← Table of contents
De Reis om de Wereld

Note 7 — De Galápagos-Archipel.

J. Brandt translation

Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel eigen zijn, en nergens anders gevonden worden—behalve een leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus), die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal moerassen bewoont.7 De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetende Polybori, met welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee soorten Pyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne) purpurea uit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend, dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika eigen is. De overige landvogels—uitmakende dertien soorten, die Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld—bestaan in eene zeer eigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilie Cactornis, die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is meêgebracht. De twee soorten Cactornis of Cactusvogel kan men dikwijls om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de bekken der verschillende soorten Geospiza: te beginnen met een zoo groot als de bek van een kersebijter8 tot dien van een beukvink,9 en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilie Certhidea in de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den grootsten bek bij het geslacht Geospiza zien wij in Fig. 1, en den kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie der Certhidea zien wij in Fig. 4. Die van Cactornis gelijkt eenigszins op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus) heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen, dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der aasetende Polybori van het Amerikaansche vasteland te verrichten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings