← Table of contents
De Reis om de Wereld

Note 16 — De Galápagos-Archipel.

J. Brandt translation

Van den Amblyrhynchus—een merkwaardig geslacht hagedissen, dat zich tot dezen archipel bepaalt—bestaan twee soorten, die, wat den algemeenen vorm betreft, op elkander gelijken: de eene is eene land-, en de andere eene waterspecies. Van laatstgenoemde soort, A. cristatus, zijn de kenmerken het eerst in ’t licht gesteld door Bell, die uit den korten, breeden kop en sterke, even lange klauwen terecht opmaakte, dat hare leefwijze zeer eigenaardig moest zijn, en verschillend van die harer naaste verwante, de Iguana of kamhagedis.16 Zij komt op alle eilanden van den archipel bijzonder veel voor, leeft uitsluitend op de rotsachtige zeekusten, en wordt nooit verder op het strand gevonden, dan tien yards: althans ik heb het nooit gezien. Het is een schepsel met een afzichtelijk voorkomen, vuil zwart van kleur, dom, en traag in zijne bewegingen. De gewone lengte van een volwassen individu bedraagt één yard; maar sommige zijn zelfs vier voet lang, terwijl opgemerkt zij, dat die op het eiland Albemarle grooter schijnen te worden dan elders. Een groote Amblyrhynchus woog twintig pond. Hunne staarten zijn zijdelings afgeplat, en al de vier pooten gedeeltelijk van zwemvliezen voorzien. Soms ziet men hen op honderd yards afstand van het strand rondzwemmen; en kapitein Collnett zegt in zijne reisbeschrijving, dat zij “in scholen naar zee gaan om te visschen, zich op de rotsen in de zon koesteren, en alligators in ’t klein genoemd zouden kunnen worden.” Vermoedelijk leven zij echter niet van visch. In het water zijnde, zwemt deze hagedis zeer gemakkelijk en vlug door eene slangvormige beweging van het lichaam en den afgeplatten staart, terwijl de pooten onbeweeglijk en aan weerszijden dicht naar het lijf zijn opgetrokken. Een matroos aan boord had een zwaar gewicht aan het lichaam van een Amblyrhynchus bevestigd, en daarna het dier in zee geworpen, denkende het op die wijs te dooden; maar toen hij een uur later het touw ophaalde, roerde het dier zich nog lustig. Zijne ledematen en sterke klauwen zijn voortreffelijk geschikt om over de hobbelige en gespleten lavakorst te klauteren, die overal de kust bedekt. Zoo kan men dikwijls een troep van zes of zeven dezer afzichtelijke kruipende dieren enkele voeten boven de branding op de zwarte rotsen zien liggen, waar zij zich in de zon koesteren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings