Note 566) — VIII.
Reading edition
Ontstaan II, 110, 117, 152 (waar voor „voegelijk” het woord „niet” is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.—„Omtrent de verheffing in den adel”, schrijft de Koning, „dient geen conditie gesteld te worden. Het spreekt van zelvers, dat gecenseerd wordt dat het alleen geschiedt om bewezen diensten te beloonen, dog daar deze van verschillenden aart kunnen zijn, die niet altoos erkend worden, zoude het niet voeglijk zijn, den Koning te exponeeren van aan de Grondwet te mankeeren, wanneer zijne keuzen niet goed waren”.