← Table of contents
De Geschiedenis van het Grieksche Volk

De groote Perzische inval. (vervolg).

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

En nu was Xerxes goed en wel op weg. De Thraciërs wisten, dat hij het allereerst door hun land zou trekken, en daarom zonden zij boden naar de vergadering te Corinthe, die moesten zeggen: “Mannen Grieken, het is niet gepast, dat wij ter uwer verdediging alleen en zonder bijstand aan den dood worden prijsgegeven. Zendt ons troepen, om den bergpas te Tempe te bewaken, of anders zullen wij onderhandelingen openen met de Perzen.” Een leger werd gezonden, maar toen zij vernamen, dat er nog een tweede bergpas was, waardoor de vijand zou kunnen binnenkomen, verlieten zij Tempe om naar Corinthe terug te keeren.

Grieksche krijgslieden.
Grieksche krijgslieden.

Grieksche krijgslieden.

Er moest toch ergens tegen de Perzen stand gehouden worden, maar wat was de meest geschikte plaats? Natuurlijk zou Xerxes zoo dicht mogelijk bij de zee blijven. Zij moesten dus een pas vinden in de nabijheid der kust, waardoor hij gedwongen kon worden heen te trekken, en zóó nauw, dat slechts enkelen van zijn manschappen daar te gelijk zouden kunnen vechten. Zij lieten de keus vallen op de Thermopylae, omdat de bergen daar zóózeer in zee vooruitstaken, dat slechts een zeer nauwe doortocht tusschen die bergen en de zee overbleef. Hier hielden de Grieken stand. Hun aanvoerder was Leonidas, de koning der Spartanen. Met hem waren driehonderd Spartanen, die hij één voor één had uitgezocht om hun moed en vaderlandsliefde. Er waren bovendien omstreeks zesduizend man uit verschillende stammen. Dit was een bespottelijk klein leger, om aan de honderdduizenden van Xerxes te gemoet te zenden; maar het was juist de tijd der Olympische spelen, en tevens van een feest ter eere van Apollo. Zoodra die feesten voorbij waren, zouden meer manschappen worden gezonden. Niemand vermoedde, dat de strijd bij de Thermopylae zoo spoedig zou komen; en in ieder geval kon een natie, die verzuimde haar goden te eeren, geen voorspoed in den oorlog verwachten.

Xerxes zou misschien zijn manschappen hebben doen inschepen en hen ten zuiden van de Thermopylae doen landen; maar vierhonderd van zijn oorlogsschepen hadden tijdens een storm schipbreuk geleden, en de vloot der Grieken hield de wacht bij de straat van Artemisium, om de overige schepen tegen te houden. Indien hij dus Griekenland wilde binnenkomen, moest hij de Thermopylae doortrekken. Dit leek hem een eenvoudige zaak toe. Hij had wel gehoord, dat er enkele manschappen aan den pas geplaatst waren, maar hij was overtuigd, dat deze spoedig zouden wegloopen. Inderdaad waren er enkelen, die er over spraken, dit te willen doen. “Laat ons naar Corinthe terugkeeren,” drongen zij aan. “Het hoogste, wat wij kunnen bereiken, is den Peloponnesus te verdedigen.” “Neen,” riep Leonidas, “laat diegenen onder u, die dit wenschen, zich terugtrekken; maar wat mij en mijn Spartanen betreft, wij zijn gezonden, om dezen pas te verdedigen, en hier houden wij dan ook stond.”

De Graftombe van Leonidas.
De Graftombe van Leonidas.

De Graftombe van Leonidas.

Daarna ontstond een gevecht, zóó verschrikkelijk, als de wereld nog nooit had aanschouwd. Het duurde van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, en den volgenden dag nog eens even lang. Doch daarna kwam verraad in het spel. Een Maliër, Ephialtes genaamd, lichte Xerxes in omtrent een voetpad, dat over de bergen voerde, en om den pas heen liep; en tegen het vallen van den avond leidde die verrader de Perzen uit het kamp, liet hen een nietig riviertje overtrekken en den berg beklimmen. De Grieksche wachten op den top konden hen niet zien, daar de helling van den berg overal met dikke eiken was bedekt; zij wisten dus niets af van de komst van den vijand, totdat zij in de stilte van den vroegen morgen het getrappel hoorden van duizenden voeten. De kleine legermacht kon niets anders doen, dan zich voorbereiden voor den dood; maar de vijand stormde langs hen voort, daar hij de Grieken aan den pas wilde omsingelen. Toen Leonidas hoorde, dat het bergpad ontdekt was, wist hij, dat er geen kans was de Thermopylae te houden. “Keert naar den Isthmus terug, als gij wilt,” zeide hij tot zijn bondgenooten, “maar wat mij en mijn Spartanen betreft, de wetten van ons land verbieden ons de plaats te verlaten, ter welker verdediging wij aangewezen zijn.” Ook de Thespiërs weigerden terug te trekken. De strijd werd voortgezet, zoo het mogelijk was nog feller dan te voren. De Spartanen en de Thespiërs trokken midden op de Perzische strijdmacht los. Een aantal manschappen werden in zee geworpen, bij tientallen en honderdtallen werden strijders doodgetrapt. De speren braken, maar dan streden zij met hun zwaarden; hun zwaarden braken, maar dan vochten zij met hun handen, met hun vuisten, met steenen, met alles waarmede zij konden treffen, totdat zij dood ter neder lagen, begraven onder hoopen Perzische werptuigen. Ook na dien slag werden de gesneuvelden begraven, waar zij gevallen waren. Ter herinnering aan de dapperheid van Leonidas werd een marmeren leeuw opgericht aan den ingang van den pas. Zuilen werden opgericht ter eere van de soldaten. Op de ééne was geschreven:

“Vierduizend man vol heldenmoed, uit Pelops’ land Zij hielden tegen ’t honderdvoud tot ’t laatst toe stand.”

Een andere zuil was uitsluitend ter eere der Spartanen opgericht. Daarop was geschreven:

“Ga vreemdeling naar ons geboorteland verkonden, Dat wij den dood, volbrengend hun bevel, hier vonden.”

Dit afschrift was afkomstig van Simonides, een dichter van Ceos, één der Cycladen. Hij kon zulke regels neerschrijven, getuigend van diepen ernst en groote bewondering, en daarenboven kon hij zóó sierlijk en teeder schrijven, dat zijn vrienden hem “de liefelijke dichter” noemden. Eén van zijn gezegden draagt zóózeer den stempel der waarheid, dat het gedurende alle eeuwen na zijn dood beroemd is gebleven. Het luidt: “Poëzie is het schilderen door klanken, zooals schilderen het dichten zonder klanken is.”

Grieksche opschriften op steen.
Grieksche opschriften op steen.

Grieksche opschriften op steen.

Terwijl de beroemde kleine schare Grieken alles in het werk stelde, om de Perzische krachten bij de Thermopylae tegen te houden, waren de Grieksche schepen niet werkeloos gebleven. Zij beletten de Perzische vloot den Euripus binnen te zeilen, de straat tusschen Euboea en het vasteland gelegen. De Perzen meenden, dat het een goede zet zoude zijn, tweehonderd van hun schepen om Euboea heen te voeren en van het zuiden uit den Euripus in. “Wij zullen dan de Grieksche schepen in de zeeëngte opgesloten hebben,” zoo was hun redeneering, “en met onze vloot zal het gemakkelijk zijn, ze alle te vernietigen.” Zij zonden dus hun tweehonderd schepen, maar spoedig werd de vloot door een storm overvallen en vernield. Gedurende één, twee, drie dagen duurde de zeeslag voort, waarbij de Perzen door de zeeëngte bij Artemisium trachtten door te breken, en de Grieken hen tegenhielden. Tegen den avond van den derden dag kwam een snelzeilend schip aan, dat bij de Thermopylae den gang van zaken had waargenomen; en nu hoorden de manschappen aan boord van de Grieksche schepen, dat de pas verloren was en dat de Perzen tegen Athene optrokken. Er was dus nu geen reden meer om de zeeëngte te verdedigen; het was verreweg beter, door den Euripus in zuidelijke richting over te varen. De aanvoerder van de Grieksche vloot was een Spartaan, maar Themistocles had het commando over de schepen der Atheners. De winden hadden de partij der Grieken gekozen, en nu was het zijn voornemen, te zorgen dat ook het land op zijn hand was. Overal waar de gelegenheid daartoe geschikt was, zond hij mannen uit, om in de rotsen opschriften te snijden, welke door de Joniërs, die in het leger van Xerxes waren, zouden worden gelezen. “Jonische mannen,” zoo luidden zij, “loopt, zoo gij kunt, naar onze zijde over; als u dat niet mogelijk is, onthoudt u dan van den strijd, smeeken wij u, of ten minste vecht schoorvoetend.” Themistocles meende, dat, zelfs al zagen de Joniërs de opschriften niet, zij toch zeker door enkelen onder de Perzen zouden gelezen worden, en dat Xerxes het niet zou wagen, van de hulp der Joniërs in de gevechten gebruik te maken. De Grieksche vloot zeilde toen Sunium, de zuidelijke punt van Attica, om, en liet het anker vallen tusschen Athene en het eiland Salamis.

De Perzen hadden Athene tot einddoel; maar iets ten westen van hun marschroute lag Delphi; en daar bevond zich de tempel van Apollo, rijk voorzien van kostbare schatten. Zij konden, zoo meenden zij, die niet onaangetast laten; daarom verliet een deel van het leger de kust en trok in westelijke richting voort. De inwoners van Delphi waren wanhopig. “O Apollo,” zoo baden zij, “zeg ons, smeeken wij u, wat wij met uw heilige schatten moeten doen. Zullen wij ze in den grond begraven, of ze naar een ander land wegvoeren?” “Vreest niet,” zoo luidde het antwoord, “Apollo heeft niemand noodig, om zijn eigendommen te beschermen.” Daarna vertrokken de meeste bewoners van Delphi met vrouwen en kinderen uit de stad. Zij die achterbleven, verhaalden, dat de heilige wapenrusting van Apollo, zonder de hulp van menschenhanden, uit het binnenste van den tempel was weggedragen en vóór den tempel was geplaatst. Hoe dit ook moge zijn, een feit is het, dat er een vreeselijk onweder losbarstte. Van den Parnassus werden twee reusachtige rotsblokken afgeslagen, die op de Perzen neervielen en een groot aantal onder hun gewicht verpletterden. Het is niet te verwonderen, dat de barbaren na het gebeurde doodelijk verschrikt wegvluchtten en zelfs den aanval van de weinige nog aanwezige inwoners van Delphi niet durfden weerstaan, of dat zij in hun ontsteltenis de wonderlijkste verhalen deden over wat hun was overkomen. “Het waren geen sterfelijke wezens, met wie wij streden,” zeiden zij, “het waren gewapende krijgslieden met meer dan menschelijke gestalte, die op ons losstormden en enkelen der onzen versloegen.”

Die troepen trokken haastig Boeotië binnen, om zich te vereenigen met het overige gedeelte van het leger, dat op Athene aanrukte; en Athene was hulpeloos, daar de Grieken van den Peloponnesus haar rustig aan haar lot hadden overgelaten en dag en nacht aan het werk waren, en een hoogen muur over de landengte van Corinthe bouwden, om de Perzen te beletten hun steden aan te vallen.

Salamis, van de overzijde der baai gezien.
Salamis, van de overzijde der baai gezien.

Salamis, van de overzijde der baai gezien.

Athene had al het mogelijke gedaan om de Grieksche staten tot eensgezindheid te brengen en hen over te halen een bondgenootschap te sluiten. Zij had de bijeenkomst op de landengte van Corinthe op touw gezet; zij had het opperbevel van het leger niet voor zich opgeëischt; en hoewel zij heel wat meer schepen bezat dan alle andere staten te zamen, had zij er in toegestemd, dat het opperbevel over den vloot in handen der Spartanen werd gelegd. Nu was zij door geheel Griekenland verlaten. Haar eenige hoop en bemoediging lag in die ééne zinsnede van het orakel; “De houten muren zullen veilig blijven voor u en uwe kinderen”; doch de burgers konden het niet eens worden over de beteekenis dier uitdrukking. Een ander gezegde, dat hen zeer in verlegenheid bracht, luidde: “Heilig Salamis, gij zult het kroost van vrouwen verdelgen.” Themistocles hield vol, dat “het kroost der vrouwen” de Perzen beteekende. “Indien het de Grieken had moeten beteekenen,” zoo redeneerde hij, “zou het orakel Salamis niet “heilig”, maar veeleer, “ongelukkig” hebben genoemd; het beteekende ongetwijfeld, dat de Perzen bij Salamis een vreeselijke ramp moest treffen. Wat het orakel ook mocht bedoelen, het stond vast, dat de stad niet kon gered worden. Toen begon een heen en weer vliegen, een opeenhoopen van vrouwen en kinderen in de booten, en een haastig over het water trekken naar veiliger plaatsen. Zij waren nauwelijks uit het gezicht van Athene, toen reeds de Perzen op Athene aanstormden. Zij wierpen de stad ten onderste boven, plunderden en verbrandden haar, totdat er niets anders overbleef dan torenhooge brandende puinhoopen. De eenige hoop der Grieken was in Salamis en in Themistocles gelegen. “Wij zullen den vijand bij den Isthmus bestrijden,” riepen de mannen van den Peloponnesus, “en als wij dan verslagen worden, kunnen wij naar onze woonplaatsen terugwijken.” Themistocles bewoog hemel en aarde, om hen van dit besluit af te brengen. “Wij kunnen de Perzen te gemoet trekken in de nauwe zeestraat bij Salamis,” zoo sprak hij, “en dan doet het er niet toe, hoeveel schepen zij hebben, nu er voor hen daar geen plaats is, om meer dan enkele te gebruiken. Een overwinning bij Salamis zal den Peleponnesus even goed beschermen als een overwinning bij den Isthmus; en het is bij Salamis, dat de godheid ons een overwinning heeft beloofd.” Hier viel een Corinthiër hem in de rede, met den uitroep: “Gij zijt niets anders dan een man zonder stad! Laat ons zien, van welken staat gij een afgezant zijt.” Themistocles had zich kalm gehouden bij alle andere ergerlijke en tergende redevoeringen, maar nu viel hij tegen zijn tegenstanders uit. “Geen vaderland!” riep hij uit. “Ik heb tweehonderd schepen onder mijn bevelen, die alle gereed zijn voor den strijd. Welke staat van Griekenland kan mij weerstaan, als ik verkies een landing te doen? Weest door mijn woorden overtuigd. Zoo niet, dan zullen wij onze gezinnen medenemen en voor ons woonplaatsen zoeken in Italië. Als gij ons als bondgenooten verloren hebt, zult gij u herinneren, wat ik gezegd heb.”

De staten begonnen overtuigd te worden van de kracht der Atheners, en hadden volstrekt geen verlangen, hen te verliezen. Zij besloten eindelijk bij meerderheid van stemmen, de Perzen bij Salamis af te wachten; maar nog steeds bleven de mannen van den Peloponnesus protesteeren. “Dit is goed voor de Atheners” morden zij, “maar voor ons is het volstrekt geen voordeel.” Het gelukte hun, een tweede vergadering te doen bijeenroepen, en Themistocles zag, dat de stemming nu weer anders zou uitvallen. Daarom besloot hij van een list gebruik te maken. Hij zond een vertrouwden slaaf naar de Perzen, die hun een boodschap moest overbrengen. “Een Atheensche bevelhebber, die u goed gezind is, zendt u de volgende boodschap: “De Grieken zijn verdeeld. Enkelen zullen u tegenstand bieden, anderen zullen uw partij kiezen. Gij hebt nu een prachtige gelegenheid een roemrijke overwinning te behalen.” Daarna keerde hij ongemerkt in de vergaderzaal terug. De debatten duurden voort tot lang na middernacht. Midden onder de besprekingen werd Themistocles een boodschap gebracht: “Er is iemand buiten de zaal, die u wenscht te spreken.” Het was Aristides, die uit de ballingschap was teruggekeerd, daar allen, die verbannen waren, waren teruggeroepen, uit vrees dat zij met de Perzen gemeene zaak zouden maken. Hij verlangde vurig, zijn mededinger te helpen, roem en eer te verwerven, als slechts Griekenland gered werd. “De Perzische schepen zijn bij den ingang der zeeëngte,” fluisterde hij. Themistocles zag, dat de vijand zich door hem had laten verschalken, en dat de Grieken nu gedwongen zouden worden te strijden, tegen hun wensch.

Des morgens begon de slag bij Salamis. De gevechtslinie der Grieksche schepen strekte zich uit van Salamis tot Attica. Iets meer zuidelijk, aan den ingang der zeeëngte, lagen de Perzische schepen. Op de kust van Attica, op een hoogen heuvel, die over de zeeëngte uitzag, zat Xerxes op zijn troon, gereed iedere beweging met de oogen te volgen. Den geheelen dag door woedde de slag. De Perzen hadden een zóó groote menigte schepen, dat zij in elkander verward geraakten. Zij dreven hulpeloos voort met gebroken riemen en zonder roer. De Grieken deden ze één voor één zinken; zij verjoegen den vijand uit de zeeëngte; zelfs zeilden ze om de Perzische schepen heen en vielen hen van de andere zijde aan. Toen de nacht gevallen was, hadden de Grieken den zeeslag luisterrijk gewonnen. Het beteekende veel meer dan het winnen van een eenvoudigen zeeslag, immers Xerxes was reeds naar huis vertrokken, zoo snel varende als een schip hem kon wegvoeren, uit vrees dat de Grieken de bruggen zouden afbreken, die over den Hellespont geslagen waren, voordat zijn troepen daarover heen konden trekken. Hij was bitter teleurgesteld en had van de geheele onderneming genoeg, zoodat hij volkomen bereid was te luisteren naar zijn veldheer Mardonius. “Gij hebt gedaan, wat gij wildet,” zoo sprak Mardonius, “gij hebt Athene gestraft en kunt dus gerust naar Perzië terugkeeren. Laat mij met driehonderdduizend manschappen achter, en ik kan spoedig het overige gedeelte van Griekenland veroveren.”

De overwinnaars bij Salamis.
De overwinnaars bij Salamis.

De overwinnaars bij Salamis.

Het middel, dat Mardonius bij die verovering toepaste was, dat hij trachtte Athene om te koopen, om zich bij hem aan te sluiten. “Xerxes zal vergeven wat geschied is,” zoo sprak hij. “Hij zal tempels voor u bouwen, zal u helpen, land te veroveren, en zal u vrijlaten, als gij onze bondgenooten wilt worden.” Hierop antwoordden de Atheners: “Zoolang de zon haar loop aan den hemel blijft volgen, zullen de Atheners nooit met Xerxes tot een vergelijk komen.” Toen marcheerde Mardonius recht op Athene aan. Het land was daar nog, en de gedeeltelijk opgebouwde huizen; maar de Atheners waren ten tweeden male uit de stad gevlucht; zij waren allen bij Salamis. Een tijdlang scheen het, of de staten van den Peloponnesus nergens belang in stelden dan in hun eigen veiligheid; maar ten slotte zagen zij in, dat zij moesten helpen bij de bestrijding van Mardonius, als zij zich zelf wilden redden. Zij vervolgden hem tot in Boeotië. Daarop volgde een woedend gevecht bij Plataea, waar Mardonius sneuvelde. Wat van de Perzische schepen was overgebleven, was naar Samos vertrokken, en hield nauwlettend toezicht op de Jonische koloniën, daar het duidelijk was, dat deze zich zouden vrijmaken, zoodra zij daartoe de kans gunstig zagen. De Grieksche schepen lagen bij Delos. Drie mannen uit Samos kwamen heimelijk daarheen. “Komt en helpt de Joniërs, om zich vrij te maken,” zoo vroegen zij met aandrang. “Gij kunt gemakkelijk de barbaren verdrijven, want hun schepen kunnen het tegen de onze niet volhouden. Zoodra gij in het gezicht gekomen zijt, zullen de Joniërs opstaan.” De Grieken besloten koers te zetten naar Jonië. Zij verwachtten een zeeslag te moeten leveren, maar het bleek hun, dat zij op het droge hadden te strijden, daar de Perzen hun schepen bij Mycale in Jonië op het strand hadden getrokken, en daaromheen een muur van houtblokken en steenen hadden opgeworpen. Toen de Grieken dit zagen, gingen zij aan land. De barbaren waren spoedig uiteen gedreven, terwijl de Jonische volksplantingen zich aansloten bij het Grieksche statenverbond. Dit was de slag bij Mycale, die op denzelfden dag geleverd werd als de slag bij Plataea. Zoo waren dan de Grieken verlost van de vrees voor de Perzen; immers nooit meer na dien tijd heeft een Perzisch leger den voet gezet op Griekschen bodem.

Kop van Zeus—Munt uit Elis.
Kop van Zeus—Munt uit Elis.

Kop van Zeus—Munt uit Elis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings