← Table of contents
De Reis om de Wereld

Van Bahia Blanca naar Buenos Aires.

J. Brandt translation

8 September. Ik huurde een Gaucho om mij op mijn rit naar Buenos Aires te vergezellen. Dit huren ging met eenige moeite gepaard, omdat de vader van den man bevreesd was hem te laten gaan, terwijl een ander, die oogenschijnlijk wel wilde, mij beschreven werd als zoo vreesachtig, dat ik bang was hem te nemen; men zeide zelfs, dat, als deze man een struisvogel in de verte zag, hij dit dier voor een Indiaan zou houden en als de wind op de vlucht zou gaan. De afstand naar Buenos Aires is omtrent 400 mijlen, welke weg bijna geheel door een onbewoond land leidt. Wij reden vroeg in den morgen uit, stegen enkele honderden voeten boven het groene grasdal waarin Bahia Blanca ligt, en kwamen in eene uitgestrekte woeste vlakte. De bodem bestaat hier uit een brokkelig mergelkalk-gesteente, dat wegens de droogte van het klimaat niet anders voortbrengt dan verspreide bosjes verweerd gras, zonder dat een enkele struik of boom de eentonigheid verbreekt.

Het weer was prachtig, maar de lucht opmerkelijk dampig. Ik dacht, dat dit een storm voorspelde; maar de Gauchos zeiden, dat dit kwam omdat de vlakte op grooten afstand in het binnenland in brand stond. Na een langen galop en tweemaal van paarden verwisseld te hebben, bereikten wij de Rio Sauce—een kleine, diepe, snelstroomende rivier van niet meer dan 25 voet breedte. De tweede post op den weg naar Buenos Aires ligt aan hare oevers; en iets verder op is eene waadbare plaats voor paarden, waar het water niet tot aan hun buik reikt; maar vanaf dit punt is de rivier in haar loop naar zee volkomen ondoorwaadbaar, en vormt zoo een voortreffelijke grensscheiding tegen de Indianen.

In weerwil, dat deze stroom zoo onbeduidend is, stelt de Jezuïet Falconer, wiens berichten in ’t algemeen zeer nauwkeurig zijn, hem voor als eene belangrijke rivier, die aan den voet der Cordilleras ontspringt. Wat haren oorsprong betreft, twijfel ik niet of deze opgaaf is juist; want de Gauchos verzekerden mij, dat deze stroom in ’t midden van den drogen zomer tegelijk met de Colorado periodieke vloeden heeft, die alleen ontstaan kunnen zijn door het smelten van de sneeuw op de Andes. Dat zulk een kleine stroom, als de Sauce toen was, het vasteland in zijne volle breedte zou doorsnijden, is onwaarschijnlijk; en ware hij het overblijfsel eener groote rivier, dan zouden zijne waters, gelijk in andere gevallen bevestigd is, inderdaad zout bevatten. Des winters moeten wij de bronnen rondom de Sierra Ventana als den oorsprong van zijn helderen, doorschijnenden stroom beschouwen. Ik vermoed, dat de vlakten van Patagonië, evenals die in Australië, van vele stroomen worden doorsneden, die hun eigenlijken loop alleen in bepaalde perioden volbrengen. Waarschijnlijk is dit het geval met het water, dat in het havenhoofd van Port Desiré vloeit, alsmede met de Rio Chupat, op welker oevers de officieren, die met de opmeting belast waren, groote hoeveelheden van zeer poreuze slakken of scoriae gevonden hebben.

De dauw, die in den voornacht de zadeldekken bevochtigde waaronder wij sliepen, was des morgens bevroren. Onmerkbaar was de vlakte, welke horizontaal scheen, gestegen tot eene hoogte van 800 tot 900 voet boven de zee. In den morgen van 9 September stelde de gids mij voor de naaste hoogte te beklimmen, die mij, zooals hij dacht, naar de vier spitsen zou voeren, waarmee de top gekroond is. Het klimmen over zulke ruwe rotsen was zeer vermoeiend; de zijden waren zoo hoekig, dat wat men in de eene vijf minuten won, dikwijls in de vijf volgende verloren ging. Toen ik eindelijk de hoogte beklommen had, werd ik zeer teleurgesteld door de ontdekking, dat eene steile vallei van gelijke diepte als de vlakte die de bergketen in tweeën sneed, mij van de vier punten scheidde. Deze vallei is zeer nauw, maar heeft een vlakken bodem en vormt een voortreffelijken pas voor de bereden Indianen, doordien zij de vlakten aan de noord- en zuidzijden der keten verbindt. Toen ik de helling afgedaald was, zag ik bij het oversteken van de vallei twee paarden grazen. Dadelijk verborg ik mij in ’t hooge gras en bespiedde den omtrek; maar wijl ik geen spoor van Indianen kon zien, begon ik voorzichtig mijne tweede bestijging. Het was laat op den dag, en dit gedeelte van den berg was, evenals het andere, steil en oneffen. Te twee ure was ik op den top der tweede hoogte, die ik echter met de grootste moeite bereikt had; na elke 20 yards had ik kramp in het bovengedeelte van mijne dijen, zoodat ik vreesde niet in staat te zullen zijn weer omlaag te komen. Ook was het noodig langs een anderen weg terug te keeren, daar er geen sprake van was den genoemden pas nog eens over te steken. Ik was dus verplicht de twee hooger gelegen toppen op te geven. Hunne meerdere hoogte was echter gering, en het geologisch doel werd in alle opzichten bereikt, zoodat het beklimmen de kans op verdere inspanning niet loonde. Ik vermoed, dat de kramp veroorzaakt werd door de groote verandering in den aard der spierbeweging: den overgang van het stramme rijden op het nog strammere klimmen. Het is eene les, die men wel in gedachten mag houden, daar zij in sommige gevallen veel last kan veroorzaken.

Over het geheel had deze bestijging mij teleurgesteld. Zelfs het uitzicht was onbeduidend: eene vlakte als eene zee, maar zonder hare fraaie kleur en scherpe belijning. Toch was het tafereel nieuw, en een weinig gevaar gaf er smaak aan, evenals zout aan vleesch. Dat het gevaar zeer gering was, bleek uit het feit, dat mijne twee metgezellen een flink vuur maakten—iets wat nooit gedaan wordt als men vermoedt, dat er Indianen in de nabijheid zijn. Ik bereikte de plaats van ons bivouak bij zonsondergang, dronk een groote hoeveelheid máte, rookte verscheidene cigarritos, en maakte spoedig daarop mijn bed gereed voor den nacht. Er woei een zeer krachtige en koude wind, maar nooit sliep ik aangenamer dan toen.

10 September. Des morgens kwamen wij, flink voortgejaagd door den storm, omstreeks het midden van den dag aan den post Sauce. Onderweg zagen wij eene groote menigte herten, en dicht bij den berg een guanaco. De vlakte, die aan de Sierra grenst, wordt van eenige zonderlinge waterloopen doorsneden, waarvan een omtrent 20 voet breed en minstens 30 diep was. Dientengevolge waren wij genoodzaakt een grooten omweg te maken, voordat wij een overweg konden vinden. Wij bleven dien nacht bij den post; en zooals meestal het geval was, liep het gesprek over Indianen. De Sierra Ventana was vroeger een belangrijk vereenigingspunt; en drie of vier jaar geleden werd er druk gevochten. Mijn gids was er bij geweest, toen vele Indianen gedood werden; de vrouwen vluchtten naar den top van den berg, en vochten als razenden door het werpen van steenen. Vele redden zoo haar leven.

11 September begaven wij ons naar den derden post, vergezeld van den luitenant, die er het bevel voerde. Zooals het heet, bedraagt de afstand 15 leagues; maar dit is slechts gissing, en meestal wordt hij overschat. De weg, die over eene droge grasvlakte liep, bood niets belangrijks; en aan onze linkerhand stonden op grooteren of kleineren afstand eenige lage heuvels, die wij na een eind weegs overstaken, om naar den post te komen. Vóór onze aankomst ontmoetten wij een grooten troep vee en paarden, onder geleide van 15 soldaten; men zeide ons echter, dat vele dieren verloren waren geraakt. Het is zeer moeilijk dieren over de vlakten te drijven; want nadert des nachts een puma (Chileensche leeuw), of zelfs een vos, dan is niets in staat te beletten, dat de paarden zich in alle richtingen verstrooien; en een storm zal hetzelfde doen. Kort te voren verliet een officier met 500 paarden Buenos Aires; en bij zijne aankomst in het leger had hij er nog geen twintig.

12 en 13 September. Twee dagen bleef ik bij dezen post in afwachting van een troep soldaten, die, gelijk Generaal Rosas zoo vriendelijk was mij te berichten, binnenkort naar Buenos Aires zouden vertrekken; en hij ried mij aan van dat escorte gebruik te maken. In den morgen reden wij naar eenige naburige heuvels, om het land in oogenschouw te nemen en de geologische gesteldheid te onderzoeken. Na het middagmaal verdeelden de soldaten zich in twee groepen, om hunne vaardigheid met de bolas te beproeven. Twee speren werden op 35 yards afstand van elkander in den grond gestoken, maar slechts eens van de vier of vijf keeren geraakt of omslingerd. Men kan de bolas 50 tot 60 yards ver werpen, doch met geringe zekerheid. Voor een man te paard is dat evenwel anders; want wordt de snelheid van het paard gevoegd bij de kracht van den arm, dan kunnen de bolas, naar men zegt, met goed gevolg 80 yards ver geslingerd worden. Als een bewijs van hare kracht, wil ik meedeelen, dat, toen de Spanjaarden op de Falklands-Eilanden enkele hunner landgenooten en alle Engelschen vermoordden, het volgende plaats had. Een jonge, vreedzame Spanjaard liep weg, toen een kloek gebouwd man, Luciano genaamd, hem in vollen galop achterna reed en toeriep te blijven staan, zeggende dat hij hem alleen maar spreken wilde. Juist toen de Spanjaard op het punt was eene boot te bereiken, wierp Luciano de bolas, die zijne beenen met zulk eene kracht troffen, dat hij neerstortte en eenigen tijd bewusteloos bleef. Toen Luciano den man gesproken had, kon deze ontsnappen. Hij vertelde ons, dat zijne beenen groote striemen vertoonden op de plek waar de riemen omheen waren geslingerd, even alsof men hem met een zweep had geslagen.

Hoe ellendig schijnt ons het leven, dat deze mannen leiden! Zij woonden minstens 10 leagues van den Sauce-post; en sedert den moord door de Indianen gepleegd, twintig leagues van een volgenden. Men onderstelt, dat de Indianen hun aanval in ’t midden van den nacht gedaan hebben, want zeer vroeg in den morgen na den moord zag men hen dezen post naderen. Dit was een geluk, want nu ontkwam de geheele bezetting met de paarden, waarbij elk man een lijn in de hand hield en zooveel paarden meêtrok, als hij kon leiden.

De kleine, uit distelstengels gebouwde hut waarin de soldaten sliepen, was tegen wind noch regen bestand; bij regen was inderdaad het eenige gevolg, dat het dak het water tot grootere druppels verdichtte. Zij hadden niet anders te eten dan wat zij konden vangen: struisvogels, herten, armadillen, enz.; en hun eenige brandstof waren de droge stengels eener kleine plant, die eenigszins op een aloë geleek. De eenige weelde, die deze mannen genoten, bestond in het rooken van kleine papieren sigaren (cigarritos) en het slurpen van máte. Het treurig lot dezer lieden trof mij nog meer, als ik de aasgieren, die vaste begeleiders van den mensch op deze naargeestige vlakten, zoo geduldig op de naburige klippen zag zitten, als zeiden zij tot zich zelven: “Geduld, als de Indianen komen, zullen wij een feest hebben!”

Des morgens gingen wij allen uit jagen; en ofschoon wij niet veel geluk hadden, waren er toch eenige opgewekte jachten. Kort nadat wij onderweg waren verdeelde zich de troep, met de afspraak, dat allen op zekeren tijd van den dag (dien men in de wildernis zeer juist weet te raden) uit verschillende richtingen op een vlak terrein zouden samenkomen, en zoo de wilde dieren bijeendrijven. Te Bahia Blanca ging ik eens uit jagen; maar daar reden de mannen eenvoudig in eene halve maan, de een omtrent een kwart-mijl van den anderen. Een fraaie mannetjes-struis, die door de voorste rijders was omgereden, poogde aan eenen kant te ontsnappen. De Gauchos vervolgden hem met achteloozen tred, doch zwenkten hunne paarden op meesterlijke wijs, terwijl elk de bolas om zijn hoofd zwaaide. Eindelijk wierpen de voorsten het werktuig kronkelend door de lucht: de riemen strengelden zich om de pooten van den struis—en in een oogwenk tuimelde de vogel het onderstboven.

14 September. Daar de soldaten, die tot den naasten post behoorden, plan hadden terug te keeren, en wij te zamen een gezelschap van vijf gewapenden zouden vormen, besloot ik om niet op de beloofde troepen te wachten. Mijn gastheer, de luitenant, verzocht mij dringend te blijven. Daar hij zeer voorkomend geweest was, niet alleen door mij voedsel te verschaffen, maar ook door mij zijne eigen paarden te leenen, diende ik hem eene belooning te geven. Ik vroeg mijn gids of ik dit doen mocht, doch hij ontkende dit ten stelligste, zeggende dat ik vermoedelijk tot eenig antwoord zou krijgen: “Wij hebben vleesch voor de honden in ons land, en misgunnen het dus een Christen niet!” Men onderstelle evenwel niet, dat de rang van luitenant in zulk een leger een beletsel zijn zou om betaling aan te nemen; het was slechts de ruime opvatting van gastvrijheid, waarvan elk reiziger erkennen moet, dat zij in deze streken bijna algemeen is. Na een galop van eenige leagues, kwamen wij aan een lage, moerassige streek, die zich omtrent 80 mijlen noordwaarts tot de Sierra Tapalguen uitstrekt. In sommige gedeelten waren fraaie vochtige vlakten, met gras bedekt, terwijl andere een zachten, zwarten, veenachtigen bodem hadden. Ook waren er vele uitgestrekte, maar ondiepe meren, en groote rietbeddingen. Over het geheel geleek het land op de betere gedeelten der Cambridgeshire-venen. Des nachts kostte het ons eenige moeite, te midden der moerassen een droge plek voor ons bivouak te vinden.

15 September. Zeer vroeg in den morgen stonden wij op, en reden kort daarna voorbij den post, waar de Indianen de vijf soldaten hadden vermoord. De officier had achttien chuzo-wonden in het lichaam. Na een gestrekten galop bereikten wij tegen het midden van den dag den vijfden post, waar wij des nachts bleven, omdat het eenige moeite kostte paarden te krijgen. Daar van de geheele linie dit punt het meest aan aanvallen was blootgesteld, waren hier 21 soldaten geposteerd. Bij zonsondergang keerden deze van de jacht terug, medebrengende zeven herten, drie struisvogels, benevens vele armadillen en patrijzen. Het is een algemeen gebruik om, als men door dit land rijdt, de vlakte in brand te steken; en zoo was dan bij deze gelegenheid, des nachts, de horizon op vele plaatsen door helle branden verlicht. Deels geschiedt dit branden om zwervende Indianen te verontrusten, doch voornamelijk om de weide te verbeteren. Op grasvlakten, die niet door de groote herkauwende dieren worden bewoond, schijnt het noodig de overtollige vegetatie door vuur te verwijderen, ten einde den groei voor het nieuwe jaar te bevorderen.

De rancho hier ter plaatse bezat zelfs niet de weelde van een dak, maar bestond slechts uit een cilinder van distelstengels om de kracht van den wind te breken. Hij lag aan den rand van een uitgestrekt, maar ondiep meer, dat wemelde van wild gevogelte, waaronder de zwarthalzige zwaan zeer in ’t oog viel.

De soort pluvier, die er uitziet alsof hij op stelten loopt (Himantopus nigricollis), komt hier in zeer talrijke zwermen voor. Ten onrechte heeft men hem van onbevalligheid beticht: bij het waden door ondiepe plassen, die zijn lievelingsverblijf vormen, is zijn houding of gang verre van plomp. In een zwerm vereenigd, brengen deze vogels een geluid voort, dat eene zonderlinge overeenkomst heeft met den kreet van een troep jonge honden in vollen draf; en meer dan eens ben ik een oogenblik geschrokken als ik, des nachts wakker geworden, het geluid in de verte hoorde. De teru-tero (Vanellus cayanus) is een andere vogel, die menigmaal de stilte van den nacht verbreekt. In uiterlijk en gewoonten gelijkt hij in vele opzichten op onze kieviten (Vanellus); maar zijne vleugels zijn met scherpe sporen gewapend, evenals die aan de pooten van den gewonen haan. Gelijk onze kievit zijn naam ontleent aan het geluid zijner stem, zoo ook de teru-tero. Bij het rijden over de grasvlakten wordt men voortdurend door deze vogels vervolgd, die de menschheid schijnen te haten, en die zeker op hunne beurt verdienen gehaat te worden wegens hun onophoudelijk en onveranderlijk rauw gegil. Voor de jagers zijn zij uiterst hinderlijk, omreden zij elk dier of vogel hunne nadering verkondigen; daarentegen kunnen zij, zooals Molina zegt, den reiziger in dit land misschien van nut wezen, door hem voor den nachtelijken roover te waarschuwen. In den broedtijd pogen zij, evenals onze kieviten, honden en andere vijanden van hunne nesten af te leiden, door den schijn aan te nemen dat zij gewond zijn. De eieren van deze vogels worden als eene groote lekkernij beschouwd.

Niet voordat het donker was, bereikten wij den post aan de Rio Tapalguen. Gedurende het avondeten hoorde ik hier een uitdrukking, die mij, bij de gedachte, dat ik bezig was een der lievelingsschotels van het land te eten—namelijk een halfvoldragen kalf in een stadium van lang vóór de geboorte—plotseling met afgrijzen vervulde. Het bleek een puma te zijn, wiens vleesch zeer wit is en in smaak bijzonder op kalfsvleesch gelijkt. Dr. Shaw werd uitgelachen toen hij verklaarde, dat “het vleesch van den leeuw zeer in trek is, en zoowel in kleur, smaak als geur niet weinig op kalfsvleesch gelijkt.” Met den puma is dat zeker het geval. De Gauchos zijn het niet eens omtrent de vraag of de jaguar een goed eten is, maar zeggen eenstemmig, dat de kat uitmuntend is.

17 September. Wij volgden den loop van de Rio Tapalguen door eene zeer vruchtbare streek tot aan den negenden post. Tapalguen zelf, of de stad van dien naam (indien zij zoo heeten mag) bestaat uit een volkomen effen vlakte, die, zoover het oog reikt, bezet is met de toldos of ovenvormige hutten der Indianen. Hier woonden de familiën der bevriende Indianen, die aan de zijde van Rosas streden. Wij ontmoetten en haalden vele jonge Indiaansche vrouwen in, die met tweeën of drieën op één paard zaten; zij waren, evenals vele van de jongere mannen, bijzonder schoon, en hare fraaie roode aangezichten vormden een toonbeeld van gezondheid. Behalve de toldos, waren er drie ranchos: een bewoond door den commandant, en de twee andere door Spanjaarden die winkeltjes hielden.

In de winkels zagen wij vele artikelen, als paardedekken, gordels en kousebanden, door Indiaansche vrouwen geweven. De patronen waren zeer aardig, met schitterende kleuren; de bewerking der kousebanden was zoo goed, dat een Engelsch koopman te Buenos Aires beweerde, dat zij in Engeland gemaakt moesten zijn, tot hij ontdekte, dat de kwasten met gespleten zenuwen waren vastgehecht.

18 September. Dezen dag hadden wij een zeer langen rit. Bij den twaalfden post, die zeven leagues ten zuiden van de Rio Salado ligt, kwamen wij aan de eerste estancia met vee en blanke vrouwen. Daarna moesten wij vele mijlen door een overstroomd land rijden, waar onze paarden tot boven de knieën door het water liepen. Door de stijgbeugels te kruisen, en op zijn Arabisch met opgetrokken beenen te rijden, wisten wij ons tamelijk droog te houden. Het was ongeveer donker toen wij aan de Salado kwamen: de stroom was diep en omtrent 40 yards breed; maar in den zomer wordt hare bedding bijna droog, en is het weinige overgebleven water haast zoo zout als zeewater. Wij sliepen in een der groote estancias van generaal Rosas. Deze was versterkt en zoo uitgestrekt, dat ik, in donker aankomende, eene stad of vesting voor mij dacht te zien. Des morgens zagen wij onafzienbare kudden vee—het eigendom van den generaal, die hier 47 □ leagues land had. Vroeger waren ongeveer 300 man rondom deze estancia geposteerd, die alle aanvallen der Indianen afsloegen.

Volgens de zoo juist geschreven “Principles” van Charles Lyell, hebben weinige landen meer merkwaardige veranderingen ondergaan dan La Plata, sedert er in 1535 de eerste kolonist met 72 paarden voet aan land zette. De tallooze kudden paarden, vee en schapen hebben niet alleen het geheele aanzien der flora veranderd, maar bijna het guanaco, het hert en den struisvogel verdreven. Evenzoo moeten tal van andere veranderingen hebben plaats gehad; het wilde zwijn vervangt in sommige gedeelten waarschijnlijk het pecari; troepen wilde honden kan men hooren huilen op de begroeide oevers der minder bevaren stroomen, en de gewone kat, nu veranderd in een groot en wild dier, bewoont de rotsachtige heuvels. Zooals d’Orbigny heeft opgemerkt, moet de vermeerdering in aantal van de aasgieren sedert den invoer der tamme of huisdieren verbazend groot geweest zijn; en wij hebben de redenen genoemd waarom wij gelooven, dat zij hunne zuidelijke grens hebben uitgebreid. Zonder twijfel zijn, behalve de cardón en de venkel, vele planten genaturaliseerd. Zoo zijn de eilanden bij den mond der Parana dicht met perzik- en oranjeboomen bedekt, afstammende van zaden, die er door het water der rivier zijn heengevoerd.

Toen wij te Guardia van paarden verwisselden, ondervroegen vele lieden ons over het leger; en nooit zag ik eene geestdrift als daar betoond werd over Rosas en het succes van “den rechtvaardigsten aller oorlogen, omdat hij tegen barbaren gevoerd werd.” Deze uitdrukking is—het moet erkend worden—zeer natuurlijk; want tot voor korten tijd waren mannen, vrouwen noch paarden voor de aanvallen der Indianen veilig. Wij hadden een langen dagrit over dezelfde welige groene vlakte, waarin talrijke afwisselende kudden, en hier en daar eene eenzame estáncia in gezelschap van haar eenigen ombu-boom. Des avonds kwamen wij onder een hevigen regen aan een posthuis, waar ons door den eigenaar gezegd werd, dat, zoo wij geen behoorlijk paspoort hadden, wij dan moesten voorbijgaan, aangezien er zooveel roovers waren, dat hij niemand meer vertrouwde. Toen hij echter mijn paspoort las, dat begon met de woorden: “El Naturalista Don Carlos,” was hij even uitbundig in zijn eerbied en beleefdheid, als te voren in zijn achterdocht. Wat een natuuronderzoeker eigenlijk was—daarvan had hij, noch hadden zijn landgenooten, geloof ik, eenig begrip. Doch waarschijnlijk verloor mijn titel hierdoor niets in waarde.

Notes in this chapter

Note 1 · Circa 1018 Meter.Note 2 · Ik noem deze “distelstengel” bij gemis van een juisteren naam. Ik geloof, dat het eene soort Eryngium was.Note 3 · Afgeronde stukken steen (steenpuin), die door een of ander cement (matrix) verbonden zijn. Er bestaan conglomeraten van kwarts, gneiss, basaNote 4 · Zie zijne “Travels in Africa,” Blz. 233. Hij leefde van 1771–1806.Note 5 · Salvatore Rosa, een Napolitaansch schilder (1615–1673).Note 6 · Twee soorten Tinamus, en Eudromia elegans d’Orbignyi, die echter alleen om zijn gewoonten met den naam van patrijs bestempeld kan worden.Note 7 · History of the Abipones, Deel II, blz. 6.Note 8 · Falconer’s Patagonia, blz. 70.Note 9 · Fauna Boreali-Americana, Deel I, blz. 35.Note 10 · Zie Atwater’s Account of the Prairies in Silliman’s N. A. Journal, deel I, blz. 117.Note 11 · Azara, Voyage, deel I, blz. 373. “Deze (wilde) paarden hebben de zucht om paden en den zoom van rij- of landwegen voor het leggen van hunne Note 12 · A. d’Orbigny (Voyage dans l’Amérique Méridionale, deel I, blz. 474) zegt, dat de cardón en de artisjok beiden wildgroeiend gevonden worden. Note 13 · Agave americana, de groote of Amerikaansche Aloë, te onderscheiden van de Aloë Soccotrina (de echte of Arabische Aloë) en van de West-IndiscNote 14 · Men zegt, dat deze stad 60,000 inwoners heeft; Montevideo, de tweede belangrijke stad aan de oevers der La Plata, 15,000. Thans hebben die sNote 15 · Dit woord is afgeleid van het Spaansche matár (dooden), en wil dus zeggen: doodslager, moordenaar.Note 16 · Daar het bij onze aankomst nog vroeg in den namiddag was, namen wij versche paarden en een soldaat als gids, en reden naar de Sierra de la VNote 17 · Ik geloof niet, dat de natuur ooit een woesteren en meer verlaten steenklomp schiep dan dezen berg, die terecht den naam van Hurtado of “OntNote 18 · Reeds heb ik gezegd, dat de berg samengesteld is uit wit kwarts, dat met eene geringe hoeveelheid glanzig leemschiefer vermengd is. Ter hoogNote 19 · Kort daarop bespeurden wij aan eene stofwolk, dat een troep ruiters naar ons toekwam; en reeds op verren afstand herkenden mijne metgezellenNote 20 · Op het midden van den dag kwamen van den naasten post twee mannen met een pak, dat naar den generaal moest worden gebracht: zoodat ons gezelNote 21 · De vlakten bevatten een overvloed van patrijzen, welke men vindt in drie soorten, waarvan twee zoo groot als fazantenhennen.6 Hun verslinderNote 22 · 16 September gingen wij naar den zevenden post aan den voet van de Sierra Tapalguen. Het land was geheel vlak en bestond uit een met grof grNote 23 · Na afloop van ons maal van “neergehageld” vleesch, trokken wij over de Sierra Tapalguen—een lage bergketen van enkele honderden voeten hoogtNote 24 · Hier hadden wij gelegenheid wat beschuit te koopen. Ik had nu in verscheidene dagen niet anders dan vleesch geproefd; wel stond het nieuwe dNote 25 · 19 September. Wij trokken door La Guardia del Monte. Dit is een aardig uitgebouwd stadje met vele tuinen vol perzik- en kweepereboomen. De vNote 26 · In de nabijheid van Guardia vinden wij de zuidelijke grens van twee Europeesche planten, die nu buitengewoon talrijk worden. De Venkel (AnetNote 27 · 20 September. Omstreeks het midden van den dag kwamen wij te Buenos Aires. De voorsteden der stad met hare hagen van Agave,13 hare boschjes Note 28 · Buenos Aires is eene groote stad14 en, naar mijn idee, eene van de regelmatigste ter wereld. Alle straten kruisen elkander rechthoekig; en dNote 29 · De groote corrál, waar de dieren bewaard en geslacht worden, die als voedsel moeten dienen voor deze vleeschetende bevolking, is een gebouw,
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings