← Table of contents
Van Schooljongen tot Koning

Het Kroningsduel.

Reading edition

De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.—Het duel begint.—Edelmoedigheid van Felix.—De Hertog wordt doodelijk gewond.

Zij, die de kerk waren binnengekomen in de verwachting een intressante plechtigheid te zien, bemerkten dat de werkelijkheid hun verwachting verre had overtroffen.

Inderdaad had een reeks dramatische tooneelen elkaar opgevolgd, en nog was het hoogtepunt niet bereikt. De troon van Czernovië was afhankelijk geworden van den uitslag van een duel.

Op aanwijzing van den Czaar werd alles voor dat duel in gereedheid gebracht. Men had er een grasveld voor gekozen, dat achter de kerk was gelegen, ingesloten door den grooten, aan de kerk behoorenden tuin, welks zware begroeide hekken den toegang en het inzicht van buiten af beletten.

Het gebouw stroomde weldra leeg; ieder trachtte zich een zoo goed mogelijke plaats te bezorgen. Enkele zetels en banken werden aangesleept; op het grasveld werd met behulp van tusschen palen gespannen [427] touwen een groot vierkant afgezet. Al deze maatregelen namen eenigen tijd in beslag, van welken de ministers gebruik maakten om Felix de hand te drukken en hun spijt te betuigen dat ze hem uit Czernovië verdreven hadden. Ook Rob was het voorwerp van een ovatie; van alle kanten bestormde men de beide helden met vragen, maar het oogenblik was te vol van ernstiger dingen, dan dat zij nu in verklaringen konden vervallen, die even goed tot een volgenden dag konden wachten.

Bovendien werd Felix weldra weggeroepen. Een page meldde hem, dat de Prinses hem wenschte te spreken.

De Hertog, die het bericht hoorde overbrengen, lachte spottend, maar de kalme, ongedwongen manier waarop Felix den page aanhoorde en daarna beloofde te zullen komen, gaf den Hertog en zijn keizerlijken beschermer toch een onwillekeurig gevoel van ongerustheid.

Felix ging naar de woning van den kerkbewaarder, waar hij Elizabeth aantrof, ontdaan van haar zwaren kroningsmantel; het zuivere wit van haar zijden kleed was niet witter dan haar gelaat in dit oogenblik.

Op een teeken van de Prinses gingen de kamervrouwen heen.

“Hoe vreeselijk,” mompelde een van haar onder het weggaan, “dat zulk een edel man sterven moet!”

Elizabeth stond op, maar haar ontroering was zoo groot, dat ze gevallen zou zijn als Felix haar niet in zijn armen had opgevangen, waar zij nu bleef en zich aan hem vastklemde.

“O, Felix, Felix!” mompelde ze, en gedurende enkele minuten kon ze niet anders doen dan dien naam herhalen. [428]

Zou dit een scheiding voor eeuwig zijn? Haar troon, haar macht, haar weelde, haar diplomatieke overwinningen—het was alles niets in vergelijking met haar liefde voor Felix. Hij was haar kostbaarst bezit, en toch—en toch—kon deze omarming de laatste zijn! Binnen een uur kon zijn lijk de kerk uitgedragen worden, en de Czaar zou haar vervallen-verklaring proclameeren, en de troonsbestijging van Bora.

En wat zou het leven zijn zonder Felix!

“Ween niet, Elizabeth,” zei hij zacht. “Deze dag zal de schoonste van ons leven worden.”

Maar Elizabeth dorst het niet gelooven.

“O Felix!” riep ze, “het is zelfzuchtig, het is slecht van me om jouw leven te wagen voor dat barbaarsche duel!”

“Het is nu te laat voor zelfverwijten,” antwoordde hij ernstig. “Ik heb in het openbaar mijzelf als kampioen aangeboden, en zelfs de Prinses zal me daarvan niet terugbrengen.”

“Maar ben je dan zoo zeker van de overwinning?”

“Even zeker als jij ’t over een uur zijn zult.”

“Een uur!” kreet Elizabeth. “Nooit zal ik de kracht hebben zoo lang te wachten. Felix, ik doe afstand—we zullen samen naar een ander land gaan, waar we het geluk zullen vinden. Zeg dat je dit ook wilt! Neem dat duel niet aan! Wanneer je komt te vallen....”

“Dat zal ik niet. Zou ik zoo roekeloos je troon in de waagschaal stellen?”

“Mijn troon!” herhaalde Elizabeth bitter. “Is die het waard, jouw leven er voor te wagen?” [429]

“Ja,” antwoordde Felix beslist. “Zouden we in een zwak oogenblik ons levensdoel opgeven? vluchten als lafaards? een naam achterlaten, beladen met het verraad aan heel een volk gepleegd, dat op ons vertrouwde? Nooit!”

Hij kuste haar, en zacht haar armen van zijn schouders losmakend, verliet hij de kamer.

De Hertog van Bora fronste de wenkbrauwen toen Felix terugkwam. Niemand twijfelde aan den aard van het onderhoud dat tusschen hem en Elizabeth had plaats gegrepen; allen wisten dat hij naar het gevecht ging met de kussen van Elizabeth nog gloeiend op de lippen.

“Als die man er nooit geweest was,” mompelde Bora, “was ik nu Prins-Gemaal.”

“Wees een man, Bora,” sprak de Czaar, “wat niet is, kan komen. Versla dien kampioen, en geheel Europa zal u uw nieuwen titel onbetwist laten.”

Men was gereed.

De voorschriften, volgens welke het duel moest plaats hebben, werden voorgelezen. Bovendien werd den beiden strijders een eed afgevergd waarbij ze verklaarden een rechtvaardige zaak te verdedigen, en hun tegenstander met eerlijke middelen te zullen bevechten.

Er heerschte een gespannen stilte.

Men wist, dat dit gevecht niet eindigen zou zoolang een der strijders nog leefde, en hierin vooral lag de afgrijselijke aantrekkingskracht er van. Een rilling van angstige verwachting ging door de talrijke vrouwen die langs het grasveld stonden opeengedrongen; de mannen, meer koel en kritisch, trachtten den afloop [430] af te leiden uit bouw en uiterlijk voorkomen der tegenstanders.

Op die wijze beschouwd, scheen het voordeel aan de zijde van den Hertog, die een forsche en gespierde lichaamsbouw bezat; Felix was kleiner en tengerder gebouwd, maar daardoor ook leniger en vlugger in zijn bewegingen.

De omstandigheden, waaronder dit duel zou plaats hebben, maakten het eenig in de geschiedenis van Czernovië.

De eene kampioen, Bora, aangevuurd door de tegenwoordigheid van zijn keizerlijken gebieder, den Czaar, vocht om een kroon te veroveren, de andere, Felix, om de hand eener Prinses. Er lag een romantische tint over deze gebeurtenis, die sterk aan lang vervlogen dagen deed denken.

Elk der partijen vertrouwde in het succes van zijn kampioen. De Moscovieten bluften op de dertig duels van den Hertog, uit welke hij steeds zonder een enkele wond te voorschijn was getreden. De Czernoviërs konden zich niet op zulke daden beroemen; de wapenfeiten in de schermzaal waren eertijds niet van algemeene bekendheid geworden, en de zekerheid, dat de vreemdeling van toen dezelfde persoon was als de gestorven gewaande zoon van den laatsten President, die nu voor hen stond, was nog slechts tot enkelen doorgedrongen. Rob had namelijk ten slotte geen weerstand kunnen bieden aan de vele vragen, waarmee men hem bestormde, en in ’t kort iets van Felix’ en zijn eigen wedervaren verteld. Hoe het zij, de Czernoviërs hadden toch vertrouwen in hun kampioen, want de rustige, vastberaden wijze, waarop hij [431] den handschoen had opgeraapt, had hen ontzag ingeboezemd. En meer dan woorden ’t konden doen, had de wilde vreugde, die op het gelaat van Zabern verschenen was bij die handeling, hun vertrouwen versterkt. Felix’ koele, fonkelende blik, zijn dichtgeknepen lippen en zijn onverschrokken uiterlijk bewezen dat hij een gevaarlijk tegenstander zou zijn.

De beide mannen ontdeden zich van hun jas, en ontvingen ieder een sabel, nadat men zich overtuigd had dat de beide wapens in niets van elkaar verschilden.

Intusschen was het nieuws ook tot de menigte daarbuiten doorgedrongen, en de opgewonden kreten der zich bij de kerk verzamelende bevolking vormden een zonderling contrast met de doodsche stilte, die in de onmiddellijke omgeving der strijders heerschte.

Op het platte dak der kerk kon men twee mannen zien staan; zij hadden twee vlaggen, een witte en een zwarte, aan den voet van den vlaggestok gelegd. De oogen van heel het volk waren op dien stok gevestigd, want het was bekend geworden dat het hijschen van de witte vlag de overwinning van den kampioen der Prinses zou aankondigen, terwijl de zwarte zijn nederlaag zou melden.

Het oogenblik was gekomen.

Op een teeken van den Czaar salueerden de duellanten eerst elkaar en daarna de aanwezigen. Toen kletterden de sabels tegen elkander.

De voorbereiding had zoolang de toeschouwers in spanning gehouden, dat het begin van den strijd inderdaad voor allen een verlichting was.

Een huivering voer door de menigte. Vijfduizend [432] paar oogen waren op die twee mannen gericht. Een bliksemstraal had de heldere lucht kunnen doorklieven, een aardbeving de kerk doen instorten—niets zou de aandacht van hen hebben kunnen afleiden.

Zabern, die graag een goede partij zag schermen, keek met onverholen blijdschap toe, zeker als hij was van den uitslag.

De Czaar was eveneens in zijn element, en zat voorovergebogen toe te kijken, met de handen op het gevest van zijn zwaard geleund, even vol vertrouwen in de overwinning van Bora als Zabern het was in die van Felix.

De Hertog, brandend van verlangen om zich in de oogen van den Czaar te onderscheiden, en blijkbaar het gevecht in den kortst mogelijken tijd willende beslissen, viel zoo onstuimig op Felix aan, dat deze niets anders kon doen dan zich verdedigen. Zoo machtig viel Bora’s kling neer, dat Felix’ arm bij iederen slag trilde, zoo snel was zijn houw, dat Felix dien dikwijls slechts op enkele millimeters afstand van zijn schedel kon afweren. Het oog kon nauwelijks de beweging der sabels volgen, zulke bliksemsnelle kringen beschreven ze in de lucht.

De Hertog drong zijn tegenstander steeds meer achteruit, zoodat deze bijna de omheining van het afgezette terrein had bereikt.

De Czernovische toeschouwers zagen angstig toe; dit wijken was een slecht teeken.

“Onze kampioen is lang niet meer zoo sterk als toen we hem in de schermzaal zagen,” zei Radzivil verschrikt.

Bora’s armen sloegen met een wilden zwaai omhoog. (pag. 437.)
Bora’s armen sloegen met een wilden zwaai omhoog. (pag. 437.)

Bora’s armen sloegen met een wilden zwaai omhoog. (pag. 437.)

“Bah! mijn beste Radzivil,” zei Zabern vol vertrouwen, [433] “zie je niet dat hij den Hertog uitput? Bora is dom met zoo z’n kracht te verspillen. Dit is te hevig dan dat ’t lang kan duren. Ah! wat zei ik je? Het eerste bloed is voor ons!”

De Hertog was een oogenblik te roekeloos geweest, en had van Felix een steek in de zijde ontvangen die enkele millimeters diep was. Dit was zoo vlug geschied, dat bijna niemand ’t had gezien, ofschoon allen toekeken.

“De Hertog is gewond!”

“Hij is niet gewond!”

De twijfel verdween, toen zich op Bora’s wit hemd een kleine roode vlek vertoonde, die zich langzaam uitbreidde.

Zabern glimlachte boosaardig bij het zien van den woedenden Hertog, die wel een stier in een Spaansche arena leek, wiens huid door de eerste banderillo wordt doorboord. Hij keek tegelijk verwonderd en ongeloovig, niet begrijpend hoe zoo iets hem gebeuren kon.

Dit was de eerste wond die hij als duellist ooit bekomen had, en zijn gevoel van overmacht was door die omstandigheid meer geknakt dan de pijn het doen kon. Maar weldra herstelde hij zich, en het gebeurde deed hem dubbel op zijn hoede zijn.

Het behendig gebruik dat Felix van een onachtzaamheid van zijn tegenstander had gemaakt, wekte het vertrouwen der patriotten in verhoogde mate op, tegelijkertijd een gevoel van verslagenheid bij de Moscoviten teweeg brengend.

De Hertog ging nu omzichtiger te werk, en zoo ontstond een waarlijk schitterende tentoonspreiding van schermkunst, die ieders bewondering wekte. [434]

Elke beweging der klingen werd met vreezen en beven waargenomen, vooral door de Czernoviërs, die wisten dat dit gevecht tusschen vrijheid en despotisme zou beslissen.

Vele der aanwezige dames, die het gevecht nauwelijks durfden aanzien, verborgen haar gelaat in de handen, om het dan weer, door een verschrikkelijke nieuwsgierigheid gedreven, naar het tooneel van den strijd te keeren. Sommigen zagen toe met den zakdoek voor den mond gedrukt, om de angstkreten te smoren die de duellanten gehinderd zouden hebben. De vreeselijke ontroering deed er verscheidenen flauwvallen.

Er scheen een wending ten gunste van Felix te ontstaan. Hij begon den Hertog, wiens kracht slonk, achterwaarts te dringen. Opeens, toen de Hertog zich sterk op zij boog, om een slag te ontgaan dien hij niet had kunnen afweren, verloor deze het evenwicht en viel, terwijl Felix hem op hetzelfde oogenblik het zwaard uit de hand sloeg.

En daar lag hij, op een knie geleund, weerloos, overgeleverd aan de genade van zijn tegenstander.

