← Table of contents
De Geschiedenis van het Grieksche Volk

Hoe de oudste Grieken leefden.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Zooals wij hebben opgemerkt, weten wij niet veel van hetgeen in Griekenland in de oudste tijden gebeurde, welke oorlogen de Grieken voerden of welke volksstammen zij overwonnen. Wij weten wel echter, hoe zij leefden, hoe zij zich vermaakten, en wat zij over verschillende onderwerpen dachten; en dit is toch veel merkwaardiger en belangrijker dan het overige.

Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).
Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).

Een tooneel in een vrouwenvertrek. (Van een beschilderde vaas).

Indien gij het huis van één der Grieksche vorsten uit de oudste tijden waart binnengetreden, dan zoudt gij eerst gekomen zijn aan een hoogen, dikken steenen muur met een stevige, openslaande deur. Als de deur was opengeslagen, en gij in den hof waart binnengestapt, zou een groote hond uit zijn hok zijn gesprongen, om te zien, of hij, even goed als zijn meester, van oordeel was, dat gij mocht worden toegelaten. Als de meester een vermogende vorst was, kon het zijn, dat hij geen werkelijken hond had, maar het beeld van een hond, van goud of zilver vervaardigd.

Huisdeur.
Huisdeur.

Huisdeur.

Dicht bij de poort stonden steenen banken, gebeeldhouwd en gepolijst, waarop men kon gaan zitten praten. Verder op in den hof waren stallen voor de paarden en de ossen, en voor de wagens, en evenzoo plaatsen voor zwijnen, ganzen en schapen. De hof was groot genoeg voor een tuin en zelfs voor een boomgaard met peren- appel- vijgen- en olijfboomen. In werkelijkheid was het huis met zijn hof en stevigen muur als het ware een versterkt dorp. Er was natuurlijk ook een fontein; en door den overvloed aan water, de kudden kleinvee en runderen, en het graan, dat in voorraadschuren was opgehoopt, kon zulk een plaats een langdurig beleg uithouden, zonder dat er sprake was van uithongeren.

Oude Grieksche vaas.
Oude Grieksche vaas.

Oude Grieksche vaas.

De woning zelf bevatte gaanderijen en pilaren en een aantal vertrekken. Er was nog een tweede verdieping, en daar was een voorraadkamer, waar de schatten van den vorst werden bewaard. Daar was geen geld in; immers de oude Grieken hadden geen gemunt geld; zij telden de waarde hunner bezittingen in ossen. Een slaaf was bij voorbeeld van vier tot twintig ossen waard. Er was echter overvloed aan edele metalen in andere vormen dan geld; immers er waren vazen, kommen, bekers en schotels van stevig goud en zilver. Zij hadden sierlijke en schoone vormen, immers de Grieken schepten er zóózeer behagen in, om alles om zich heen liefelijk voor het oog te hebben, dat zelfs het meest gewone aarden vat dikwijls een rand had, die schoon genoeg was voor een zilveren vaas; somtijds was er een dans van faunen op geschilderd of een wedloop, of Jason met zijn vijftig metgezellen, op het punt de Gouden Vacht te gaan halen. In die voorraadkamer waren eveneens groote houten kisten, versierd met goud, zilver en ivoor, en in die kisten werden kostbare kleederen en mantels en vloerkleeden en fijn linnen en geweven dekkleeden voor de banken en bedden bewaard. Er waren verschillende soorten van armbanden en halskettingen; en, wat nog meer waard was dan al die kostbaarheden, er werden daarin de zwaarden en speren en messen en bogen en pijlen bewaard, waarmede de vorst en zijn manschappen hun schatten beschermden, indien de woning door vijanden werd aangevallen. Het metaal, waarvan de wapenen gemaakt waren, was somtijds brons en somtijds koper; maar het koper was op de ééne of andere wijze, die wij niet kennen, hard gemaakt.

De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.
De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.

De Vaphio Koppen. Meesterstukken van oude Grieksche kunst. Ze zijn gemaakt van goud en zijn acht centimeter hoog.

De vorsten, die in zoodanige huizen woonden, hadden slaven, van wie sommige in den oorlog waren gevangen genomen en andere uit hun huizen waren geroofd; maar de meesters ontzagen zich evenmin met eigen handen te werken als de arme lieden, die in hun hutten leefden. Homerus verhaalt ons, dat de koninklijke Odysseus zijn eigen legerstede vervaardigde; en één van de aardigste verhalen van den dichter is dat van de schoone jonge prinses Nausicaä, die uittrekt met hare vriendinnen en een mand met voedsel naar den oever der rivier, om hare kleederen te wasschen, en om daarna met hare vriendinnen met den bal te spelen, even vroolijk en uitgelaten als ieder ander meisje, dat niet van vorstelijken bloede was, dat zoude doen. Het is jammer, dat wij onmogelijk kunnen nagaan, wat was medegenomen in die mand, die, zooals Homerus het uitdrukte, “alle soorten van voedsel bevatte, die het hart begeert.” Er moeten lekkernijen in zijn geweest, die uitsluitend bereid waren, om de jonge meisjes te bekoren, immers zelfs op de groote feesten schenen er niets dan de eenvoudigste spijzen te worden opgedischt, nauwelijks iets anders dan brood en vleesch. De Grieken begeerden evenmin als eenig ander volk honger te lijden; maar als zij naar een feest gingen, dachten zij minder aan de spijzen, die hun zouden worden voorgelegd, dan aan de medegasten, met wie zij onderhoudende gesprekken konden voeren.

Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)
Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)

Teekening op één der Vaphio Koppen. (Deze stelt een jacht voor op een wilden stier.)

Indien het ons mogelijk was, een blik te slaan op één van hun feestmalen, zouden wij een vertrek zien, vol met gasten, en met bedienden, die daar kleine tafeltjes zouden plaatsen, die niet meer ruimte aanboden dan voor één persoon. Voor ieder dier tafeltjes werd een stoel geplaatst, en de gasten namen hun zitplaatsen in. Daarna werden groote stukken vleesch binnengebracht, en vóór den voorsnijder geplaatst, die het vleesch in heel kleine hapjes sneed, wat inderdaad een hoogst noodzakelijk iets was, immers in die dagen had men nog geen vorken, zoodat men de spijzen in de handen moest nemen en zoo aan den mond moest brengen. Voor ieder der gasten werd een schotel met vleesch geplaatst, en daarna werden manden met brood rondgegeven. De dranken bestonden uit wijn, maar dikwijls werd in den beker driemaal zooveel water als wijn geschonken. De wijn werd eerst geboden aan de oudsten der gasten, zelfs al was hij slechts een gewoon burger, en al waren er jonge prinsen onder de gasten. Het werd als iets onbehoorlijks beschouwd te veel te drinken; immers de Grieken hadden een grooten afschuw van een dronken man, en niets werd als een grooter beleediging beschouwd dan iemand te verwijten, dat hij te veel wijn had gedronken. Natuurlijk was ook de zanger aanwezig, en hij was steeds een hoogst welkome gast. Homerus beschrijft zijn ontvangst in de volgende bewoordingen:

Een Grieksche Zanger.
Een Grieksche Zanger.

Een Grieksche Zanger.

“De dienaar kwam nader en leidde den gevierden zanger binnen. De muze had hem zeer lief gehad en had hem goed en kwaad geschonken: zij had hem het gezicht benomen, maar had hem den heerlijken zang geschonken. Pontonöus plaatste voor hem onder de feestgenooten een zetel met zilveren knoppen beslagen, die steunde tegen een hoogen pilaar, en hing de schoon gestemde lier aan een pen boven zijn hoofd, en de dienaar wees hem, hoe hij er met zijn handen bij kon komen. Naast hem plaatste hij een mandje en een schoone tafel, en daarop zette hij een beker wijn om te drinken, zoo dikwijls zijn gemoed hem daartoe aandreef.”

Indien een vreemdeling verscheen en om voedsel vroeg, werd hij als een vriend behandeld, en niemand vroeg er naar, wie hij was of waarheen hij ging, voordat hij gegeten had van alles wat hij begeerde. Zelfs als iemands ergste vijand aan zijn deur kwam met een olijftak in zijn hand, of het huis binnentrad en aan den haard nederknielde, moest hem voedsel en een beschutting worden verleend, en niemand mocht hem eenig nadeel berokkenen.

Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.
Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.

Een Grieksch meisje, bezig met spinnen.

De kinderen uit den ouden Griekschen tijd gingen niet naar school. Waarom zouden zij naar school gaan, als de voornaamste plicht van een meisje was, te leeren de huishouding te besturen zooals haar moeder dat deed; en van een jongen, te leeren, hoe hij later het werk zou kunnen doen, dat nu zijn vader deed? Daarom ging het meisje met de moeder het huis rond, en leerde zij, hoe dit moest worden bestuurd en hoe zij de slaven en slavinnen kon leeren, op welke wijze zij hun werk moesten verrichten. Zij moest natuurlijk leeren spinnen en weven, en ook zingen en dansen. Ook de jongens moesten leeren zingen en dansen; maar zij moesten ook leeren zorgen voor de kudden groot en klein vee, zij moesten het land leeren bebouwen en de wapenen hanteeren. Het was volstrekt niet noodig, lezen of schrijven te leeren, want er was weinig of niets te studeeren. De geheele rekenkunde bestond uit het tellen van het aantal dieren, die men te verzorgen had. De geschiedenis bestond alleen uit mythen en legenden, die niet moeilijker te onthouden waren dan de meeste sprookjes. Ook de aardrijkskunde moet op de Grieksche jeugd uit die dagen den indruk hebben gemaakt van een sprookje; immers de oude Grieken waren van meening, dat de aarde een vlakte was, waar omheen de Oceaan, een breede rivier, voortdurend stroomde. Aan gene zijde van dien stroomenden oceaan was duisternis, en ook een ongehoord aantal vreeselijke monsters. De hemel boven hen bestond uit twee reusachtige koepels; de ééne, die helder was, was over dag boven het hoofd; de donkere sloot des nachts het licht uit. De Grieksche kinderen kenden natuurlijk ook verschillende spelen, en sommige kwamen overeen met die, welke tegenwoordig nog gespeeld worden. Eén dier spelen heette het “vijfsteentjesspel”. Daarbij wierp het kind vijf steentjes in de hoogte en trachtte zooveel mogelijk daarvan op de buitenzijde van zijn hand op te vangen. De steentjes, die op den grond vielen, mocht hij oprapen, maar dan mocht hij de andere niet weer laten vallen.

Een Grieksche Knaap.
Een Grieksche Knaap.

Een Grieksche Knaap.

De Grieken genoten van het leven, en beschouwden den dood als het einde van al hun genoegens. Zij geloofden in de onsterfelijkheid van den mensch, maar zij verwachtten niet, in het leven hier namaals gelukkig te zijn. Groote helden werden wel is waar overgebracht naar een prachtige plaats, de Elyseesche velden genaamd, die ver in het westen gelegen waren, dicht bij den stroomenden oceaan. Homerus zeide er van: “Daar is geen sneeuw, geen lange winter, geen regen; maar de stroomende oceaan zendt den luidklinkenden en hardblazenden westenwind, om de menschen koelte te brengen.” Daar bleven de helden zich bezighouden met alles, waarmede zij op aarde zich het liefst hadden beziggehouden, en daar genoten zij alle mogelijke genoegens; maar een zoodanig geluk was de gewone menschen niet beschoren. Zij verwachtten, dat zij gezonden werden naar een droevige en sombere plaats, de Hades genaamd. Daar zouden zij zich het licht der zon blijven herinneren, en er naar verlangen, dat licht terug te zien; zij zouden zich hun vrienden en woonplaatsen voor den geest halen, maar als het ware slechts in een droom. Niets zou wezenlijk schijnen, en alles zou zich somber en vreugdeloos voordoen. Zij zouden daar eeuwig ronddwalen als schimmen in de sombere schemering, en daar niets te hopen, niets te genieten hebben.

Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).
Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).

Hades, de beheerscher van de Onderwereld. (De Onderwereld werd eveneens Hades genaamd).

Daar dus de Grieken geen geluk na den dood verwachtten, verlangden zij er des te meer naar, zooveel mogelijk te genieten tijdens hun leven. Zij meenden, dat de goden de macht hadden, hun alles te schenken wat zij wenschten, als ten minste de schikgodinnen het niet verboden; daarom aanbaden zij haar, ten einde gunsten voor zich zelf te verwerven. Niet dikwijls dachten zij zich de goden als wezens beter dan de menschen, maar alleen als wezens, die machtiger waren dan de stervelingen. Ouders zeiden niet tot hun kinderen: “Zeus is goed, en daarom moet gij uw best doen hem te evenaren”; maar wel zeiden zij: “Zeus kan u alles schenken wat gij wenscht, en daarom moet gij hem offers brengen.” Zij waren overtuigd, dat de ééne godheid de macht had, te zorgen, dat men veilig van een lange reis terugkeerde; dat een andere godheid herstel van een ernstige ziekte kon schenken; een andere de overwinning over vijanden; en daarom baden zij tot dien god, van wien zij het ’t waarschijnlijkst achtten, dat hij juist die gunst zou verleenen, die zij begeerden.

Het was een hoogst gewichtige vraag, hoe zij de goden konden behagen en aldus hun wenschen vervuld konden zien. De Grieken, die leefden in de dagen, waarin Homerus geacht werd zijn heldendichten te hebben gezongen, plachten samen te spreken van de gouden tijden, toen de goden onder hen wandelden, en hun wel is waar somtijds leed berokkenden, maar hen dikwijls van goeden raad dienden en hen hielpen. Zij wisten, dat zij niet meer konden verwachten goden en godinnen te ontmoeten, als zij in de bosschen rondwandelden, en dus waren zij verplicht, om de bevelen en gedachten der goden te leeren kennen, te letten op teekenen en wenken der goden. Als een offer aan Zeus gebracht werd, dan beteekende het neerdalen van een bliksemflits, dat hij zich in het offer verheugde en het gebed zou verhooren. Een plotselinge storm was een teeken, dat Zeus vertoornd was. Vogels, die hoog in de lucht opvlogen, zouden naar hun meening de geheimen der goden hebben geleerd; van daar dan ook, dat de vlucht der vogels met groote zorg werd nagegaan.

Er was echter een zekerder middel om den wil der goden te leeren kennen, en dat was, door een orakel te gaan raadplegen, of een plaats door de goden uitgekozen om hun wil bekend te maken. Er waren in Griekenland een aantal orakels, die meestal gelegen waren in woeste, onherbergzame en sombere streken, in de diepten van een bosch of te midden der moeilijkst te beklimmen rotsen of in de diepste afgronden. Het oudste orakel was dat van Zeus, in de nauwe vallei van Dodona in Epirus. Ieder die dat orakel wenschte te raadplegen, begon met giften te schenken aan de priesters. Zij droegen offers op, en luisterden dan toe, om te hooren, welk antwoord zou gegeven worden. De eenige geluiden, die werden gehoord, waren het gekir der duiven, het ruischen van den wind tusschen de takken der heilige eiken, of het gemurmel der beken aan hun voet; maar de priesters beweerden, dat zij die geluiden konden verstaan en verklaren. Er was geen vraag zóó gewichtig, of zij kon in Dodona worden beantwoord, en evenmin was eenige vraag daartoe te onbeduidend. Men verhaalt zelfs, dat Heracles naar Dodona is gegaan, om te vragen, wanneer zijn moeilijkheden tot een einde zouden komen; maar aan den anderen kant is het verhaal bekend van dien bezorgden huisvader, die ging vragen, of zijn verdwenen dekens en kussens verloren waren gegaan of gestolen waren.

Delphische Sibylle.
Delphische Sibylle.

Delphische Sibylle.

(Naar Michael Angelo).

Het beroemdste orakel was dat van Apollo, te Delphi in Phocis. Hier was een diepe kloof in de rotsen van den Parnassus, en uit een spleet kwam een bedwelmende damp naar boven. De priesteres was op een drievoet gezeten, die over die spleet was geplaatst, en spoedig maakte het ontwijkende gas haar half bewusteloos. Zoodra dit het geval was, letten de priesters op al haar geprevel, en verklaarden dit aan hem, die gekomen was, om het orakel te raadplegen.

Die priesters moesten heel wat geleerd hebben van alles wat er in de wereld omging; hun antwoorden toch waren buitengewoon spitsvondig en geslepen. Zij waren bijzonder bekwaam in het geven van hun antwoorden in zóódanige bewoordingen, dat die antwoorden zeer verschillend konden worden opgevat; en als de uitkomst niet overeenkwam met de verwachting van hem, die het orakel had geraadpleegd, konden zij altijd zeggen, dat het zijn eigen schuld was, daar hij het antwoord niet goed had opgevat. Zoo, bij voorbeeld, vroeg Croesus, de koning van Lydië: “Als ik een inval doe in Perzië, zal ik dan slagen in mijn onderneming?” Het antwoord luidde : “Als gij een inval doet in Perzië, zult gij een machtig rijk te gronde richten”; en dit was inderdaad het geval, maar het was zijn eigen rijk, en niet, zooals hij verwacht had, het Perzische rijk. Zoo was ook eens de vraag aan het orakel gesteld: “Is er iemand in de wereld, wijzer dan Socrates?” en het antwoord luidde: “Neen.” Toen de wijsgeer daarover een tijd lang had nagedacht, zeide hij: “Het orakel heeft gelijk. Niemand onzer weet, wat werkelijk goed en fatsoenlijk is, maar ik zie mijn onkunde in, terwijl dit bij anderen niet het geval is; daarom ben ik verstandiger dan deze.”

Overal waar een orakel was, was ook een tempel gebouwd. Smeekelingen waren gewoon rijke geschenken aan die tempels te brengen, en daardoor waren deze zeer rijk; dit was vooral het geval te Delphi. Alle Grieken beschouwden die orakels als heilig, en ten einde te vermijden, dat die tempels, met hun grooten rijkdom aan schatten, schade zouden lijden, begonnen groepen van steden zich te vereenigen, om in staat te zijn, die tempels te beschermen, als de noodzakelijkheid daartoe zich voordeed. Die genootschappen werden “Amphictyonen” of “groepen naburen” genoemd. De Delphische amphictyone was, zooals ook te verwachten was, de sterkste van alle. Deze was samengesteld uit twaalf stammen, die alle woonden ten noorden van de landengte van Corinthe. Zij waren overeengekomen den tempel van Apollo te Delphi te beschermen, en iedereen te bestraffen, die zou trachten de schatten uit dien tempel te stelen. Zij droegen eveneens zorg voor de wegen, die naar den tempel leidden; en als iemand het waagde de smeekelingen te hinderen, die op weg daarheen waren, had hij met de geheele Delphische amphictyone rekening te houden. In weerwil van die verbintenis behielden de stammen toch het recht, elkander, zoo zij dit verkozen, te beoorlogen, maar zij verbonden zich onderling, om, als zij met elkander in oorlog waren, elkanders steden niet te zullen verwoesten, of niet te zullen trachten, die steden van stroomend water af te snijden; dit was trouwens een belangrijke vooruitgang in vergelijking met de gewone wijze van oorlog voeren in die dagen, toen men meende, dat ieder middel, om een vijand te overwinnen, gewettigd en gewenscht was.

Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.
Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.

Een oude Grieksche tempel, gerestaureerd.

De Amphictyonen droegen er veel toe bij, dat de Grieken het gevoel hadden, van één en hetzelfde ras te zijn, en dat zij, zelfs wanneer zij twistten, toch tot dezelfde familie behoorden. Dit gevoel werd nog hierdoor versterkt, dat zij dezelfde taal spraken. Een andere band, die hen veel steviger onderling verbond dan met de “barbaren”, waren de “spelen”, waarin alleen Grieken mochten mededingen. Zelfs in de dagen van Homerus, en niemand weet hoeveel vroeger reeds, geloofden de Grieken, dat de goden met genoegen toeschouwers waren bij athletische spelen; en daarom waren bij alle eenigszins uitgebreide feesten ter eere van een godheid, de kampspelen even belangrijk als de offers. Vier van die feestelijke spelen werden beroemd, en de spelen, te Olympia gehouden ter eere van Zeus, waren het beroemdst van alle. In latere tijden werden, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen uiteenzetten, verschillende soorten van wedstrijden gehouden, maar de wedloopen waren altijd de gewichtigste gebeurtenis; in de vroegste tijden waren zij zelfs de eenige wedstrijden. In het jaar 776 vóór Christus begonnen de Grieken de namen der overwinnaars op te teekenen. Met dien datum eindigen de mythische tijden, en van die periode af dagteekent de werkelijke geschiedenis van Griekenland.

Grieksche vaas.
Grieksche vaas.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings