← Table of contents
Van Schooljongen tot Koning

Ivan Ravenski.

Reading edition

Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.—De drie verzegelde pakketten.—Elizabeth hoort van het duel.—De brief van Felix.—Zou hij het zijn?—Naar het Roode Woud!

Na het vertrek van haar beide Ministers ging de Prinses door de openslaande deuren van de audiëntiezaal in den, door helderen zonneschijn verlichten tuin. De schildwachten op het terras presenteerden de geweren toen zij voorbijkwam.

In nadenken verzonken over het klaarblijkelijk gepleegd verraad volgde zij met naar den grond gerichte oogen de breede, met lindeboomen beplante laan, toen een schaduw op haar pad viel, die haar deed opzien.

Voor haar stond Ivan Ravenski, de Czernovische Minister van Buitenlandsche Zaken. Hij was een man van ongeveer vijf-en-veertig jaar, maar zag er veel jonger uit; zijn gelaat was streng en ernstig, maar niet onaangenaam om te zien. Den hoed afnemend, boog Ravenski diep; Elizabeth groette hem met een lichte beweging van het hoofd, doch haar gezicht [203] nam een koele uitdrukking aan. Ze mocht den Minister, een onvervalschten Rus van afstamming en politieke gevoelens, niet lijden, en hoewel ze hem nooit tot haar vertrouweling had gemaakt, integendeel, in afwachting van beter tijden, hem steeds in den waan had trachten te brengen, dat zij in een huwelijk met Bora het heil van den Staat zag, voelde zij toch bij instinct dat deze man haar innerlijke gedachten doorgrondde.

Met een waardigheid als nam hij de plaats in die hem toekwam, begaf hij zich ter linkerzijde der Prinses en begon naast haar in de schaduw der linden de laan op en neer te loopen.

“Als ik mij niet zeer bedrieg, Prinses,” begon Ravenski, “hebt u zooeven van de beide Ministers, die ik het paleis zag verlaten, bericht ontvangen omtrent een gebeurtenis aan het Russische Hof, die u persoonlijk betreft.”

Elizabeth zag geen enkele reden om de waarheid hiervan te ontkennen, en antwoordde daarom:

“Dat is zoo. Mag ik echter vragen hoe u tot die wetenschap kwam?”

“Het is slechts een gissing, Hoogheid,” antwoordde Ravenski, “maar een gissing die zeer voor de hand ligt. Als Minister van Buitenlandsche Zaken ben ik immers evenzeer als de Premier door den gezant te St. Petersburg ingelicht omtrent hetgeen de Czaar op het hofbal sprak.”

“En al is dit zoo,” zei Elizabeth koel, “wat is daarin dan voor u de aanleiding mij dat nogmaals mede te deelen?”

“Dat zal u aanstonds duidelijk worden, Prinses. [204] Vergun me eerst deze vraag: U ziet immers de noodzakelijkheid in—meermalen vernam ik dit uit uw eigen mond—van een huwelijk met den Hertog van Bora?”

“Inderdaad. Ik geloof, dat de belangen van den Staat dit eischen. Het Russischgezinde deel der bevolking zal dat huwelijk gaarne zien; daarenboven,” voegde zij er met een zucht bij, “is het een politieke noodzaak. Leen ik er mij niet toe, dan zal de Czaar mij wel weten te dwingen.”

“De toon, waarop u mij dit antwoord geeft, Prinses, versterkt mij in de meening, die ik sinds lang koesterde, dat uw persoonlijke verlangens zich niet in de richting van dit huwelijk bewegen!”

Elizabeth verwaardigde zich niet deze uitspraak te bevestigen. Door dit zwijgen stoutmoediger geworden, vervolgde Ravenski:

“Zoudt ge geen middel weten, Prinses, aan de noodzakelijkheid van dat huwelijk te ontkomen?”

“Die vraag stelt u me, Excellentie?” vroeg Elizabeth, verbaasd, “u, die toch als geboren Rus niets anders moest wenschen dan dat huwelijk?”

“Ik begrijp, dat deze vraag u verbaast, maar ik herhaal ze: zoudt u geen middel weten?”

“U tracht me in een val te lokken,” zei Elizabeth streng, “en ik ben niet van plan uw vraag te beantwoorden. U en ik behooren in het belang van den politieken toestand te berusten in mijn huwelijk met den Hertog. Ik begrijp niet....”

“Er zijn overwegingen, Hoogheid, die sterker zijn dan de eischen der politiek. U kunt den Staat dienen en toch de inspraak van uw hart volgen.” [205]

“Ik begrijp u niet. Verklaar u, wees duidelijk, verzoek ik u.”

“Welnu—ik zal zonder omwegen op mijn doel afgaan. Rusland wenscht den Hertog van Bora als Prins-Gemaal te zien, opdat diens afstammelingen, en dus afstammelingen van een Rus, Czernovië regeeren. Of de Hertog daartoe u tot gemalin kiest, is een bijzaak. Ook voor den Hertog is die omstandigheid bijzaak. Hij verlangt meer naar het bezit van een kroon dan naar het bezit van Prinses Elizabeth. En dus....”

“En dus wilt u....”

“Ik wil niets. Ik doe u een denkbeeld aan de hand. U zoudt—en ziedaar de kern van dat denkbeeld—vrijwillig afstand kunnen doen van den troon, ten behoeve van den Hertog.”

Elizabeth voelde duidelijk, dat er een diepere, baatzuchtige bedoeling schuilde achter dit schijnbaar belangeloos voorstel. Met een spottenden glimlach antwoordde ze:

“U is wel vriendelijk, Excellentie, u zoo met mijn persoonlijke belangen in te laten, en daarvoor zelfs uw Russische sympathieën geweld aan te doen. Ik deed dus volgens u het beste lafhartig de zorgen der regeering van mij af te schuiven, en ergens als ambteloos, vergeten burgeres te gaan leven?”

“Met den man, die u liefheeft, Prinses!” fluisterde Ravenski.

“Met den man, die.... Excellentie, wat bedoelt ge? Wie is die man, wie zou....”

“Ik, Hoogheid,” sprak Ravenski hartstochtelijk, “ik wil die man zijn! Nu weet ge mijn geheim: ik heb u lief!” [206]

“Ik wilde dat Zabern u hooren kon!” sprak Elizabeth, zich vol afschuw omwendend. “Laat ons dit gesprek afbreken. Het is verraad.”

“Neen, Prinses. Luister. Ik heb u liefgehad sedert ik door mijn plaats in de Regeering met u in aanraking kwam. Ik heb voor een groot deel medegewerkt om u de macht en den titel te doen verkrijgen, die ge heden bezit, ten einde te toonen wat ik voor u over had. Ik offer mijn politieke plichten aan u op—Prinses, bewijst u dat niet voldoende de oprechtheid mijner liefde?”

Bevend van verontwaardiging, wendde Elizabeth onwillekeurig den blik naar de beide schildwachten, die met langzamen pas het terras op en neer gingen.

Ravenski zag die beweging, en vervolgde:

“Eén oogenblik, Prinses, eer ge last geeft mij te arresteeren. Ik heb deze bekentenis niet gedaan zonder mijzelf een waarborg te verzekeren. Luister! Er woont op dit oogenblik aan de andere zijde der grens—het doet er niet toe waar—een persoon die mijn belangen is toegewijd. Hem heb ik de zorg voor drie verzegelde pakketten toevertrouwd. Zoodra hij mijn arrestatie verneemt, handelt hij als volgt. Een der pakketten zal hij aan den Russischen Minister van Buitenlandsche Zaken verzenden, het tweede aan den Hertog van Bora, het derde aan de redactie van de Czernovische Nieuwsbode, welks Russisch-gezinde uitgever Lipski maar al te graag den inhoud zal publiceeren, en waardoor een beweging in Czernovië zal ontstaan. Daar zijn uw schildwachten. Roep ze. Arresteer me. Maar wees er van verzekerd: binnen acht dagen daarna zijt ge onttroond.” [207]

Elizabeth zweeg, maakte geen beweging.

“Vergeef me, Prinses, dat ik u met bedreigingen toespreek, ik ging er niet dan met tegenzin toe over. Maar—gij erkent mijn macht, en ge weet dat ik u liefheb. Wat is uw antwoord?”

Elizabeth maakte een beweging van ongeduld.

“Ik hecht niet veel aan uw bedreigingen. Wat zouden die pakketten kunnen bevatten?”

“Ik zal ’t u zeggen. Het eerste een wasrol van een fonograaf, die ik, achter een meubel verborgen, een door u gevoerd gesprek met uw Secretaris deed opnemen, en die met uw eigen, zeer goed te herkennen stem het overtuigend bewijs levert, dat gij, hoewel uiterlijk berustend in het door Rusland gewenschte huwelijk met den Hertog, elk gunstig oogenblik afwacht om Rusland’s plannen te verijdelen. Welke middelen gij daartoe wilt aanwenden, is mij nog onbekend, doch vast staat dat ge op niets minder dan een staatsgreep zint.”

“Verrader! Lafaard!” riep de Prinses, met een van verontwaardiging trillende stem. “Ik wist, dat geen middel tot bereiking van uw doel u te laag was, maar dat ge dit zoudt durven....!”

“Verrader?” sprak Ravenski spottend. “Noem liever uw vrienden Zabern en Radzivil zoo, die ik sterk verdenk—zoo ze al niet in uw plannen zijn ingewijd—de uitvoering daarvan gaarne te zullen begunstigen.”

De Prinses was met uiterste inspanning haar ontroering meester geworden. Uiterlijk kalm vroeg ze:

“En het tweede pakket?”

“Is gelijk aan het eerste, Hoogheid.” [208]

“Het derde?”

“Bevat een eenigszins fantastisch verhaal van den door u beraamden staatsgreep, dat de bladen gretig zullen overnemen.”

Eenige oogenblikken beschouwde Ravenski de uitwerking zijner woorden, toen vervolgde hij:

“Overdenk dit alles goed. Ik zal er u ruim den tijd toe geven. Ik heb geduld. Bedenk, dat wanneer de sombere muren van een Russische vesting u omringen, wanneer ruwe soldaten uw cipiers zijn, wanneer geen uwer angstkreten tot de buitenwereld doordringt—dat dan zelfs de liefde van Ravenski begeerenswaard zou zijn.”

Elizabeth kon het gevoel van afschuw niet onderdrukken, dat door deze woorden werd opgewekt.

“Stort dus niet uzelf, noch uw vrienden, in ’t verderf, Zabern, Radzivil, Dorislas, al de ministers wier politiek Rusland een doorn in ’t oog is, en die door den Hertog aan den Czaar zouden worden overgeleverd. Czernovië zou door kozakken worden bezet en onder de krijgswet geplaatst, de mannelijke bewoners bij het Russische leger ingelijfd, de Universiteit gesloten, de wetten geschorst, kortom, uw land ten onder gaan.”

“Maar wanneer ik afstand doe,” riep Elizabeth wanhopig, “wanneer Bora de regeering aanvaardt, zal het land dan niet eveneens ten onder gaan?”

“Zeer zeker. Maar niet door geweld. En bovendien niet door uw direct toedoen. Daar ligt het zwaartepunt der kwestie. Nogmaals: gij hebt te kiezen. Ik zal wachten.”

“En ge zult lang moeten wachten, Excellentie,” [209] antwoordde Elizabeth trotsch. Ze waren op dit oogenblik den uitgang van het park genaderd; met een handbeweging noodigde ze den Minister uit te vertrekken.

Ravenski bleef echter staan, en sprak:

“Nog een enkel woord, Prinses. Hedenmiddag is mij een bericht ter oore gekomen, dat U zal intresseeren. In het Hotel Czernovië, waar vele vreemdelingen afstappen, en waar ik natuurlijk, belang stellend in buitenlandsche zaken, spionnendienst doe uitoefenen, heeft heden enkele uren geleden een twist plaats gehad tusschen den Hertog van Bora en een kortelings hier aangekomen Hollander. Merkwaardig genoeg schijnt een Latijnsche spreuk—esse quam vederi, wanneer mijn berichtgever goed verstaan heeft—de onmiddellijke aanleiding tot den twist te zijn geweest. Ik moet bekennen, dat dit gedeelte der zaak mij niet recht duidelijk is. Hoe het zij, het gevolg zal een duel zijn tusschen den Hollander en den Hertog, hedenavond te zeven uur. Hoogstwaarschijnlijk zal de Hertog, die dertig duels achter den rug heeft, en nooit gewond werd, den Hollander dooden. De kans bestaat echter, en we moeten daarmee rekening houden, dat de Hertog verwond wordt. Eenigen tijd geleden zou daarin geen bezwaar gelegen hebben; sedert de tot-stand-koming der duelwet zou de Hertog zich echter aan een strafvervolging blootstellen. U moet dat voorkomen.”

Elizabeth was plotseling verbleekt, als had een hevige schrik, die op dat oogenblik alleen zij zou kunnen verklaren, haar bevangen. Ravenski, evenmin als de lezer, die echter zoo straks ingelicht zal worden, [210] begrijpend wat er in haar binnenste omging, gaf een uitleg aan haar ontroering, die—naar we aanstonds zien zullen—onjuist was.

“Ge verbleekt, Prinses. Ik begrijp dat. De mogelijkheid, dat de Hertog u op deze manier een wapen tegen zichzelf in handen geeft, komt als een onverwacht redmiddel tot u, dat u aanlokt, en waarvan ge toch aarzelt gebruik te maken. Vandaar uw ontroering. Ik zeg u echter: stijg te paard, rijd zoo snel ge kunt met een escorte naar het Roode Woud, waar het duel zal plaats hebben—en voorkom het. Het leven van den Hertog moet gespaard blijven,—dat is immers in mijn belang. Werkt ge dat belang tegen, staat ge mij niet voor de veiligheid van den Hertog in, dan beschuldig ik u openlijk, een officiëel te uwer kennis gebracht misdrijf, door de landswetten verboden, niet te hebben voorkomen.”

Elizabeth hield zich aan het hek van de parkpoort vast om niet te vallen, ze wankelde, en sprak alleen nauw verstaanbaar:

“Ik zal gaan.... dadelijk....”

Een triomfantelijke glimlach speelde om Ravenski’s lippen. Hij geloofde den weerstand der Prinses gebroken te hebben en voelde zijn zaak reeds half gewonnen.

Zwijgend ontblootte hij het hoofd, boog diep en eerbiedig, en verliet met snelle schreden het park.

Tot recht begrip van het vorenstaande is een kleine uitlegging noodig, die in de aanteekeningen van Rob Rensma eerst op de laatste bladzijden voorkomt, omdat hij ze op dit tijdstip zijner avonturen nog niet van zijn vriend Van Stralen vernomen had. [211] Toen laatstgenoemde hem namelijk zijn hier voren vermelde levensgeschiedenis meedeelde, verzweeg hij daaruit met opzet een punt van belang, dat hij zeer terecht op dat oogenblik nog geheim wenschte te houden, doch waarvan de lezer ter wille van de duidelijkheid thans behoort kennis te nemen.

Zoodra men, na de verwoesting van het eiland Riva, tot het besluit was gekomen “De Vogel” in dienst te stellen van de bevrijding van het vaderland, had Li door middel van een der vliegmachines Elizabeth des nachts in het paleis een brief doen toekomen van den volgenden inhoud:

“Ik leef. Tracht den bestaanden toestand sleepend te houden door de Russische eischen toenaderend te behandelen. Vernietig dezen brief. Voorzichtigheidshalve zal ik niet meer schrijven, doch reken er op dat ik, zoodra de gelegenheid mij gunstig voorkomt, in Slavowitz verschijn en mij van Bora meester maak. Houd moed. Blijf mij liefhebben. Eenmaal zullen we elkander toebehooren. Leve de Oranje-Republiek!

Felix.”

Er was geen twijfelen mogelijk geweest: dezen brief had Felix geschreven! Door welk wonder hij aan den dood was ontsnapt, bleef Elizabeth een raadsel—maar wat deed dit er toe: hij leefde! En hij zou terugkomen om Czernovië en haar te redden, daarop vertrouwde ze vast. Felix was geen man van ijdele woorden.

Vele maanden na die gebeurtenis had ze niets meer van hem vernomen, vergeefs, maar met onbeperkt vertrouwen, gewacht tot hij zou terugkomen. Telkens wanneer een verdacht vreemdeling was aangehouden, [212] telkens als zij de arrestatie van een spion had vernomen, had ze gebeefd van angst bij de gedachte, dat dit Felix zou zijn. Toen men haar dien morgen van den spion Russakoff had verteld, was dadelijk het denkbeeld in haar opgekomen: hij is ’t! Nu Ravenski haar van het duel met den Hollander onderrichtte, had ze onmiddellijk als bij ingeving gevoeld: die Hollander is Felix! Wel begreep ze een oogenblik daarna, dat dit instinct op een zeer zwakke mogelijkheid berustte, dat het niets meer dan een vage onderstelling was—maar de gedachte: het kòn misschien zoo zijn, was haar voldoende om tot een verijdeling van het duel te besluiten. Zij kende immers Bora’s meesterschap op de wapenen, zij wist dat er onder de twintigduizend man van het Czernovische leger niet een was die zijn doodend zwaard durfde weerstaan, zij had hem in de schermzaal van het Paleis in snelle opeenvolging de beste schermers onder haar officieren zien ontwapenen. Zabern, Dorislas, Miroslav—wie kon zich met Bora meten?

Men zal nu de ontroering begrijpen, die zich van haar meester maakte, toen zij Ravenski’s mededeeling aanhoorde. Van haar ontsteltenis bekomen, moest zij onwillekeurig glimlachen bij de gedachte dat Ravenski haar misschien, onwetend natuurlijk, een grooten dienst had bewezen.

Zij dacht er niet over na, welke gevolgen haar tusschenbeide treden kon hebben, zij dacht slechts aan éen ding: Felix moest gered worden!

En, haar zelfbeheersching hernemend, gaf ze snel en beslist orders voor een onmiddellijk vertrek. [213]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings