Note 9 — CRITO. DIALOOG VAN PLATO.
Michiel Jan Noordewier translation
Die er over te beslissen hebben. Crito beaamt hiermede het gezegde van Socrates niet, dewijl hij nog steeds de stille hope koestert, hem te zullen redden: zoo zeggen althans, die ... Voor het overige worden hier bedoeld de Elfmannen, die te Athene het opzigt hadden over alle gevangenen. ’t Is misschien niet onbelangrijk bij dit ligchaam eenigzins langer stil te staan.
Hoogelijk werd te Athene de onschendbaarheid der burgers geëerbiedigd: lijfsdwang werd alleen jegens slaven voor oirbaar gehouden, zoodat het openbaar eergevoel iemand, tegen wien het aangewend was, niet meer als een’ burger van gelijken stand beschouwde. De raad moest—dewijl atimie, met onze eerloosverklaring te vergelijken, het lot werd van den eens tot gevangenis veroordeelde—zweren, geen’ burger in boeijen te zullen slaan, behalve wie iets tegen den staat misdeed.
Spoedig regt vereischten intusschen de zaken van koophandel; eveneens tegen allerlei woekeraars. Buitendien moest de gevangenisstraf wel toegepast worden tegen misdrijven, die ’t algemeene belang en de openbare veiligheid in gevaar schenen te brengen: ieder burger mogt dan ook als wreker van de geschonden regten des staats optreden, waarbij persoonlijke vijandschap dikwijls hare rekening vond, en de Elfmannen drukke bezigheid. Het gevangenzetten, waarbij de beschuldigde geboeid werd, diende òf tot straf, òf tot waarborg tegen veroordeelden, heen ter tijde aan het vonnis voldaan, en tegen beschuldigden, totdat hunne zaak zou uitgemaakt zijn. Maar bijna altijd kon de veroordeelde met eene geldboete vrij, die men, om de atimie te ontgaan, liever betaalde. Ter verzwaring echter der boete werd ook de gevangenisstraf toegepast, vooral tegen schuldenaren van den staat; zij bleven geboeid, totdat de schuld was voldaan.
Het beheer eener zoodanige inrigting met hare velerhande ondergeschikte bedienden vereischte reeds veel werkzaamheid. Gewigtiger evenwel was de taak der Elfmannen, jegens de gevangenen zelve te vervullen. Deze waren geheel in hunne magt gegeven, in zeker opzigt hunne slaven. Zij waren voor hen verantwoordelijk. Waarschijnlijk hielden zij aanteekening van wie gevangen geweest was, dewijl anders diens atimie met der tijd onbewijsbaar kon worden.—Aan den ter dood veroordeelde lieten zij zoo spoedig mogelijk het vonnis voltrekken, behalve wanneer de wet den tijd bepaalde, of godsdienstige gebruiken het verhinderden. De vorm bragt mede, dat zij telkens in persoon den veroordeelde van de overheden overnamen, en hem naar de gevangenis geleidden. Nu beheerschten zij hem geheel en al; of hij al dan niet in bijzijn van vriend of maag zou sterven, hing van hen af. Was de dag bepaald, dan begaven zij zich tot den veroordeelde, namen hem de boeijen af, en zeiden hem den dood aan.
De oprigting van het ligchaam der Elfmannen, zoo als wij het gedurende den bloei der democratie te Athene kennen, schijnt te vallen in den tijd van Aristides en Themistocles, en geduurd te hebben tot kort na den dood van Alexander den Groote. Zij werden bij ’t lot gekozen, één uit iederen stam; een elfde werd hun—als secretaris, zouden wij zeggen—toegevoegd. Vóór de aanvaarding van hun ambt moesten zij een onderzoek ondergaan, en na de aftreding rekenschap afleggen. Zeer waarschijnlijk ontvingen zij eene aanzienlijke jaarwedde.