Felix’ gevoel van ridderlijkheid weerhield hem den noodlottigen slag toe te brengen.

“Ik vermoord geen ongewapende,” zei hij.

“Wat een dwaasheid is dit!” riep Zabern, toornig opspringend. “Spaarde hij uw broer? Zou hij u sparen als gij daar in zijn plaats lag? Het is nu geen tijd om edelmoedig te zijn. Sla toe!”

Bora bewoog zich niet; sprakeloos van schrik wachtte hij zijn einde af.

Maar Felix bleef weigeren. [435]

“Doodt hem, doodt hem! Sla toe!” riepen de Czernoviërs.

De tuin weerklonk van woedende kreten. Zelfs zachtmoedige vrouwen, door de opwinding van het oogenblik meegesleept, deelden in de dreigende kreten der mannen. Om zich heen ziende, ontwaarde Felix niets dan een zee van wuivende handen en hoorde hij slechts stemmen die hem aanmoedigden tot den laatsten slag.

“Genade mag niet verleend worden!” riep een stem.

“Het duel is op leven en dood!” riep een ander.

Maar Felix bleef onbewegelijk. Vechten wilde hij—moorden niet.

De Czaar maakte van deze gelegenheid gebruik om de autoriteit van zijn woord in de schaal te werpen, en op zijn voorstel herkreeg de Hertog zijn sabel, en begon het duel opnieuw.

De Russischgezinden herademden. Hun kans was weer vergroot.

“Het is een schande,” mompelde Zabern. “Nu heeft hij nieuwe kracht opgedaan.”

Gedurende dit intermezzo had Bora meer dan eens den Czaar aangekeken, als smeekend om diens tusschenkomst. Maar de Keizer zat onbewegelijk als een beeld, en deed of hij de zwijgende vraag niet verstond. Hij wilde dit zoo zorgvuldig ineengezet plan, om de Prinses uit den weg te ruimen, niet zoo gemakkelijk laten varen. Ook al zou de Hertog er het slachtoffer van worden. Wee den man, die den Czaar in zijn val meesleept! Bora’s hart kromp ineen bij het zien van ’s Keizers onbewegelijk gelaat.

De strijd ging nu zijn laatste beslissende periode in. [436]

Er was geen twijfel meer; alle aanwezigen wisten dat het nog slechts een kwestie van tijd was die hier uitgevochten werd.

En de Hertog wist dit het best van allen. Zijn zelfvertrouwen begaf hem. Hij streed niet meer voor een kroon—hij streed voor zijn leven.

Hij deed geen poging om Felix aan te vallen. Waarom zou hij ook? Hij kon niet meer doen dan hij gedaan had. Telkens en telkens had hij zijn tegenstander trachten te bereiken, en met een enkel sierlijk gebaar had deze elken houw afgeweerd. Er was geen mogelijkheid meer om den dood te ontsnappen, tenzij Felix een onvoorzichtigheid beging, die van zijn vaste hand en zijn scherp oog moeielijk te verwachten viel.

Meer en meer werd Bora achteruit gedrongen, totdat zijn rug ten laatste het koord raakte waarmee het veld was afgesloten; toch zou hij nog verder moeten wijken wilde hij de sabelpunt ontgaan, die, snel en doodelijk als de tong van een slang, onophoudelijk op enkele centimeters van zijn gezicht en zijn borst glinsterde.

Zijn krachten vloeiden snel heen; zijn arm was uitgeput door het voortdurende afweren; hij snakte er naar het zwaard weg te werpen en om genade te smeeken. Het was een verschrikkelijk schouwspel.

Terwijl de zweetdruppels hem het gezicht benamen, worstelde hij steeds voort, totdat ten slotte het eind kwam.

Met een laatste wanhopige poging hief hij den arm hoog op om Felix een slag op het hoofd toe te brengen, waarvoor hij al de hem gebleven spierkracht [437] verzamelde. Maar snel als de gedachte maakte Felix gebruik van het doel, dat Bora’s breede, onbeschermde borst nu aanbood; den sabel horizontaal vooruitbrengend, bracht hij den Hertog een steek toe die de borst doorboorde en, onder den linkerschouder door, in den rug uitkwam.

Bora’s armen sloegen met een wilden zwaai omhoog, zonder den slag te hebben toegebracht; zijn sabel viel rinkelend op den grond; hij uitte slechts een zucht, en toen gleed zijn lichaam als een vormlooze massa op den grond.

“Nu, er is mooi gevochten!” zei Zabern.

Een daverende triomfkreet steeg uit de rijen der Czernoviërs op, eenige seconden later door een geweldig juichen van de buitenstaande bevolking gevolgd, toen de witte vlag langs den stok omhoog gleed, de overwinning van Elizabeth’s kampioen verkondigend. [438]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings