Keeling-Eiland—Koraalvormingen.
J. Brandt translation
1 April 1836. Wij kwamen in het gezicht der Keeling- of Kokos-Eilanden, die in den Indischen Oceaan en omstreeks 600 mijlen van de kust van Sumatra liggen. Deze groep behoort tot de uit koralen gevormde laguneneilanden (of atollen), gelijk aan die in den Lagen-Archipel (Tuamotu-Eilanden), welke wij in Nov. 1835 voorbijvoeren. Toen het schip bij den ingang van het kanaal was, kwam een Engelsch bewoner, de heer Liesk, in eene boot naar ons toe. De geschiedenis van de bewoners dezer eilanden is in de kortst mogelijke bewoordingen als volgt. Omstreeks negen jaren geleden bracht een nietswaardig persoon, Hare genaamd, een aantal Maleische slaven uit den Oostindischen Archipel hierheen, die nu ruim 100 zielen tellen, de kinderen medegerekend. Kort daarna kwam kapitein Ross, die deze eilanden vroeger met zijn koopvaardijschip bezocht had, vergezeld van zijn gezin en have uit Engeland hier aan, met het doel zich te vestigen. Tot zijn gezelschap behoorde ook Liesk, die stuurman op zijn schip geweest was. De Maleische slaven liepen spoedig van het eilandje weg, waarop Hare zich gevestigd had, en voegden zich bij de partij van Ross, zoodat Hare eindelijk genoodzaakt was deze eilanden te verlaten.
In naam verkeeren de Maleiers nu in een staat van vrijheid, en wat hunne persoonlijke behandeling betreft, is dit ook werkelijk zoo; doch in de meeste andere opzichten worden zij als slaven beschouwd. Deels door hunne ontevredenheid ten gevolge van de herhaalde verplaatsingen van het eene eiland naar het andere, en misschien ook door eenig wanbestuur, gaan de zaken niet voorspoedig. Het eiland heeft geen ander viervoetig huisdier dan het zwijn, en het voornaamste plantaardig voortbrengsel is de kokosboom. Zijn geheele welvaart hangt af van dezen boom; de geheele uitvoer bestaat in olie van deze noot en de noten zelven, die naar Singapore en Mauritius gaan, waar zij, na geraspt te zijn, voornamelijk bij de kerrie-bereiding worden gebruikt. Ook de vetgemeste varkens leven bijna geheel van kokosnoten, en hetzelfde geldt voor de eenden en kippen. Zelfs een groote landkreeft is door de natuur met de middelen toegerust om deze hoogst nuttige vrucht te openen en er van te leven.
Op het ringvormige rif van het laguneneiland verheffen zich over een groot deel der lengte, lijnvormige eilandjes. Aan de noordzijde of lijwaarts is eene opening, waardoor de schepen kunnen binnenkomen om te ankeren. Bij onze binnenkomst was de aanblik zeer vreemd en niet onaardig, maar de schoonheid der plek hing bijna geheel af van de kleurschittering der omringende voorwerpen. Het ondiepe, klare en stille water der lagune, dat grootendeels op wit zand rust, straalt in het helderste groen, wanneer het door eene verticale zon verlicht wordt. Deze schitterende, vele mijlen breede ruimte wordt aan alle kanten begrensd, hetzij door eene reeks van sneeuwwitte brandingen, die haar scheiden van de donkere golven van den oceaan, of door strooken land, waarboven de kokosboomen hunne vlakke kruinen verheffen en die haar scheiden van het blauwe hemelgewelf. Evenals eene witte wolk hier en daar eene aangename breking geeft in het blauw des hemels, zoo tinten levende koraalbanken het smaragdgroene water in de lagune nog donkerder.
Den volgenden morgen ging ik, nadat wij het anker hadden geworpen, op het eiland Direction aan wal. De strook droog land is hier slechts enkele honderden yards breed, en wordt aan den kant der lagune begrensd door een oever van witten kalksteen, die in dit heete klimaat eene zeer drukkende hitte uitstraalde, en aan de buitenkust door eene stevige, breede, vlakke koraalbank, welke diende om de kracht der volle zee te breken. Behalve in de nabijheid der lagune, waar eenig zand ligt, bestaat het land geheel uit ronde brokken koraal. In zulk een lossen, drogen en steenachtigen bodem een krachtigen plantengroei voort te brengen—dat kon alléén het klimaat der tusschenkeerkringsstreken. Op eenige van de kleinere eilandjes kon men zich verlustigen in de sierlijke groepeering der jonge en volwassen kokosboomen, die in bonte mengeling doch zonder wederzijdsche verstoring van vormen-symmetrie, in een enkel bosch vereenigd waren. Een oever van blinkend wit zand omsloot deze tooverachtige plekken.
“Zaden en planten van Sumatra en Java zijn door de branding naar de windzijde der eilanden gedreven. Daaronder zijn gevonden: de Kimiri, thuis behoorende op Sumatra en het schiereiland Malakka; de om haren vorm en grootte bekende kokosnoot van Bali; de Dadap (Erythrina indica), die door de Maleiers met den peperstruik geplant wordt: (laatstgenoemde windt zich daarbij om zijn stam, en steunt hiertegen met de stekels op zijn stengel); verder de zeepboom (Sapindus); de castorolie-plant (Ricinus); stammen van den sagopalm (Sagus), en verschillende soorten van zaden, die den op de eilanden wonenden Maleiers onbekend waren. Men vermoedt, dat deze alle door den noordwest-moesson naar de kust van Nieuw-Holland zijn gedreven, en van daar door den zuidoost-passaat naar deze eilanden. Ook zouden gevonden zijn groote hoeveelheden Java-teakhout (Tectonia grandis) en Geelhout (Virgilia lútea), alsmede reusachtige roode en witte cederboomen, en de blauwe gomboom van Nieuw-Holland, in volkomen ongeschonden staat. Alle harde zaden, zooals van slingerplanten, behouden hun kiemvermogen, maar de zachtere soorten, waaronder de Manggustan, (een Oostindische vrucht ter grootte van een appel, met een zacht, sappig vruchtvleesch), gaan op den overtocht verloren. Nu en dan zijn ook vischkano’s, blijkbaar van Java, aan strand gespoeld.”
Deze feiten zijn van belang, omdat zij ons leeren, hoe talrijk de zaden zijn, die uit verschillende landen komende, over den grooten oceaan worden gedreven. Prof. Henslow zegt mij, dat bijna alle planten welke ik van deze eilanden meebracht, naar zijne meening gewone strandsoorten zijn in den Oostindischen Archipel. Wegens de richting der winden en stroomen, schijnt het echter bijna niet mogelijk, dat zij rechtstreeks hierheen konden komen. Met meer waarschijnlijkheid is door Keating beweerd, dat zij het eerst naar de kust van Nieuw-Holland werden gevoerd, en van daar tegelijk met de voortbrengsels van dat land teruggedreven, zoodat de zaden vóór hunne ontkieming 1800 tot 2400 mijlen moeten hebben afgelegd.
De lange strooken land, die de rechtlijnige eilandjes vormen, bereiken geene grootere hoogte dan tot waar de branding koraalbrokken kan opwerpen en de wind kalkhoudend zand ophoopen. De stevige bank van koraalgesteente breekt door hare breedte het eerste geweld der golven, die anders in één dag deze eilandjes met al wat zij voortbrengen zouden wegspoelen. Zee en land schijnen hier om het meesterschap te strijden; en ofschoon het vaste land eene plaats heeft veroverd, acht het water hier minstens even geldige rechten te bezitten. Op alle gedeelten ontmoet men krabben van meer dan ééne soort, die hier als kluizenaars leven, met de schelpdieren op haren rug, welke zij van het naburige strand gestolen hebben. In de boomen boven ons rusten talrijke witte rotspelikanen, fregatvogels en zeezwaluwen; en het bosch zou men een zeekraaiennest kunnen noemen, wegens de vele nesten en den stank, waarmede de dampkring vervuld is. Op hunne ruwe nesten gezeten, kijken de rotspelikanen u met een dom en toornig gezicht aan. De zeezwaluwen (Sterna) zijn, gelijk haar bijnaam van “domme” uitdrukt, onnoozele kleine schepsels; maar buiten deze is er eene kleine sneeuwwitte zeezwaluw, een bevallige vogel, die enkele voeten boven uw hoofd stil rondhuppelt, en met zijne groote, zwarte oogen kalm maar nieuwsgierig uw gelaat opneemt. Er is weinig verbeelding toe noodig, om zich voor te stellen, dat in zulk een tenger en fijn lichaam een dolende feeëngeest moet huizen.
Zondag 3 April. Na den dienst vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar de nederzetting, die eenige mijlen ver op de punt ligt van een dicht met hooge kokosboomen bedekt eilandje. Kapitein Ross en de meergenoemde Liesk wonen in een aan beide kanten open huis, dat de gedaante heeft van eene schuur, en met matten van gevlochten schors omhangen is. De huizen der Maleiers staan langs het strand der lagune. De geheele plek had een eenigszins mistroostig aanzien, omdat er geen tuinen waren, die getuigen van eene zorgvuldige ontginning. De inboorlingen behooren tot verschillende eilanden in den Oostindischen Archipel, maar spreken allen dezelfde taal. Wij zagen er van Borneo, Celebes, Java en Sumatra. In kleur gelijken zij op de bewoners van Tahiti, van wie zij in trekken niet veel verschillen. Eenige vrouwen vertoonen echter veel van het Chineesche type. Mij beviel zoowel de gelaatsuitdrukking in ’t algemeen als de klank hunner stemmen. Zij schenen arm, en in hunne huizen ontbrak alle gerief van meubelen; maar uit het poezelig voorkomen der kindertjes bleek duidelijk, dat kokosnoten en zeeschildpadden geen slecht voedsel zijn.
Op dit eiland liggen de putten, waaruit de schepen water opdoen. In ’t eerst schijnt het niet weinig vreemd, dat het zoete water met de getijden regelmatig ebt en wast, en men heeft zelfs gemeend, dat zand het vermogen bezit om het zout uit het zeewater te filtreeren. Deze ebbende putten komen ook op eenige lage eilanden in West-Indië voor. Het samengedrukte zand of het poreuze koraalgesteente wordt evenals eene spons van het zoute water doorzegen; maar de regen, die op de oppervlakte valt, moet dalen tot het peil der omringende zee en zich daar ophoopen onder verplaatsing van een gelijk volume zoutwater. Wanneer nu het water in het lagere gedeelte der groote sponsachtige koraalmassa met de getijden rijst en daalt, zal dit ook geschieden met het water bij de oppervlakte; en dit laatste zal zoet blijven, indien het gesteente dicht genoeg is om aanzienlijke mechanische vermenging te voorkomen. Graaft men echter een put op plaatsen, waar het land bestaat uit groote losse koraalbrokken met open tusschenruimten, dan is, blijkens hetgeen ik gezien heb, het water daarin brak.
Na het middagmaal woonden wij een zonderling en half bijgeloovig schouwspel bij, dat de Maleische vrouwen ons te zien gaven. Een groote houten lepel, die in kleeren gestoken en naar het graf van een overleden man was gebracht, werd, volgens hare bewering, bij volle maan begeesterd en zou gaan springen en dansen. Na de noodige voorbereidingen, hielden twee vrouwen den lepel vast, die daarop in stuipachtige beweging geraakte en onder het gezang der omstaande vrouwen en kinderen goed in de maat ronddanste. Het was eene allerzotste vertooning; maar Liesk beweerde, dat vele Maleiers werkelijk aan de geestenbeweging van den lepel geloofden. De dans begon eerst nadat de maan was opgegaan; en toen wij hare heldere schijf zoo stil tusschen de lange, in den avondwind wuivende takken der kokosboomen zagen schijnen, werden wij ruimschoots voor ons wachten schadeloos gesteld. Op zichzelven zijn deze tropische landschappen zoo verrukkelijk, dat men hen bijna even lief krijgt als die in het eigen vaderland, waaraan wij door de fijnste snaren van het gemoed verbonden zijn.
Den volgenden dag hield ik mij bezig met het onderzoek naar den zeer belangwekkenden, hoewel eenvoudigen bouw en oorsprong dezer eilanden. Daar het water bijzonder effen was, waadde ik over de buitenste bank van dood gesteente tot aan de levende koraaldijken, waarop de golfslag der volle zee breekt. In sommige geulen en holten zwommen visschen in prachtig groene en andere kleuren, en prijkten vele zoöphieten in wondervolle tinten en vormen. Het is verschoonbaar, dat men in geestdrift geraakt over het oneindig aantal bewerktuigde wezens, waarmede de keerkringszee, zoo kwistig in levensvormen, bevolkt is; toch moet ik bekennen, dat natuuronderzoekers die in welgekozen bewoordingen de onderzeesche grotten beschreven hebben als versierd te zijn met duizend schoonheden, volgens mijn idee eene eenigszins gezwollen taal gebezigd hebben.
6 April. Ik vergezelde kapitein Fitz-Roy naar een eiland aan het hoofdeinde der lagune, en daarbij volgden wij een ingewikkeld kanaal, dat zich door velden van fijn vertakte koralen slingerde. Wij zagen verscheidene zeeschildpadden, en twee booten werden afgezonden om ze te vangen. Het water is zoo helder en ondiep, dat hoewel de zeeschildpad door snel duiken in de eerste oogenblikken uit het gezicht raakt, de vervolgers in hunne kano of zeilboot haar na eene niet zeer lange jacht inhalen. Op dit oogenblik springt een man, die in den boeg gereed staat, door het water heen op den rug der schildpad, grijpt haar met beide handen bij het nekschild, en laat zich zoo meevoeren totdat het dier uitgeput raakt en gevat wordt. Het was eene belangwekkende jacht, de twee booten zoo te zien rondvaren, en de mannen met het hoofd vooruit door het water te zien schieten om te trachten hunne prooi te grijpen. Kapitein Moresby meldt mij, dat de inboorlingen der in dezen zelfden oceaan gelegen Chagos-Eilanden op eene afgrijselijke manier het rugschild van de levende zeeschildpad wegnemen. “Het wordt met brandende houtskool bedekt, die de buitenste schaal omhoog doet krommen; daarna rukt men het met een mes af, en maakt het plat tusschen twee planken voordat het koud wordt. Na deze barbaarsche behandeling laat men het dier weer in zijn element terugkeeren, waar zich na eenigen tijd een nieuw schild vormt, dat echter te dun is om het dier van eenig nut te zijn. Het gevolg is dan ook altijd, dat de schildpad er kwijnend en ziekelijk uitziet.”
Toen wij aan den kop der lagune kwamen, staken wij een smal eilandje over, en zagen hier op de kust naar den wind eene hevige branding staan. Ik kan moeilijk zeggen waarom: maar op mijn geest maakt de aanblik van de buitenkusten dezer laguneneilanden een zeer grootschen indruk. Er ligt iets grootsch in dat eenvoudige borstweringachtige strand, dien zoom van groene struiken en hooge kokosboomen, die stevige bank van dood koraalgesteente met hare groote, hier en daar verspreide losse brokken, en in die lange lijn van woedende brekers, die aan alle zijden aanrollen. Als de oceaan zijne golven over het breede rif werpt, schijnt hij u een onoverwinnelijke vijand van alvermogende kracht; toch zien wij hem tot staan gebracht en zelfs overwonnen door middelen, die u op ’t eerste gezicht zoo uiterst zwak en krachteloos schijnen. Niet dat de oceaan de koraalrotsen spaart! De groote brokken, die over het rif verspreid en opgehoopt zijn op het strand, waaruit de hooge kokosboom ontspruit, spreken duidelijk van de onbuigzame kracht der golven. Ook gunt de zee het land geen tijd van rust. De langdurige stijging, veroorzaakt door de gestadige werking van den passaatwind, die altijd in ééne richting over een uitgestrekt gebied waait, doet brekers ontstaan, bijna even machtig als die in gematigde luchtstreken tijdens een orkaan, en die met onverpoosd geweld woeden. Men kan deze golven niet zien zonder een gevoel van overtuiging, dat een eiland, ofschoon uit het hardste gesteente bestaande, hetzij porfier, graniet of kwarts, eindelijk voor zulk eene onweerstaanbare kracht moet zwichten en door de golven worden verslonden. Niettemin houden deze lage, onbeduidende koraaleilandjes zegevierend stand, want eene andere macht treedt op als tegenstander en mengt zich in den strijd. De krachten van het organische leven scheiden, een voor een, de molekulen koolzure kalk uit de schuimende branding, en vereenigen ze tot een hecht, symmetrisch samenstel. Laat vrij de oceaan er duizenden brokken afrukken, wat zegt dit tegen de tienduizenden nijvere arbeiders, die dag en nacht, maand in maand uit aan ’t werk zijn? Zoo zien wij dan het zachte en slijmachtige lichaam der poliep door tusschenkomst der levenswetten zegevieren over de ruwe mechanische kracht der golven van een oceaan, dien noch de menschelijke kunst, noch zelfs de onbezielde werken der natuur met goed gevolg konden weerstaan!
Op een anderen dag bezocht ik het West-Eilandje, waar de plantengroei misschien overvloediger is dan op de overige. De kokosboomen groeien meestal gescheiden; maar hier bloeiden de jonge stammen onder hunne hooge bloedverwanten, en vormden met hunne lange en gebogen bladerkronen de meest belommerde priëelen. Alleen zij, die zoo iets ondervonden hebben, weten hoe heerlijk het is onder zulk lommer te zitten en het koele, aangename sap van de kokosnoot te drinken. Op dit eiland bevindt zich eene groote baaivormige ruimte, welke uit het fijnste witte zand bestaat; zij is geheel vlak en alleen bij hoog water door het getij bedekt. Uit deze groote baai ontspringen vele kleine kreken, die zich in de omringende bosschen verliezen. Het gezicht van zulk een veld met blinkend wit zand, rustig als eene bevroren watervlakte en omgeven door een rand van hooge, wuivende kokosstammen, vormde een zonderling, maar zeer aardig schouwspel.
Kapitein Moresby deelt mij mede, dat deze kreeft de Chagos-Eilanden en de Seychellen bewoont, maar niet voorkomt op de naburige Maldivische Eilanden. Vroeger was hij talrijk op Mauritius, doch nu vindt men daar slechts enkele kleine. Naar men zegt bewoont deze soort, of eene met zeer overeenkomstige eigenschappen, één enkel koraaleiland in den Stillen Oceaan, noordelijk van de Gezelschaps-Eilanden. Als een bewijs hoe verbazend sterk het voorste paar scharen is, wil ik vermelden, dat Scoresby eens een kreeft in een sterken tinnen trommel opsloot, waarin beschuit geweest was, en het deksel met metaaldraad omwond. De kreeft boog echter de randen om en ontsnapte. Dit ombuigen geschiedde met zulk eene kracht, dat hij verscheidene kleine gaatjes door het tin boorde.
Tot mijne groote verrassing vond ik twee koraalsoorten van het geslacht Millepora (M. complanata en M. alcicornis), die het vermogen bezaten tot steken. Versch uit het water genomen, zijn de steenen takken of platen op het gevoel ruw en niet kleverig, ofschoon zij een sterken, onaangenamen reuk bezitten. De stekende eigenschap schijnt bij verschillende exemplaren ongelijk te zijn; drukte of wreef men een stuk op de zachte huid van aangezicht of arm, dan ontstond gewoonlijk, na verloop van eene secunde, eene prikkelende gewaarwording, die slechts enkele minuten duurde. Toen ik echter op zekeren dag een der takken vluchtig met mijn gezicht aanraakte, ontstond onmiddellijk pijn; deze nam, zooals gewoonlijk, na enkele secunden toe, bleef eenige minuten lang hevig, en was nog een half uur daarna te bespeuren. Het gevoel was even onaangenaam als wanneer men een brandnetel aanraakt, doch geleek meer op dat, veroorzaakt door Physalia of het Spaansche Fregat. Kleine, roode vlekken ontstonden op de zachte huid van den arm, en zagen er uit alsof zij blaren zouden trekken, hetgeen echter niet gebeurde. De heer Quoy meldt dit geval van de Millepora, en zoo hoorde ik ook van stekende koralen in West-Indië. Vele zeedieren schijnen dit steekvermogen te bezitten; behalve het Spaansche fregat, vele koralen, en Aplysia of de zeehaas van de Kaap-Verdische-Eilanden, wordt in de “Voyage of the Astrolabe” gesproken van eene Actinia of zee-anemoon, en van een buigzaam aan Sertularia verwant koraaldier, die beiden dit middel tot aanvallen of verdedigen bezitten. Men zegt, dat in de Oostindische Zee een stekend zeewier wordt gevonden.
Ik zal nu eene zeer korte beschrijving geven van de drie groote klassen van koraalriffen, namelijk:
1o. Atollen of Lagunenriffen.
2o. Wal- of Damriffen (door Darwin genoemd Barrier-reefs).
3o. Rand- of Kustriffen (door Darwin genoemd Fringing-reefs).
“C’est une merveille de voir chacun de ces atollons environné d’un grand banc de pierre, tout autour n’y ayant point d’artifice humain.”
(Het is verwonderlijk elk dezer atollen omringd te zien door eene groote steenen bank, zonder eenig spoor van menschelijke kunst in den omtrek).
Nevensstaande schets van het eiland Whitsunday in den Stillen Oceaan, welke ontleend is aan de uitnemende reisbeschrijving van kapitein Beechey, geeft slechts een flauw begrip van het zonderlinge voorkomen van zulk eene atolle. Het is er een van de kleinste grootte, en bestaat uit smalle eilanden, die onderling tot een ring zijn vereenigd. De tegenstelling tusschen den onmetelijken oceaan met zijne woedende stortzeeën, en het lage eiland met het kalme heldergroene water binnen de lagune, kan men zich moeilijk voorstellen zonder het gezien te hebben.

Het eiland Whitsunday (Lage of Tuamotu-Eilanden).

Het eiland Bolabola (Gezelschaps-Eilanden.)
Voor zoover het eigenlijke koraalrif betreft, is er niet het geringste verschil zoowel in algemeene grootte, begrenzing en groepeering als zelfs in zeer onbeduidende structuur-bijzonderheden, tusschen een walrif en eene atolle. De aardrijkskundige Balbi heeft terecht aangemerkt, dat een omwald eiland eene atolle is, waarin zich hoogland uit de lagune verheft; neem het land er binnen weg, en er blijft eene volledige atolle over.
Maar wat is nu de oorzaak, dat deze riffen op zulke groote afstanden van de kusten der ingesloten eilanden uit zee verrijzen? De reden kan niet zijn, dat koralen niet in de nabijheid van het land groeien: want dikwijls zijn de kusten van het lagunenkanaal, wanneer zij niet door alluvialen grond zijn omgeven, door een rand van levende riffen begrensd; en aanstonds zullen wij zien, dat er eene geheele klasse van riffen bestaat, welke ik juist om hun nauw verband met de kusten zoowel van vastelanden als van eilanden, met den naam van Randriffen heb bestempeld. Eene tweede vraag is: waarop hebben de rifvormende koralen, die niet op groote diepten kunnen leven, hunne ringvormige wallen gegrondvest? Blijkbaar is de oplossing daarvan even moeilijk als in het gelijksoortige geval der atollen, en die meestal over het hoofd is gezien. De zaak zal duidelijker worden begrepen na een blik op de volgende ware doorsneden, die genomen zijn in de richtingen noord en zuid door de eilanden Wanikoro, Gambier (of Mangarewa) en Maurua met hunne walriffen. Zoowel in horizontale als in verticale richting, zijn deze doorsneden herleid tot denzelfden maatstaf van een kwart inch op elke mijl.——

1. Het eiland Wanikoro. (Santa-Cruz-Eilanden).
2. De Gambier-Eilanden. CD = 200 vademen.
3. Het eiland Maurua. (Gezelschaps-Eilanden).
De horizontale, donkere schaduw geeft een doorsnede te zien van de walriffen en lagunenkanalen. De schuine, lichtere schaduw boven den zeespiegel AA vertoont eene doorsnede van het land in vorm en hoogte; hare voortzetting onder deze lijn den waarschijnlijken vorm van het land onder zee.
Wij moeten hier opmerken, dat in welke richting de doorsneden ook genomen waren hetzij bij deze of vele andere omwalde eilanden, in ’t algemeen dezelfde vormen zouden zijn weergevonden. Zoo men nu bedenkt, dat rifvormend koraal op geen grootere diepte kan leven dan van 20 tot 30 vademen en dat de schaal der teekening zoo klein is, dat de peilstreepjes CD aan de rechterhand eene diepte aanduiden van 200 vademen (366 Met.), dan mag men terecht vragen: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Moeten wij aannemen, dat elk eiland omringd is door eene halssnoervormige onderzeesche rotsklip, of door eene groote bank van bezonken stoffen, die plotseling eindigt waar ook het rif eindigt? Indien de zee vroeger diep in de eilanden had geknaagd, voordat deze door de riffen werden beschermd, en aldus eene ondiepe klip rondom hen onder water had gezet, zouden de tegenwoordige kusten steeds door diepe, steile afgronden omringd zijn; maar dit is hoogst zelden het geval. Ook kan men, volgens dit begrip, onmogelijk verklaren, waarom de koralen, evenals een muur, van den uitersten buitenrand der klip zijn opgegroeid, en aan den binnenkant dikwijls eene breede watervlakte hebben vrijgelaten, te diep voor den groei der koralen zelven. Dat rondom deze eilanden eene uitgestrekte bank van bezonken stoffen opgehoopt zou zijn, welke meestal het breedst was daar waar de ingesloten eilanden het kleinst zijn, is hoogst onwaarschijnlijk, zoo men in aanmerking neemt hoezeer die banken in de centrale en diepste gedeelten van den oceaan aan de werking der golven zijn blootgesteld. In het bijzondere geval van het walrif van Nieuw-Caledonië, dat zich 150 mijlen ver voorbij de noordelijkste punt van het eiland uitstrekt in dezelfde rechte lijn, waarin het langs de westkust loopt, is het haast niet mogelijk aan te nemen, dat aldus eene bank van bezonken stoffen kon worden afgezet lijnrecht tegenover een hoog eiland en zoo ver voorbij zijn eindpunt in volle zee. En ten slotte, zoo wij acht slaan op andere eilanden in den oceaan van ongeveer dezelfde hoogte en gelijke geologische samenstelling, maar niet door koraalriffen omgeven, dan zullen wij vruchteloos zoeken naar zulk eene onbeduidende, zich rondom uitstrekkende diepte van 30 vademen, behalve in de onmiddellijke nabijheid der kusten; want land dat steil uit het water verrijst, gelijk de meeste omwalde en niet omwalde eilanden in den oceaan, duikt er gewoonlijk steil onder. En daarom herhaal ik mijne vraag: waarop zijn deze walriffen gegrondvest? Waarom liggen zij met hunne wijde en diepe grachtvormige kanalen zoo ver van het ingesloten land? Spoedig zullen wij zien hoe gemakkelijk deze moeilijkheden verdwijnen.
Thans komen wij aan onze derde klasse van riffen, de zoogenaamde Rand- of Kustriffen, die eene zeer korte beschrijving behoeven. Waar het land steil onder water duikt, zijn deze riffen slechts enkele yards breed, en vormen zij eenvoudig eene strook of rand rondom de kusten; waar het land zacht glooiend onder het water verdwijnt, strekt het rif zich verder uit, soms zelfs eene mijl ver van het land, maar in zulke gevallen bewijzen steeds de peilingen buiten het rif, dat het land zich met eene geringe helling onder water voortzet. Inderdaad strekt het rif zich slechts tot dien afstand van de kust uit, binnen welken de vereischte diepte van 20 tot 30 vademen grond gevonden wordt. Wat nu het eigenlijke rif betreft, is er geen wezenlijk onderscheid tusschen dit en die, welke een walrif of eene atolle vormen; in de meeste gevallen heeft het echter eene mindere breedte, zoodat er zich weinig eilandjes op gevormd hebben. Omdat de koralen sterker aan de buitenzijde groeien, en het bezinksel, dat naar binnen wordt gespoeld, nadeelige werking heeft, is de buitenrand van het rif het hoogste gedeelte; tusschen dit en het land ligt meestal een ondiep zandig kanaal van enkele voeten diepte. Daar, waar zich banken van bezonken stoffen tot dicht bij de oppervlakte hebben opgehoopt (zooals in sommige gedeelten van West-Indië), worden die soms met een rand van koralen omzoomd, en gelijken dus in zekeren zin op laguneneilanden of atollen, op dezelfde manier als randriffen die zacht glooiende eilanden omringen, in zekeren zin op walriffen gelijken.

AA. Buitenranden van het kustrif bij den zeespiegel.
BB. De kusten van het omzoomde land.
A′A′. Buitenranden van het rif, na zijn opwaartschen groei gedurende een tijdperk van daling, thans veranderd in een walrif met eilandjes er op.
B′B′. De kusten van het nu door rif en lagunenkanaal CC ingesloten eiland.
Opmerking. In deze en de volgende teekening kon de onderzinking van het land alléen worden voorgesteld door eene schijnbare rijzing van den zeespiegel ABBA.
Geene enkele theorie over de vorming der koraalriffen kan als voldoende worden beschouwd, welke niet de drie groote klassen omvat. Wij hebben gezien, dat de hypothese der inzinking van den zeebodem de eenig mogelijke is, ter verklaring van die uitgestrekte ruimten met hier en daar verspreide lage eilanden, waarvan geen enkel hooger verrijst, dan tot waar wind en golven stof kunnen opwerpen, ofschoon die eilanden opgebouwd zijn door dieren, welke een bodem behoeven, die op geen groote diepte kan liggen. Laat ons nu, als voorbeeld, een eiland nemen, dat door randriffen is omgeven, welke geene moeilijkheid in hunne samenstelling opleveren, en zien wij wat er gebeurt, als dit eiland met zijn rif (in de teekening door de gebogen lijn ABB′B′BA voorgesteld) langzaam onderzinkt. Uit hetgeen van de voorwaarden, gunstig voor den groei van koraaldieren bekend is, mogen wij veilig besluiten, dat, als het eiland op een tijdstip enkele voeten of geheel onmerkbaar daalt, de levende koraaldieren, die door de branding op den rand van het rif bespoeld worden, spoedig weer de oppervlakte zullen bereiken. Maar langzaam en gestadig zal de zee op de kust winnen; het eiland wordt steeds lager en kleiner, en de ruimte tusschen den binnenrand van het rif en het strand naar evenredigheid breeder. Eene doorsnede van het rif in dezen toestand, na eene onderzinking van verscheidene honderden voeten, geeft ons de stippellijn AA′A′A te zien; de boompjes bij A′ wijzen aan, dat zich koraaleilanden op het rif gevormd hebben, en het schip bij C de plaats van het lagunenkanaal. Dit kanaal zal meer of minder diep zijn al naar de mate van onderzinking, van de hoeveelheid daarin opgehoopt bezinksel, en den groei der fijn vertakte koralen die er kunnen leven. In dezen toestand gelijkt de doorsnede in alle opzichten op die van een omwald eiland; en inderdaad is zij eene getrouwe doorsnede (naar den maatstaf van 517/1000 van een inch op elke mijl) van het eiland Bolabola (of Borabora) in den Stillen Oceaan. Nu kunnen wij onmiddellijk zien, waarom walriffen zoo ver van de kusten liggen, die zij als met een ring omgeven. Ook kunnen wij zien, dat de lijn die van den buitenrand van het nieuwe rif loodrecht op het vaste steenen grondvlak onder het oude rand- of kustrif wordt neergelaten, evenveel voeten langer is dan de geringe grensdiepte waarop werkelijke koraaldieren kunnen leven, als de maat der inzinking van dat grondvlak zelf: m.a.w., de kleine bouwmeesters hebben, gedurende de inzinking van den zeebodem, hun groot muurvormig bouwwerk opgetrokken op een grondvlak, samengesteld uit andere koralen en hunne vastgeworden brokstukken. De schijnbaar groote moeilijkheid omtrent dit punt verdwijnt derhalve.
Hadden wij, in plaats van een eiland, de kust genomen van een met riffen omzoomd vasteland, en dit in gedachten laten zinken, dan zou het resultaat blijkbaar geweest zijn een groote rechte dam of wal, evenals die van Australië of Nieuw-Caledonië, welke door een wijd en diep kanaal van het land gescheiden was.

A′A′. Buitenranden van het walrif bij den zeespiegel, met eilanden er op.
B′B′. De kusten van het ingesloten land.
CC. Het lagunenkanaal.
A″A″. Buitenranden van het rif, nu in eene atolle veranderd.—C′. De lagune van de nieuwe atolle.
Opmerking. Volgens de ware schaal zijn hier de diepten van het lagunenkanaal en de lagune zeer overdreven.
Men zou mij kunnen vragen of ik een rechtstreeksch bewijs van het zinken van walriffen of atollen kan geven; doch men moet hierbij in ’t oog houden, hoe moeilijk het steeds is eene beweging te ontdekken, welke er toe leidt het bewogen land onder water te verbergen. Op Keeling-atolle zag ik echter aan alle zijden van de lagune oude kokosboomen, die ondermijnd en op het punt waren te vallen; en op ééne plaats stond eene hut, waarvan de bewoners verklaarden dat de fundamenten zeven jaren geleden even boven hoogwaterpeil hadden gestaan, terwijl zij nu dagelijks door elken vloed bespoeld werden. Bij onderzoek vernam ik, dat hier gedurende de laatste tien jaren drie aardbevingen waren gevoeld, waaronder ééne hevige. Op Wanikoro is het lagunenkanaal bijzonder diep; aan den voet der hooge ingesloten bergen heeft zich bijna geen alluviale grond opgehoopt, en op het muurvormig walrif zijn door het opwerpen van brokken en zand zeer weinig eilandjes gevormd. Deze en eenige dergelijke feiten meer, leidden mij tot de meening, dat dit eiland kort geleden moet gezonken en het rif omhoog zijn gegroeid. Hier zijn ook aardbevingen talrijk en zeer ernstig. Op de Gezelschaps-Eilanden, daarentegen, waar de lagunenkanalen bijna zijn verstopt; waar veel lage alluviale grond is opgehoopt, en waar in sommige gevallen lange eilandjes op de walriffen zijn gevormd—feiten, die alle er op wijzen, dat de eilanden niet zeer kort geleden gezonken zijn—worden slechts uiterst zelden zwakke schokken gevoeld. Bij deze koraalvormingen, waar land en water om de oppermacht schijnen te strijden, moet het altijd moeilijk zijn te beslissen of de gevolgen zijn toe te schrijven aan eene verandering in den loop der getijden, of aan eene geringe onderzinking. Dat vele van deze riffen en atollen aan veranderingen van eenigerlei aard onderhevig zijn, staat vast; in sommige atollen schijnen de eilandjes in een niet lang verleden zeer gegroeid, in andere, daarentegen, geheel of gedeeltelijk weggespoeld te zijn. De bewoners van sommige gedeelten der Maldivische Eilanden kennen den datum, waarop sommige eilandjes zich het eerst begonnen te vormen; elders in dien archipel bloeien thans de koralen op riffen, waarover het water spoelt, en waar holten, die voor graven moesten dienen, getuigen van het vroeger bestaan van bewoond land. Dat in de getij-stroomingen eener open zee menigvuldige veranderingen zouden plaats hebben, is moeilijk te gelooven; daarentegen zien wij in de aardbevingen waarvan de bewoners van sommige atollen de overlevering bewaard hebben, en in de groote op andere atollen waargenomen spleten, een klaar bewijs van de veranderingen en storingen welke in de onderaardsche streken in gang zijn.
Door de theorie der inzinking van den zeebodem (welke theorie wij, onafhankelijk, voor het gebied in quaestie genoopt zijn aan te nemen, wegens de noodzakelijkheid om voor den groei der koralen bodems op de vereischte diepte te vinden) worden niet alleen verklaard de hoofdtrekken in den bouw van walriffen en atollen, en van hunne onderlinge gelijkenis in vorm, grootte en andere kenmerken: maar ook vele bijzonderheden in bouw en zelfs uitzonderingsgevallen vinden door haar eene eenvoudige verklaring. Ik zal slechts enkele voorbeelden noemen. Sedert lang is bij walriffen met verwondering waargenomen, dat de doorgangen in het rif nauwkeurig liggen in de asrichting der valleien op het ingesloten land—zelfs dan, als het rif van het land gescheiden is door een lagunenkanaal, zoo wijd en zooveel dieper dan de eigenlijke doorgang zelf, dat het haast niet mogelijk schijnt, dat de zeer geringe hoeveelheid van land afgevoerd water of bezinksel de koralen op het rif kon schaden. Om dit te verklaren, wenden wij ons tot de klasse der kustriffen. Hier wordt elk rif doorsneden van eene smalle geul of invaart, recht tegenover het kleinste riviertje van het ingesloten land, zelfs indien dat riviertje het grootste deel van het jaar droog ligt; en wel om deze reden, dat alle weggespoelde modder, zand en kiezel de rifkoralen doodt, waarop die stoffen worden afgezet. Bij gevolg, wanneer zulk een eiland met kustrif onderzinkt, zullen, ofschoon waarschijnlijk de meeste smalle invaarten door den buiten- en opwaartschen groei der koralen verstopt zullen worden, enkele niet verstopte (en door het bezinksel of onzuivere water dat uit het lagunenkanaal wegvloeit, moeten er altijd eenige open blijven) voortdurend juist tegenover de hoogere gedeelten van die valleien liggen, aan welker vroegere mondingen de bodem van het oorspronkelijke kustrif van geulen werd doorsneden.
Ziehier nog eene bijzonderheid: zoo men bedenkt, dat in twee naburige eilanden-groepen koralen bloeien in de eene en niet in de andere groep, en dat zoo vele van de bovengenoemde omstandigheden van invloed moeten zijn op hun bestaan—zou het een onverklaarbaar feit wezen, indien koralen gedurende de veranderingen waaraan lucht, aarde en water onderhevig zijn, eeuwigdurend op een plek of een gebied in ’t leven bleven. En daar volgens onze theorie de oppervlakken, die atollen en walriffen bevatten, in zee zinken, moeten wij nu en dan zoowel doode als verdronken koralen vinden. In alle riffen is de zijde onder den wind voor een krachtigen, langdurigen groei der koralen het minst gunstig, omdat naar dien kant het bezinksel uit het lagunenkanaal wordt weggespoeld. Bij gevolg komen aan lijwaarts niet zelden doode rifstukken voor, die, ofschoon nog hunne eigen muurvormige gedaante behoudende, nu in vele gevallen verscheidene vademen onder de oppervlakte zijn gezonken. De Chagos-Archipel schijnt om de eene of andere reden—misschien omdat de onderzinking te snel is geschied—op ’t oogenblik minder gunstig te zijn voor den groei van riffen dan vroeger: bij ééne atolle is een deel van het zoomrif, negen mijlen lang, dood en verdronken; bij eene tweede verrijzen slechts enkele zeer kleine levende toppen boven de oppervlakte; eene derde en vierde zijn geheel dood en verdronken, terwijl eene vijfde niet meer is dan een wrak, waarvan de oorspronkelijke structuur bijna geheel is uitgewischt. Het verdient opmerking, dat in al deze gevallen de doode riffen en deelen van riffen op bijna dezelfde diepte liggen, nl. van zes tot acht vademen onder de oppervlakte, alsof zij door eene eenparige beweging omlaag waren gevoerd. Een dezer “halfverdronken atollen” (zoo genoemd door kapitein Moresby, aan wien ik vele kostbare inlichtingen te danken heb) is zeer uitgestrekt, nl. 90 zeemijlen (166.9 km.) in de eene richting en 70 mijlen (129.8 km.) in eene andere, en ook in vele opzichten hoogst belangrijk. Aangezien uit onze theorie volgt, dat op elk nieuw zinkingsgebied meestal nieuwe atollen gevormd zullen worden, zou men twee gewichtige bedenkingen kunnen aanvoeren, nl., dat atollen dan in onbeperkt aantal moesten vermeerderen: en ten tweede, dat op oude zinkende terreinen elke atolle in ’t bijzonder onbepaald in dikte moest toenemen, indien geen bewijzen konden worden aangevoerd, dat zij toevallig werden verwoest. Zoo hebben wij dan de geschiedenis dezer groote ringen van koraalgesteente geschetst, van af hun eersten oorsprong, door hunne opvolgende normale veranderingen, en door de toevallige gebeurtenissen in hun leven tot aan hun dood en algeheele vernietiging.
Schrijvers hebben met verwondering opgemerkt, dat, hoewel atollen de meest voorkomende koraalvormingen zijn over eenige uitgestrekte ruimten in de groote oceanen, zij in andere zeeën (zooals bij West-Indië) ontbreken. De oorzaak daarvan kunnen wij nu terstond zien: want waar geen daling geweest is, kunnen geen atollen zijn gevormd; en wat West-Indië en sommige gedeelten van Oost-Indië betreft, weet men dat deze streken in het jongste tijdperk gerezen zijn. De grootere, rood en blauw gekleurde oppervlakten zijn alle langwerpig; en tusschen de twee kleuren is eene zekere mate van afwisseling, alsof de rijzing van het eene gebied had opgewogen tegen de daling van het andere. Zoo wij letten op de bewijzen van jongste rijzing zoowel aan de kusten met randriffen, als aan eenige andere waar geen riffen zijn (bijv. in Zuid-Amerika), worden wij tot de gevolgtrekking geleid, dat de groote vastelanden meerendeels rijzende—en uit den aard der koraalriffen, dat de centrale gedeelten der groote oceanen dalende gebieden zijn. De Oostindische Archipel, het meest gebroken land ter wereld, is op de meeste punten een rijzend gebied, doch wordt omringd en waarschijnlijk in meer dan eene richting gesneden door smalle perken van daling.