Een Gemaskerd Bal.
Reading edition
Het wetsontwerp-Lipski.—Prinses Elizabeth teekent een contract.—De schatten van het St. Nicolaas-Klooster.—Iedereen verliest den moed, behalve Zabern.
Het was zeven uur in den avond. Het bal masqué waarvan Felix met Zabern sprak, zou te tien uur beginnen. Weinig vermoedden Felix en Katina, toen zij gedeeltelijk in Zabern’s plannen werden ingewijd, dat er een zeer nauw verband bestond tusschen dit bal en de Kamerzitting, die van half acht tot half tien gehouden zou worden.
Toch was dit zoo; niemand was daarvan beter op de hoogte dan Zabern, die uit de geheime depêche van Orloff meer gelezen had dan Rob en Felix er uit begrepen hadden. In deze zitting toch zou de afgevaardigde Lipski een wetsontwerp indienen, om, in overweging nemende de daling der rijksinkomsten en de zware lasten die voor versterking van levende en doode weermiddelen geëischt werden, voortaan de kloosters, die tot nog toe door den fiscus ongemoeid werden gelaten, [320] te verplichten tot een bijdrage aan ’s lands schatkist.
Dit wetsvoorstel zag er eenvoudig en vrij onschuldig uit; in den mond van een Russischgezind afgevaardigde klonk het zelfs zeer belangeloos, wanneer men in aanmerking nam dat het tegemoet wenschte te komen aan militaire uitgaven, die toch allereerst versterking van de Russische grens ten doel hadden. Bovendien zouden ook de meeste Czernovische afgevaardigden het voorstel, oppervlakkig beschouwd, zeer billijk achten. Het budget van Dorislas was dit jaar onmatig hoog, er moest op alle geoorloofde manieren geld verschaft worden. Al meermalen was daartoe het voorstel geopperd, de kloosters te belasten, en nu Lipski de eerste was die den moed had een daartoe strekkend ontwerp in te dienen, zou men hem zeer zeker toejuichen. Het oude gebruik, geen belasting te heffen van de vrij talrijke kloosters—die meerendeels bewoond werden door uit omringende staten onverdraagzaam verdreven monniken, aan wie Czernovië, waar de godsdienst geheel vrij was, toevlucht had verleend—dat oude gebruik was niet rechtvaardig. Enkele kloosters waren zeer rijk; waarom zouden zij niet naar mate van krachten bijdragen in de lasten van een land, dat hun gastvrijheid verleende?
Zabern, en enkele ingewijden met hem, wisten echter welke list achter Lipski’s optreden verscholen was; door den cijferbrief gewaarschuwd, zou hij Lipski het genoegen ontnemen hem onverwacht met zijn voorstel op het lijf te vallen—waarvan de afgevaardigde zich natuurlijk te voren een feest had gemaakt—en bovendien had hij daardoor de gelegenheid gehad zich tegen de in te dienen wet te wapenen. [321]
Hoe een en ander in zijn werk ging, en welk listig doel Lipski met zijn voorstel beoogde, zullen we uit het volgende vernemen.
Te halfacht opende Brunowski de Kamerzitting. Met de behandeling van allerlei onderwerpen was het negen uur geworden. Daar Lipski zich onder de laatste sprekers had doen inschrijven, vermoedde Zabern dat hij opzettelijk eerst tegen het einde der vergadering aan het woord wilde komen, om een uitgebreid debat over zijn voorstel tegen te gaan, dit onmiddellijk verwezen te zien naar een commissie van onderzoek, en dan de beraadslaging in een eerstvolgende zitting te doen plaats hebben.
Toen nu de President eenige adressen en andere stukken van ondergeschikt belang aan de orde wilde stellen, nam Zabern het woord en vroeg, tot verbazing der vergadering, of het niet gewenscht was, wegens de belangrijkheid van het onderwerp, eerst het voorstel van den afgevaardigde Lipski ter tafel te brengen, strekkende tot heffing eener belasting op de eigendommen der Czernovische kloosters.
Lipski, klaarblijkelijk verrast: “Zou ik mogen weten, hoe de Minister van Justitie zoo juist is ingelicht omtrent den inhoud van mijn voorstel?”
Zabern, droogjes: “Heb ik mijn mond voorbijgepraat? Was uw onderwerp een geheim?”
Lipski: “Het lag in mijn bedoeling de Kamer aangenaam te verrassen.”
Zabern: “En nu heb ik u de vreugde van die verrassing ontnomen! Dat spijt me.”
Lipski: “Het spijt mij, dat men me klaarblijkelijk bespionneert; de geheimen van mijn studeerkamer [322] schijnen zelfs niet meer voor het schrikbewind van den Minister van Justitie veilig te zijn.”
Zabern: “U vleit me. Ik heb inderdaad een uitstekend corps spionnen. Gaarne geef ik u echter de verzekering, dat uw schrijftafel de eenige plaats is, waar zij nog niet zijn doorgedrongen. Maar misschien zal ik ook daarin spoedig slagen.” (Gelach).
Lipski, woedend: “Ik vraag, hoe u er achter bent gekomen!”
Zabern, verlegenheid veinzend: “Ik weet ’t waarlijk niet meer.... Laat ik me eens bedenken—heb ik ’t niet in de Kolokol gelezen?” (Gelach).
De Voorzitter: “Heeren, we kunnen deze kwestie laten rusten. De afgevaardigde Lipski zal zijn voorstel in ’t openbaar behandelen; wat zoo straks door ons allen vernomen wordt, en nog heden avond door alle nieuwsbladen verspreid, kan men bezwaarlijk een geheim noemen. Hoe de Minister van Justitie den inhoud van het ontwerp te weten is gekomen, is van geheel ondergeschikt belang, daar hij, geen geheim geschonden hebbende, eenvoudig den loop der beraadslagingen eenigszins vooruitgeloopen is. Verlangt iemand hieromtrent nog het woord?”
Lipski, driftig: “Ik verlang een nadere verklaring van den Minister!”
Zabern: “De beste verklaring lijkt me deze: ik ontvang dagelijks zooveel inlichtingen, dat ik niet op elk oogenblik precies kan opgeven hoe ik aan mijn gegevens kom. Het is best mogelijk, dat ik niet langs rechtstreekschen weg den inhoud van het ontwerp ben te weten gekomen—ik herinner me dat waarlijk niet meer. Maar als ik den geachten afgevaardigde [323] van Russograd daarmee kan gerust stellen, verklaar ik gaarne, dat ik aan de omtrent hem ontvangen inlichtingen hoegenaamd geen waarde heb gehecht. (Gelach). Zeker niet genoeg waarde, om een langdurige discussie als deze te rechtvaardigen.” (Daverend gelach).
De Voorzitter: “De afgevaardigde Lipski heeft het woord voor de door hem aangekondigde rede.”
Lipski, die al de helft van zijn succes verloren zag, zette nu kort de bedoeling van zijn ontwerp uiteen. Zooals Zabern wel verwacht had, werd het met instemming door het meerendeel der leden ontvangen. Er werd een commissie benoemd, de beraadslaging werd voor de volgende samenkomst bestemd, en daarna haastten zij, die het bal zouden bijwonen, zich hun costuum te gaan aantrekken.
Om tien uur waren de zalen en tuinen van het Paleis reeds vol vroolijke gasten. Het middelpunt der feestelijkheid was de ruime balzaal, waar het schitterende licht der gouden candelabres de talrijke veelkleurige costuums bescheen.
Onder de menigte bevond zich Felix, overal zoekend naar de gemaskerde Elizabeth, die hem niet had willen zeggen welk costuum zij aantrok, en schertsend had opgemerkt dat hij, zoo hij haar werkelijk liefhad, haar ook in elke vermomming zou terugvinden.
Terwijl hij zich door de zaal bewoog, trok hij menigen nieuwsgierigen blik tot zich, want zoowel zijn forsche figuur als zijn prachtig costuum vestigden onwillekeurig de aandacht op hem. Hij had zich een Oud-Hollandsche kleedij gekozen; een breedgerande hoed met wapperende veeren dekte zijn blonden [324] krulpruik; een sierlijke fluweelen mantel hing in gracieuse plooien van zijn schouders, die door een kraag van echte Vlaamsche kant waren omsloten; de beenen staken in hooge bruin-lederen laarzen, en zijn hand leunde op het met diamanten bezette gevest van den degen. Ongetwijfeld was hij onder de vele kranige figuren de kranigste, en telkens werd er fluisterend gevraagd wie hij wel zijn kon.
Eindelijk kreeg Felix een slanke vrouwengestalte in het oog, omhuld door het zilvergrijze nonnenkleed, die eenzaam in een deuropening stond, welke naar de balzaal leidde. Hij kwam naderbij, en toen de non opeens het hoofd naar hem toewendde, hem door de kijkgaten van haar masker een blik toewerpend, twijfelde hij er geen oogwenk aan wie zij was.
“Waarom zulk een somber costuum?” vroeg hij.
“Is dit costuum niet het teeken der onschuld?”
“Zeker—maar ook beteekent het: afstand doen van de liefde!”
“En waarom zou ik daarvan geen afstand doen?”
“Omdat je mij trouw gezworen hebt!”
“Ah, Felix—dus je hebt me herkend,” fluisterde Elizabeth, glimlachend onder haar masker. “En nu vraag ik op mijn beurt: waartoe dit Oud-Hollandsch costuum?”
“Omdat ik meende jou daarmee het meest genoegen te doen.”
“En je hebt het goed geraden! Juist vanavond krijgt het een eigenaardige beteekenis—spoedig zal je begrijpen waarom. Ga mee naar het terras.”
Felix legde haar arm in de zijne, en leidde haar [325] uit de woelige balzaal naar het rustige marmeren terras, waar hij in een afgelegen hoekje naast haar ging zitten.
Het was een heerlijke zomernacht. De lucht was zuiver en zoel; het klateren van talrijke fonteinen klonk als muziek. De zilveren maansikkel, scherp tegen een donkerblauwen hemel afstekend, en de gekleurde lampjes die overal tusschen het groen gloeiden, verspreidden een poëtisch, tooverachtig licht.
Ze hadden eenigen tijd zoo gezeten, zelfs achter hun vermomming de grootste voorzichtigheid betrachtend, omdat Zabern verzekerd had dat er Russische spionnen in de zaal waren, toen Elizabeth opeens uitriep:
“Ah—wie komt daar?”
Felix voelde haar arm in den zijne trillen, toen langs het door de maan verlichte terras een hooge, statige figuur, in een monnikspij gekleed, langzaam het tweetal naderde. Zijn pij was in kleur geheel gelijk aan die van Elizabeth, en evenals de hare op elken schouder van een rood kruis voorzien.
Toen de monnik voor hen stond, zag hij Elizabeth eenige oogenblikken aandachtig aan, en vroeg toen:
“Mag een broeder eenige woorden richten tot een zuster van dezelfde orde?”
“Zijn wij van dezelfde orde?”
“Kunnen de bewoners van het St. Nicolaas-klooster zich in elkaar vergissen?”
“Felix,” fluisterde zij, “ik moet dien man enkele oogenblikken alleen spreken. Wacht hier.”
De Prinses stond op, en liep met den monnik al pratend het terras op en neer, terwijl ze telkens Felix voorbij gingen. [326]
Ofschoon dit gedrag van Elizabeth vreemd leek, giste Felix toch de reden. Hij wist dat het St. Nicolaasklooster het groote gebouw met de zingende monniken was, dat Katina hem op hun rit in de troïka gewezen had. Ook kende hij de bewoners van dat klooster als onverzoenlijken, die reikhalzend uitzagen naar het oogenblik waarop ze van de Russische overheersching zouden worden bevrijd. Felix vermoedde dus, dat deze gemaskerde een monnik was, uit dat geheimzinnig klooster met de een of andere gewichtige mededeeling gezonden.
Het gesprek, waarvan hij geen woord kon afluisteren, duurde ongeveer een kwartier, en eindigde daarmee, dat de monnik de Prinses eenige papieren overhandigde, die zij zoo snel in haar pij verborg, dat Felix eigenlijk niet wist of hij goed gezien had of niet.
Daarna sloop de monnik weg, en de Prinses keerde bij Felix terug.
Eer hij den tijd had Elizabeth te vragen wat dit voorval beteekende, zag hij tot zijn verbazing een tweeden gemaskerden broeder naderen. Hij was geheel gekleed als de vorige, zoodat Felix eerst meende dat het dezelfde was, maar weldra zag hij dat deze nieuwe bezoeker kleiner was en steviger gebouwd. Zonder twijfel wilde ook hij de Prinses om een onderhoud verzoeken. Hoe lang zou dit zoo voortgaan?
Elizabeth raadde zijn gedachte, en glimlachte onder de zijden franje van haar masker.
“Geduld,” fluisterde ze. “Dit is de tweede en laatste. Daar komt Maarschalk Zabern aan, hij zal je alles uitleggen.”
Bij de nadering van den monnik werden dezelfde [327] woorden van zooeven gewisseld, blijkbaar een afgesproken herkenningsteeken, en daarna stond Elizabeth wederom op om naast den monnik op het terras heen en weer te loopen.
Een oogenblik later verscheen wederom iemand op het tooneel, in wien Felix, trots domino en masker, den Maarschalk herkende.
Zabern ging naast hem zitten, en richtte de blikken op de Prinses, die op eenigen afstand over de balustrade van het terras leunde, klaarblijkelijk bezig iets te schrijven.
“Wat denkt ge dat de prinses op ’t oogenblik doet?” vroeg Zabern.
“Het lijkt wel of ze haar naam in het balboekje van een danser schrijft—maar dat zal zeker ’t geval niet zijn?”
“Meneer de Secretaris,” zei de Maarschalk nadrukkelijk, “ge zijt getuige van een gebeurtenis, die voorbestemd is de kaart van Europa te wijzigen. De Prinses teekent een geheim verdrag met Leopold Kossuth, den kleinzoon van Lodewijk Kossuth, den ongekroonden Koning van Hongarije.”
De verbazing van Felix laat zich niet beschrijven, en hij drong bij den Maarschalk op naderen uitleg aan.
“Sedert eenige maanden,” vervolgde Zabern, “heb ik een onderneming op touw gezet, die een gezamenlijken opstand van Polen, Hongarije en Czernovië ten doel heeft. Het oogenblik van uitvoering is zeer nabij. Alles is gereed. De Prinses, die aan het hoofd der beweging staat, heeft reeds een verdrag met den leider der Poolsche bondgenooten geteekend. Die twee monniken zijn onze geheime agenten. De eerste is [328] een Pool, die documenten uit het hoofdkwartier der patriotten te Warschau overbracht. De tweede is een Hongaar uit Buda, die belast is met de onderhandelingen met Kossuth. De maskerade van dezen avond werd gehouden om het naderen der Prinses mogelijk te maken, daar geen andere manier de vermoedens der ons omringende spionnen zoo afleidt. De verrader Bora, die op het oogenblik in de balzaal alle dames het hof maakt, vermoedt weinig wat op zoo korten afstand van hem gebeurt.”
“Maar denkt ge dat die drie landen het tegenover de macht van Oostenrijk en Rusland zullen winnen?”
“Ongetwijfeld. Hongarije houdt Oostenrijk in bedwang; Polen en Czernovië bedreigen Rusland, en het lijdt geen twijfel of meerdere Balkanstaten zullen ons te hulp snellen. Bovendien vinden wij een zeer sterken bondgenoot in de omstandigheid, dat Engeland op het punt is Rusland den oorlog te verklaren in Mandschoerije, waardoor talrijke troepen naar de Aziatische grenzen geschoven moeten worden.”
“En het geld?”
“Stroomt ons bij millioenen toe, vooral uit Polen, waar de minste boer zijn laatste kopeke gegeven heeft. Ook de financiëele steun van Finland is niet gering te achten. Ja, het is zelfs vrij zeker, dat ook de Finnen naar de wapens zullen grijpen. Behalve over een sterk leger, beschikken we dus ook over een enorme oorlogskas, wat welbeschouwd de hoofdzaak is.”
“En waar worden die schatten bewaard?”
“In het St. Nicolaas-klooster.”
“Als dan de wet van Lipski er door komt, waarvan [329] ik vanavond hoorde vertellen, zou men zich wel eens kunnen verwonderen over den grooten rijkdom van dat klooster,” merkte Felix op.
“Daar roert ge, zonder ’t te weten, een zeer belangrijke kwestie aan. Oogenschijnlijk richt die wet zich alleen tegen de kloosters in ’t algemeen, maar inderdaad is ze op het St. Nicolaas-klooster in ’t bizonder gericht. De Russisch-gezinden schijnen te vermoeden, dat de monniken van die inrichting nog andere dingen doen dan zingen. Dat ze dit vermoeden hadden opgevat, bleek me uit het tweede deel van den cijferbrief, die nu ook u duidelijker zal worden. Als de beambten, met de taxatie belast, dat klooster binnengaan, zullen ze niet alleen onzen voorraad goud ontdekken, maar bovendien documenten die onze samenzwering aan ’t licht zouden brengen, en meer dan dat: plannen en modellen van Russische vestingen, wapens voor niet minder dan honderdduizend man, springmiddelen en projectielen van de nieuwste vinding, die sinds maanden op allerlei manieren zijn binnengesmokkeld. Vindt men dat alles, dan is natuurlijk bewezen dat Czernovië tegen Rusland complotteert, en het doel van de wet-Lipski is bereikt. Alles moet dus in het werk gesteld worden om de aanneming te verijdelen.”
Op dit oogenblik voegde Elizabeth zich bij hen, en dadelijk daarna naderden twee zwarte domino’s, in wie Zabern den Premier en Dorislas herkende. Men begroette elkaar, en Zabern maakte de Prinses en Felix aan de beide Ministers bekend.
Radzivil zette zich naast de Prinses, Dorislas leunde met over elkaar geslagen armen tegen de [330] balustrade. Naar het scheen waren beide mannen onder den indruk van het in de Kamerzitting verhandelde, en verkeerden ze in een sombere stemming.
“Heeft Uwe Hoogheid het verdrag met Kossuth geteekend?” begon Radzivil.
“Een uur geleden. De Hongaarsche agent is er mee vertrokken.”
“Ik vrees, Prinses, dat op het laatste oogenblik moeielijkheden rijzen. Ge weet wat er in de Kamer is voorgevallen—wanneer we onzen schat verliezen, zijn we zelf verloren.”
“De wet is nog niet aangenomen, Graaf. De Czernovische patriotten hebben de meerderheid in de kamer.”
“Maar zij beseffen de geheime bedoeling niet van de wet! Zij zullen te goeder trouw vóórstemmen! En het zou te gevaarlijk zijn ons geheim aan tachtig personen mede te deelen, hoe goed ze ons ook gezind mogen zijn. Lipski legde heden avond nog eenige statistieken ter inzage, de waarde der schatten in de verschillende kloosters aangevend. Natuurlijk zijn die denkbeeldig—...”
“Omdat,” viel Dorislas in, “Lipski er geen begrip van heeft hoeveel millioenen in het St.-Nicolaasklooster liggen opgehoopt.”
“Juist,” vervolgde Radzivil. “Uit die statistieken volgt, dat de opbrengst der kloosterbelasting gedurende een geheel jaar alle bestaande rijksbelastingen zou kunnen vervangen. Daar is men natuurlijk begeerig op aangevallen. Ook aan onze zijde zal men vrij algemeen vóór de wet stemmen.”
Men zat eenige minuten in zwijgen verzonken, [331] onder den indruk van Radzivil’s woorden. Zou die sluwe Lipski nu opeens aan de zoo schoone verwachtingen der patriotten den bodem inslaan? Zou alles vergeefs geweest zijn? Een sombere, neergeslagen stemming maakte zich van die kleine groep onverzoenlijken meester. Alleen Zabern scheen allen moed niet te hebben verloren; een onmerkbare glimlach speelde om zijn lippen, als zag hij een uitkomst, waar de anderen aan redding wanhoopten. Maar hij verried door geen enkel woord zijn geheime gedachten.
“Kunt Uwe Hoogheid niet weigeren de wet te teekenen?” vroeg Felix.
“Het Charter verplicht mij elke wet te teekenen, die door de Kamer is aangenomen. Wel kan ik in enkele gevallen weigeren, doch dan heeft de Kamer het recht van beroep op de drie toeziende Staten.”
“Kunt ge de Kamer niet ontbinden, en een nieuwe verkiezing uitschrijven?” vervolgde Felix.
“We zouden er niets bij winnen,” zei Radzivil, “hoe de meerderheid ook is, Russisch of Czernovisch—de wet behoudt haar zelfde aantrekkelijkheid.”
Dorislas, die graag Zabern’s middeleeuwsche maatregelen nadeed, stelde voor:
“Laten we doen als Cromwell: op den dag der stemmen worden soldaten achter de zetels der kamerleden geplaatst. Wie niet tegenstemt voelt een bajonet in zijn hals. Ook zouden we enkele leden in de doos kunnen stoppen, totdat de stemming afgeloopen is.”
Elizabeth glimlachte.
“Dat zou de rechte manier zijn om de tusschenkomst der drie Mogendheden te bewerken!”
“Is het niet mogelijk,” opperde Felix, “alle papieren, [332] schatten en wapens in’t geheim weg te voeren?”
“Onmogelijk,” zei Dorislas. “Alle kloosters worden door militairen bewaakt. Dat is een zeer begrijpelijke maatregel, dien ik in Lipski’s geval ook geëischt zou hebben. Hadden de monniken de gelegenheid hun bezittingen in veiligheid te brengen, dan zou de heele wet een dwaasheid zijn.”
Niemand durfde meer een oplossing aan de hand doen, die er trouwens niet scheen te zijn.
“Als de wet wordt aangenomen,” zei Dorislas, “zie ik maar éen weg uit de moeielijkheid. De monniken moeten trachten den een of anderen donkeren nacht het klooster in stilte te verlaten, een langzaam brandenden lont achterlatend, waardoor het kruitmagazijn in de lucht vliegt.”
“En daarmee zou al onze hoop vervlogen zijn!” zuchtte de Prinses.
“Dat zou ’t. Maar bedenk, Hoogheid, wat er gebeuren zou, ook al werden de papieren tijdig verbrand: Rusland zou in het klooster, dat eigenlijk meer een fort en een arsenaal is, een enormen voorraad goud en oorlogsmateriaal vinden. Dat staat evenzeer gelijk met onzen ondergang.”
“Het verwondert me, dat de Maarschalk nog niets gezegd heeft,” glimlachte Elizabeth. “Dat is het zekere bewijs dat hij over een of ander plan denkt. Zeg ons eens, Maarschalk, denkt ge wezenlijk dat er nog iets te redden valt?”
“Ik ben er vast van overtuigd, Hoogheid,” zei Zabern bedaard, en tot groote verrassing der overigen.
“De wet-Lipski zal met groote meerderheid worden verworpen.” [333]
“Wat!” riep Radzivil, ongeloovig, en benieuwd naar het door Zabern aan te geven middel, “en hoe wilt ge dat resultaat bereiken?”
“Wanneer ik dat vertel, is alles al van te voren mislukt. Mijn plan eischt absolute geheimhouding.”
“Zelfs voor de Prinses?” vroeg Elizabeth.
“In de eerste plaats voor de Prinses,” antwoordde Zabern met een eigenaardigen glimlach.
Elizabeth was natuurlijk zeer verwonderd over dit antwoord.
“Ik zal me daarbij neerleggen, Maarschalk, ofschoon u mijn nieuwsgierigheid op een harde proef stelt. Maar u hebt mijn vertrouwen nooit beschaamd—”
“En ik zal ’t ook nu niet doen, Hoogheid.”
“Dan,” zei Elizabeth, terwijl uit de balzaal de muziek van een slepende Hongaarsche wals naar buiten ruischte, “dan mag de Prinses dansen, als Zabern de wacht houdt. Secretaris—uw arm. Ik beloofde u een dans, en ik zal mijn woord houden. Maar wil eerst deze papieren van mij overnemen, Maarschalk; het zou gevaarlijk zijn als ik ze op den dansvloer liet vallen!”
En Elizabeth, den Maarschalk de documenten overhandigend die zij zooeven had ontvangen, ging aan Felix’ arm naar de balzaal.
Dit gunstbetoon aan haar Secretaris deed Radzivil en Dorislas een blik van verwondering wisselen, maar eer zij er verder over konden nadenken, werd hun aandacht getrokken door een rumoer van verscheiden stemmen, dat uit de richting kwam tegengesteld aan die welke de prinses had ingeslagen.
De drie Ministers zagen een groep gemaskerden [334] op zich toekomen, dames en heeren, in fantastische costuums gekleed, en blijkbaar in de vroolijkste stemming, daar ze luid lachten en praatten.
“Wie is dat nu?” vroeg Radzivil, naar een forschgebouwde gestalte wijzend, die als Peter de Groote was gekleed.
“Een barbaar, die een anderen barbaar naäapt,” zei Zabern, den bedoelden persoon herkennend.
“De Hertog van Bora?”
“Juist, en omringd door zijn gunstelingen en satellieten, juichend om het onbetwijfeld succes van Lipski’s wet, waarvan ze den val der Prinses verwachten. Laat ze lachen. Over enkele dagen zullen ze huilen. We zullen onze maskers afdoen en ze aan het praten brengen; ik ben benieuwd wat ze te vertellen hebben.”
Toen de Hertog en zijn vrienden naderden, ontmaskerde het drietal zich. Bora herkende hen en kwam naar hen toe, blijkbaar zich spitsend op de verslagenheid der Ministers.
“Dat is een leelijke knauw voor de Prinses, Maarschalk,” zei de Hertog brutaal, terwijl hij een sigaret opstak. “De wet-Lipski gaat er zeker door.” I
“Door? O heden neen. Niets daarvan!” zei Zabern allervriendelijkst.
“Wat?” riep Bora, onder het gelach van zijn aanhangers. “Denkt u dat ze allemaal zullen stemmen als u? Zelfs de heftigste patriotten zijn er vóor!”
“Zoudt u denken?” vroeg Zabern koeltjes. “Het Huis zal voltallig zijn, honderdtwintig leden. Nu, ik waag me aan de voorspelling, dat er een getal van zeventig leden zal gevonden worden om de wet te verwerpen.” [335]
“Dus met twintig stemmen meerderheid voor het Ministerie?”
“Juist. Twintig stemmen.”
Bora lachte luidkeels.
“Ik zou wel eens willen weten, wat u daaronder verwedden wilt!”
“Elke som die u wenscht te noemen.”
“Ik zet vijfduizend roebels tegen!” zei de Hertog.
“O, Uwe Genade! Als u zoo zeker is van uw slag, geef uzelf dan een grooter kans,” zei Zabern bescheiden.
“Wel, dan verdubbel ik het bedrag. Tienduizend roebels, dat de tegenstemmers beneden de zeventig blijven.”
“Dezelfde som, als het Ministerie geen zeventig stemmen aan haar kant heeft!”
“Aangenomen!”
“Dat zou ik wel graag op papier hebben,” zei Zabern.
Terwijl ten overstaan der wederzijdsche getuigen de overeenkomst op schrift werd gesteld, richtte Radzivil zich op verontwaardigden toon tot den Hertog.
“En u gaat dus een weddenschap aan op een maatregel, waarvan u weet dat hij de Prinses onaangenaam is?”
Bora haalde de schouders op.
“Och, over deze wet kunnen de beste vrienden van meening verschillen. Denk er aan,” zoo wendde hij zich opeens tot Zabern, “dat er niet ondershands gewerkt moet worden om de wet te doen vallen, of mijn weddenschap wordt krachteloos verklaard. Geen omkooperij van de zijde van het Ministerie.”
“Omkooperij laten we aan Lipski over, en aan zijn lastgever Orloff,” zei Zabern. “Of moet ik ’t in het meervoud zeggen: zijn lastgevers?” [336]
Bora maakte even een verschrikte beweging.
“Ge ziet, waarde Hertog,” zei Zabern luchtig, “dat we op de hoogte zijn van wat er achter de schermen omgaat. Orloff trekt aan de touwtjes in zijn paleis te Warsim, en de poppen in de Kamer van Slavowitz dansen. De volgende week zult ge mij aan de touwtjes zien trekken!”
De Hertog werd eenigszins ongerust door de zekerheid waarmee Zabern sprak, en de juistheid waarmee hij scheen ingelicht. Zou die man opnieuw over hem triomfeeren?
“Ge durft heel wat zeggen, Maarschalk,” sprak hij dreigend, “maar ik denk dat ik mijn roebels zal winnen!”
Met deze woorden ging hij heen, door zijn gezelschap gevolgd.
Toen hij weg was, keerde Radzivil zich tot Zabern, en zei verschrikt:
“Het lijkt wel of die Hertog uw beste vriend is! u verraadt hem alles. Hoe durft u zoo openlijk met hem spreken!”
“Omdat ik zoo zeker van mijn zaak ben,” zei Zabern kalm. “En ge weet, ik houd niet van geheimzinnigheid in de politiek. Ja, ik ben zoo zeker van mijn zaak, dat ik de Prinses hedenavond een besluit heb doen teekenen, waarbij de gevangenisstraf, die den Hertog morgen door de rechtbank voor die duelkwestie wordt opgelegd, bij wijze van gratie wordt veranderd in vervallenverklaring van zijn waardigheden als Minister en als Legercommandant. We kunnen nu openlijk optreden. We zijn niet bang meer voor Rusland, en we behoeven den Hertog niet meer te sparen. Ook heeft de Prinses hem heden middag ronduit medegedeeld, dat zij onherroepelijk [337] van een huwelijk met hem afziet. Dat verbaast u, heeren? U zult u nog veel meer verbazen. De 15de September zal de val van Bora zijn.”
“De 15de September?” zei Dorislas. “Dat is immers de kroningsdag van de Prinses?”
“Juist,” antwoordde Zabern, “de kroningsdag van de Prinses, de sterfdag van den Hertog, de bevrijdingsdag van Czernovië.”
Radzivil en Dorislas zwegen verbaasd, zóoveel orakeltaal ging hun verstand te boven. [338]