De Galápagos-Archipel.
J. Brandt translation
Zoo men bedenkt, dat deze eilanden onmiddellijk onder den evenaar liggen, dan is het klimaat verre van buitengewoon heet. Dit schijnt in hoofdzaak een gevolg van de bijzonder lage temperatuur van het omgevende water, hetwelk door den grooten Zuidpool-stroom hierheen wordt gevoerd. Eene korte poos uitgezonderd, regent het hier zeer weinig en dan nog ongeregeld; maar de wolken hangen meestal laag. Dit heeft ten gevolge, dat, terwijl de lagere gedeelten der eilanden zeer dor zijn, de bovengedeelten ter hoogte van een duizend voet, en daarboven, een vochtig klimaat met een rijken en weligen plantengroei bezitten. Vooral is dit het geval aan de windzijden der eilanden, welke de vochtdeelen uit den dampkring het eerst ontvangen en verdichten.

De Galápagos-Eilanden.
De Beagle zeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort, waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend; gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben; de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti, verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.
29 September. Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte, kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid, evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank’s Cove op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging, om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater waarin de Beagle voor anker lag, verrees een andere van fraaien, symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500 voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet; en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water—doch vond dit tot mijn groote spijt zoo zout als pekel.
De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange, zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in hare holen. Straks zal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle is ellendig dor.
8 October. Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl de Beagle water ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden, die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden, terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt; maar de boomen waren hier hooger, en vele ervan bereikten twee voet, sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er aan gebraden (zooals de Gauchos hun carne con cuero), smaakt zeer goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren; maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.
Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun walvischvaartuig naar eene salina, of meer waaruit zout gehaald wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief, die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem de salina lag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreef op eene laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten: wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt, bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.
In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt; en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn, weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke laarzen aan, hoogst onaangenaam was.
De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig, en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden; toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika, niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong verleden de oceaan zich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen tot dat groote feit—het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.

1. Geospiza magnirostris. 2. Geospiza fortis. 3. Geospiza parvula. 4. Certhidea olivasea.
Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de veel grootere eigenaardigheid der landvogels—namelijk, dat 25 van de 26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn—bij de steltloopers en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen (hetzij zee- of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van dezen archipel.
Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species, die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten, waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters, de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage), de Totanus en de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne overeenkomstige species, en—wat in ’t bijzonder de spotlijsters en den Totanus betreft—donkerder dan elke andere species der beide geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van eene species kleiner maken, ook de meeste inheemsche soorten van den Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijls donkerder van kleur maken.
Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra, vroeger genoemd Indica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden, of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zij moeten zijn. Sommige bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen, eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort bes (guayavita genaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.
De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen, ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen, welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt, steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol—ongeveer tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elk dier drie of vier dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit, dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.
De bewoners gelooven, dat deze dieren stokdoof zijn; en werkelijk hooren zij niet, dat iemand dicht achter hen loopt. Telkens wanneer ik een van deze groote monsters op hare rustige wandeling inhaalde, vermaakte het mij ze, op het oogenblik dat ik voorbijging, plotseling kop en pooten te zien intrekken, en onder het uiten van een scherp gesis met een zwaren plof als dood op den grond te zien vallen. Dikwijls ging ik op haren rug zitten, en gaf haar dan een paar tikken op het achterdeel van het schild—waarna zij opstonden en voortwandelden. Het kostte mij echter veel moeite mijn evenwicht te bewaren. Het vleesch van dit dier wordt veel gegeten, zoowel versch als gezouten; en uit het vet wordt eene klare olie bereid. Als eene schildpad gevangen is, geeft men haar eene insnijding in de huid nabij den staart, om zoo in het lichaam te zien, of er eene dikke vetlaag onder het rugschild ligt. Is dit niet het geval, dan laat men het dier los, dat, zoo beweert men, spoedig van deze zonderlinge operatie geneest. Om zich van de schildpadden meester te maken, is het niet genoeg, dat men ze ondersteboven keert, zooals men de zeeschildpadden doet; want dikwijls gelukt het haar weer op de pooten te komen.
Er kan weinig twijfel bestaan, of deze schildpad is eene oorspronkelijke bewoonster van de Galápagos-Eilanden, want men vindt haar op alle, of bijna alle eilanden, zelfs op eenige van de kleinere, waar geen water is; en dit had moeilijk het geval kunnen zijn in een zoo weinig bezochten archipel, indien zij eene ingevoerde species was. Bovendien vonden de oude boekaniers deze schildpad zelfs in nog grooter aantal dan nu; terwijl ook Wood en Rogers in 1708 vermeldden, dat de Spanjaarden geloofden, dat zij op geen andere plek in dit werelddeel gevonden werd. Tegenwoordig is zij veel verspreid, maar het is de vraag of zij ook op andere plaatsen oorspronkelijk is. De beenderen van eene schildpad, welke op Mauritius nevens die van den uitgestorven Dodo gevonden zijn, heeft men algemeen voor overblijfselen van deze schildpad gehouden. Indien dit juist was, zou zij daar stellig van den aanvang af geleefd hebben; maar Bibron meldt mij, dat zij volgens zijne meening eene andere species was, gelijk met de thans op dit eiland levende zeker het geval is.

Amblyrhynchus cristatus. a, tand met vergrooting.
Tijdens een bezoek (in October) zag ik zeer weinig kleine individuën van deze species, en ik geloof geen enkel, dat jonger was dan een jaar. Daar het mij hierom waarschijnlijk voorkwam, dat de broeitijd toen nog niet begonnen was, vroeg ik aan verscheidene bewoners, of zij wisten wanneer de hagedis hare eieren legde, en kreeg ten antwoord dat zij van hare voortplanting niets wisten, ofschoon de eieren van de landspecies hun wel bekend waren. Neemt men in aanmerking, dat deze species zoo algemeen is, dan is dit feit niet weinig merkwaardig.
Wij gaan nu over tot de landspecies (Amblyrhynchus Demarlii), met ronden staart en teenen zonder zwemvliezen. In plaats dat deze hagedis, evenals de andere, op alle eilanden gevonden wordt, bepaalt zij zich tot het middengedeelte van den archipel, en wel tot de eilanden Albemarle, James, Barrington en Indefatigable. Zuidelijk, op de eilanden Charles, Hood en Chatham, alsmede noordelijk op Tower, Bindloes en Abingdon zag ik er nooit eene, en hoorde er ook niet van. Het schijnt dat zij in het midden van den archipel ontstaan is, en zich van daar slechts tot op zekeren afstand verspreidde. Eenige dezer hagedissen bewonen de hooge en vochtige gedeelten der eilanden, maar veel talrijker zijn zij in de lagere en dordere districten bij de kust. Ik kan geen overtuigender bewijs van hare talrijkheid geven, dan door te zeggen, dat wij bij onze komst op het eiland James voor het opslaan van onze eenige tent eene poos lang geen plek konden vinden, die niet met hare holen ondermijnd was. Evenals hare zusters, de zeehagedissen, zijn zij leelijke dieren, oranjegeel op de buikzijde en bruinachtig rood op den rug. Door haren stompen gelaatshoek hebben zij een bijzonder dom uiterlijk. Misschien zijn zij in ’t algemeen iets kleiner dan de andere species: toch wogen velen van haar nog tusschen tien en vijftien pond. In hare bewegingen zijn zij traag en half verstijfd. Zoo men ze niet plaagt, kruipen zij langzaam rond, terwijl staart en buik over den grond slepen. Dikwijls staan zij een of twee minuten te sluimeren, met de oogen dicht en de achterpooten op den verschroeiden grond gestrekt.
Zij wonen in holen, die zij somtijds tusschen stukken lava graven, doch meer algemeen op vlakke schollen van de zachte, zandsteenachtige tuf. De holen schijnen niet zeer diep te wezen, en dringen onder een kleinen hoek in den grond, zoodat tot groot verdriet van den vermoeiden wandelaar, die over deze hagedissengangen loopt, de grond telkens onder zijne voeten wegzakt. Als het dier zijn hol maakt, werkt het beurtelings met beide kanten van zijn lichaam. De eene voorpoot graaft eene korte poos den grond uit, en werpt het graafsel naar den achterpoot, die gereed staat het buiten de opening van het hol te brengen. Is die kant van het lichaam vermoeid, dan neemt de andere het werk over, en zoo vervolgens. Ik sloeg er langen tijd een gade, totdat haar lichaam half begraven was, trad toen nader en trok haar bij den staart. Dit scheen haar zeer te verwonderen, want spoedig kroop zij naar buiten om te zien wat er aan de hand was, en keek mij strak in het gezicht, als wilde zij zeggen: “Waarom trekt ge aan mijn staart?”
Zij zoeken bij dag haar voedsel, en verwijderen zich niet ver van hare holen. Worden zij opgeschrikt, dan snellen zij er in de plompste houding heen. Behalve wanneer zij eene hoogte afloopen, kunnen zij zich niet zeer vlug bewegen, wat een gevolg schijnt van den zijwaartschen stand harer pooten. Vreesachtig zijn zij in ’t geheel niet; als zij iemand opmerkzaam gadeslaan, krullen zij haren staart, richten zich op de voorpooten omhoog, en trachten door eene snelle, verticale, knikkende beweging met het hoofd eene dreigende houding aan te nemen. Maar in werkelijkheid zijn zij niet gevaarlijk; men behoeft slechts even op den grond te stampen, en hare staarten gaan omlaag, terwijl zij zoo snel zij kunnen wegschuifelen. Dikwijls heb ik kleine vliegenetende hagedissen op volkomen dezelfde manier met het hoofd zien knikken, als zij het een of ander gadesloegen; maar om welke reden, weet ik volstrekt niet. Als men dezen Amblyrhynchus met een stok tegenhoudt en plaagt, zal hij er woedend in bijten; maar ik greep er velen bij den staart, zonder dat zij mij ooit trachten te bijten. Worden er twee op den grond bij elkander gezet, dan zullen zij aan ’t vechten gaan en elkander tot bloedens toe bijten.
De individuën, die de lagere streken bewonen—en deze zijn het talrijkst—kunnen het geheele jaar door bijna geen druppel water bekomen; zij eten echter veel van de sappige cactus, waarvan de wind nu en dan takken afbreekt. Dikwijls wierp ik een groepje van twee of drie een stuk toe; en het was vermakelijk te zien, hoe gretig zij dit met den bek poogden te grijpen en er mee wegliepen, evenals hongerige honden met een been. Zij eten zeer voorzichtig, maar kauwen haar voedsel niet. Zelfs vogeltjes weten hoe onschadelijk deze schepsels zijn. Eens zag ik een diksnaveligen vink pikken aan het eene einde van een stuk cactus (waarin alle dieren van het laagland veel smaak vinden), terwijl eene hagedis van het andere einde at; en daarna huppelde het vogeltje met de grootste onverschilligheid over den rug van het reptiel.
Bij velen opende ik de maag, en vond die gevuld met plantvezels en bladen van verschillende boomen, vooral van eene acacia. In de bovenstreek leven zij hoofdzakelijk van de zure en wrange bessen der guayavita; en onder dezen boom heb ik den Amblyrhynchus Demarlii met de groote schildpadden zien eten. Om de bladeren van de acacia meester te worden, krabbelen zij tegen de lage, weinig ontwikkelde boomen op; en zoo ziet men niet zelden een paar van deze dieren, verscheidene voeten boven den grond op een tak gezeten, rustig knabbelen. Gekookt, geven deze hagedissen een wit vleesch, dat voor lieden wier magen vrij van alle vooroordeelen zijn, een gezocht voedsel is. Humboldt heeft opgemerkt, dat alle hagedissen in het tusschenkeerkringsgebied van Zuid-Amerika, die droge streken bewonen, voor smakelijke gerechten worden gehouden. De inwoners vertellen, dat de in de hoogere, vochtige streken levende hagedissen water drinken, maar dat de anderen daarvoor niet uit het onvruchtbare laagland naar boven trekken, zooals de schildpadden. Tijdens ons bezoek hadden de wijfjes talrijke, groote, langwerpige eieren in het lichaam, die zij in hare holen leggen, en door de inwoners als voedsel worden gezocht.
Tot besluit van de zoölogie dezer eilanden, vermeld ik, dat alle vijftien hier door mij verzamelde zeevisschen nieuwe soorten zijn, behoorende tot twaalf geslachten, die alle zeer verspreid zijn, met uitzondering van Prionotus, waarvan de vier voorheen bekende soorten aan den oostkant van Amerika leven. Van landschelpdieren verzamelde ik zestien soorten (en twee bepaalde variëteiten), die, behalve een op Tahiti gevonden Helix, alle aan dezen archipel eigen zijn; een enkel zoetwaterschelpdier (Paludina) dat ik hier vond, komt ook op Tahiti en Van Diemensland voor. Vóór onze reis verzamelde Mr. Cuming hier negentig soorten zeeschelpdieren, onder welk cijfer niet begrepen zijn verscheidene, nog niet nader onderzochte soorten van Trochus, Turbo, Monodonta en Nassa. Hij is zoo vriendelijk geweest mij de volgende gewichtige uitkomsten mede te deelen. Van de negentig schelpdieren zijn niet minder dan zeven en veertig elders onbekend—een verrassend feit, zoo men in aanmerking neemt, hoe ver zeeschelpdieren in den regel verspreid zijn. Van de 43 in andere deelen der wereld gevonden soorten bewonen 25 de westkust van Amerika, en daaronder laten zich acht als variëteiten onderscheiden; de overige 18 (waaronder ééne variëteit) werden door Cuming in den Lagen Archipel, en sommige ook op de Philippijnen gevonden. Dit feit: dat schelpdieren van eilanden midden in den Stillen Oceaan hier voorkomen, verdient opmerking, aangezien geen enkel zeeschelpdier, naar men weet, gemeen is aan de eilanden van dien Oceaan en de westkust van Amerika. Het zeeoppervlak, dat zich van noord tot zuid langs de westkust uitstrekt, scheidt twee geheel verschillende gebieden van schelpdieren; maar op de Galápagos-Eilanden vinden wij een centrum, waar vele nieuwe vormen geschapen zijn, en waarheen deze twee groote schelpdieren-gebieden vele nederzetters hebben uitgezonden. Ook heeft het Amerikaansche gebied hier soorten vertegenwoordigd; want er is eene Galápagische soort van het geslacht Monoceros, dat alleen op de westkust van Amerika wordt gevonden; ook zijn er Galápagische soorten van de geslachten Fissurella en Cancellaria, die op de westkust inheemsch zijn, maar (zooals Cuming mij berichtte) niet op de eilanden midden in den Oceaan gevonden worden. Aan den anderen kant zijn er Galápagische soorten van de geslachten Oniscia en Stylifer, die voorkomen in West-Indië en in de Chineesche en Indische Zeeën, maar noch op de westkust van Amerika, noch midden in den Stillen Oceaan gevonden worden. Ik wil hieraan toevoegen, dat Cuming en Hinds na vergelijking van omstreeks 2000 schelpdieren van de oost- en westkusten van Amerika, slechts één schelpdier vonden, dat aan beide kusten gemeen was, nl. Purpura patula, die zoowel West-Indië, als de kust van Panama en de Galápagos-Eilanden bewoont. Wij hebben dus in dit deel van de wereld drie groote gebieden van zeeschelpdieren, die, ofschoon bijzonder dicht bij elkander gelegen (slechts gescheiden door lange noord- en zuidwaarts loopende land- of zee-oppervlakken), onderling geheel verschillen.
De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de “Linnaean Transactions” een volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe bekend is, zijn er 185 soorten phanerogamische, en 40 kryptogamische planten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was 193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn 100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58 van zijn “Voyage”) dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten (of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht, als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soorten Compositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora een onmiskenbaar Westamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit: indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-, en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de eene species van de ondergroep Cactornis, die van het eiland Bow in den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel uitmaakt van Amerika.
Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels, nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe planten—en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw, zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië, of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom—zoo vroeg ik mij af—werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest; die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel dien van Amerika bezitten.
Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder individu met zekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring, en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden, omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden, verschillende bewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien, dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers, dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.
Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd, dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten ten deele bevestigen. Bovendien zijn de Leguminosae slechts bij benadering uitgecijferd:
Naam van het Eiland. Totaal aantal soorten. Aantal soorten in andere deelen der wereld gevonden. Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn. Aantal soorten tot het eene eiland beperkt. Aantal soorten, die tot den Galápagos-archipel beperkt zijn, doch op meer dan één eiland gevonden worden.
James 71 33 38 30 8
Albemarle 46 18 26 22 4
Chatham 32 16 16 12 4
Charles 68 39 (of 29, na aftrek van de waarschijnlijk ingevoerde planten). 29 21 8
Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in geen ander deel der wereld gevonden worden, dertig uitsluitend tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke Galápagische planten op het eiland Albemarle, twee en twintig tot dit eene eiland beperkt zijn, en dus slechts vier—naar men tot heden weet—op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit feit wellicht nog meer in ’t oog doen springen. Zoo is Scalesia, een merkwaardig, boomwordend geslacht der Compositae, tot dezen archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham, één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een tweede voorbeeld levert Euphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht, dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Acalypha en Borreria—beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven soorten, waarvan, met uitzondering van ééne tot Borreria behoorende, geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species der Compositae zijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken; en bijna zeker van het Galápagische geslacht Amblyrhynchus.
De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster, en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in ’t geheel geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende species van dezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel verschillende geslachten—zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben, overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen—deze is het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige plaatsvervangende soorten—althans wat de schildpad en sommige vogels betreft—later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James; maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden, liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham), en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.
Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke, in westelijke en west-noordwestelijke richting loopende zeestroomen de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans wat het vervoer van individuën over zee betreft. Inderdaad werd tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere, wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.
Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht—indien wij zulk eene uitdrukking mogen bezigen—welke op deze kleine, kale en rotsachtige eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen, die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig, organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote vastland van Amerika.
Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid der vogels.
Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters, de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts of hoed, wat ik zelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684, “dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten gevolge waarvan zij schuwer werden.” Ook Dampier verhaalt in hetzelfde jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden, als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.
Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken, dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een gevaarlijker dier is dan de schildpad of de Amblyrhynchus, geen acht op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters, in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze velden grazen.
De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den kleinen Opetiorhynchus is door Pernety, Lesson en andere reizigers opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel: de Polyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster, de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze tamheid der vogels—vooral van het watergevogelte—vormt eene scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen; terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden, als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.
In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat de Opetiorhynchus bijna op zijn vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden, waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen; want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het verhaal van Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren, zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden—een trekvogel, die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen overbracht.