De Grieksche koloniën: de tyrannen.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De spelen deden veel om de Grieken tot eenheid te brengen en aan hun vaderland te binden; maar toch hadden een groot aantal van dezen hun woonplaatsen verlaten en waren naar andere landen getrokken. Er waren drie redenen voor dien uittocht. De ééne was, dat de steden zich uitbreidden; een aantal mannen, die vermogend waren geworden, hadden slechts weinig deel aan het staatsbestuur en werden daardoor ontevreden en ongedurig. Een tweede reden was, dat een groot aantal personen, die niet rijk waren, hoe langer hoe meer verlangden, zoo snel mogelijk fortuin te maken. Er was daartoe meer gelegenheid in de nog niet op zoo vasten grondslag gevestigde landen dan in Griekenland zelf. In de derde plaats waren de Grieken belust op avonturen, en daarom kon er steeds een troepje gevonden worden, die bereid waren in oostelijke richting te trekken of zelfs om weg te zeilen, ten einde na te gaan, wat kon worden ontdekt in het wonderland in het verre westen, dat is in Italië of Sicilië of Sardinië. Zij konden bijna overal waar zij dit wenschten, landen en een kolonie stichten, immers slechts weinige van de stammen, die langs de kusten der Middellandsche Zee woonden, stelden prijs op die kusten of op de havens. Zij waren zelfs dikwijls blijde, als vreemdelingen naar hun land kwamen, om met hen handel te drijven. Zoo verklaart het zich, dat tusschen de jaren 750 en 600 vóór Christus Grieksche koloniën bij dozijnen werden gesticht. Menschen, die goud en zilver wilden delven, zij die van plan waren visch of vee of koren of slaven te koopen, zeilden naar de kusten van den Pontus Euxinus of de Zwarte Zee. Zij die meenden rijk te zullen worden door handel te drijven in barnsteen en tin, reisden naar de kusten van het tegenwoordige Frankrijk; immers die kostbare artikelen konden gemakkelijk van het noorden worden toegevoerd langs de Rhone. In vroeger tijden waren er koloniën gesticht op de eilanden en aan de kusten der Aegeïsche Zee, en later op de eilanden ten westen van Griekenland, aan de kusten van Afrika, aan de Delta van den Nijl in één woord: overal waar een troepje Grieken meende, dat er een goede gelegenheid bestond om handel te drijven, werden Grieksche kolonies gesticht. Apollo was de god van het koloniseeren; het behoeft dus geen betoog, dat nooit kolonisten hun tocht aanvaardden zonder raad in te winnen bij het orakel te Delphi. Die raad was van bijzonder groote waarde, immers menschen van heinde en ver kwamen daar, om het orakel te raadplegen, en de priesters hadden heel wat beter gelegenheid inlichtingen te ontvangen omtrent de verschillende landen dan anderen. Als een troep Grieken, die een kolonie wenschten te stichten, het orakel raadpleegden omtrent de plaats, waar zij zich heen wenschten te begeven, zouden zij misschien vernemen, dat het land niet vruchtbaar was, of dat de inboorlingen wild en oorlogzuchtig waren, of dat er op die kust geen goede havens waren. Dan veranderden de kolonisten hun plan en kozen zij een andere plaats om zich te vestigen.

De Delphische Apollo.
(Naar een beschilderde vaas. Men stelde zich voor, dat de vleugels op den drievoet Apollo in staat stelden den Oceaan over te vliegen om de koloniën te bezoeken.)
Meestal kwam eenzelfde troep kolonisten van dezelfde stad. Zij brachten altijd eenige sintels mede van de heilige vuren hunner geboorteplaats, en daarmede ontstaken zij de altaarvuren van hun nieuwe woonplaats. Zij stonden echter niet langer onder de heerschappij der oude stad, maar waren volkomen vrij, zich zelf te besturen zooals zij dit het best achtten. De koloniën waren volstrekt niet overbevolkt; er was ruimte genoeg voor iedereen, om te leven op de wijze, die zij verkozen. De opvattingen der kolonisten waren veel oorspronkelijker en vermeteler; en gedurende langen tijd waren de dichters en wijsgeeren van de koloniën der eilanden grooter dan die van het vasteland van Griekenland. Het kleine eiland Lesbos was de woonplaats van den dichter Alcaeus en de dichteres Sappho (Saffo). Alcaeus schreef voornamelijk over staatkundige onderwerpen, maar toch vond hij nog tijd om een gedicht op Sappho te vervaardigen, waarin hij haar noemde “de violetwevende, reine, liefelijk lachende Sappho.” Sappho zelf vervaardigde zóó prachtige gedichten, dat men van haar niet sprak als van “een dichteres”, maar als van “de dichteres”. Een schoone gedachte wordt door haar uitgedrukt in de volgende woorden:
“De sterren, die schittrend aan ’t hemeldak staan, Verbleeken, en ’t is met haar luister gedaan, Zoodra volle maan heel den hemel verlicht, En ons doet bewond’ren haar zilveren gezicht.”

Sappho
(In het Louvre)
De grootste wijsgeer van dien tijd, Pythagoras, was eveneens geboren op één der Grieksche eilanden, en wel op Samos, een eiland, nauwelijks vijf en veertig kilometers lang. “Wat is een wijsgeer?” werd hem eens door een koning gevraagd; en hij antwoordde: “Bij de spelen wenschen enkelen roem te verwerven, anderen wenschen voor geld te koopen en te verkoopen, en anderen wenschen toe te zien, wat de anderen doen. Zoo gaat het ook in het leven; en de wijsgeeren zijn diegenen, die toezien, die de natuur bestudeeren en naar wijsheid zoeken.” Er loopen omtrent Pythagoras de meest dwaze verhalen. Eén daarvan is, dat hij een wilden beer temde, door hem toe te spreken; een ander, dat, toen hij een rivier overstak, de rivier uitriep: “Heil u, Pythagoras!” Hoewel hij nooit beren temde door ze toe te spreken, of luisterde naar de begroetingen van rivieren, bewijzen toch die verhalen, dat hij als een merkwaardig man door al zijn tijdgenooten werd beschouwd. Hij was dan ook inderdaad een diep denker en was zeer geleerd in de wiskunde. Enkele echter van zijn stellingen waren zeer zonderling; hij meende bij voorbeeld, dat de planeten bij haar beweging in de ruimte een prachtige harmonie voortbrachten. “Waarom hooren wij die dan niet?” vroegen zijn leerlingen. “Omdat de muziek te fijn is voor de menschelijke ooren,” luidde zijn antwoord. Eén van zijn wijze spreuken was: “Rakel nooit een vuur op met een zwaard”; wat beteekent, dat, indien iemand vertoornd is, men niets moet doen om dien toorn aan te wakkeren. Een andere spreuk was: “Verlaat uw post niet, als het u niet door den aanvoerder is bevolen,” wat beteekent: Pleeg geen zelfmoord.
Het koloniseeren duurde, zooals wij opmerkten, van 750 tot 600 vóór Christus. Gedurende het grootste gedeelte van dien tijd hadden de meeste Grieksche staten hun regeeringsvorm veranderd. In de vroegere tijden waren zij alle door koningen bestuurd. De macht der koningen werd hoe langer hoe minder, en ten slotte namen in bijna iederen staat enkele van de machtigste geslachten, eigenaars van groote landgoederen, de regeering in eigen handen. De regeeringsvorm werd toen een oligarchie, dat beteekent, een regeering door enkelen. Die “enkelen” beweerden, dat zij afstammelingen waren van de helden, en dat zij veel verstandiger waren dan het volk om hen heen. Het gemeene volk was dit meestal volstrekt niet met hen eens, en in de meeste staten stond na korten tijd de ééne of andere leider op, die de regeering bemachtigde. Een dergelijke bestuurder werd een tyran genoemd, dat wil zeggen, iemand wiens macht niet aan de wetten is ontleend.

School van Pythagoras
In één opzicht was de regeering van de tyrannen in het voordeel van den staat; immers ten einde de gunst der goden te winnen, bouwden zij een aantal prachtige tempels. Door den bouw van die tempels en andere openbare werken werden de steden heel wat fraaier dan wanneer de koningen de macht in handen hadden, en kreeg het volk eveneens werk te verrichten. Sommigen onder de tyrannen waren humaner en welwillender dan de koningen geweest waren; toch hadden de Grieken bezwaar tegen het denkbeeld, te worden geregeerd zonder dat de heerschers aan bepaalde wetten gebonden waren, zoodat zij aan de willekeur van één enkel persoon waren overgeleverd, en dus duurde de tyrannie zelden lang. Sparta had nooit een tyran, en voortdurend was zij bereid andere staten te helpen een tyran te verdrijven, als het kon strekken tot vermeerdering van hun eigen macht. Één van de meest bekende tyrannen was Polycrates van Samos, die een geruimen tijd de gelukkigste man van de wereld scheen te zijn. Hij bemachtigde den troon op het ééne eiland na het andere, en zelfs met behulp van Sparta kon het volk niets tegen hem uitrichten. Hij bouwde een vloot van honderd schepen, en zoo dikwijls hij hoorde, dat een galei met een bijzonder rijke lading in de nabijheid was, zond hij enkele van die snelzeilende schepen ter vervolging uit, en werd den tyran een rijke schat thuis gebracht. Wat hij ondernam gelukte hem; eindelijk schreef hem zijn vriend, de koning van Egypte, het volgende: “De goden zullen zeker afgunstig worden op uw voorspoed. Ik bid u, offer datgene op, wat gij het meest op prijs stelt, opdat zij in hun afgunst zich niet op u zullen wreken en u ernstig nadeel berokkenen.” Er was nu één ding, dat Polycrates als zijn zeldzaamsten schat beschouwde, en dat was een schitterende zegelring van smaragd. Hij wierp dien in gevolge den raad van zijn vriend in zee. “De goden zullen nu zeker wel niet jaloersch op mij zijn,” zoo sprak hij, terwijl hij met verdriet naar de plaats keek, waar zijn kostbare schat ondergezonken was. Eenige dagen later bracht hem een visscher een grooten visch ten geschenke. En zie, toen de visch was opengesneden, kwam daaruit de smaragden ring voor den dag. Toen de koning van Egypte daarvan hoorde, dacht hij: “De goden weigeren het offer, dat hij gebracht heeft. Ik kan niet langer zijn bondgenoot blijven, want ongetwijfeld zal hem spoedig een vreeselijk onheil treffen.” De voorspelling werd vervuld, immers Polycrates viel in handen van een vijand, die hem door kruisiging ter dood bracht.

Zegelringen gevonden bij opgravingen.
Een tweede beroemde tyran was Dionysius van Syracuse, die meer dan een eeuw na Polycrates leefde. Deze was wreed en wraakzuchtig; toch wordt er één aardig verhaal omtrent hem verteld. Een zekere Pythias had een samenzwering tegen hem gesmeed en was ter dood veroordeeld. Pythias smeekte om enkele dagen vrijgelaten te worden, ten einde een handelszaak nog vóór zijn dood te regelen. “Mijn vriend Damon zal mijn plaats innemen,” zoo sprak hij, “en als ik niet terugkeer, is hij bereid in mijn plaats te sterven.” Dionysius had geen flauw begrip van een zoo trouwe, opofferende vriendschap, maar hij was zóó nieuwsgierig om te zien, wat het resultaat zou zijn, dat hij in de ruiling toestemde. De tijd voor de terechtstelling naderde al meer en meer, maar Pythias kwam nog steeds niet terug. Op het laatste oogenblik kwam hij aanhollen, buiten adem van het loopen, daar een onvoorzien beletsel hem had opgehouden. Het verhaal luidt, dat Dionysius door die onzelfzuchtige liefde zóó bewogen was, dat hij Pythias vergiffenis schonk en smeekte, dat hij als derde in hun vriendschapsbond mocht worden opgenomen.