← Table of contents
De Geschiedenis van het Grieksche Volk

De hegemonie van Thebe.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

De steden, die door Sparta zoo tyranniek waren behandeld, zagen even spoedig als Sparta zelf in, dat de macht der Spartanen was vernietigd. De inwoners van Mantinea verlieten hun onbeduidende volksplantingen op het platte land, gingen onmiddellijk terug naar hun oorspronkelijke woonplaats, en begonnen de muren weder op te bouwen. Ware dit kort te voren geschied, dan zouden de Spartanen onmiddellijk een leger hebben gezonden, om een zoodanige vermetelheid te straffen, maar nu was het eenige wat zij durfden doen, iemand naar de Mantineërs te zenden, dien zij altijd op hoogen prijs hadden gesteld, en die hen moest vragen, nog een tijd te wachten. “Wacht nog een tijd,” zoo bepleitte hij zijn zaak, “de Spartanen zullen spoedig formeel hun toestemming geven. Als gij wilt wachten, zullen zij zelfs bijdragen in de kosten van het opbouwen der muren.” “Dit is onmogelijk,” antwoordden de overheidspersonen, “want er is reeds een besluit genomen, ze onmiddellijk weer op te bouwen.” “Wilt gij mij ten minste niet toestaan, in de algemeene vergadering het woord te voeren?” vroeg de afgevaardigde; maar de overheden zeiden “neen”, en het bouwen der muren werd voortgezet.

Beeld der overwinning, gerestaureerd.
Beeld der overwinning, gerestaureerd.

Beeld der overwinning, gerestaureerd.

(Voor de Messeniërs vervaardigd door den beeldhouwer Paeonius).

Mantinea sloeg geen acht op de wenschen van Sparta, maar dat beteekende slechts weinig in vergelijking met wat de gevallen staat nog meer had te verduren. Sparta was zóó zelfzuchtig en tyranniek geweest, dat een groot aantal staten er bijzonder op gesteld waren, zich er van te vergewissen, dat zij hen niet langer kon onderdrukken. Na de overwinning bij Leuctra werd Thebe beschouwd als de machtigste stad, en ongetwijfeld was Epaminondas de grootste legeraanvoerder in het land. Onder hem als aanvoerder deed een groot leger een inval in den Peloponnesus, om Arcadië en Messenië te hulp te komen. Al wat Epaminondas ondernam, deed hij zoo degelijk mogelijk. Hij was er niet tevreden mede, door Arcadië te marcheeren, maar stichtte zelfs een stad. Hij koos een breede, vruchtbare vlakte als plaats, waar die stad zou gebouwd worden, maar hij bracht de Arcadiërs er toe, om hun dorpsgemeenten te vereenigen met de nieuwe stad Megalopolis of “Groote Stad”. Nu de Arcadiërs een hoofdstad hadden en binnen hare muren een schuilplaats konden vinden, zou het voor de Spartanen niet zoo gemakkelijk zijn, hen ten onder te brengen, zelfs al was er geen Thebaansch leger, dat de wacht hield. Zoo werd Arcadië een onafhankelijke staat, maar Epaminondas deed zelfs meer voor Messenië. Dit land was de oude woonplaats der Heloten, voordat zij door de Spartanen onder het juk waren gebracht. Zij, die door de Atheners waren uitgenoodigd, zich te Naupactus te vestigen, waren door de Spartanen uit die schuilplaats verdreven op het einde van den Peloponnesischen oorlog. Zij waren naar Italië, Sicilië en Afrika gevlucht, overal waar zij maar een woonplaats konden vinden. Toen zij hoorden, dat Epaminondas Messenië was binnengerukt, en dat hun moederland vrij was, keerden zij onder groote vreugde naar huis terug. Te land en ter zee, in groote troepen of zelfs één voor één, kwamen zij in groote menigte in Messenië terug, nu zij weer een vaderland en een woonplaats hadden. Het land weerklonk van vreugdezangen en kreten van geluk. Er werden dankoffers gebracht aan de goden; en er was tevens zwaar werk, daar Epaminondas ook voor de Messeniërs een stad, Messene, had gesticht. Deze stad zou moeten liggen tegen de helling van den berg Ithome, en haar muren moesten nog gebouwd worden. Geen stad zonder muren kon ooit hopen weerstand te bieden aan een aanval der Spartanen; en de Messeniërs begonnen even blijde met het bouwen der muren, als Athene begonnen was met het weder opbouwen der versterkingen van den Piraeus. Een reiziger, die vijfhonderd jaar later die muren zag, verklaarde, dat het de sterkste muren waren, die hij ooit had gezien. “Zij waren van stevige steenblokken gebouwd,” zoo zeide hij, “en uitstekend voorzien van torens en stutmuren.”

Epaminondas had met medewerking van Pelopidas Thebe gemaakt tot den oppermachtigsten staat van Griekenland. Men zou nu verwacht hebben, dat hij, toen hij met zijn overwinnend leger terugkeerde, ten minste hartelijk zou zijn verwelkomd. Maar in plaats daarvan werd hij ontvangen met een beschuldiging, dat hij ongehoorzaam was geweest aan de wetten van het land. Het bleek namelijk, dat de overwinningen in den Peloponnesus gedurende de laatste vier maanden gewonnen waren, en de vijanden der legerbevelhebbers beweerden, dat deze het leger uit Thebe verwijderd hadden gehouden vier maanden langer dan den termijn, gedurende welken hun het opperbevel was gegeven. De straf voor zulk een overtreding was de dood. Epaminondas wachtte kalm de behandeling der beschuldiging af, en deed zelfs na zijn vrijspraak niet de minste poging, om zijn vijanden te straffen.

Pelopidas had verklaard, dat daar waar Epaminondas was, geen andere veldheer noodig was, maar er was behoefte aan een bekwaam veldheer in Thessalië, en daarheen werd Pelopidas gezonden. De moeilijkheid was daar, dat de tyran van de ééne Thessalische stad de andere steden dwong, hem te gehoorzamen. De vorst van Macedonië trachtte evenzeer in Thessalië macht te verwerven. Pelopidas was even gelukkig in het noorden als Epaminondas in het zuiden geweest was, en reeds spoedig keerde hij terug, en kon mededeelen, dat de steden bevrijd waren van den tyran, en dat hij gijzelaars had gekregen van den koning van Macedonië.

Tot dusver had Thebe een aantal steden vrijgemaakt, en deze waren zeer verheugd over haar hulp. Niemand twijfelde er aan, of zij was de machtigste staat in Griekenland; maar toen zij Pelopidas zond naar den koning van Perzië, om officieel mede te deelen, dat zij nu in plaats van Sparta de hegemonie had onder de steden van Griekenland, waren deze daarover verstoord, en enkelen onder de oude bondgenooten van Sparta waren bereid haar tegen Thebe te helpen. Het gevolg hiervan was, dat Epaminondas nog een aantal expedities op Peloponnesisch gebied moest uitrusten. Ten slotte beraamde hij het plan, Sparta zelf aan te vallen. Xenophon verhaalt, dat hij de stad zoo gemakkelijk als een vogelnestje zou hebben kunnen nemen, als niet koning Agesilaus, die uitgetrokken was, om den vijand tegemoet te trekken, langs een korteren weg was teruggekeerd, om de “vuurbrakende” Thebanen slag te leveren. Epaminondas wist, dat de Spartanen hun stad zouden verdedigen als in het nauw gejaagde wolven, en zeer verstandig trok hij daarom terug naar Arcadië. De Spartanen vervolgden hen, en er werd een slag geleverd in de vlakte van Mantinea. Hier speelde Epaminondas het oude spel der Spartanen bij Aegos-Potamos, en misleidde hen even volkomen als deze de Atheners hadden misleid. Hij beval zijn manschappen, hun wapenen bijeen te zetten, en schijnbaar te gaan kampeeren. Toen daardoor zijn vijanden volstrekt niet op hun hoede waren, stelde hij plotseling zijn gelederen op en stormde op hen aan. De Spartanen en hun bondgenooten waren even onthutst als de Atheners in den zeeslag geweest waren. Zij liepen wild door elkander, de één was bezig zijn borstharnas vast te maken, een ander zijn paard te toomen, in één woord zij allen gedroegen zich, niet zooals de Spartanen van ouds, die gewoon waren opgewekt, doch kalm en bedaard, ten strijde op te trekken, maar, zooals Xenophon verklaarde “meer als mannen, die op het punt stonden een zwaar nadeel te lijden, dan aan een ander nadeel toe te brengen.” Epaminondas had een deel van zijn ruiterij in een phalanx gerangschikt, en zij sloegen zich door de Spartaansche gelederen heen, “als een oorlogsschip, met zijn sneb tegen den vijand gericht,” zooals Xenophon schrijft, misschien wel met dienzelfden slag bij Aegos-Potamos in de gedachte. Epaminondas bevocht een volkomen overwinning, maar sneuvelde zelf. Zijn laatste gedachten waren voor zijn vaderland. Pelopidas was twee jaren te voren in den oorlog gesneuveld, en als Epaminondas nu telkens een ander noemde, die hem als opperbevelhebber zou kunnen vervangen, luidde voortdurend het antwoord: “Hij is gesneuveld.” “Dan moet gij met den vijand vrede sluiten,” sprak hij, en sloot stervend zijn oogen.

De glorie van Thebe had in de handen van één man gelegen. Het was Epaminondas, die haar groot had gemaakt. Hij was haar aanvoerder, haar leidsman, haar raadgever geweest. Nu was hij verdwenen, en op dienzelfden dag was Thebe afgedaald van haar hoogen rang als de leidende staat van Griekenland.

Grieksche Kan.
Grieksche Kan.

Grieksche Kan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings