De eeuw van Pericles.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Pop van aardewerk, op de Acropolis te Athene gevonden.
Pericles hoopte nog steeds, dat de tijd zou aanbreken, waarop Griekenland door Athene zoude worden geregeerd, hoewel hij overtuigd was, dat de naijver van Sparta te eeniger tijd tot een oorlog zou leiden. Intusschen zou er gedurende een reeks van jaren vrede tusschen de beide staten zijn; van dien tijd maakte hij gebruik, om zijn stad schoon en machtig te maken. Het staatsbestuur was hoe langer hoe meer in handen van het volk gekomen, totdat er geen enkel ambt meer was, waartoe zelfs de armste man niet kon worden verkozen. Ten einde er voor te zorgen, dat iedereen in staat zou zijn, zijn werk in den steek te laten, om den staat te dienen, wist Pericles gedaan te krijgen, dat zij, die de verschillende ambten bekleedden, daarvoor zouden worden bezoldigd, en evenzoo zij, die in het leger of op de vloot of als rechters dienst deden. Er waren verscheidene duizenden van die rechters, en zelfs de ernstigste misdaden werden bijna zonder uitzondering door hen berecht. Somtijds zaten honderden juryleden in één enkele zaak. Zoo kwam het, dat duizenden Atheners in de ééne of andere betrekking geld van den staat ontvingen. De algemeene vergadering keurde al die veranderingen goed; men zag immers duidelijk in, dat Pericles niet werkte voor zijn eigen roem, maar voor dien van zijn stad; en hij was zóó redelijk, en kon zijn redenen zóó duidelijk blootleggen, dat het volk alles wat hij voorstelde goedkeurde. Hij had meer macht, dan ooit een koning had bezeten; maar dit was niet, omdat het volk bevreesd voor hem was, maar omdat hij zoo bekwaam in den oorlog, zoo verstandig in vredestijd was, en bovenal zoo volkomen onzelfzuchtig. Natuurlijk had hij ook vijanden, maar het meerendeel der Atheners zag tegen hem op als tegen den idealen Griekschen burger.

De Acropolis.

Het Parthenon, gerestaureerd.
Pericles was niet alleen een uitnemend soldaat en staatsman, maar hij had alles lief, wat schoon was. Al de Grieken trouwens hadden de schoonheid lief; zij hadden die lief, zooals men versche lucht en zonneschijn lief heeft. Het bracht hen uit hun humeur, leelijke dingen om zich heen te hebben; zij voelden zich dan onbehagelijk en somber. Reeds langen tijd vóór dezen hadden zij prachtige gebouwen en standbeelden, want reeds jaren lang waren er groote kunstenaars in Griekenland geweest; maar Pericles maakte het plan, de Acropolis met een groep tempels te overdekken, die de meesterstukken der Grieksche bouwkunst zouden zijn. De schoonste en edelste van deze was zeker wel het Parthenon, een prachtig gebouw van het zuiverste marmer, welke tempel aan Athene gewijd was. Hij had marmeren zuilen rondom, immers de Grieken konden zich geen grooten tempel voorstellen zonder zuilen. Er waren drie soorten van zuilen, waaruit kon worden gekozen, ten eerste de Corinthische zuil, die er uitziet, alsof het bovenste deel van de zuil omgeven is van een aantal marmeren bladeren, die op de meest sierlijke wijze zijn gebeeldhouwd; men verhaalt, dat dit den kunstenaar was ingegeven door een mand, die door iemand in een hoop bladeren van berenklauw geworpen waren. De tweede soort was de Jonische, waarvan de top of het kapiteel in twee rollen was gebeeldhouwd, die eenigszins op slakkenhuisjes geleken. En ten derde was er de Dorische zuil, die een stevig, eenvoudig kapiteel heeft. De Dorische zuil ziet er altijd stevig en eenvoudig uit; en het was deze, die door Pericles voor het Parthenon werd gekozen. Binnen in het gebouw was een standbeeld van Athene, negenendertig voet hoog. Dit was van ivoor vervaardigd, de draperie was van goud, en de pupillen der oogen waren waarschijnlijk van juweelen vervaardigd. In de ééne hand droeg zij een beeld der Overwinning, in de andere hand een speer en een schild. Om Athene heen kronkelde zich een slang, die het zinnebeeld was der wijsheid. Binnen de zuilenrij was een Fries, of een gebeeldhouwde band, die om het gebouw heenliep. Deze stelde den beroemden optocht voor, die eens in de vier jaren werd gehouden, en naar den tempel der godin trok, om een kostbaar kleed voor haar beeld aan te bieden. Er werden aan den tempel ook kleuren gevonden, blauw, rood en geel, en ook goud; maar de tinten waren uiterst fijn en met volmaakte bedrevenheid aangebracht. Die tempel was ongeveer vierentwintig eeuwen geleden gebouwd. Honderden prachtige bouwwerken zijn sedert dien tijd opgericht, maar zelfs in de puinhoopen van het Parthenon ontdekken kunstenaars nog voortdurend nieuwe schoonheden. Zij vinden bij voorbeeld, dat in een aantal onderdeden, waar latere bouwmeesters rechte lijnen hebben gebruikt, het Parthenon kromme lijnen heeft. Zij vinden, dat, indien de zuilen iets dikker of iets hooger geweest waren, zij niet een zoo volmaakten indruk zouden gemaakt hebben. Zij vinden, dat de uiterste zuilen niet volkomen verticaal staan, maar iets naar binnen overhellen. Niemand kon dit zonder de meest nauwkeurige metingen ontdekken; maar die helling, hoe gering die ook was, droeg er toe bij, dat de tempel zóó sierlijk en harmonieus en tevens zóó stevig was, dat hij, toen hij voltooid was, den indruk maakte, dat hij het eenige gebouw was dat daar paste.

Gedeelte van het Fries van het Parthenon.
In het midden ziet men de goden Poseidon en Apollo, en de godin Demeter.

Erechtheum, gerestaureerd.

Een Caryatide
(uit het Erechtheum).
De overige gebouwen op de Acropolis waren volkomen waardig, om naast het Parthenon te staan. Men had daar het Erechtheum, gewijd aan Athene en Poseidon, en binnen zijn gebied waren de heilige olijfboom en de zoutbron nog te zien. Er waren daar breede marmeren trappen, die naar de Acropolis leidden; er waren daar gaanderijen en zuilengangen; en er waren daar voorhoven, waarvan de zolderingen gedragen werden door sierlijke Caryatiden. In de buitenlucht, onder den helderen blauwen hemel, stond een ander standbeeld van Athene, dat zelfs grooter was dan het beeld op het Parthenon. Dit was vervaardigd van het Perzische brons, dat bij Marathon veroverd was.

De Discuswerper.
(Naar het beeld door Myron vervaardigd.)

Het Theater van Dionysus, gerestaureerd.
De kunstenaar, aan wien de glorie van de Acropolis te danken is, was Phidias. Reeds vóór hem hadden kunstenaars uitnemend gelijkende standbeelden van tijdgenooten vervaardigd, Myron, onder anderen, had een discuswerper zóó getrouw naar het leven vervaardigd, dat men als het ware zich er over verbaast, dat de discus niet uit zijn hand vliegt; maar de kunstenaars hadden tot nu toe gemeend, dat de beelden van goden niet al te zeer mochten afwijken van de stijve, vormelijke figuren, waaronder zij in vroegere tijden waren voorgesteld. Phidias brak met die opvatting. Hij beeldde zijn goden uit als menschelijke wezens, maar grootscher en met meer majesteit dan de stervelingen. Eén van zijn meest beroemde werken was de Zeus van Olympia, een zóó prachtig beeld, dat de Grieken, als iemand stierf, die nooit te Olympia geweest was, plachten te zeggen: “Die man was inderdaad ongelukkig, immers hij is gestorven, zonder den Olympischen Zeus te hebben gezien.” Phidias was er zóó op gesteld, het beste voort te brengen wat denkbaar was, dat hij als men zijn werk kwam bezichtigen, zich zóó plaatste, dat men hem niet kon zien, ten einde ieder woord te hooren, dat zelfs de meest gewone sterveling bij wijze van critiek uitsprak. Zoo dikwijls hij meende, dat iemand een fout had ontdekt, hoe gering die ook was, rustte hij niet, voordat hij die had verbeterd.

Aeschylus.
(In het kapitool te Rome.)
Pericles liet eveneens het Odeon bouwen, een overdekte zaal, waar muziekwedstrijden werden gehouden, en hij verbeterde den schouwburg van Dionysus. In Griekenland was een schouwburg geen overdekt gebouw. Hij bestond uit rijen achter elkander van steenen zetels, die langs de helling van een heuvel opliepen en die een kring vormden om een vlakke ruimte, waar de tooneelstukken werden opgevoerd. Een schouwburg was meestal groot genoeg, om de geheele bevolking der stad op te nemen, waarin hij was opgericht. Sommige der tooneelspelen bevatten verhalen omtrent het leven der goden of edele daden van de oude Grieken. Deze werden tragedies genaamd. Zij waren meestal waardig, ernstig en droevig, maar zij bevatten dikwijls teedere en prachtige verzen. Het volk kwam van die schouwspelen terug met het ernstige voornemen de goden nog meer dan te voren te eeren, of dapper en vaderlandslievend te zijn als hun voorouders. Blijspelen werden eveneens opgevoerd. Deze waren dikwijls vol grappige toespelingen op de menschen en gebeurtenissen van den dag. De opvoering van treurspelen was een zóó goede leerschool voor godsdienst, geschiedenis en vaderlandsliefde, en de blijspelen hadden een zóó groote waarde, om de menschen te doen nadenken omtrent hetgeen in hun omgeving voorviel, dat Pericles wenschte, dat zelfs de armste burgers die konden bijwonen. Daarom bepaalde hij, dat de toegangsprijs door den staat moest worden betaald.

Sophocles.
(In het Lateraansch Museum te Rome.)

Aristophanes.
Slechts tweemaal in het jaar werden tooneelspelen opgevoerd; maar bij ieder feest werden er genoeg opgevoerd, om de zes maanden van stilstand goed te maken. Aan drie dichters werd toegestaan, ieder vier tooneelspelen aan te bieden. Nadat de tooneelspelen opgevoerd waren, werd door een commissie, door de Demen gekozen, bij stemming uitgemaakt, aan welken dichter de officieele prijs moest worden toegekend. Dertien maal werd deze toegekend aan een man, die zoowel krijgsman als schrijver was, en die dapper gestreden had bij Marathon, Salamis en Plataea. Dit was de dichter Aeschylus. Zijn treurspelen waren bijzonder schoon, maar zóó ernstig en zwaar, dat het volk na enkele jaren er als het ware genoeg van kreeg en den prijs toekende aan een schoonen, jeugdigen dichter, Sophocles genaamd, omdat zijn hoofdpersonen niet zoo ernstig en vormelijk waren, en meer op werkelijke personen geleken. Hij kon niet alleen tooneelspelen schrijven, maar ze ook voordragen, en die gave kwam hem op hoogen ouderdom uitnemend te stade. Eén van zijn zoons werd bevreesd, dat zijn vader zijn bezittingen zou wegschenken aan een boven de anderen geliefden kleinzoon. De groote tooneelschrijver werd voor het gerecht gedaagd, opdat de rechters uit eigen overtuiging konden nagaan, of zijn geest zoozeer was verzwakt, dat hij zich geen rekenschap van zijn daden kon geven. In plaats van eenig antwoord te geven, droeg Sophocles een gedeelte voor uit één van zijn tooneelspelen; en hij deed dit op zóó voortreffelijke wijze, dat er niemand was, die een oogenblik kon denken, dat zijn geestvermogens verzwakt waren. De rechters wezen den inhaligen zoon terecht en zonden hem toen weg. De derde groote treurspeldichter was Euripides. Men verhaalt, dat hij zijn naam ontleende aan den veldslag bij den Euripus, die kort vóór zijn geboorte geleverd werd. Het schijnt, dat hij zelfs nog meer kennis had van het menschelijke karakter dan Sophocles, en hij had de natuur lief. Het was voor hem een groot genot te schrijven over den oceaan, de rivieren, wolken, rotsen, wijngaarden en vogels. De grootste blijspeldichter was Aristophanes, die iets later leefde dan die drie treurspeldichters. Hij hield er van, den spot te drijven met zijn medeburgers, en zijn spot was zóó snijdend en geestig, dat de Atheners zich er tegen wil en dank mede vermaakten. In één van zijn blijspelen, De vogels, vluchten twee Atheners, die genoeg hebben van de vele processen in hun stad, van de menschen weg naar de vogels, en halen die over, een stad in de wolken te bouwen. Dit was een dankbaar onderwerp voor de Atheners, want niets scheen voor hen een zóó heerlijke uitspanning te zijn dan naar het gerecht te gaan en de behandeling van processen bij te wonen. Zij moeten hartelijk gelachen hebben, als één der spelers zeide:
“Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang, Te tjilpen op een tak; maar de Athener Zit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar, En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs.”

Herodotus en Thucydides.
Naar een dubbel borstbeeld in het museum te Napels.
De “Stad in de wolken” was een geestigheid ten koste der Atheners, immers nog slechts twee jaren te voren hadden zij een veldtocht ondernomen, die totaal mislukt was.

Oude helmen.
Er waren eveneens twee uitnemende oude geschiedschrijvers, die in de dagen van Pericles leefden, Herodotus en Thucydides. Aan Herodotus kunnen wij het voornaamste ontleenen van wat wij omtrent de Perzische oorlogen weten. De wereld was in die dagen, toen de beschaafde mannen slechts weinig daarvan gezien hadden, een niet zeer uitgestrekt gebied, en Herodotus had over het grootste gedeelte der toen bekende wereld rondgezworven. Waar hij ook heenging, zette hij zijn oogen wijd open en stelde hij met de grootste hardnekkigheid vragen. Daarna schreef hij op, wat hij gezien en gehoord had. Hij schrijft, alsof hij een verhaal vertelt. Als hij bij voorbeeld den tocht van Xerxes over den Hellespont beschrijft, breekt hij zijn verhaal af, om mede te deelen, wat voor soort mutsen of helmen de verschillende volken hadden, en wat voor soort van wapenen zij droegen, al die kleine bijzonderheden, die er toe medewerken een boek belangwekkend en boeiend te maken. Hij blijft bij ieder punt stilstaan, alsof hij er behagen in schept, dit in bijzonderheden te verhalen, en alsof hij zeker is, dat ook zijn lezers het gaarne hooren.

Vaas, Kruik en Beker.
De overlevering—die zoo aardig is, dat men zou wenschen dat zij juist was—zegt, dat hij zijn geschiedenis bij de Olympische spelen voorlas, en dat onder zijn toehoorders een knaap was van vijftien jaar oud, Thucydides genaamd; toen nu die knaap de herhaalde toejuichingen en kreten van bewondering hoorde, zou hij tranen in de oogen hebben gekregen en tot zich zelf gezegd hebben: “Ook ik wil geschiedschrijver worden.” Thucydides werd een geschiedschrijver, niet minder beroemd dan Herodotus. Hij maakt bij zijn lezers niet den indruk alsof hij in het vertellen van een verhaal evenveel genot smaakt als Herodotus; maar hij is zóó helder en onpartijdig, en ziet zóó juist de redenen voor de gebeurtenissen die hij verhaalt, en legt ze zóó duidelijk en boeiend bloot, dat een aantal schrijvers van lateren tijd zijn werken herhaaldelijk hebben overgelezen, om te trachten, daaruit te leeren, op dezelfde wijze als hij, geschiedenis te schrijven.

Bronzen lamp in den vorm van een boot.
(In 1862 gevonden op de Acropolis te Athene).

Een Grieksch huis.
Zoo heerschte er dan groote voorspoed te Athene in de dagen van Pericles. De Atheners hadden slaven, die het zware werk deden, en die hun meesters den tijd lieten te genieten van poëzie en kunst en van hun schoone stad. Er was slechts weinig armoede, immers om al die prachtige nieuwe gebouwen op te richten, moesten er werklieden zijn, die hout, steen, koper, goud, en ivoor konden bewerken, en die wisten, hoe zij kleurstoffen konden gebruiken. Er was overvloedig werk tegen een goed loon voor de gewone handwerkslieden, en er was altijd behoefte aan schilders, beeldhouwers en alle soorten van kunstenaars. Daarenboven waren de Atheners volkomen op de hoogte van het vervaardigen van aardewerk en lampen, en van koperwerk van allerlei soort. Kapiteins en zeelieden waren noodig voor de schepen, die de vervaardigde voorwerpen naar vreemde landen brachten en scheepsladingen wijn, glas, huiden, zoutevisch, specerijen, papyrus, tapijten, goud en slaven terugbrachten. Athene ontving ieder jaar belangrijke geldsommen van de leden van den Bond van Delos. De andere staten verklaarden, dat het niet eerlijk was, dat Athene dat geld voor eigen doeleinden gebruikte, en sommigen onder de Atheners waren van dezelfde meening; zij zeiden, dat Pericles schande over de stad had gebracht, door bezit te nemen van den schat van Delos. Pericles en zijn partij antwoordden, dat de overige leden van den Bond het geld hadden gegeven ten einde tegen de Perzen en de zeeroovers beveiligd te zijn, en dat, nu toch Athene hen beschermde, het alleszins billijk was, dat zij het geld voor zich besteedde en de stad versierde met gebouwen en standbeelden, die een eeuwige glorie voor den staat zouden zijn. De tegenstanders van Pericles antwoordden, dat er nu weinig gevaar was voor zeeroovers of voor Perzen; maar geen geld werd teruggegeven, en de bondgenooten werden steeds nog als onderworpenen behandeld. De Atheners hadden hun stad lief en waren er zóó trotsch op, dat zij de mooiste stad in Griekenland was, dat misschien zelfs zij, die met Pericles in meening verschilden, zich niet zóó tegen hem verzetten, als anders het geval zou geweest zijn.

Stoel, rustbank en voetbankje.

Glazen drinkbeker bedekt met open bewerkt zilver uit Georgia, en zilver vergulde beker uit Ithaca.
Hoezeer ook de Atheners hielden van prachtige tempels, zij stelden zich tevreden, te wonen in eenvoudige huizen met ruwe, onversierde zolderingen. Zij brachten zóóveel tijd buiten ’s huis door, dat een huis voor hen niets anders was dan een veilige plek voor hun gezin en hun bezittingen, en een schuilplaats tegen den storm. De zijde van het huis, die tegenover de straat gelegen was, had op de tweede verdieping eenige vensters, maar op de eerste verdieping was er niets dan een kleine deur. Hier klopte men aan, als men wilde binnenkomen, en evenzeer werd geklopt, als men op het punt stond uit te gaan, daar de deuren naar buiten opengingen en zóó zwaar waren, dat een voorbijganger gemakkelijk door een dergelijke deur kon worden gewond. Een slaaf zat in den nauwen voorhof, om op het eerste geklop open te doen. Aan het andere uiteinde was een binnenplaats met een rij pilaren er om heen. De kamers van het huis kwamen uit op die binnenplaats. Zij waren meestal niet ruim, en bevatten geen kostbaar huisraad. De stoelen en rustbanken en de voetbankjes waren alle goed gevormd en bijzonder schoon, maar niet kostbaar. De bedden waren wollen matrassen, uitgespreid op riemen of leeren reepen. Er waren verschillende soorten van kommen, kruiken en bekers, maar alle hadden sierlijke vormen, die het oog bekoorden; en vooral de lampen waren bijzonder sierlijk en smaakvol.

Sandalen.

Een Athener.

Een vrouw, die haar bovenkleed met een gordel vastmaakt.
De kleeren der Grieken waren al even eenvoudig als de huizen. De Griek van goeden huize droeg een lang hemd zonder mouwen, of chiton, van wol of linnen vervaardigd, en daarover heen was een bijna vierkante mantel geslagen. De mantel was meestal wit, maar somtijds werden ook kleuren gedragen. De mantel moest volkomen naar den eisch gedrapeerd zijn, want als iemand zijn mantel bij ongeluk van rechts naar links had omgehangen in plaats van omgekeerd, kon hij er zeker van zijn, dat hij werd uitgelachen. De Grieken hadden geen hoeden of mutsen noodig, behalve als het regende, of, als zij genoodzaakt waren op reis te gaan in de gloeiende zon. De Griek van goeden huize droeg sandalen, of, als hij dit verkoos, liep hij barrevoets, maar hij mocht vooral zijn wandelstok en zijn zegelring niet vergeten. De Atheensche dames droegen een chiton met mouwen, en daarover een lang, los gewaad, dichtgemaakt met een gordel. Zij hadden niet alleen ringen aan haar vingers, maar dikwijls in haar ooren en om haar enkels. Kleine meisjes droegen lange kleeren, maar kleine jongens werden niet veel met eenigerlei kleeren lastig gevallen, tenzij het bijzonder koud was.

Jongen met kar en hond.
(Naar een Atheensche beschilderde vaas.)

Handschrift van een Griekschen jongen. gevonden op de muren van een Grieksch huis.
Als voedsel hadden de Grieken rundvleesch, lamsvleesch, varkensvleesch, ganzen, eenden en visch. Zij hielden bijzonder veel van lijsters, en waren steeds verontwaardigd op de vogelhandelaars, die lucht bliezen in de lichamen der vogels, om ze vetter te doen lijken. Er waren verschillende soorten van groenten en vruchten. Er was geen suiker, maar in plaats van suiker werd honig gebruikt, die zóó goed voldeed, dat de Atheensche koks beroemd waren om hun gebak. Er werd veel wijn gedronken, maar evenals in de dagen van Homerus achtten de Grieken uit den tijd van Pericles het gulzig en onbeschaafd, wijn, niet met water vermengd, te drinken.

Les in muziek en taal in een Grieksche school.
(Naar een beschilderden beker. De schoolmeester zit rechts.)

Huisindustrie.
In de harten der Grieken, hoe druk zij het ook hadden, was een ruime plaats voor de kinderen; en werd dan ook goed voor hun lichamelijke en geestelijke opvoeding gezorgd. Zij hadden evenzeer als de jongens en meisjes uit onze dagen ruim tijd voor spelen, en zij speelden ook veel, en dezelfde spelen als in onzen tijd. De meisjes hadden poppen, van was of van klei vervaardigd, en de jongens hadden tollen, ijzeren hoepels, hobbelpaarden, wagens en vliegers. Er waren ook stelten, schommels en wipplanken. Zij kenden verschillende balspelen, en blindemans- en krijgertje-spelen. Totdat de kinderen omstreeks zeven jaar oud waren, speelden de jongens en meisjes samen en werden zij bijna op dezelfde wijze behandeld; maar na dien tijd veranderde de toestand, daar de jongens de school moesten bezoeken. Terwijl dan het meisje thuis bleef en van haar moeder leerde lezen en schrijven en de huishouding besturen, werd de jongen toevertrouwd aan de zorg van een slaaf, die hem naar school bracht, hem weer naar huis geleidde, zijn schrijfgereedschappen droeg, en oplette, dat hij zich op straat behoorlijk gedroeg en geen ongelukken kreeg. De jongen leerde het alphabet en leerde daarna lezen. Geen slordig lezen werd geduld. Ieder woord moest duidelijk en juist worden uitgesproken, en iedere gedachte moest behoorlijk geuit worden, voordat de meester tevreden was. De jongen leerde schrijven op een schrijftafeltje, met was bedekt. Hij teekende de letters met een kort, gepunt werktuig, van been of metaal, stylus genoemd; daarna werd de was weer gladgestreken en weer voor hem gereed gemaakt, om een ander opschrift te maken. Nadat hij had leeren schrijven, moest hij alles opschrijven, wat de meester voorlas. Die dictees waren geen eenvoudige kinderverhaaltjes; het was een uittreksel uit de Ilias en de Odyssee, sommige spreuken van Hesiodus, of het een of ander sierlijk Grieksch gedicht van Pindarus of Simonides. De jongen behoefde niet snel te schrijven, maar wel duidelijk en nauwkeurig, want den volgenden dag werd hij voor de klasse geroepen en moest hij voorlezen, wat hij had geschreven. Hij kreeg tevens onderwijs in rekenen, zingen, het bespelen der lier, en somtijds ook in teekenen. Hij leerde dansen, hardloopen, springen, worstelen, de jachtspies en den discus werpen. Het was niet waarschijnlijk, dat velen der jongens ooit een prijs zouden behalen bij de Olympische spelen, maar van iedereen werd geëischt, dat hij zijn lichaam krachtig maakte en leerde zijn spieren te gebruiken en te oefenen. Al was een jongen niet in staat een prijs bij het hardloopen te winnen, toch kon hij leeren, zich behoorlijk te bewegen, en zóó sierlijk en gemakkelijk te draven, dat het een genot was naar hem te zien. Dit was het onderwijs voor jonge knapen, waarvan de Grieken uit den schoonsten tijd hunner geschiedenis meenden, dat het hen zou vormen tot flinke, degelijke en brave mannen en tot goede staatsburgers. Als de knaap achttien of negentien jaar oud was, werd hij burger. Zijn naam werd geboekt als lid van een demos. Een zwaard en een schild werden hem gegeven, en hij werd opgeroepen, om een plechtigen eed af te leggen, dat hij den godsdienst zou eeren, dat hij zou strijden voor zijn vaderland, en dat hij ernaar zou streven, het beter achter te laten dan hij het had gevonden.

De kop van een Griekschen jongeling, van voren en van ter zijde gezien.
De tijd van Pericles, of dat gedeelte van dien tijd, waarop Griekenland op het toppunt was van zijn roem, wordt gerekend geduurd te hebben van 445 vóór Christus tot aan 431 voor Christus, omdat, niettegenstaande bepaald was, dat het verdrag dertig jaar zou duren, het reeds na vijftien jaar verbroken werd. Gedurende die vijftien jaren was er vrede in het land der Grieken, in Perzië, Spanje, Italië, Gallië, in één woord in alle landen, die toen bekend waren. De eenige uitzondering was de opstand van twee leden van den Bond van Delos, Byzantium en Samos; maar het gelukte Pericles, die opstanden volkomen te onderdrukken. Die vijftien jaren waren de meest verheffende in de geschiedenis van Athene. De stad was rijk en krachtig, schoon en gelukkig, en toch duurde het slechts enkele jaren, of de Atheners waren zóó ongelukkig en deerniswaardig geworden, dat zij er ter nauwer nood aan ontkwamen, als slaven te worden verkocht.

Hanengevecht.