eenige voorbeeld. Een wet op de jacht ging door met één stem meerderheid (zie de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk).

„Onder het bijwonen der eerste vergaderingen”, schrijft G. K., „was ik getroffen over het gemak, waarmede alle voordragten doorgingen. Er was geen schijn van oppositie. Deze stemming kwam overeen met hetgeen ik in het algemeen bij de Natie bemerkt had. Zij was de revolutiën en de onlusten zoo moede, dat zij alles aan den Prins overliet. Ik werd er door bevestigd in mijn opgevat denkbeeld, dat zij slegts allengs weer aan eene vrije Regering kon gewend worden...

Het karakter van den Prins was bekend; men wist dat hij de zaken wilde doorzetten, zonder er den schijn van te hebben. Hij zag er vriendelijk uit, zoo lang het naar zijnen zin ging. Iedereen moest er even vriendelijk uitzien. Dog men verstond elkander zonder te spreken.....”

G. K. verhaalt dan, hoe hij, als president639), aan de commissiën640) aan de hand deed, de ministers om inlichtingen te vragen, en toen van den Vorst „den wind van voren” kreeg. „Ik wilde alle de Collegies nader bij elkander brengen; Hij wilde alle dezelven afgezonderd houden. Ik zogt de ware eenheid van de Regering641). Hij wilde de eenheid voor zig alleen houden. Dit bleek hoe langer hoe meer, en verwekte in mij den weerzin, die op mijne retraite uit het ministerie uitgeloopen is.....642)”.

Om in de beoordeeling dezer gansche zaak billijk te blijven, moet men zich wèl te binnen brengen dat Hogendorp zich in zijn hart nog altijd de „Raadpensionaris” voelde, en dat, wanneer b.v. de Raad van State alles in handen gekregen had wat hij er gebracht wilde hebben, en de Vorst slechts te onderteekenen had wat die Raad hem voorlegde, 's lands regeering een collegiale zou zijn geweest in plaats van een monarchale. Als hij 30 Jan. 1814 den voor hem uitgedachten post van vice-president van den Raad van State aanneemt, schrijft hij: „Ik zal in dien post zelfs al het wezenlijke van mijn tegenwoordigen post kunnen verrigten [aangenaam vooruitzicht voor zijn opvolger aan Buitenlandsche Zaken!], dat is te zeggen, ik zal de tijdingen kunnen vernemen en beoordeelen”643). Hij verbeeldt zich dus dat zelfs de buitenlandsche dépêches in den Raad moeten komen, zooals vóór 1795 in de Staten-Generaal! En zoo hij het van Willem I gewonnen had, zouden de „collegies” dan niet vervallen zijn in de (door den Vorst en Falck gevreesde) zonde, van „een zeer geruimen tijd naar den oud-Hollandschen trant in herhaalde commissorialen, beschouwingen, overwegingen, zal ik zeggen te besteden of te verkwisten?”644) Dat zij nog vol zaten van herinneringen uit den provincialen tijd getuigt Hogendorp zelf. Dáárvoor was de Prins geen Vorst gemaakt, maar voor het doel door d'Yvoy zoo goed geformuleerd, wanneer hij hem in een brief van 29 Nov. 1813 toeroept: „Aucun de Vos ancêtres eut un moment si beau et si propre à donner enfin à la patrie ce qui lui a manqué jusqu'ici pour être à l'abri des factions, des délibérations sans fin et des irrésolutions”.645)

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings