← Table of contents
De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Na den Perzischen oorlog.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.
Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.

Overwinnaars uit den oorlog terugkeerend.

De Grieken waren gewoon, nadat zij een veldslag hadden gewonnen, belooningen te schenken aan dien staat en aan dien veldheer, die het meest had bijgedragen tot het behalen der overwinning. Het is duidelijk genoeg, dat de eerbewijzen, die na den slag bij Salamis zouden worden uitgereikt, moesten worden toegekend aan Attica en aan Themistocles; maar de Peloponnesus was naijverig op Attica, en daarom werd de hoogste belooning aan een staat, aan Aegina toegekend. De poging, om den dappersten aanvoerder aan te wijzen, was nog al vermakelijk, immers iedere veldheer zette Themistocles op de tweede plaats, terwijl hij zijn eigen naam bovenaan plaatste. Bij de verdeeling van den oorlogsbuit werden de goden niet vergeten. Drie oorlogsschepen werden hun gewijd. Een tiende deel van den buit werd naar Delphi gebracht, en daarvan werd een standbeeld van Apollo vervaardigd met afmetingen, driemaal zoo groot als een man, en dat in zijn ééne hand den voorsteven van een schip hield. Na den slag bij Plataea bleek het, dat de tenten, die door de Perzen waren achtergelaten, vol waren van de kostbaarste schatten. Er waren daar schalen en bekers en zelfs ketels van zwaar goud; er waren daar rustbedden, bedekt met gouden platen; er waren daar gouden armbanden en kettingen; en er waren daar lange en korte zwaarden, met gouden handvatsels. Bovendien waren er prachtige geborduurde mantels, benevens gordijnen en karpetten in zóó groote hoeveelheid, dat niemand er aandacht aan schonk. Ook daarvan kregen de goden een ruim aandeel. Van het gedeelte, dat naar Delphi gezonden werd, werd een gouden drievoet vervaardigd, die stond op een vast ineengekronkelde driekoppige bronzen slang. Nog jaren na den slag plachten bewoners van Plataea, die over het slagveld ronddoolden, gouden en zilveren schatten te vinden, die men eerst niet had opgemerkt. Welke staat den prijs voor dapperheid te Plataea zou krijgen, was moeilijk uit te maken, want zoowel Athene als Sparta maakten er aanspraak op. Om een einde aan den twist te maken, besloot men den prijs aan Plataea te schenken. Hier werden tempels voor Athene en Zeus opgericht. Een orakel verklaarde, dat de gewijde vuren niet langer heilig waren, daar zij door de barbaren bezoedeld waren. Zij werden daarom alle uitgedoofd, en een renbode, om de snelheid van zijn loopen bekend, bracht kolen uit Delphi, waardoor de vuren weer opnieuw werden ontstoken. De Grieken bepaalden onderling, dat het grondgebied van Plataea ten eeuwigen dagen als gewijde grond zou worden beschouwd, en dat het de plicht zou zijn van de inwoners van Plataea, telken jare een offer te brengen, ter herinnering aan de soldaten, die op hun grond gesneuveld waren. Dit werd minstens drie eeuwen volgehouden. Als de dag van het offer was aangebroken, deden de trompetten haar krijgsgeschal in den vroegen morgen weerklinken. Dan vertrok de optocht. Deze bestond uit vrijgeboren jonge mannen, die welriekende oliën en reukwerken droegen, benevens melk en honig. Zij voerden een zwarten stier met zich mede, en wagens gevuld met mirtekransen en mirtetakken. Achteraan liep de archont, met slepend purperen gewaad, en met zwaard en gieter. Op de gedenkteekenen der helden stonden kleine zuilen, waarop hun vrienden plachten bloemen te plaatsen. De archont waschte die zuilen met eigen hand en wreef ze in met reukwerk. Hij offerde den stier, en verdeelde de mirte. Daarna vulde hij een kom met wijn en plengde een offer, onder het uitspreken dezer woorden: “Ik bied dit offer aan ter eere van de mannen, die voor de vrijheid van Griekenland hun leven hebben opgeofferd.” Bij het begin van den oorlog, toen de Spartanen het opperbevel over de vloot opeischten, zeide Themistocles tot de Atheners: “Gedraagt u als mannen tijdens den oorlog, dan zullen, zoodra deze geëindigd is, de Grieken u den eersten rang toekennen.” De oorlog was nu geëindigd, en zijn woorden werden bewaarheid; want wat ook de vele staten mochten zeggen, zij wisten al te wel, dat Athene de leidende staat onder de Grieken was. De dichters hadden Athene altijd lief gehad. Pindarus, hoewel zelf een Thebaan, kon bijna nooit den naam der stad noemen zonder haar, “heerlijk” of “geliefd” of “roemrijk” te noemen. In één opzicht behoorde Pindarus niet alleen aan Thebe, maar aan geheel Griekenland; immers veel van zijn gedichten zijn vervaardigd ter eere van de overwinnaars bij de spelen of van Apollo zelf. Hij placht naar Delphi te gaan en zijn gedichten te zingen. Gedurende meer dan zeshonderd jaar werd de ijzeren stoel, waarin hij gezeten was, in den tempel bewaard als een van zijn grootste schatten.

Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.
Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.

Gerestaureerde drievoet uit Plataea, vervaardigd van het goud, op het slagveld gevonden.

Athene.
Athene.

Athene.

Zelfs de liefde van een zoo beroemd dichter als Pindarus zou een stad niet kunnen beschermen. Themistocles was een verstandig man. Hij wist, dat de overige staten afgunstig op Athene zouden zijn, en haar waarschijnlijk zouden beoorlogen. De eenige hoop om die staten te kunnen weerstaan, bestond hierin, dat men de stad de sterkste van het geheele land maakte. Zij lag nu nog in puinhoopen. Het grootste gedeelte van den muur was neergehaald, en de Atheners waren over verschillende plaatsen verstrooid, waar zij maar een schuilplaats vonden. Zij waren blijde te kunnen terugkeeren, zelfs naar de hoopen asch en steen, het eenige, dat van hun huizen was overgebleven; en met moed en opgewektheid begonnen zij hun huizen op te bouwen. Er was echter ander werk, dat gedaan moest worden, zelfs vóór het opbouwen der huizen. In dat warme klimaat was het geen groote opoffering, een tijd lang buitenshuis door te brengen, en Themistocles zeide hun, dat eerst de muur weer moest worden opgebouwd. Zij keurden dit goed, en zij gaven gevolg aan zijn raad, om dien muur een lengte te geven van elf kilometers, zóó, dat hij de Acropolis omgaf en een voldoende hoeveelheid grond, om al het landvolk op te nemen, indien ooit een aanval op Attica werd gedaan.

De Spartanen waren daarover niets gesticht. Zij zonden afgezanten naar de Atheners, om hen er aan te herinneren, dat Sparta geen muren had. “Het is niet verstandig voor eenige Grieksche stad, zich met muren te omgeven,” zoo redeneerden zij; “immers indien er overweldigers kwamen, zouden zij misschien de stad in bezit nemen en door de muren zóó goed beschermd zijn, dat zij verder zouden kunnen gaan en den éénen staat vóór, den anderen na op hun gemak konden overweldigen.” Themistocles antwoordde met veel overleg; “Ongetwijfeld is er veel te zeggen voor uw redeneering, wij zullen daarom afgezanten naar Sparta zenden, om die zaak degelijk met u te bespreken.” De Spartanen hadden altijd veel van Themistocles gehouden, en zij gingen dan ook tevreden naar huis.

Toen deelde de slimme Themistocles de Atheners zijn plan mede. De muur moest zonder één oogenblik verwijl worden opgebouwd. Zij gebruikten voor het werk niet alleen steenblokken, afkomstig van de verwoeste huizen en tempels, maar zelfs grafsteenen. De vrouwen werkten mede als mannen, en zelfs de hulp van een kind, dat een handvol aarde kon aandragen of een stuk gereedschap aan een werkman kon geven, was welkom. Het werk werd dag en nacht voortgezet. Themistocles en twee anderen waren aangewezen als afgezanten naar de Spartanen, en na zóólang gewacht te hebben, als hij maar met mogelijkheid kon, ging Themistocles naar Sparta. Hij vertelde de Spartanen, dat zijn beide ambtgenooten waren opgehouden, doch spoedig zouden verschijnen, en dat dan de geheele zaak gemakkelijk kon worden geschikt. Terwijl zij daarop wachtten, begonnen de Spartanen geruchten te vernemen, dat de Atheensche muren met groote snelheid verrezen. “Wat beteekent dit?” vroegen zij Themistocles. “Schenkt toch geen geloof aan losse geruchten,” antwoordde hij. “Zendt afgezanten naar Athene, en dan kunt ge uit eigen beschouwing de waarheid leeren kennen.”

Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.
Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.

Grafsteen gevonden in de puinhoopen van een muur, door Themistocles gebouwd.

Intusschen waren de beide andere gezanten uit Athene naar Sparta gekomen en hadden Themistocles verteld, dat de muren reeds hoog genoeg waren opgetrokken, om ter verdediging te kunnen dienen. Hij had zich verzekerd, dat tegen zijn veiligen terugkeer geen bezwaar zou kunnen worden gemaakt, door aan de Atheners te schrijven: “Houdt de Spartanen als gijzelaars vast, totdat ik met de overige afgezanten veilig in Athene terug ben.” Nu deelde hij de Spartanen mede, dat Athene moest doen, wat zij in haar eigen belang het best achtte. “Als gij en uw bondgenooten van oordeel zijt, dat geen enkele Grieksche stad muren moet hebben, begint dan allen met uw eigen muren neer te halen.” De Spartanen waren boos, maar konden er niets aan doen, en de Atheners voltooiden hun muur.

De uitslag van den oorlog had het duidelijk gemaakt, dat het noodzakelijk was, dat Athene sterk was, niet alleen te land, maar ook ter zee. Het moest een groote vloot bezitten en eveneens een veilige haven, die de schepen kon beschermen tegen stormen of aanvallen van den vijand. Phalerum was de oude haven, maar reeds vóór den oorlog had Themistocles het oog gevestigd op de haven van den Piraeus, zeven of acht kilometers van Athene verwijderd, en was hij begonnen die te versterken. Die haven was een bekken, dat groot genoeg was, om wel driehonderd schepen te bevatten. Daar omheen kromde zich een schiereiland, dat in een rotsmassa eindigde, zoodat alleen een nauwe toegang was vrijgelaten. Langs den rand van dat schiereiland bouwden de Atheners een muur van meer dan elf kilometers. En wat voor een muur was dat! Dertig voet hoog, breed genoeg voor twee wagens, om langs elkander heen te rijden, en dat alles van stevige steenen vervaardigd, met ijzer vastgeklampt.

Dit alles geschiedde tusschen de jaren 479 en 477 vóór Christus. Gedurende dien tijd werd nog ander werk voortgezet, immers in één opzicht was de Perzische oorlog nog niet tot een einde gekomen. De Jonische volkplantingen waren ten tijde van den slag bij Mycale vrij geworden, maar de Perzen hielden nog een aantal andere kleinere plaatsen bezet langs de kust van Klein-Azië en in Thracië. De belangrijkste van die plaatsen was Byzantium, het tegenwoordige Constantinopel. Er kon geen veiligheid en rust zijn, zoolang de Perzen nog vestingen hadden in de nabijheid van Griekenland, waar zij troepen en schepen konden bijeen brengen, en van waar zij konden optrekken om de Grieken aan te vallen. Bovendien had Griekenland meer koren noodig dan het land voortbracht. Tot nu toe was het koren daarheen gebracht door de Propontis, wat nu de zee van Marmora is; maar terwijl de Perzen Byzantium in bezit hielden, kon geen koren uit die streken zijn weg vinden naar Griekenland. Een vloot werd nu uitgezonden, die Byzantium belegerde en innam.

Aristides stond aan het hoofd van de Atheensche schepen; maar de Spartaan Pausanias, die de troepen bij Plataea had aangevoerd, was opperbevelhebber der vloot. Indien Pausanias bij Plataea zou zijn gesneuveld, dan zou van hem de herinnering bewaard zijn als van een dapper en vaderlandslievend veldheer; doch nu is hij in de herinnering gebleven als een verrader. Na de overwinning bij Plataea gedroeg hij zich, alsof niemand dan hij zelf iets in den strijd had uitgericht; en na de inneming van Byzantium dacht hij zich den grootsten man ter wereld. Griekenland was voor een zoo machtig veldheer naar zijn opvatting een te klein land: Zijn roem zou heel wat meer op prijs gesteld worden in het machtige Perzische rijk. Hij deed daarom zijn best, zich de achting te verwerven van Xerxes, door hem de aanzienlijkste mannen terug te zenden, die bij Byzantium waren gevangen genomen. Nog erger dan dit, hij gaf hun een brief aan Xerxes mede van den volgenden inhoud: “Indien gij mij uw dochter ten huwelijk wilt geven, zal ik Griekenland voor u veroveren.” Xerxes beloofde hem niet, hem zijn dochter te geven, maar stemde erin toe, hem alle manschappen en al het geld te verschaffen, dat hij voor de verovering mocht noodig hebben. Toen geraakte Pausanias geheel buitenzinnen. Hij begon op te treden als ware hij een hoog staatsambtenaar in Perzië. Hij kende geen Spartaanschen eenvoud meer; hij droeg de rijkste Perzische kleederen en leefde zoo weelderig mogelijk. Toen Aristides daarop aanmerkingen maakte, draaide hij zich om, terwijl hij zeide, dat hij geen tijd had naar hem te luisteren.

Toen de Spartanen bericht hadden ontvangen omtrent het gedrag van Pausanias, bevalen zij hem, naar huis terug te keeren. Zij konden niet bewijzen, dat hij verraad smeedde, maar na korten tijd bleek het duidelijk, dat hij de Heloten opstookte, om tegen hun meesters op te staan. Hij vluchtte naar een vertrek, dat grensde aan den tempel van Athene, en werd daar door de Spartanen ingesloten, om den hongerdood te sterven. Om de vergiffenis van Athene te verwerven voor de verontreiniging van haar tempel, schonken zij haar twee bronzen standbeelden.

Grieksch soldaat.
Grieksch soldaat.

Grieksch soldaat.

De laatste levensjaren van Themistocles waren niet veel eervoller dan die van Pausanias. Na zijn bedrog in verband met de muren van Athene haatten hem de Spartanen; en het is mogelijk, dat deze niet vreemd waren aan het scheidsgerecht, dat omstreeks een jaar vóór den dood van Pausanias gehouden werd. Er was reden te gelooven, dat hij medeplichtig was aan het komplot van Pausanias om Griekenland voor de Perzen te veroveren. Het was algemeen bekend, dat hij van de Perzen geschenken had aangenomen; en men begon te mompelen over den door hem op het einde van den oorlog gegeven raad, om Xerxes niet te vervolgen of de brug over den Hellespont niet af te breken. “Het is inderdaad waar, dat hij zeide, dat het beter was de Perzen buiten Europa te krijgen en hen dan in Azië aan te vallen,” zoo redeneerden zij; “maar het zou hem niet moeilijk vallen, Xerxes er van te overtuigen, dat dit plan werd aangeraden als een hem bewezen gunst.” Dit was dan ook juist wat Themistocles deed. Hij was van de ééne plaats naar de andere gevlucht, en ten slotte naar het hof van Xerxes. Hij bracht den koning dien door hem bewezen dienst in herinnering, en eindigde zijn beroep op zijn gunst met de woorden: “Indien gij mij uit den weg ruimt, ruimt gij den vijand van Griekenland uit den weg.” De koning had er niet aan gedacht, hem uit den weg te ruimen. Hij was ten zeerste verheugd, een zoo schitterend man aan zijn hof te hebben, en hij riep uit: “Moge de geest van het kwade het altijd in de harten mijner vijanden leggen, hun grootste mannen te straffen!” Driemaal vloog hij dien nacht in zijn slaap op, terwijl hij uitriep: “Ik heb Themistocles, den Athener, bij mij.”

Aristides.
Aristides.

Aristides.

Themistocles werd een groot gunsteling van den koning, en leerde Perzisch, opdat zij zonder de tusschenkomst van een tolk met elkander zouden kunnen spreken. Drie steden werden hem in handen gegeven, om hem van “brood, wijn en vleesch” te voorzien—hetgeen schijnt te hebben beteekend, dat hij het recht had, daaruit zooveel vandaan te halen als hij begeerde. Hij bracht zijn laatste levensjaren in weelde en ledigheid door. Ten slotte verzocht de koning hem, zich aan het hoofd te stellen van een expeditie tegen de vloot der Grieken. Hij kon er niet toe besluiten, dat te doen; en toch kon hij het den koning niet weigeren. Hij kwam dus tot de overtuiging, dat er geen andere uitkomst mogelijk was, dan zich het leven te benemen. Dit was het einde van den man, dien de Grieken zóózeer hadden bewonderd, dat toen hij bij de Olympische spelen verscheen, de geheele talrijke menigte alle onderlinge twisten vergat en zich omwendde, om naar hem te zien en hem aan te wijzen aan hen, die hem niet herkenden.

Bronzen munten met het beeld van Themistocles.
Bronzen munten met het beeld van Themistocles.

Bronzen munten met het beeld van Themistocles.

(Ter zijner eere vervaardigd na den slag bij Salamis.)

Themistocles was een hoogst bekwaam man, en veel heeft hij gedaan voor Athene en voor Griekenland; maar zelfs in de dagen van zijn grootsten roem vertrouwden hem de Grieken nooit zóó, als zij Aristides hadden vertrouwd. Eens vertelde hij de Atheners, dat hij een plan had beraamd, om hun stad de machtigste in Griekenland te maken, maar dat hij dat plan niet in een zoo groote vergadering kon vertellen. “Vertel het Aristides,” zeide het volk. “Als hij het plan goedkeurt, zal het worden uitgevoerd.” Aristides rapporteerde, dat het plan inderdaad Athene de eerste plaats onder de Grieken zou geven, maar dat het een schandelijk verradelijk plan was; men liet het toen oogenblikkelijk varen.

Atheensche stemschijven.
Atheensche stemschijven.

Atheensche stemschijven.

(Deze waren van brons gemaakt, en droegen tot opschrift: “Publieke stemschijf”).

Toen Pausanias werd teruggeroepen, werd Aristides met het opperbevel der vloot belast. Hij stichtte den beroemden Bond van Delos, die zoo heette, omdat de vergaderingen te Delos werden gehouden, en daar ook de bondskas werd bewaard. Het doel van dien Bond was, de Grieksche steden te bevrijden, die nog steeds in de macht der Perzen waren, en om de Aegeïsche Zee vrij te houden van zeeroovers. Bijna alle steden op de eilanden en op de noordelijke en oostelijke kusten der Aegeïsche Zee sloten zich bij den Bond aan. Athene zou aan het hoofd van den Bond staan, maar zou niet meer macht hebben dan de overige leden. Aan Aristides werd de beslissing gelaten, te bepalen, hoeveel iedere staat had bij te dragen. Een andere zaak, die Aristides voor Athene deed, was, dat hij den invloed van den vierden stand in Athene uitbreidde. Door zijn invloed werd een wet uitgevaardigd, die leden van dien stand toestond tot magistraten te worden gekozen. Een paar jaar na de stichting van den bond te Delos stierf Aristides. Hij had iedere gelegenheid, door omkooperij een rijk man te worden, toch stierf hij arm. De staat bouwde zijn graftombe en zorgde voor zijn kinderen en kleinkinderen. Hij was een verstandig staatsman en een bekwaam veldheer, maar grooter titel dan deze is die, waarbij hij altijd in de herinnering zal voortleven: “De Rechtvaardige”.

Cimon.
Cimon.

Cimon.

Toen Aristides het opperbevel over de vloot neerlegde, kwam het in handen van iemand naar zijn eigen hart, Cimon, den zoon van Miltiades. Het gerucht liep in Griekenland, dat de Perzen schepen en manschappen in grooten getale bijeen brachten bij de monding van den Eurymedon in Pamphylië. Dit deed vermoeden, dat zij van plan waren een nieuwen inval in Griekenland te doen. Cimon zeilde recht op Pamphylië af en zag, dat de Perzische vloot zich bij de monding van de rivier ophield. Zij verwachtten nog tachtig schepen meer, en waren er volstrekt niet op gesteld te vechten, voordat die schepen waren aangekomen. Ongelukkig voor hen vroeg Cimon niet, wat zij liever wilden, maar viel hij hen onmiddellijk aan. De manschappen vluchtten uit de schepen, en ijlden aan land. Daar lag het kamp van het Perzische leger; maar Cimon en zijn manschappen stormden daar op los als een wervelstorm. Na een tijd van heftigen strijd behaalden de Grieken de overwinning. Zij hadden tweehonderd schepen bemachtigd en hadden nu de overhand zoowel te land als ter zee. De meeste mannen zouden zich tevreden hebben gesteld met twee overwinningen op één dag, maar Cimon was niet van plan naar huis terug te keeren, zoolang hij de overige tachtig schepen niet had ontmoet. Hij trok weg, vond ze, viel ze aan en had spoedig zijn derde overwinning behaald. De Perzen hadden bij hun vlucht een onmetelijk bedrag aan schatten achtergelaten. De Grieken pakten die in hun schepen, en keerden naar huis terug. “Ik houd er van, mijn vaderland te verrijken ten koste van zijn vijanden,” zeide Cimon eens, en Athene werd inderdaad met al die schatten verrijkt.

De “Schildpad”.
De “Schildpad”.

De “Schildpad”.

(Een middel, om een muur te beklimmen).

Athene werd dan voortdurend krachtiger, gedeeltelijk ook ten gevolge van den Bond van Delos. Deze nam dagelijks in kracht toe, immers zoodra een stad bevrijd was, werd zij lid van den Bond. Toen de Bond was gesticht, was afgesproken, dat de kleinere staten hun aandeel in geld, de grootere in schepen zouden betalen. Langzamerhand vonden ook vele der grootere steden het gemakkelijker hun aandeel in geld te betalen. De stad Athene had daar niet het minste bezwaar tegen. Zij nam het geld, bouwde de schepen en voegde die bij haar vloot. Eindelijk werd de schatkist van Delos naar Athene overgebracht, onder voorwendsel, dat deze te Delos niet veilig was voor de barbaren. Het duurde eenigen tijd, voordat de overige leden tot de overtuiging kwamen, dat zij in weerwil van de bescherming van Athene hoe langer hoe armer en zwakker werden, terwijl Athene voortdurend rijker en machtiger werd. De ééne staat vóór, de andere na, trachtte den Bond te verlaten, maar Athene wilde dit niet toestaan, en verplichtte hen, een nog grootere schatting te betalen. Zoo kwam het, dat de Bond, die oorspronkelijk een vereeniging van Staten geweest was, een machtig rijk was geworden met Athene tot despotischen heerscher.

Natuurlijk behaagde dit Sparta niet, en gaarne zou die staat een leger hebben willen zenden tegen zijn Attischen buurman. Doch in plaats daarvan moest zij afgezanten zenden en onderdanig vragen: “Ach, Athene, wilt gij ons niet komen helpen?” Sparta was dan ook in groote zorg en verlegenheid. In de eerste plaats was de stad zóózeer geteisterd door aardbevingen, dat slechts vijf huizen in de stad waren blijven staan, en duizenden der inwoners gedood waren. Dit was een uitnemende gelegenheid voor de Heloten om op te staan, en zij vielen dan ook Sparta aan. Zij werden wel is waar teruggeslagen, maar nu stonden de Messeniërs op, en deze werden niet zoo gemakkelijk onderdrukt. Zij sloten zich op te Ithome in Messenië, in welke plaats hun voorvaderen eens opgestaan waren tegen hun Spartaansche meesters. De Spartanen waren niet op de hoogte van de kunst van belegeren, evenmin als de overige steden op den Peloponnesus, terwijl daarentegen de Atheners daarin groote oefening bezaten; daarom besloot Sparta Athene te hulp te roepen. De Atheners hadden den tijd niet vergeten, toen zij Sparta om hulp hadden gevraagd en die stad hun zoo weinig deelneming had betoond in hun moeilijkheden. “Laat ons weigeren,” zeide de ééne partij in Athene. De andere partij echter verdedigde met kracht de tegenovergestelde meening: “Neen, laat ons zorgen, dat Griekenland niet verlamd worde en Athene beroofd worde van haar lotgenoot.” Cimon was de aanvoerder van de laatste partij. Het kwam hem in het belang der Grieksche staten veel verstandiger voor, Perzië te bestrijden dan met elkander te twisten. De Atheners waren trotsch op Cimon, zoodat het hem niet veel moeite kostte hen te overreden, hem naar Messenië te zenden, ten einde de Spartanen te hulp te komen. Doch toen de Spartanen de strijdmacht van vierduizend man zagen met den grootsten Atheenschen veldheer aan hun hoofd, begonnen zij de zaak te wantrouwen, en meenden zij, dat er de ééne of andere list achter zat. Ithome viel niet onmiddellijk, zooals zij hadden verwacht, en toen kregen zij de overtuiging, dat Cimon met de Messeniërs had samengezworen, om Sparta te overweldigen. Kortaf deelden zij hem mede, dat zij hem en zijn troepen niet noodig hadden en dat hij naar huis kon terugkeeren, hoewel zij de troepen der overige steden vroegen te blijven en hen te helpen. De Atheners waren over zulk een beleediging ten hoogste verontwaardigd. Zij gevoelden de behoefte, iemand, wien ook, de schuld te geven, en hun woede koelde zich op den populairen aanvoerder. “Hij bewonderde altijd de Spartanen,” zeide de één. “Eén van zijn kinderen noemde hij Lacedaemonius,” zeide een ander. “En als er één der bondgenooten iets deed, dat hem mishaagde, zeide hij altijd, dat de Spartanen zoo niet zouden gedaan hebben,” voegde een derde er aan toe. Ten slotte werd Cimon door het schervengericht verbannen, zooals dit ook met Aristides en Themistocles het geval was geweest. Sparta bracht eindelijk de Messeniërs ten onder en verjoeg hen uit den Peloponnesus, doch Athene schikte het zóó, dat zij te Naupactus konden wonen. Het was voor de Atheners geschikt, een bevriende volkplanting aan de noordelijke zijde van de Golf van Corinthe te hebben; maar de zaak droeg er niet toe bij, Sparta welwillend jegens Athene te maken.

Pericles.
Pericles.

Pericles.

Velen onder de Atheners waren tot de gevolgtrekking gekomen, dat het volstrekt geen nut had, te trachten op vriendschappelijken voet te staan met Sparta, dat op den één of anderen dag tusschen beide staten een oorlog zou uitbreken, en dat het voor Athene het verstandigst zou zijn, zich zoo sterk mogelijk te maken. Het hoofd van die partij heette Pericles. Hij werd nu de meest populaire man van Athene, en de Atheners waren bereid alles te doen wat hij aanraadde. Zij sloten een verbond met Argos en vervolgens met Megara, totdat hun invloed zich uitstrekte tot voor de poorten van Sparta. De bewoners van den Peloponnesus zagen dit met leede oogen aan, maar het liet de Atheners absoluut koud, hoe de Spartanen er over dachten. Zij hielden vol met het sluiten van verbonden en het winnen van veldslagen, zoodra het tot veldslagen kwam, totdat de invloed van Athene zich uitstrekte van de Thermopylae tot den Isthmus; en als hoofd van den Bond van Delos, of juister gezegd van het Rijk van Delos, strekte haar macht zich ook uit over de steden en eilanden der Aegeïsche zee. Athene was oppermachtig te land en evenzoo ter zee. Zij had een stad, met een stevigen muur omringd, en had een uitnemend beschermde haven. Er was nog slechts één ding te doen over, en dat was het maken van een veiligen weg, om van de stad naar de haven te gaan. Daartoe werden twee reusachtige muren gebouwd tusschen de stad en de zee, die niet alleen de haven van den Piraeus maar ook de oude haven van Phalerum omsloot. Na verloop van tijd werd nog een derde muur gebouwd tusschen Athene en den Piraeus. Dit waren geen gewone muren, immers zij waren zestig voet hoog en zóó breed, dat twee wagens gemakkelijk daarover naast elkander konden rijden. Zoolang Athene die muren bezat, kon zij nooit van de zee worden afgesloten. Haar schepen konden haar van voedsel voorzien, en het scheen, alsof nu eindelijk een stad gemaakt was, zóó sterk, dat zij onmogelijk kon worden ingenomen.

Athene, weer hersteld.
Athene, weer hersteld.

Athene, weer hersteld.

(In de verte ziet men de Acropolis, en daarachter bergen in Argolis. Op den voorgrond ziet men de stadsmuren en een brug over den Ilyssus).

De macht van Athene was nu op het toppunt, doch spoedig geraakte zij in moeilijkheden. Bijna op hetzelfde oogenblik kwamen verscheidene staten, die aan haar onderworpen waren, in opstand, en een Spartaansch leger waagde zich in Attica, en begon te moorden, te branden en te vernielen. Het was gelukkig voor Athene, dat de stad een zoo verstandigen leider had als Pericles. Hij begreep, dat, hoe machtig Athene ook was, die opstanden niet konden worden onderdrukt en te gelijker tijd tegen Sparta kon worden oorlog gevoerd. Hij sloot met Sparta een vrede, die dertig jaren moest duren, welke vrede naar hem de Vrede van Pericles werd genoemd, maar ten einde de Spartanen er toe te brengen, daarin toe te stemmen, moest Athene van haar kant er in toestemmen, alles op te offeren, wat zij in den Peloponnesus had gewonnen. Zoo kwam er een einde aan de mogelijkheid, dat Athene ooit te eeniger tijd geheel Griekenland in haar macht zou hebben. Al was haar vloot ook nog zoo sterk, het was duidelijk, dat zij nooit over de Grieken van het moederland dezelfde macht zou kunnen uitoefenen als die, welke zij uitoefende over die in de Aegeïsche Zee.

Jachtlaarzen.
Jachtlaarzen.

Jachtlaarzen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings