← Table of contents
Van Schooljongen tot Koning

De verrader.

Reading edition

Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren kennen.—Wat de gezant te Petersburg schreef.—Een verrader onder de Ministers.—Russakoff is ontsnapt!

In een der vertrekken van het paleis zaten Graaf Radzivil en Maarschalk Zabern.

De beide Ministers zouden de Prinses den inhoud van een belangrijk telegram mededeelen, dat zoo juist van den Czernovischen ambassadeur te St. Petersburg was ontvangen, en wachtten slechts tot zij bij de Prinses zouden toegelaten worden.

Ladislas Zabern was een man van een kranig militair voorkomen, als uit eikenhout gesneden en met ijzer beslagen. Moed stond op zijn gelaat gestempeld. Ofschoon drie-en-vijftig jaar oud, had hij niets van de voortvarendheid der jeugd verloren. Evenals Radzivil vertegenwoordigde hij in het Kabinet den overgang tot het russicisme; maar meer dan zijn ambtgenoot, die voorzichtiger en plooibaarder was, verdacht men hem van oud-Czernovische sympathieën, [194] en de Russische regeering zocht reeds naar redenen om hem te vervangen. Inderdaad was hij door zijn krachtige persoonlijkheid de leider van het Kabinet, terwijl Radzivil slechts Premier in naam was.

Radzivil, praatziek als gewoonlijk, vertelde den Maarschalk het gebeurde tusschen den Hertog en den Hollander.

“Uitstekend!” zei Zabern. “Dat duel moet doorgaan. Het kan niet anders dan in het belang van den Staat zijn.”

“Maar....” protesteerde de Graaf verbaasd, “dat gaat toch niet! De overige Ministers zijn er evenals ik van overtuigd, dat de Prinses tusschenbeiden moet komen!”

“Graaf,” zei Zabern op bevelenden toon, “dat duel moet doorgaan. Het begin van voor het land nuttige verwikkelingen kan er het gevolg van zijn. En denk er aan: geen woord hierover aan de Prinses!”

Voor de Premier kon antwoorden, weerklonk een zilveren klokje uit de audiëntiezaal, ten teeken dat de Prinses gereed was haar bezoekers te ontvangen.

De vleugeldeuren werden wijd opengeworpen.

De twee Ministers gingen de Witte Zaal binnen, die zoo genoemd werd daar al het houtwerk wit verlakt, en alleen met smalle gouden biezen afgezet was.

Aan een tafel zat de Prinses, en noodigde de Ministers tot plaatsnemen uit.

Zabern was in ’t bizonder haar gunsteling, en hij van zijn kant was gereed zijn leven te offeren voor de belangen van zijn meesteres, zij het ook dat hij [195] deze gevoelens nooit in het openbaar ten toon spreidde. Hij was een sterk, hoewel stilzwijgend tegenstander van Elizabeth’s toekomstig huwelijk met den Hertog, zoowel omdat hij er uit een politiek oogpunt een onheil in zag voor den Staat, als wat betreft de ongelijkheid van zulk een paar, die niet anders dan tot een zeer ongelukkig huwelijk zou kunnen leiden.

Daarom wilde Zabern alles doen om zulk een vereeniging te voorkomen, en het scheen hem toe dat deze dag zijn plannen begunstigde.

“U komt op een ongewoon uur, heeren,” begon de Prinses. “Waarschijnlijk hebt ge dus belangrijke berichten?”

“Onze gezant te St. Petersburg,” antwoordde de Premier, eenige papieren uit zijn portefeuille nemend, “meldt dat enkele dagen geleden de Czaar op een hofbal in het Winterpaleis naar hem toe kwam, en op strengen toon—klaarblijkelijk opdat iedereen het hooren zou—uitriep:

“Is het waar, meneer, dat de Czernovische Regeering nog steeds niet voldoende gezuiverd is van weerspannige elementen? Dat de Prinses zelfs onbewimpeld te kennen durft geven, alleen uit eigen vrije beweging een huwelijk te zullen aangaan?”

“Ik heb mij nooit openlijk in dien geest uitgelaten,” merkte Elizabeth op. “Waarschijnlijk was dit slechts een zijdelingsche poging om van mijn gezindheid op de hoogte te komen. En wat antwoordde de gezant?”

“Natuurlijk, dat hij omtrent de persoonlijke gevoelens der Prinses niet was ingelicht, en de vraag niet zonder nadere instructies uit Slavowitz kon beantwoorden.” [196]

“Wat zei de Czaar hierop?”

“Dat hij een gezantschap zou afvaardigen, om de Prinses aan de besluiten van het Petersburger Congres en alle daar uit voortgevloeide nadere regelingen te herinneren.”

“We zullen dat gezantschap gastvrij ontvangen,” zei Elizabeth met een glimlach.

“Uwe Hoogheid beschouwt de zaak wat luchtig,” vervolgde Radzivil. “Mijns inziens zal het nuttig zijn als men te St. Petersburg ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van uw gevoelens. Bij uw komst aan de regeering hebt ge de gedenkwaardige woorden gesproken, dat het landsbelang boven uw persoonlijke neigingen zou gaan. Welnu, het landsbelang eischt, wil Czernovië niet onverbiddelijk bij Rusland ingelijfd worden, uw huwelijk met Prins Alexander, Hertog van Bora. Ik geloof, dat u wel zoudt doen, in die noodzakelijkheid niet alleen te berusten, maar van die berusting het gezantschap ten duidelijkste te doen blijken.”

“Het is de vraag of Czernovië’s belang dit huwelijk eischt, Graaf Radzivil,” antwoordde de Prinses. “In elk geval ben ik niet van plan het gezantschap, noch wie ook, op dit punt eenige beloften te doen. Zeker, ik ben door de bestaande bepalingen gebonden, geen huwelijk aan te gaan zonder toestemming van den Czaar...”

....“Het is echter zeer de vraag,” vulde Zabern aan, “of daaruit ook volgt dat men u tegen uw wil tot een bepaald huwelijk dwingen kan. Dit is de oude kwestie, die tusschen u, Prinses, Graaf Radzivil en mij meermalen een punt van bespreking heeft [197] uitgemaakt. In deze dagen is ze meer dan ooit van gewicht. Men zal in Europa, waar de verontwaardiging over het in Zuid-Afrika gepleegde onrecht zeer groot is, niet ten tweede male werkeloos den ondergang van een Oud-Hollandsche republiek willen aanzien. Wij kunnen een beroep doen op de beslissing der Mogendheden, die trouwens belang er bij hebben uitbreiding van Russisch grondgebied tegen te gaan. Het is de vraag of een rechtskundige uit de bestaande regelingen ten opzichte van Czernovië, niet weet te bewijzen dat de Prinses volstrekt niet tot een huwelijk gedwongen kan worden.”

Radzivil, de voorzichtige, schudde bedenkelijk het hoofd. Hij zag vol zorg nieuwe verwikkelingen tegemoet.

Na een korte tusschenpoos van stilte, zei de Prinses, de wenkbrauwen fronsend:

“Wij hebben onze plannen omtrent een stelselmatig verzet tegen dat huwelijk steeds stipt geheim gehouden. Noch van u, Maarschalk, noch van u, Graaf, kan ik onvoorzichtigheid in dit opzicht veronderstellen. Hoe kan het mogelijk zijn, dat hieromtrent den Czaar iets ter oore is gekomen?”

De twee Ministers zag elkaar veelbeteekend aan.

Radzivil antwoordde:

“Onze vermoedens daaromtrent zijn van zoo onaangenamen aard, dat wij ze tot nog toe Uwe Hoogheid niet hebben meegedeeld, hopend dat ze gelogenstraft zouden worden. Maar tevergeefs. We kunnen niet langer blind zijn voor het feit, dat er een verrader in onze omgeving, in het Kabinet zelf misschien is.”

“Een verrader!” riep Elizabeth uit.

“Met tegenzin zijn wij tot deze conclusie gekomen. [198] Geheimen die in den Ministerraad werden behandeld, zijn aan de raadslieden van den Czaar overgebracht. De brieven van onzen gezant laten daaromtrent niet den minsten twijfel. Wel is waar kunnen wij van een gedeeltelijk door Rusland beïnvloed Ministerie geen anti-Russische politiek verwachten, maar wel mogen we van alle leden der Czernovische Regeering eerbiediging eischen van staatsgeheimen, hoe ook hun persoonlijke gevoelens zijn mogen.”

Daarna las de Minister verscheiden uittreksels voor om zijn bewering te staven.

“Een van mijn Ministers voert dus een geheime briefwisseling met den Czaar,” riep Elizabeth verachtelijk. “Wie is de verrader?”

En daarna de beide Ministers beurtelings scherp aanziend, vervolgde zij:

“Wien verdenkt ge, heeren?”

De Premier antwoordde:

“Ik weet volstrekt niet op wien ik de verdenking zou moeten doen vallen.”

Maar Zabern glimlachte onmerkbaar, alsof hij met Radzivil’s onnoozelheid spotte.

Elizabeth zag hem aan, en vroeg:

“Verdenkt u iemand, Maarschalk?”

“Ja, Hoogheid,” antwoordde Zabern kort en beslist.

“Zijn naam?” vroeg de Prinses snel.

Maar Zabern antwoordde niet dadelijk.

“Ik zou er de voorkeur aan geven mijn vermoedens tot volkomen zekerheid te brengen eer ik ze uitspreek, Hoogheid.”

“Dat eerbiedig ik volkomen,” sprak de Prinses, “en toch...” [199]

“Uw geduld zal niet op al te zware proef worden gesteld, Hoogheid,” vervolgde Zabern. “Mijn spionnen volgen de bewegingen van den verrader reeds. Meer zelfs: zijn handlanger heb ik in de Citadel achter slot en grendel.”

“Meent ge Russakoff?” vroeg Radzivil.

“Ja. Ik ben overtuigd, dat hij de tusschenpersoon is in deze verraderlijke briefwisseling. Zijn eenzame opsluiting op water en brood zal zijn tong wel los maken.”

“Ik maak u opmerkzaam, Excellentie,” zei de Prinses, “dat ik niet den minsten schijn van dwangmiddelen duld. Ik verzoek u, bevelen te geven, dat die man op denzelfden voet als andere gevangenen behandeld wordt.”

Zabern boog zwijgend het hoofd, doch veroorloofde zich daarna met een lichten glimlach op te merken:

“De gevangene is een Rus, Hoogheid... Hij zal zich zelfs nog verwonderen over de zachte behandeling die hij ondervindt.”

“U hebt mijn verlangen begrepen, niet waar?” vroeg Elizabeth, het hoofd fier opgericht en met dien gebiedenden blik, aan welks invloed zelfs een man als Zabern niet ontkwam. Daarna voegde ze er zachter en met een glimlach aan toe:

“Nu en dan spreekt het Poolsche bloed, Maarschalk! Ik zal u toch niet van Russische sympathieën moeten verdenken?”

“Wanneer het zoover is, Hoogheid,” antwoordde Zabern, eveneens lachend, “dan zal ik, als Minister van Justitie, de eerste zijn die den verrader Zabern in de Citadel doet opsluiten!”

“Zoover zal het wel nooit komen,” schertste de [200] Prinses. Maar daarna plooide haar gelaat zich weer tot ernst, en ze vervolgde:

“Wat denkt ge dus met dien man te doen?”

“Hij was in het bezit van een cijferbericht, Hoogheid. Voorloopig zullen we afwachten of het uw Secretaris gelukt den sleutel te vinden.”

Men sprak nog eenige oogenblikken over onverschillige zaken; daarna gaf de Prinses te kennen, dat zij de audiëntie wenschte op te heffen.

“Maarschalk,” zeide Radzivil bij ’t verlaten van het paleis, “wat hebt ge toch voor reden om dat duel te doen doorgaan? Wilt ge dan met alle geweld mijn plan betreffende het huwelijk der Prinses tegengaan?”

“Juist. Dat is mijn doel. De Prinses zal zeer zeker verontwaardigd zijn, te zien dat haar toekomstige Gemaal zich boven de wet stelt. Zij zal daar stof tot verwikkelingen uit kunnen putten, die mijn plannen begunstigen. De Hertog is in mijn net geloopen, zooals ik wel verwachtte.”

“Welk net?”

“De Wet tegen het Duel. Waarom deed ik zoo mijn best die aangenomen te krijgen?”

“Om de Prinses een genoegen te doen.”

“Gedeeltelijk; maar meer nog omdat ik er een middel in zag om den Hertog te vangen. Ik wist wel, dat hij geen maand zonder een duel kan blijven, en dat hij zichzelf boven de wet verheven acht. En mijn plan is geslaagd. Vandaag zal de Hertog op de sabel duelleeren. Het is mogelijk dat ze elkaar dooden; zoo niet, dan zijn er twee dingen mogelijk: de Hollander doodt den Hertog, wat voor Czernovië een zegen zou zijn, of—” [201]

“Of, wat meer waarschijnlijk is, de Hertog doodt den Hollander.”

“Dat zou jammer zijn, omdat de Hollander, zooals ge me verteld hebt, een flinke kerel schijnt te zijn. Maar—in dat geval zal de Hertog, overeenkomstig de wet, terecht moeten staan wegens moord.”

Radzivil stond verbluft. Zóo ver had hij zich nog niet eens in de zaak ingedacht.

“En als de Prinses zich aan de letter van de wet houdt,” vervolgde Zabern met onwrikbare koelbloedigheid, “dan zal ze—vol eerbied voor de wetten, zooals ge weet—haar toekomstig Gemaal tot gevangenschap en verbanning buiten het grondgebied van den Staat veroordeelen.”

“Goede hemel!” riep de Premier.

“Mijn stelsel werkt mooi, niet? Dat was ook mijn bedoeling.”

“Maar dat zal niet gebeuren! De Prinses moet tusschenbeiden komen en dat duel verbieden. Ik ga dadelijk terug en zal haar inlichten.”

“Halt!” zei Zabern ernstig. “Laat de Hertog zijn dwaasheden bot vieren. Wat denkt ge—zouden gij en ik onze portefeuilles lang behouden als Bora den troon kwam deelen?”

Ze waren nu buiten het park gekomen, dat het Paleis omringde. Een ordonnans stond aan het hek, en meldde den Maarschalk dat hij een bericht had over te brengen.

“En wat is dat, Nikita?

“Maarschalk, de spion Russakoff is uit de Citadel ontsnapt.”

“Vervloekt! Daar zal de wacht voor boeten!” [202]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings