← Table of contents
Crito

CRITO. DIALOOG VAN PLATO.

Michiel Jan Noordewier translation

Illustration from Crito: Een dialoog van Plato

Personen: Socrates en CRITO.

Tooneel: De kerker.

I.

(Socrates ligt in een’ diepen slaap; Crito is binnengekomen, en zit zwijgende hem te bewonderen; Socrates ontwaakt.)

Socrates. Waarom zijt gij zoo vroeg gekomen, Crito? Of is ’t niet nog vroeg?

Crito. Ja, wel zeker.

Socrates. Hoe vroeg dan wel?

Crito. ’t Is ’t eerste krieken.

Socrates. ’t Verwondert mij, hoe ’t komt, dat de wachter der gevangenis u heeft willen binnenlaten[1].

Crito. Hij is reeds aan mij gewend, Socrates! omdat ik dikwijls hier kom; en ik heb hem ook reeds wat goeds gedaan.

Socrates. Komt gij zoo even eerst, of zijt gij reeds lang hier?

Crito. Reeds vrij lang.

Socrates. Wel, waarom hebt gij mij dan toch niet terstond gewekt, maar zijt gij zwijgend blijven zitten?

Crito. Ik kon ’t niet van mij verkrijgen uwe rust te storen, Socrates! Ik zou zelf niet gaarne in eene zoo smartelijke slapeloosheid en rouwe willen verkeeren[2]. Bovendien verwonder ik mij reeds lang, daar ik merk, dat gij zoo heerlijk slaapt. En opzettelijk heb ik u niet gewekt, opdat gij zoo zoet mogelijk zoudt sluimeren. Dikwijls heb ik u ook reeds vroeger in uw geheele leven gelukkig geprezen[3] om uwe denk- en handelwijze; maar verre weg het meeste in het tegenwoordig ongeluk, dat gij er zoo zacht en kalm onder zijt.

Socrates. Het zou immers ongerijmd zijn, Crito! en buiten de wijs[4], dat iemand op mijne jaren verdrietig ware, omdat hij reeds moest sterven[5].

Crito. Ook anderen, o, Socrates! treft op deze jaren een dergelijk lot; maar hun leeftijd bevrijdt hen niet van mismoedigheid over de omstandigheid, waarin zij verkeeren.

Socrates. Dat is zoo. Maar—om op mijne vraag terug te komen, waarom zijt gij toch zoo vroeg gekomen?

Crito. Om eene tijding te brengen, Socrates; eene treurige; niet voor u, gelijk mij blijkt, maar voor mij en uwe vrienden alle, treurig en hard; en die mij, dunkt me, het zwaarste van alle moet vallen.

Socrates. Wat is dat dan voor eene tijding? Of is het vaartuig uit Delos[6] aangekomen, na welks terugkeer ik moet sterven?

Crito. Nog is ’t wel niet aangekomen; maar het zal, denk ik, heden komen, naar ’t zeggen van sommigen, die van Sunium[7] gekomen zijn en het daar gelaten hebben. Uit die berigten blijkt het derhalve, dat het van daag zal komen; en dan moet gij morgen reeds, o, Socrates! uw leven eindigen.

II.

Socrates. Nu dan, Crito! heil ons[8]! Indien het zoo den goden behaagt, dan zij het zoo. En toch geloof ik niet, dat het van daag zal komen.

Crito. Waaruit gist gij dat?

Socrates. Dat zal ik u zeggen. Daags na de aankomst van het schip, denk ik, moet ik sterven.

Crito. Zoo zeggen althans die er over te beslissen hebben[9].

Socrates. Toch geloof ik niet, dat het op den nu aanbrekenden dag zal komen, maar op den eerstvolgenden. Ik maak dat op uit een droomgezigt, dat ik zoo even[10] in dezen nacht gehad heb; gij schijnt wèl gedaan te hebben met mij niet te wekken.

Crito. Wat was dat voor een’ droom?

Socrates. Mij dacht, er naderde mij eene vrouw, schoon van gelaat en gestalte, in een hel-wit gewaad[11]; zij riep mij, en zeide: „overmorgen, o Socrates[12]! kunt gij welligt in het vruchtbare Phthia komen.”

Crito. Wat vreemde droom, Socrates!

Socrates. Maar ten minste toch duidelijk, dunkt mij, Crito!

III.

Crito. Al te zeer, zoo ’t schijnt. Maar, o waarde Socrates! luister nu nog[13] naar mij, en laat u redden. Voor mij zal uw dood niet één, niet een enkel ongeluk zijn; maar, behalve het verlies van een’ zoo heerlijk vriend, als ik er geen’ ooit weer zal vinden[14], zal ik daarenboven bij velen, die u en mij niet nader kennen, den schijn hebben, dat ik, hoewel in staat om u te redden, indien ik geld had willen besteden, het had verzuimd. En toch, welke blaam zou wel schandelijker wezen, dan den naam te hebben het geld hooger te achten[15], dan zijne vrienden? Gelooven toch zal de groote hoop het niet, dat gij zelf niet van hier hebt willen gaan, schoon wij het ernstig verlangden.

Socrates. Maar wat gaat ons, mijn beste Crito! zoo zeer de meening van den grooten hoop[16] aan? De verstandigsten toch, aan welke het meer der moeite waard is zich te storen, zullen oordeelen, dat het zoo is geschied, als het geschied is.

Crito. Evenwel ziet gij, Socrates, dat men zich ook aan de meening van den grooten hoop moet storen. Uit de plaats hebbende omstandigheden zelve blijkt het, dat het in de magt is van den grooten hoop, om niet het geringste, maar bijna het ergste kwaad te doen, wanneer men bij hen in kwaden naam is gebragt.

Socrates. Mogt toch, o Crito! de groote hoop in staat zijn, om het ergste kwaad[17] aan te doen, opdat ze aan den anderen kant ook in staat mogten zijn het meeste goed te doen; dan zou het heerlijk staan: nu kunnen ze geen van beide: noch verstandig, noch onverstandig kunnen ze maken; zij doen zoo als ’t valt.

IV.

Crito. Dat moge nu wel zoo zijn; maar zeg mij dit eens, o Socrates! Gij zijt toch voor mij niet bekommerd en voor uwe andere vrienden, dat, wanneer gij hieruit komt, de Sycophanten[18] ons moeite zullen veroorzaken, omdat wij u heimelijk van hier verwijderd hadden;—en dat wij onvermijdelijk óf zelfs ons geheele vermogen, óf eene groote som gelds zullen verliezen, óf nog iets anders bovendien zullen ondergaan? Vreest gij toch iets van dien aard, laat dan die bezorgdheid varen. Het is immers billijk, dat wij voor uwe redding dit gevaar loopen, en, is ’t noodig, nog grooter dan dit. Geloof mij dan, en doe niet anders, dan ik u aanraad.

Socrates. En hierover ben ik bezorgd, Crito! en over vele andere dingen.

Crito. Vrees daarvoor dan toch niet. Want het is niet veel geld, waarvoor sommigen u willen redden en van hier brengen. Daarenboven, ziet gij niet, hoe goedkoop die Sycophanten zijn, en dat er volstrekt niet veel geld voor hen behoeft besteed te worden? Eensdeels staat u mijn geld ten dienste, en dat is, geloof ik, genoegzaam; anderdeels, indien gij, uit bezorgdheid voor mij, van meening zijt, het mijne niet te moeten besteden, dan zijn de vreemdelingen[19] hier bereid, om de onkosten goed te maken. Eén enkele heeft hiertoe geld genoeg verschaft, Simmias van Thebe; gereed is ook Cebes en zeer vele anderen; daarom, zoo als ik zeg, geef[20], uit vreeze hiervoor, uwe redding niet op. Ook moet, ’t gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt[21], geen bezwaar voor u zijn, dat gij, in geval gij weggingt, niet zoudt weten, wat met u zelven aan te vangen. Op velerlei plaatsen toch, en waar gij ook elders heen gaat, zal men u gaarne ontvangen.—Wanneer gij naar Thessalië[22] wilt gaan, ik heb daar gastvrienden, die u hoog zullen schatten en voor uwe veiligheid zorgen, zoodat u niemand in Thessalië leed aandoet.

V.

Nog meer, Socrates! Niet eens regtvaardig schijnt mij toe, wat gij onderneemt, u zelven ten verderve over te geven, terwijl gij u kunt redden. En gij maakt er uw werk van, dat u iets overkome, wat uwe vijanden willen bewerken, en reeds bewerkt hebben om u ongelukkig te maken.—Daarenboven schijnt gij mij althans ook uwe eigene zonen[23] prijs te geven, welke gij, terwijl het in uwe magt staat hen te onderhouden en op te voeden, u haast te verlaten; en, voor zoo ver ’t van u afhangt, zal, wat het toeval aanbrengt, hun lot zijn. Overkomen zal hun waarschijnlijk, wat gewoonlijk der weezen lot[24] wordt. Of men moest toch geene kinderen verwekken, óf ten einde toe het leed mede dragen voor hun onderhoud en opvoeding. Maar gij schijnt mij het gemakkelijkste te kiezen. Nu moet wat een braaf en moedig man zou kiezen, de keuze zijn althans van iemand, die juist beweert de deugd zijn gansche leven door ter harte te hebben genomen.—Zoo ben ik én over u, én over ons, uwe vrienden, beschaamd en bezorgd, dat het den schijn zal hebben, als of de geheele zaak met u door zekere lafheid van onze zijde is voorgevallen; en de ingang van ’t geding voor ’t gerigt,—hoe gij zijt opgekomen[25], terwijl ’t u vrij stond niet te verschijnen; en het pleit zelf, zoo als ’t heeft plaats gehad; en dan juist deze uitslag, gelijk eene belagchelijke ontknooping van het stuk, dat het uit zekere lafheid en gebrek aan mannenmoed van onzen kant, zonder dat wij het merkten, zoo schijnt gekomen te zijn, daar wij u niet hebben gered, evenmin als gij u zelven[26], terwijl het mogelijk was en uitvoerbaar, indien wij slechts een weinigje waarde bezaten. Zie derhalve toe, o Socrates, dat dit niet, tegelijk met de schade ook tot schande worde voor u en voor ons; overleg dan, of liever, er is geen tijd meer om te overleggen; het besluit moet reeds genomen zijn. Er is slechts één te nemen: want in den nu volgenden nacht moet alles geschied zijn. Aarzelen wij nog, dan is ’t onmogelijk en ondoenlijk. Daarom, om alles bid ik u, Socrates! luister naar mij en doe niet anders.

VI.

Socrates. Beste Crito! uw goedwillig ijveren is mij veel waard, indien het met de pligtmatigheid is overeen te brengen; zoo niet, dan is het, hoe grooter, ook des te bezwaarlijker[27]. Wij moeten derhalve zien, of wij dit moeten doen of niet. Niet alleen nu toch, maar altijd heb ik het zoo over mij, dat, van al wat mij aangaat, ik aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt[28], ’t welk mij bij redenering het beste voorkomt. De inzigten dan, welke ik vroeger heb uitgedrukt, kan ik nu niet verbannen, nadat mij dit ongeval is overgekomen; maar zij schijnen mij ten naastebij gelijk; dezelfde inzigten[29] acht en vereer ik, als vroeger. Kunnen wij niets beter voor dezelve zeggen in den tegenwoordigen tijd, wees dan overtuigd, dat ik u volstrekt niet zal toegeven, zelfs dan niet, indien ons, als kinderen, vreesselijker schrikbeelden[30] dan nu door de magt van den grooten hoop worden voorgehouden, die boei en dood en verbeurdverklaring van goederen tegen ons loslaat. En hoe kunnen wij dit het doelmatigste nagaan?[31]

Indien wij eerst diezelfde redenering weer opvatten, die gij te berde brengt, over de meeningen; of de bewering altijd geldig is, of niet[32]: dat men op sommige meeningen acht moet geven, op andere niet; en of, voordat ik sterven moest, dat wel geredeneerd was; maar het nu duidelijk blijkt, dat het zoo maar heen, om den schijn werd gezegd, maar inderdaad kinderachtige beuzelpraat was.

Ik wensch dan, Crito! gemeenschappelijk met u na te gaan, of dat inzigt mij, in mijne tegenwoordige omstandigheden, eenigzins anders zal voorkomen, en of ’t hetzelfde is gebleven: dan zullen wij het laten varen, of dien overeenkomstig handelen.

Telkens kwam, geloof ik, de redenering van hen, die meenden iets te zeggen, neer op ’t gene ik reeds zeide: dat van de meeningen, welke de menschen zich vormen, men sommige hoog moet schatten en andere niet. Schijnt u, bij de goden! dit beweerde, o Crito! gegrond? Gij zijt toch, menschelijker wijze gesproken, buiten het gevaar van morgen te sterven, en u kan het tegenwoordige ongeval niet misleiden. Onderzoek het dan: dunkt u niet, dat men te regt beweert, niet alle meeningen der menschen te moeten ontzien; maar sommige wel, en andere niet? en ook niet van alle menschen, maar van sommige wel, en van andere niet? Wat zegt gij? Beweert men dit niet te regt?

Crito. Ja, te regt.

Socrates. Derhalve, de verstandige meeningen moet men ontzien, en de verkeerde niet?

Crito. Wel zeker.

Socrates. Verstandige meeningen, zijn dat niet die van verstandige menschen? en de verkeerde die van onverstandigen?

Crito. Hoe kan dat anders zijn?

VII.

Socrates. Welaan dan: in welken zin werd dit beweerd? Een man, die zich ernstig op ligchaamsoefeningen[33] toelegt, zal die letten op ieders lof of blaam of meening, of slechts van dien éénen, die den leefregel voorschrijft of opziener is bij die oefeningen, of wie hij zijn mag?

Crito. Van den éénen slechts.

Socrates. Derhalve: vreezen moet hij den blaam, en streven naar den lof van dien éénen, en niet van den grooten hoop?

Crito. Dat is duidelijk.

Socrates. Zoo moet hij derhalve handelen en zich oefenen, en eten en drinken, als het die ééne eischt, de opziener en deskundige, meer dan gelijk alle anderen te zamen het wenschen?

Crito. Dat is waar.

Socrates. Dat houden we dus voor uitgemaakt. Maar—is hij ongehoorzaam aan den éénen, en versmaadt hij diens inzigt en lofspraak, en ontziet hij die der menigte, welke er geene kennis van heeft, zal hem er dan geen kwaad van overkomen?

Crito. Hoe kan dat anders?

Socrates. Wat is dat voor een kwaad? en waarop heeft het betrekking, en waaraan zal het zigtbaar worden bij hem, die ongehoorzaam is?

Crito. Natuurlijk aan zijn ligchaam; want dit verwoest hij.

Socrates. Wel gesproken. Zoo gaat het dan eveneens met het overige, om niet alles te doorloopen. En met name ook ten opzigte van regt en onregt, van schande en eer, van goed en kwaad, waarover wij nu beraadslagen;—moeten wij daarin de meening van den grooten hoop volgen en ze vreezen, of die des Eenen[34], indien er een kenner bestaat, welken wij en eerbiedigen en vreezen moeten, meer dan alle anderen te zamen?—door welken niet te gehoorzamen wij datgene zullen verderven en verlagen, ’t welk door regtvaardigheid beter werd en door onregt verloren ging? Of bestaat er niets zoodanigs?

Crito. Ik geloof ja, Socrates!

VIII.

Socrates. Wel nu, indien wij ’t gene door gezondheid beter wordt en door ziekte vergaat, indien we dat verwoesten, door gehoor te geven niet aan de meening van deskundigen, maar aan die van onverstandigen; heeft het leven dan wel iets aanlokkelijks voor ons, wanneer dat is verwoest? En is dat welligt het ligchaam of niet?

Crito. Wel zeker.

Socrates. Heeft dan het leven met een ellendig en verwoest ligchaam nog iets bekoorlijks?[35]

Crito. Geenszins.

Socrates. Maar hebben wij wel genot van ’t leven, wanneer datgene bedorven is, ’t welk door onregt benadeeld, door regtvaardigheid bevoordeeld wordt? Of houden wij, welk deel van ons wezen ’t ook zijn moge, dat met regt en onregt in betrekking staat, voor geringer dan het ligchaam?

Crito. Geenszins.

Socrates. Dus voor kostelijker[36].

Crito. Verre weg.

Socrates. Dus hebben wij ons, mijn beste, in ’t geheel zoo niet te bekreunen om ’t gene de groote hoop van ons zal zeggen; maar om ’t gene de kenner van regt en onregt, de Eéne, en de waarheid zelve zegt: zoodat gij dadelijk van ’t begin af, van eene verkeerde stelling zijt uitgegaan, door te beginnen met de bewering, dat wij ons moesten storen aan de meening van den grooten hoop over regt, en eer, en deugd, en het tegendeel.

Maar, zou men kunnen zeggen, het staat toch in de magt van den grooten hoop om ons te dooden?

Crito. Ook dat voorwaar blijkt; wel zou men dat kunnen zeggen, Socrates!

Socrates. Gij zegt de waarheid. Maar, mijn wonderlijke vriend! deze redenering, die wij hebben doorgeloopen, schijnt mij althans nog dezelfde als de vorige[37].—Ga nu ook deze eens weder na, of ze voor ons geldig blijft of niet: „dat wij niet het leven het hoogste moeten schatten, maar wèl te leven.”

Crito. Wel, ze blijft geldig.

Socrates. Dat wèl te leven, en edel en regtvaardig te leven, dat dit hetzelfde is, blijft dat geldig of niet?

Crito. Dat blijft geldig.

IX.

Socrates. Naar ’t gene wij toegeven, moeten wij dus zien, of het regtvaardig is, dat ik, zonder toestemming der Atheners, tracht hier uit te komen, of niet regtvaardig; en indien het regtvaardig blijkt te zijn, dan willen wij het beproeven; en zoo niet, dan willen wij het laten.

De bedenkingen, die gij ter bane hebt gebragt over ’t besteden van geld, en over goeden naam, en over kinderopvoeding, die vrees ik dat inderdaad bedenkingen zijn van lieden, die u ligtelijk zouden willen dooden, en in hun eigen belang in ’t leven terugroepen, indien zij konden, zonder eenigen grond; namelijk van dien grooten hoop. Voor ons daarentegen, daar de rede het zoo eischt, valt denkelijk niets anders te overwegen, dan ’t gene wij nu reeds zeiden: of wij regtvaardig zullen handelen, door geld te betalen aan wie mij hieruit zullen brengen, en dank; of we wèl zullen doen, zoo wel die zelve mij uit den kerker willen voeren, als ik, die mij er uit zou laten brengen;—en, of wij werkelijk onregtvaardig zullen handelen, door dit alles te doen. En zoo het blijkt, dat het onregtvaardig van ons gehandeld is, dan moeten wij denkelijk niet in aanmerking nemen, noch of wij moeten sterven door hier te blijven en ons stil te houden, noch of wij, wat dan ook, zullen lijden, vóór wij hebben gezien of wij ook misschien onregt doen.

Crito. Heerlijk gesproken, dunkt mij, Socrates! Zie nu, wat wij zullen doen.

Socrates. Onderzoeken wij dat gemeenschappelijk, mijn beste! en hebt gij ergens iets tegen in te brengen, terwijl ik spreek, spreek mij dan tegen, en ik zal naar u luisteren; zoo niet, houd dan op, o gelukkige! mij dikwerf hetzelfde te zeggen, dat ik, tegen den wil der Atheners, van hier moet gaan. Ik reken het toch van veel belang, dat gij mij overreedt dit te doen, maar niet tegen mijnen zin[38].

Beoordeel dan het begin van het onderzoek, of gij er mede tevreden zijt, en tracht op mijne vragen te antwoorden, zoo als u het beste dunkt.

Crito. Dat zal ik trachten te doen.

X.

Socrates. Zeggen wij, dat men op geenerlei wijze willens en wetens onregt mag doen;—of op de eene wijze wel, en op de andere niet?—of is het plegen van onregt op geenerlei wijze noch goed, noch schoon, gelijk door ons meermalen ook vroeger is toegegeven, en ook nog onlangs gezegd is? Of is ons dat alles, wat wij te voren toegestemd hebben, in deze weinige dagen ontvloeid? en hebben wij, Crito! zoo bejaarde mannen, bij onze ernstige gesprekken, sedert lang, zonder het zelve te weten, niets hooger gestaan dan kinderen?—of is het alleszins zoo als toen door ons gezegd werd: is, het zij de groote hoop het zegt, of niet, het zij wij een nog zwaarder, of ook een zachter lot dan dit hebben te ondergaan, evenwel het plegen van onregt, voor wie ’t doet, én slecht én schandelijk in ieder opzigt? Zeggen wij dat, of niet?

Crito. Wij zeggen het.

Socrates. Op geenerlei wijze derhalve mag men onregt doen.

Crito. Voorzeker niet.

Socrates. Evenmin mag, wie onregt lijdt, het weerom doen[39], zoo als de groote hoop meent, dewijl men toch in geen geval onregt mag doen.

Crito. Neen; dat is klaarblijkelijk.

Socrates. En hoe nu? Mag men kwaad doen, Crito, of niet?

Crito. Neen, zeker niet, Socrates.

Socrates. Wat dan? aangedaan kwaad met kwaad vergelden, zoo als de groote hoop zegt, is dat regtvaardig of niet?

Crito. Op geenerlei wijze.

Socrates. Denkelijk verschilt het niets den menschen kwaad te doen, en onregt te plegen.

Crito. Gij hebt gelijk.

Socrates. Dus mag men inderdaad geene verongelijkingen vergelden, noch eenig mensch kwaad doen, zelfs niet, wanneer men, wat dan ook, van hen lijdt. Zie wel toe, Crito! dat gij, door dit toe te stemmen, het niet tegen uwe meening toegeeft. Ik weet immers, dat weinigen zoo denken en denken zullen; en voor hen, die zoo denken, en voor wie ’t anders beschouwen, bestaat er geen gemeenschappelijk beraadslagen; maar noodwendig moeten zij elkander verachten, wanneer zij elkanders inzigten leeren kennen. Overweeg derhalve ook gij toch wel, of gij met mij overeenstemt in inzigt, en laat ons met deze bewering ons beraadslagen beginnen, dat het nooit regt is onregt te doen, noch het te vergelden; noch mishandelingen af te weren door zelf weder te mishandelen;—of ziet gij van dat grondbeginsel af, en deelt gij er niet in?—Ik voor mij heb reeds lang zoo gedacht, en denk nog zoo; is uw inzigt eenigzins veranderd, zeg het mij dan, en onderrigt mij. Blijft gij evenwel bij uwe vorige gevoelens, hoor dan de gevolgtrekkingen, die er uit voortvloeijen.

Crito. Wel, ik blijf er bij, en ben ’t met u eens. Spreek dan.

Socrates. Ik zeg dan wat er uit voortvloeit, of liever, ik vraag u: moet men, wat men iemand heeft beloofd, omdat het regtvaardig was[40], moet men dat doen, of bedriegelijk verbreken?

Crito. Men moet het doen.

XI.

Socrates. Zie dan naauwkeurig toe, wat er van uit dit standpunt volgt.

Wanneer wij van hier gaan, zonder den staat te overreden, doen wij dan niet iemand kwaad, en wel wien dat het allerminste past, of doen we ’t niet? En blijven wij dan getrouw aan ’t gene wij hebben beloofd, omdat het regtvaardig was, of niet?

Crito. Ik heb geen antwoord op uwe vraag, Socrates, want ik begrijp ze niet.

Socrates. Beschouw het dan zoo. Gesteld: wanneer wij voornemens waren van hier weg te loopen, of hoe men ’t dan noemen moet; en de wetten en de staat kwamen bij ons, en vroegen[41]: „zeg, Socrates! wat hebt gij in den zin te doen? Dwalen wij, of zijt gij voornemens door ’t gene gij onderneemt, ons, de wetten en den geheelen staat te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt staat? Of meent gij, dat een staat nog kan blijven bestaan, en niet onderstboven gekeerd ligt, in welken de gevelde vonnissen geenerlei kracht hebben, maar door enkele burgers krachteloos worden, en vernietigd?”—Wat zullen wij, o Crito! op deze en dergelijke redenen zeggen? Veel zou menigeen, voornamelijk een redenaar, kunnen zeggen over ’t vernietigen der wet, die bepaalt, dat gewezen vonnissen van kracht zullen zijn. Of zullen wij er misschien op antwoorden: „de staat behandelde ons immers onregtvaardig en besliste het geding verkeerd?” Zullen wij dit zeggen, of iets anders?

Crito. Dit voorwaar, o Socrates!

XII.

Socrates. „Wat dan?” zouden de wetten zeggen; „behoort voorwaar ook dit regten over den staat tot het verdrag tusschen ons en u[42], of brengt dat verdrag mede, dat gij u zoudt houden aan de gewijsden van den staat?”—Verwonderden wij ons dan over hare taal, dan zouden zij denkelijk zeggen: „Socrates! verwonder u niet over ’t gene wij zeggen; maar antwoord; gij zijt immers gewoon aan het vragen en antwoorden. Welaan dan! wat hebt gij tegen ons en den staat in te brengen, dat gij tracht ons te vernietigen? Hebben wij niet in de eerste plaats u het aanzijn gegeven? en heeft niet uw vader door onze bemiddeling uwe moeder ten huwelijk genomen, en u verwekt? Overweeg derhalve: berispt gij iets in die wetten onder ons, die over ’t huwelijk zijn vastgesteld, dat ze niet goed zijn?” „Ik berisp ze niet,”—zou ik zeggen.—„Dan op de bepalingen, op de opvoeding en de vorming van het kroost, volgens welke gij ook zijt opgevoed? Of hebben diegene onzer, de wetten op dit stuk gegeven, die uwen vader gebieden u in de muzijk en gymnastiek[43] op te voeden, dit niet goed geregeld?”—„Goed,” zou ik zeggen. „Dat dan daar gelaten; nadat gij geboren en groot gebragt en opgevoed waart, zoudt gij ten eersten kunnen beweren, dat gij niet onze nakomeling en lijfeigene[44] waart, gij zelf en uwe voorvaderen? En indien dit zoo is, gelooft gij dan, dat hetzelfde regt geldt voor u en voor ons? en meent gij, dat, al wat wij ondernemen u te doen, gij het met hetzelfde regt weêrom moogt doen? of hadt gij geen gelijk regt jegens uw’ vader, en jegens uwen heer, indien gij er eenen hadt, zoodat ge, al wat ge ondergingt, dat niet ook weêrom mogt doen, noch tegen te spreken, wanneer gij harde woorden hooren moest, noch ontvangene slagen weêrom te geven, en evenmin in andere dergelijke gevallen; maar zou het wel vrijstaan jegens het vaderland en de wetten, zoodat, indien wij ondernemen, u ter dood te brengen, omdat wij ’t voor regtvaardig houden, ook gij ons, de wetten en het vaderland, voor zoo ver ge kunt, zult beproeven op uwe beurt te vernietigen;—en zult ge zeggen door dat te doen, goed te handelen, gij, die inderdaad werk maakt van de deugd? Of zijt ge wijs in dien zin, dat ge niet weet, dat, meer dan uwe moeder en uw vader en al uwe voorvaderen, het vaderland iets kostelijks is, meer eerbiedwaardig en heilig en van hoogere waarde in ’t oog van goden en van verstandige menschen? En dat men meer vereering en gehoorzaamheid en onderdanigheid moet hebben voor ’t vaderland, wanneer het toornig is? En dat gij het óf beter moest inlichten, óf doen, wat het beveelt, en ondergaan, wat het u gebiedt te ondergaan, en kalm zelfs slagen en boeijen moet verdragen? Indien het u ten oorloge drijft om wonden te ontvangen of den dood te lijden, dat gij dit doen moet, en dat dit billijk is? en men niet mag wijken, noch terugtreden, noch zijn’ post verlaten; maar én in den oorlog én voor ’t gerigt, en overal moet doen, wat de staat gebiedt en het vaderland, of het anders te overtuigen van den eigenlijken aard van het regt? Dat geweld te gebruiken[45] noch geoorloofd is jegens uwe moeder, noch jegens uwen vader, en nog veel minder jegens het vaderland?” Wat zullen we hierop zeggen, Crito! dat de wetten waarheid spreken of niet?

Crito. Mij dunkt, ja!

XIII.

Socrates. „Zie nu eens, Socrates!” zouden welligt de wetten zeggen, „of wij ook in deze bewering gelijk hebben, dat gij onregtvaardig jegens ons tracht te handelen, in ’t gene gij nu onderneemt. Wij namelijk, na u in het leven geroepen en gehouden, en u opgevoed, en u aandeel gegeven te hebben aan al het goede, dat in onze magt stond, aan u en al de andere burgers; wij verklaren echter,—door ’t verlof, dat wij verleenen aan ieder’ Athener, die wil, nadat hij burger is geworden[46], en den staat van zaken en ons, de wetten, heeft gezien;—dat, wien wij niet mogten behagen, het hem vrijstaat, om met het zijne heen te gaan, werwaarts hij wil. En geene van ons, de wetten, verhindert noch verbiedt iemand uwer, indien wij en de staat hem niet behagen, naar eene van ’s lands volkplantingen te verhuizen, of wanneer hij onder vreemden zich ergens elders wil gaan neêrzetten, met zijne bezittingen daar heen te gaan, werwaarts hij wil. Maar wie uwer blijft, terwijl hij de wijze ziet, op welke wij gedingen beslissen en voor ’t overige den staat regelen;—dan zeggen wij, dat deze inderdaad een verdrag met ons heeft aangegaan, te zullen doen, wat wij ook mogen gebieden; en wie niet gehoorzaamt, dien beweren wij, dat drievoudig misdoet[47]: door niet te gehoorzamen aan ons, die hem in het leven hebben geroepen,—aan ons, die hem hebben opgevoed;—en dat hij, bij verdrag beloofd hebbende zeer zeker te gehoorzamen, noch gehoorzaamt, noch ook tracht ons te overtuigen, indien wij iets verkeerds doen; terwijl wij slechts voorstellen, en niet woest gebieden, te doen, wat wij bevelen, maar van twee het eene laten kiezen: óf ons te overtuigen, óf te gehoorzamen, waarvan hij geen van beide doet.”

XIV.

„Onder deze schuld dan, verklaren wij, zult gij liggen, o Socrates! en niet het minst, maar van alle Atheners het meest, indien gij althans doet, wat gij voor hebt.”

Indien ik dan zeide: „hoe dat dan?” zouden zij met regt mij laken, en zeggen, dat ik een van die Atheners ben, die het nadrukkelijkst dit verdrag heb aangegaan. Zij zouden toch zeggen: „o Socrates! gewigtige bewijzen hebben wij er voor, dat wij u bevielen, wij en de staat. Nooit zoudt gij toch met meer voorkeur dan alle andere Atheners er uw verblijf gehouden hebben, indien hij u niet bij uitnemendheid beviel; en gij zijt nooit, zelfs ter bijwoning van spelen en feesten, uit de stad geweest[48], behalve eens naar den Isthmus; noch ergens elders heen, behalve wegens een’ of ander veldtogt: ook hebt gij geenerlei andere reis gedaan zoo als de andere menschen; ook beving u niet de lust naar een’ anderen staat of naar andere wetten om ze te leeren kennen; maar wij en onze staat waren u genoegzaam: zoo zeer gaaft gij ons de voorkeur, en beloofdet gij, als bij verdrag u volgens ons in den staat te gedragen; dat blijkt onder anderen daaruit, dat gij kinderen in denzelven hebt verwekt, ten bewijze, dat de staat u beviel.—Daarenboven stond het u onder ’t geding zelf vrij, u tot ballingschap te veroordeelen[49], wanneer gij wildet, en, wat gij nu tegen den wil des staats onderneemt, toen met zijne toestemming te doen. Gij hebt u toen wel is waar groot gehouden, als of gij niet bedroefd waart, indien gij moest sterven; maar gij verkoost, zoo als gij zeidet, boven de ballingschap den dood. Nu daarentegen schaamt gij u niet over die beweringen, evenmin als gij u bekreunt om ons, de wetten, die gij tracht te niet te doen, en gij handelt, gelijk de gemeenste slaaf zou doen; daar gij tracht weg te loopen, tegen overeenkomst en verdrag aan, waarnaar gij met ons zijt overeengekomen u in den staat te gedragen. Antwoord in de eerste plaats derhalve hierop, of wij de waarheid zeggen, wanneer wij beweren, dat gij, inderdaad en niet voor de leus, bij verdrag hebt beloofd u als burger aan ons te houden; of is ’t niet waar?” Wat zullen wij hierop zeggen, Crito! Moeten wij ’t niet volstrekt toestemmen?

Crito. Volstrekt, o Socrates!

Socrates. „Overtreedt gij dus niet wezenlijk,” zouden zij zeggen, „de overeenkomsten en de verdragen met ons zelve? hoewel gij die noch uit nood[50] hebt aangegaan, noch omdat gij misleid zijt, noch genoodzaakt binnen een’ korten termijn u te bedenken; zeventig jaren hebt gij voor u gehad, in welke het u vrij stond weg te gaan, indien wij u niet bevielen, en ’t u bleek, dat de verdragen niet billijk waren. Maar gij gaaft noch aan Lacedaemon de voorkeur, noch aan Creta[51], die gij toch telkens wèl geregeld noemt; noch aan een’ der grieksche of vreemde staten; in tegendeel, minder hebt gij u uit denzelven verwijderd dan kreupelen, en blinden en andere verminkten. Zoo uitnemend beviel u klaarblijkelijk, meer dan de overige Atheners, de staat, en wij, de wetten. Wien toch zou een staat bevallen zonder de wetten? Zult gij nu evenwel u niet aan de verdragen houden?—Ja, gij zult het, indien gij ons gehoor geeft, o Socrates! en dan zult gij niet belagchelijk zijn door de stad te verlaten.”

XV.

„Bedenk toch eens, wanneer gij die verdragen overtreedt, en u hierin misgaat, wat voordeel gij zult bewerken voor u zelven, of voor uwe vrienden. Dat deze toch gevaar zullen loopen van zelve verbannen te worden, en verstoken van ’t verblijf in den staat, of hun vermogen te verliezen, dat is ten naastebij klaarblijkelijk. Maar gij zelf in de eerste plaats:—wanneer gij naar eene der naastbijgelegene steden gaat, of naar Thebe of naar Megara—want beide zij wèl geregeld—; dan zult gij, o Socrates! als een vijand van hunne staatsregeling komen, en allen, die ’t belang hunner steden ter harte nemen, zullen u verdenken, daar ze u zullen houden voor een’ vernietiger van de wetten;—en voor de regters zult gij de openbare meening bevestigen, dat ze regtvaardig hebben gevonnisd. Al wie toch de wetten om verre werpt, die moet ook noodwendig doorgaan voor een’ bederver van jonge en onbezonnene menschen.—Zult gij derhalve de wèl ingerigte staten en de zamenleving der braafste menschen vermijden? En zal zoo doende het leven nog iets bekoorlijks voor u behouden?—Of zult gij u bij hen vervoegen, en, onbescheiden genoeg zijn om in gesprek te treden? En waarover, Socrates? over de onderwerpen, die gij hier in den mond hadt, dat deugd en regtvaardigheid de meeste waarde hebben voor de menschen? en wat wettig is, en de wetten? En gelooft gij niet, dat dan de handelwijze van Socrates onedel zal schijnen? Men moet het althans gelooven.

„Maar, uit die plaatsen zult gij u verwijderen en naar Thessalië gaan, naar Crito’s gastvrienden. Daar heerscht namelijk de meeste ordeloosheid en losbandigheid; en denkelijk zouden zij gaarne van u hooren, hoe belagchelijk gij uit de gevangenis waart weggeloopen in eene of andere vermomming; een herderskleed of iets anders, ’t welk wegloopers plegen in het werk te stellen, genomen en zoo uw voorkomen veranderd hebbende.

„Maar dat gij, een oud man, nu gij waarschijnlijk nog slechts weinig tijds te leven hebt, het van u kondt verkrijgen, om, met overtreding der gewigtigste wetten, zoo verkleefd aan het leven te hangen, zal daarover niemand spreken? Misschien niet, wanneer gij niemand krenkt; anders zult gij, o Socrates! veel hooren, en dat uwer onwaardig is: kruipende voor alle menschen zult gij leven als hun slaaf. Wat zult gij in Thessalië anders doen dan smullen? even als of gij om een gastmaal naar Thessalië waart verhuisd.—En uwe redeneringen over regtvaardigheid en de overige deugden, waar zullen die blijven?

„Maar, zult gij zeggen, om mijner kinderen wille wil ik leven, om hen groot te brengen en op te voeden?—Hoe? wilt gij hen naar Thessalië voeren, en hen dáár groot brengen en opvoeden, en hen tot vreemdelingen maken, opdat ze u ook dit te danken hebben?—Of, dit zal nu wel niet plaats hebben: maar zullen zij, hier opgevoed, terwijl gij leeft, beter gevormd en opgeleid worden, hoewel gij niet bij hen zijt? Uwe naaste betrekkingen zullen immers voor hen zorgen!—Of zullen zij, wanneer gij naar Thessalië verhuist, hen verzorgen, maar verhuist gij naar Hades woningen[52], zullen zij hen dan niet verzorgen? Indien zij althans eenige waarde bezitten, die zich uwe vrienden noemen, dan moet men het wel gelooven.”

XVI.

„Neen, Socrates! gehoorzaam ons, uwe voedsters, en acht noch uwe kinderen, noch het leven, noch iets anders, hooger dan ’t geen regt is. Zoo kunt gij, in Hades woningen gekomen, dit alles bij hen, die daar ’t gebied voeren, ter uwer verdediging inbrengen. Want, wanneer gij dat doet, dan is uwe daad, zoo als blijkt, noch hier beter voor u, of regtvaardiger of vromer, evenmin als voor iemand der uwen;—noch zal het, wanneer gij ginder komt, beter voor u zijn. Nu daarentegen gaat gij, indien gij heen gaat, verongelijkt heen, niet door ons, de wetten, maar door de menschen. Gaat gij echter van hier, met eene zoo schandelijke wedervergelding van onregt en boosheid; met overtreding van uwe eigene overeenkomsten en verdragen, met ons aangegaan; als een booswicht jegens welke het allerminst betaamt, u zelven namelijk, en uwe vrienden en ’t vaderland, en ons: dan zullen wij op u vertoornd zijn, zoo lang gij leeft; en ginder zullen onze zusters, de wetten in den Hades, u niet goedgunstig ontvangen, wetende, dat gij hebt beproefd ook ons te vernietigen, voor zoo ver ’t in uwe magt was.

„Laat dus Crito u niet overhalen, om te doen wat hij zegt, maar veeleer wij.”

XVII.

Dit, o lieve vriend Crito! moet gij weten, dat ik meen te hooren, even als wie de ooren suizen[53], fluiten-muzijk meenen te hooren. En in mijn binnenste klinkt de galm dezer taal, en maakt, dat ik geene andere kan hooren. Weet dan, althans, zoo als ik het nu inzie, dat, indien gij iets hier tegen inbrengt, gij het te vergeefs zult zeggen. Spreek niet te min, wanneer gij meent iets meer te weeg te zullen brengen.

Crito. Ach, Socrates! ik weet niets te zeggen.

Socrates. Laat het dan daar, o Crito! en laat ons der goden bevel opvolgen[54].

Illustration from Crito: Een dialoog van Plato

AANTEEKENINGEN.

Notes in this chapter

Note 1 · U heeft willen binnenlaten. ... Socrates verwondert zich, dat Crito door den wachter zoo vroeg is binnengelaten, omdat er niet vroeg opengedNote 2 · Ik zou—niet—willen verkeeren ... namelijk, indien geschieden kon, wat nu niet kan; daarom kon ik het niet van mij verkrijgen.Note 3 · Gelukkig geprezen. ... Zoo zegt ook Phaedo: „gelukkig scheen mij de man om zijn gemoed en om zijne taal, dat hij zoo zonder vrees, zoo edel Note 4 · Buiten de wijs. ... Plato zegt eigenlijk: „tegen de melodie”—Het leven des braven is als eene muzijk, in welke overeenstemming en welluidendNote 5 · Op mijne jaren—moest sterven. ... Socrates was in zijn zeventigste jaar.Note 6 · Het vaartuig uit Delos. ... In den beroemden dialoog over de Onsterfelijkheid betuigt Echecrates aan Phaedo zijne verwondering, dat SocratesNote 7 · Sunium, een voorgebergte van Attica, thans Cabo di Colonna. Het had op de kruin een’ tempel van Minerva, en onder aan de kust eene haven. OoNote 8 · Heil ons! De oorspronkelijke uitdrukking gebruikten de Grieken veel in den zin van een goed voorteeken. Zoo min vreest Socrates den dood, daNote 9 · Die er over te beslissen hebben. Crito beaamt hiermede het gezegde van Socrates niet, dewijl hij nog steeds de stille hope koestert, hem te Note 10 · Een droomgezigt,—zoo even in dezen nacht ... Reeds bij Homerus wordt aan de droomen een voorspellend gewigt gehecht: „ook de droom toch komtNote 11 · In een hel-wit gewaad ... Droomgestalten werden voor goddelijk gehouden: daarom dacht men ze schooner, grooter en verhevener dan den mensch,Note 12 · Overmorgen, o Socrates! ... Woorden van Achilles, die, door Agamemnon beleedigd, van Troje naar huis terug wil keeren. „Indien mij welligt,”Note 13 · Luister nu nog naar mij ... Derhalve had Crito vroeger reeds vruchteloos getracht, Socrates over te halen, om zich door de vlugt te redden.Note 14 · Er geen’ ooit weer zal vinden ... Cicero had deze plaats voor oogen in zijn werkje over de Vriendschap, waar hij Laelius over Scipio laat zeNote 15 · Het geld hooger te achten ... „Niemand zou,” zegt Demosthenes in zijne redevoering over den Vrede, „kunnen zeggen, dat mijne handelingen alsNote 16 · Den grooten hoop ... „Die tallooze, oneenige, oproerige menigte, nooit zich zelve magtig, met gelijke onberadenheid gereed tot eigen of tot Note 17 · Het ergste kwaad ... Er is volgens Plato slechts één kwaad: gebrek aan inzigt, en slechts één goed: verstand. Ten bewijze een paar plaatsen Note 18 · Sycophanten ... eigenlijk: vijgenaangevers, verklikkers van wie vijgen uitvoert, ’t welk in Attica verboden was. (Athenaeus.) In ’t algemeenNote 19 · De vreemdelingen ... Om niemand te Athene aan eenig gevaar bloot te stellen van beschuldigd te worden Socrates uit de gevangenis te hebben wNote 20 · Geef—uwe redding niet op ... Wel weet Crito, hoe Socrates over het sterven denkt; maar in zijne warme vriendschap denkt hij, al te overijld,Note 21 · ’t Gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt ... „Zou ik”—dit was, volgens Plato, zijne taal—„mij verbanning waardig keuren? Daarmede zoudt gij weNote 22 · Naar Thessalië ... Onbedachtzaam noemt Crito juist Thessalië. Zie hoofdstuk 15. Dat land stond in kwaad geruchte, als het land van sluwe lisNote 23 · Uwe zonen ... Men vindt er drie vermeld: Lamprocles, Sophroniscus en Menexenus, de twee laatste verwekt bij Myrto, de dochter van Aristides Note 24 · Der weezen lot ... „De dag, die ’t kind tot een wees maakt, berooft hem van al zijne speelgenooten; overal slaat hij de oogen neder; tranen Note 25 · Voor ’t gerigt—zijt opgekomen ... Forster, bij Buttmann aangehaald, zegt, dat hier misschien bedoeld wordt eene wet bij Lysias vermeld: „datNote 26 · Even min als gij u zelven ... Dit bijvoegsel verwacht men hier niet bij Crito’s klagen over de achteloosheid en lafheid van de vrienden van Note 27 · Des te bezwaarlijker ... Volgens Leo is de meening van Socrates: „des te minder kan ik uwe zorg goedkeuren en er gebruik van maken,” in tegeNote 28 · Aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt ... „Want,” zegt Socrates elders bij Plato, „de man, voor wien al wat tot geluk voert, alleNote 29 · Dezelfde inzigten ... Namelijk over burgerpligt en verachting van den dood.Note 30 · Schrikbeelden ... De oorspronkelijke uitdrukking beteekent: „een kind met zekere gebaren en onder het uitspreken van het woord Mormo bang maNote 31 · Hoe kunnen wij ... Buttmann, Leo en de meeste andere uitleggers leggen Crito deze vraag in den mond. Wij volgden Stallbaum: de rede wordt erNote 32 · Of de bewering altijd geldig is, of niet ... Namelijk of niet geldig. Drievoudig is de vraag: 1o. of de bewering gegrond is; 2o. of ze ongegNote 33 · Zich ernstig op ligchaamsoefeningen toelegt ... Bekend is ’t, hoe veel werk de Grieken van deze oefeningen maakten, hoe hunne nationale feesNote 34 · Die des Eenen ... „’t Is duidelijk,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat Socrates hier God meent.” Eenige plaatsen bij Plato, die hij ten bNote 35 · Heeft—het leven—iets bekoorlijks? ... Men wane niet—zoo als bij eenzijdige gevolgtrekking welligt het geval zou kunnen zijn,—dat Socrates hiNote 36 · (Wij houden) dus (de ziel) voor kostelijker. „Onder alles, wat wij hebben,” zegt Socrates elders, „is naast God onze ziel het goddelijkste.”Note 37 · De vorige ... „De redenering, welke wij hebben doorgeloopen,” namelijk over ’t oordeel van den grooten hoop, „schijnt nog dezelfde,” verschiNote 38 · Niet tegen mijnen zin ... De edele vriendschap, met welke gij mij herhaaldelijk aanraadt te vlugten, acht ik alleszins hoog; maar, daar ik mNote 39 · Wie onregt lijdt, het weerom doen ... Nüsslin trekt uit deze plaats, waarbij hij ettelijke anderen voegt, het gevolg, dat men te overijld deNote 40 · Beloofd, omdat het regtvaardig was ... Het niet nakomen van eene vrijwillige belofte berokkende—bij de Romeinen althans—in zekere mate eerloNote 41 · En de wetten — — vroegen ... Dit welsprekend leenen van ziel en spraak aan iets onbezields is meermalen nagevolgd. Bij Buttmann vindt men eeNote 42 · Tot het verdrag tusschen ons en u ... Leo gelooft, dat Socrates hier ook bedoelt: den eed, dien de atheensche burgers moesten afleggen, van Note 43 · Muzijk en gymnastiek ... Volledige ontwikkeling naar ziel en ligchaam. Gelijk namelijk bij ons de gymnastiek in ruimen zin de beoefening bevNote 44 · Lijfeigene ... zoo als Demaratus tot koning Xerxes zeide: „Vrij zijn de Spartanen, maar toch niet geheel; want over hen heerscht de wet, aanNote 45 · Geweld te gebruiken ... Niet alleen dit was snood; maar de zoon, die zijne ouders den verschuldigden eerbied niet betoonde, werd van alle amNote 46 · Burger is geworden ... De jonge Athener, die ’t volledig burgerregt verlangde, werd opgeteekend in de kieslijst; maar eerst moest hij een onNote 47 · Drievoudig misdoet ... Jegens de wetten: 1. als de oorzaken van zijn aanwezen; 2. als zijne opvoedsters; 3. als nooit onredelijke gebiedsterNote 48 · Nooit — — uit de stad geweest ... Zie de Inleiding.Note 49 · U tot ballingschap te veroordeelen ... De aanklager gaf, althans in gevalle dit niet bij de wet was bepaald, de straf op, die naar zijn inziNote 50 · Noch uit nood ... De sprekend ingevoerde wetten ontzenuwen hier alle mogelijke exceptiën, die tegen de geldigheid van een aangegaan verdrag Note 51 · Lacedaemon — — Creta ... In Plato’s werk: „Over den Staat,” worden deze staatsregelingen door Socrates als de beste geprezen (VIII, 544 c.),Note 52 · Hades woningen ... der dooden verblijf.Note 53 · Wie de ooren suizen ... Er staat: „die de Corybanten-ongesteldheid hebben.” Corybanten waren priesters, die, zoo ze dachten, vol van de godhNote 54 · Der goden bevel opvolgen ... Hoe geheel Socrates zich aan den goddelijken wil overgaf, blijkt overvloedig uit eene reeks van heerlijke plaatNote 55 · Veertien kinderen, die de Atheners jaarlijks aan Minos van Creta moesten zenden, tot boete voor den moord, aan zijnen zoon Androgeus gepleegNote 56 · Het woord theorie, dat wij hier hebben vertaald door gezantschap, zending, beteekent eigenlijk: eene verrigting ter vereering van den god.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings