← Table of contents
De Geschiedenis van het Grieksche Volk

In de dagen der mythen, (vervolg).

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Met honderden dergelijke verhalen hadden de jeugdige Grieken geen boeken met sproken noodig, zelfs al waren dergelijke boeken in die dagen voorhanden geweest. Maar, indien wij letten op onze tegenwoordige jongens, dan komt het ons voor, dat de verhalen, die zij het liefst lazen, die waren van de wonderlijke reizen, die waren afgelegd vóór de tijden, die hun grootouders of overgrootouders zich konden herinneren. Eén van die reisverhalen was bekend als de tocht om de Gouden Vacht. Die gouden vacht had gehangen in een boschje in Colchis, een landstreek, die heel ver van Griekenland was verwijderd; en meer dan één jonge held had bij zich zelf gedacht: “Hoe gaarne zou ik die vacht bemachtigen!” De moeilijkheid was hierin gelegen, dat zij bewaakt werd door een vuurspuwenden draak, die nooit een enkel oogenblik in slaap viel; en menig dapper man, die ieder oogenblik gereed stond, om den strijd te aanvaarden tegen twee of drie, ja zelfs tegen vier of vijf dappere krijgslieden, deinsde terug voor het gevaar, in sintels te veranderen.

Er was echter een jonge held, Jason genaamd, die de erfgenaam was van een koning in Thessalië. Zijn oom Pelias was tot regent van het koninkrijk aangesteld gedurende de jeugd van den vorst, en toen Jason, die nu was opgegroeid tot een dapper, forsch en gespierd jongmensch, aan het hof verscheen en zeide, dat hij gekomen was om bezit te nemen van zijn troon, verzon zijn oom alle mogelijke listen, om een middel te vinden, waardoor hij de regeering zou kunnen behouden. Hij deed het voorkomen, alsof hij gaarne bereid was, van het gezag afstand te doen. “Maar” zoo sprak hij, “gij zijt nog jong, en zoudt gij dus niet, voordat gij de zorgen der regeering op u neemt, eerst nog eenigen roem willen verwerven? Hoe zoudt gij het vinden, als gij u eerst wikkeldet in de ééne of andere schitterende onderneming, zoodat uw onderdanen nog honderden jaren na uw dood over uw grootsche daden zouden kunnen spreken?”

Jason eischt de regeering op.
Jason eischt de regeering op.

Jason eischt de regeering op.

Pelias zag, hoe de oogen van Jason schitterden, en de sluwe koning sprak toen van den tocht om de Gouden Vacht te halen, als van het roemrijkste avontuur, waaraan een held zich kon wijden. Jason verheugde zich in die gedachte, en begon onmiddellijk de voorbereidselen te treffen, en een schip uit te rusten, dat vijftig man kon bevatten. Dit was op zich zelf reeds een bewonderenswaardige onderneming, immers de schepen uit dien tijd waren niets dan kleine kano’s, die vervaardigd werden, door boomstammen uit te hollen. Het schip werd de Argo genaamd, naar den bouwmeester Argus, en de vijftig jongelieden, die daarin wegzeilden, werden de Argonauten genoemd. Aan de sneb van het schip was een stuk van een sprekenden eik bevestigd, dat Jason antwoord zou geven, als hij in tijden van moeilijkheden om raad vroeg.

Jason ondervraagt het hout aan de sneb.
Jason ondervraagt het hout aan de sneb.

Jason ondervraagt het hout aan de sneb.

Toen zij gereed waren, was het strand overal bezet met menschen, die het schip wilden zien wegvaren. Natuurlijk was onder dezen ook koning Pelias. Hij deed het voorkomen, alsof hij zeer ongerust was, omdat zijn neef een zoo gevaarlijken tocht ging ondernemen; maar voortdurend dacht hij bij zich zelf: “Nooit, nooit keert hij terug en het koninkrijk zal mij toebehooren.”

De vijftig jonge mannen waren spoedig uit het gezicht, en groot was het aantal van hun avonturen, voordat zij het Colchische rijk hadden bereikt. Toen zij eenmaal daar waren aangekomen, ging Jason onmiddellijk naar koning Aeëtes en vertelde hem, dat hij daar was gekomen, om de Gouden Vacht te halen. Men moet echter weten, dat Aeëtes, ten einde in het bezit van dien schat te komen, den vroegeren eigenaar daarvan had doen dooden; hij was dan ook absoluut niet van plan, de vacht af te staan. Hij was echter een even sluw heerscher als koning Pelias; van daar dan ook, dat hij niet kortaf weigerde, haar af te staan. “Het is billijk,” zoo sprak hij tot Jason, “dat gij mij eerst twee kleine gunsten bewijst. Indien gij daartoe bereid zijt, hebt gij mijn toestemming, om tegen den draak te strijden en de vacht weg te voeren.” De twee kleine diensten waren, ten eerste om twee vuurademende stieren voor het juk te spannen, en ten tweede om de tanden te zaaien van een draak, die door Cadmus, een held, die lang vóór dien tijd had geleefd, was verslagen.

Jason en Medea.
Jason en Medea.

Jason en Medea.

Evenals het geval geweest was met den Minotaurus, was hier wederom een prinses in het spel, en wel Medea, die in liefde ontstoken was voor den held van het avontuur; zij gaf daarom Jason een toovermiddel, waardoor de stieren zoo zacht als lammeren werden. Zij waren dan ook spoedig voor het juk gespannen, zoodat Jason gereed was voor de tweede proef, het zaaien van de drakentanden. Hij wist zeer goed, wat geschieden zou, maar toch ging hij even rustig voort, als wanneer hij graankorrels moest zaaien. In minder tijd dan noodig was om deze geschiedenis te verhalen, was uit iederen tand niet koren, maar een gewapende man te voorschijn gekomen, die een oogenblik woest bleef staan brommen en rondzag, of hij iemand kon vinden, dien hij kon dooden. Zoodra de mannen Jason in het gezicht kregen, trokken zij hun zwaarden en stormden woest op hem los. De prinses had hem echter daarop voorbereid, en hem gezegd, hoe hij zich zou kunnen redden; hij raapte dus volgens haar raad een steen op en wierp dien onder de woedende strijders. Ieder van hen meende, dat zijn buurman hem door den steen had geraakt, en in een ondeelbaar tijdsoogenblik waren zij op elkander losgestormd. Binnen een minuut tijds waren allen gedood.

Nadat Jason de vuursnuivende stieren had weten te bedwingen, zou hij wel in staat geweest zijn, ook den draak te overwinnen, die de Gouden Vacht bewaakte, maar hij dacht, dat het beter was dien te besprenkelen met den tooverdrank, dien Medea had gereed gemaakt. In een oogenblik tijds was de draak in een diepen slaap gevallen, zoodat niets gemakkelijker was dan de vacht van den boom te halen, waaraan zij gehangen was. Hij was te verstandig, om naar koning Aeëtes te gaan, om afscheid te nemen; daarom haastte hij zich naar zijn eigen rijk, zoo snel zijn roeiriemen en zeilen hem konden wegvoeren.

Paris.
Paris.

Paris.

Een ander oud verhaal, het meest bekende van alle, is dat van den Trojaanschen oorlog. Die oorlog had zijn ontstaan te danken aan Helena, de schoonste vrouw uit Griekenland. Deze had een groot aantal aanbidders; haar vader liet deze allen een duren eed zweren, dat alle overige aanbidders hem, dien zij zou kiezen, zouden beschermen en in alle moeilijkheden des levens zouden bijstaan. Zij vestigde haar keuze op Menelaüs, den koning van Sparta, en verscheidene jaren ging alles voortreffelijk. Maar eindelijk kwam Paris, de zoon van den koning van Troje, op Sparta, doch toen hij vertrok, nam hij Helena met zich mede. Nu was het oogenblik voor de andere vorsten aangebroken, om Menelaüs te helpen, maar er waren er enkelen onder, die liever hadden willen thuisblijven. Odysseus bij voorbeeld wenschte niet mede te gaan, en meende, dat hij zich aan den tocht kon onttrekken, door zich als krankzinnig voor te doen. Hij spande een os en een ezel samen voor den ploeg en begon zout te zaaien. Spoedig echter kwam zijn bedrog aan het licht; immers toen zijn jeugdig zoontje op den grond gelegd werd vóór den ploeg, ging hij veel te voorzichtig op zijde, om nog langer zijn geveinsde krankzinnigheid te kunnen volhouden.

Het duurde twee jaar, eer de schepen gebouwd en uitgerust waren; maar eindelijk waren de schepen de zee overgestoken en hadden zij hun kamp vóór de wallen van Troje opgeslagen. Hun aanvoerder was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Negen jaren duurde de oorlog, en nog steeds konden de Grieken Troje niet veroveren, en de Trojanen konden evenmin de Grieken verdrijven. Aan beide zijden streden de dappersten van alle helden, en ook de goden namen deel aan den strijd. Aphrodite begunstigde de Trojanen, en dat wel op goede gronden, daar haar zoon Aeneas één der dapperste verdedigers van Troje was. Bovendien overreedde zij Ares den oorlogsgod, hen te helpen. Apollo was eerst op de hand der ééne partij en daarna op die der andere. Athene, de godin der wijsheid, en Hera, de echtgenoote van Zeus, haatten de Trojanen, en in de eerste plaats Paris; immers deze had indertijd den prijs der schoonheid toegekend aan Aphrodite, in plaats van aan één van haar beiden. De arme Zeus had een ellendigen tijd in zijn schitterend paleis op den Olympus, immers Aphrodite kwam telkens weenend bij hem en smeekte hem, haar geliefden Aeneas te beschermen; doch nauwelijks had hij haar met vriendelijke beloften getroost, of zijn vrouw Hera wist op de ééne of andere slinksche wijze zijn oogen af te leiden van Troje; en dan wonnen de Grieken telkens een overwinning of doodden zij den een of anderen beroemden Trojaanschen strijder.

Aanvoerders der Grieken vóór Troje.
Aanvoerders der Grieken vóór Troje.

Aanvoerders der Grieken vóór Troje.

Gedurende al die jaren van strijd hadden de Trojanen er nooit een oogenblik aan gedacht, dat het mogelijk zou kunnen zijn, dat Troje werd ingenomen, immers de stad werd beschermd door een beeld van Athene, waarvan verhaald werd, dat het uit den hemel was gevallen. De Grieken waren niet onkundig van het bestaan van dat beeld. Zij waren overtuigd, dat, indien zij dat konden bemachtigen, Troje zou vallen; en eindelijk gelukte het den listigen Odysseus en zijn vriend Diomedes, het te stelen. Maar toch bezweek Troje nog niet en nog steeds duurde de strijd voort.

Na eenigen tijd begonnen de Grieken een ontzaglijk groot houten paard te bouwen op de vlakte, die juist buiten de wallen der stad gelegen was. Zij slaagden er in, het bericht uit te strooien, dat zij het beleg hadden opgegeven en op het punt stonden naar huis terug te keeren; daarna zeilden zij weg, doch lieten het groote houten paard achter.

De Trojanen konden niet ontdekken, met welk doel de Grieken dat reusachtige gedierte hadden gebouwd; terwijl zij daarover druk aan het redeneeren waren, en het stonden aan te gapen, brachten eenige herders een jongen Griek, Sinon genaamd, dien zij hadden gevangen genomen, in de stad. Hij vertelde een droevig verhaal. Hij zeide namelijk, dat Odysseus hem haatte, en den Griekschen waarzegger had overgehaald te verkondigen, dat hij moest worden ter dood gebracht als een offer voor hun veiligen terugkeer naar Griekenland. Hij was ontsnapt en had zich in een moeras verborgen gehouden totdat de Grieken vertrokken waren.

De Trojanen waren van nature vriendelijk voor iedereen, die door Odysseus werd gehaat. Koning Priamus beval, dat hij onmiddellijk van zijn boeien zou worden bevrijd, en overreedde hem de Grieken te vergeten en een Trojaan te worden. “Maar vertel ons, waarom dat reusachtige paard gebouwd is,” zoo sprak hij; en Sinon deelde mede, dat het een offer aan Athene was, omdat zij vertoornd was op de Grieken, daar zij met bloedige handen haar beeld hadden aangeraakt. “Het is zóó groot gemaakt, dat het onmogelijk door de poorten uwer stad kan worden getrokken,” legde hij den koning uit, “immers de Grieken weten, dat het, indien het eenmaal binnen de muren der stad zou zijn gekomen, u zou beschermen, en dat de overwinning door de Trojanen zou worden behaald, in plaats van door de Grieken.

Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.
Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.

Athene en Hera op weg, om de Grieken bij te staan in een gevecht tegen de Trojanen.

De Trojanen geloofden ieder woord, dat door Sinon werd gesproken. Zij bonden touwen vast aan het reusachtige gevaarte en begonnen het naar de stad te trekken. Zelfs haalden zij een deel der stadsmuren neer, om het paard een doorgang te verschaffen. In dien nacht opende de verraderlijke Sinon een deur in het lichaam van het paard, en een aantal gewapende Grieken, die daar binnen verborgen waren, lieten een touw neer en lieten zich onder doodsche stilte op den grond afzakken. De Trojanen waren in slaap, en het was een zeer gemakkelijk werk, de wachten te dooden en de poorten voor de overige Grieken open te werpen; immers zij waren niet naar Griekenland weggezeild, maar hadden zich alleen verborgen gehouden achter een klein eiland, dat op enkele mijlen van Troje verwijderd was.

Grieksch krijgsman.
Grieksch krijgsman.

Grieksch krijgsman.

Dit is het beroemde verhaal van den val van Troje of Ilium. Het is ons overgeleverd in een groot episch gedicht, de Ilias, en wij kunnen het lezen in dezelfde bewoordingen, waarin het bij de Grieken bekend was. De Ilias verhaalt ons die geschiedenis tot aan den dood van Hector, een dapper Trojaansch krijgsman, die door Achilles werd gedood; maar het verhaal van het reusachtige houten paard is tot ons gekomen uit een ander heldendicht, de Aeneïs, dat vervaardigd is door den Latijnschen dichter Virgilius. De Grieken meenden, dat de Ilias vervaardigd was door een blinden dichter, Homerus genaamd, die geboren was op het eiland Chios, en die het land doortrok, zijn gedichten voordragend of zingend. Hij was een bedelaar, maar toch was hij een welkome gast in het huis van iederen aanzienlijken Griek, immers op de feesten kon hij spelen op zijn harp met vier snaren en zingen van de bewonderenswaardige daden uit den ouden tijd. Hij vervaardigde ook een tweede heldendicht, de Odyssee, dat verhaalt van de zwerftochten van Odysseus; immers het jonge kind, dat vóór den ploeg was gelegd, was opgegroeid tot een stevigen en rijzigen jongeling, voordat de goden den held hadden toegestaan, naar zijn huis terug te keeren. Odysseus had de meest wonderlijke avonturen. Hij bezocht het land der Lotos-eters of Lotophagen. Zij die van de Lotosplant aten, vergaten alles van hun huis en hun vrienden, en Odysseus moest enkelen van zijn manschappen, die er van gegeten hadden, met geweld wegsleepen. Hij werd in een hol opgesloten door één der Cyclopen; hij vertoefde een tijdlang op het eiland der toovenares Circe, die menschen in dieren veranderde; met de grootste voorzichtigheid zeilde hij door tusschen de twee monsters, Scylla en Charybdis. Eén der zeenimfen beloofde hem de onsterfelijkheid, als hij slechts zijn woonplaats wilde vergeten en op haar eiland wilde achterblijven, maar hij verlangde vurig naar zijn vrouw en zijn zoon op het eiland Ithaca, en eindelijk gelukte het hem, zijn weg daarheen te vinden. Hij maakte zich aan zijn zoon bekend, en samen straften zij de vrijers, die zijn bezittingen hadden verkwist en zijn echtgenoote waren lastig gevallen.

Het houten Trojaansche paard.
Het houten Trojaansche paard.

Het houten Trojaansche paard.

Die oude verhalen zijn de moeite wel waard, gekend te worden, omdat het zeer schoone en dichterlijke verhalen zijn; maar bovendien ligt aan ieder dier verhalen een spoor van waarheid ten grondslag. De geest der Grieken was rijk aan een dichterlijke fantaisie; het was, bij voorbeeld, gemakkelijk, de herinnering aan een warmen, drogen zomer, die in een donderbui eindigde, om te werken tot het verhaal van Phaëthon; of het verhaal van den een of anderen tocht van zeeroovers om te werken tot het poëtische verhaal van den tocht der Argonauten. De geschiedenis van Theseus beteekent waarschijnlijk, dat op zekeren tijd door de Atheners aan Creta een schatting moest worden betaald. De terugkeer der Heracliden moet slaan op de tijden, toen de Doriërs tot in den Peloponnesus doordrongen en een groot gedeelte van dat schiereiland in hun bezit kregen.

Homerus leest zijn gedichten voor.
Homerus leest zijn gedichten voor.

Homerus leest zijn gedichten voor.

Zelfs met behulp van deze verhalen, weten wij op verre na niet zooveel van de oude geschiedenis van Griekenland als wij wel zouden willen. Wij kunnen echter bijna zeker zijn van enkele feiten en wel:

Dat de Grieken behoorden tot het Arische ras, dat toen leefde in Centraal-Azië; dat zij in kleine troepen van landverhuizers in Griekenland kwamen; dat zij in vier stammen verdeeld waren, de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs; dat de Doriërs in den Peloponnesus binnendrongen en een groot aantal Achaeërs verjoegen; dat die Achaeërs hun weg richtten naar het noorden en de Aeoliërs verdreven, die daarna de Aegeïsche Zee overstaken en koloniën stichtten op de kusten van Klein-Azië; dat zij gevolgd werden door de Joniërs, en eindelijk door enkele Doriërs, die geen voldoende plaats vonden in den Peloponnesus; dat er gedurende honderden jaren voortdurend met enkele tusschenpoozen gestreden werd tusschen Griekenland en Klein-Azië, totdat Griekenland ten slotte veroverd werd door Philippus, den koning van Macedonië. De verovering geschiedde echter eerst drie eeuwen vóór Christus.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings