← Table of contents
De Reis om de Wereld

Note 22 — Keeling-Eiland—Koraalvormingen.

J. Brandt translation

De dieptegrenzen van ongeveer 37–55 Met., door Darwin als levensvoorwaarde van de rif- of kolonievormende koralen genoemd, zijn door later onderzoek eenigszins gewijzigd. De meeste koraalgeslachten gedijen tusschen 30 en 40 Met. diepte, maar men heeft een rif gevonden, waarop zeer enkele geslachten leefden op eene diepte van 50–90 Met. Ook hunne geographische verspreiding volgt een bepaalden regel, en de uitzonderingen daarop bevestigen dien slechts. Men vindt koraalriffen alleen in warme zeeën, ongeveer tusschen 25° N. en Z.Br.—daar waar de gemiddelde jaartemperatuur van het water minstens 20° C. is. In de Roode Zee en in den Stillen Oceaan liggen de noordelijke riffen respect. op 30° en 28°30′ breedte, terwijl de koraalriffen der Bermuda-Eilanden in den Atlant. Oceaan, onder invloed van den warmen Golfstroom nog op 32° 15′ N.B. gedijen.

Verder heeft de wetenschap geleerd, dat het verschijnsel, of liever, het proces der rifvorming veel ingewikkelder is, dan Darwin en na hem de Amerikaansche geoloog Dana (in 1849) onderstelden. Men heeft nl. in den Westindischen Archipel, op de Philippijnsche, de Salomons-, Palau- en Andamans-Eilanden koraalvormingen ontdekt, welke onder andere omstandigheden moeten ontstaan zijn, dan die in het midden van den Stillen Oceaan. Darwin’s theorie, ofschoon langen tijd een onbeperkt gezag uitoefenende, en nog in de jaren 1880–1890 der geologen als Suesz, Neumaijr en Bonney verdedigd, wordt dan ook door verscheidene geologen en zoölogen (Geikie, Murray, Guppy, Semper, Rein, Poutalès, Studer, Agassiz e.a.) niet aangenomen. Toch geeft zij nog de natuurlijkste verklaring van alle koraaleilanden in de Stille en Indische Oceanen, die onder een helling van 60°, of zelfs loodrecht honderden meters hoog boven den zeebodem verrijzen. Zij vond een wezenlijken steun in het geologisch onderzoek van de riffen uit vroegere perioden der aardgeschiedenis. Men heeft nl. zulke riffen ontdekt in alle formaties—van af de Cambrische periode—behalve tot nu toe in die van het Tertiaire Tijdvak. De dikte dier voorwereldlijke riffen is menigmaal ontzaglijk; in het Devoon bedraagt die soms 700, in het Trias zelfs 1500 Met. Doch eerst in 1897/98 werd Darwin’s theorie proefondervindelijk ook voor de tegenwoordige riffen bevestigd. Bij boringen op het eiland Funafuti (een der Ellice-Eilanden in den Stillen Oceaan) stiet men tot op eene diepte van 390 Met. door koraalkalk.

De verschillende theorieën over het ontstaan der koraaleilanden en koraalriffen vindt men zeer goed omschreven in R. Langenbeck “Koralleninseln”, Leipzig 1890; en in W. May “Korallen und andere gesteinsbildende Tiere”, Leipzig 1909.

(Noot v. d. Vert.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings