← Table of contents
Van Schooljongen tot Koning

Felix en Elizabeth.

Reading edition

Felix wordt bij de Prinses ontboden.—Het weerzien.—Wederzijdsche ontboezemingen.—Felix wordt tot Secretaris benoemd.—

Na eenige uren rust genoten te hebben, stond Felix op, van plan om naar het hotel terug te gaan en met Rob nader het cijferschrift te bekijken. Juist toen hij echter Rob wekken wilde, werd er aan de deur geklopt, en werd hem bericht, dat de Prinses, vernomen hebbende, dat de vreemdeling die bij den dood van haar Secretaris aanwezig was, zich in het Paleis bevond, hem in een particuliere audiëntie wenschte te ontvangen.

Felix begreep, dat deze audiëntie geen zeer officiëel karakter zou behouden, en hij voelde een diepe ontroering bij de gedachte dat hij binnen enkele oogenblikken met Elizabeth alleen zou zijn. Hij hield zich tegenover den lakei echter goed, en maakte eenige bedenkingen wat betrof zijn toilet, vragend of er tijd was om zich in het hotel te gaan verkleeden. De lakei deelde hem evenwel mee, dat de Prinses, [255] de omstandigheden begrijpend, genoegen zou nemen met de kleeding die de bezoeker op dit oogenblik aanhad.

Felix werd nu naar een vertrek geleid, waar een kamerheer hem opwachtte, die het noodig oordeelde hem in te lichten omtrent de etiquette, waaraan hij zich te houden had, namelijk dat hij behoorde te blijven staan zoo hij niet tot zitten werd uitgenoodigd; dat hij slechts de vragen te beantwoorden had die hem gedaan werden en overigens uit zichzelf geen opmerkingen mocht maken; dat hij eerst kon heengaan als de Prinses het teeken daarvoor gaf, en dat hij het vertrek achterwaarts behoorde te verlaten, met het gezicht naar de Prinses gericht.

Felix hoorde hem geduldig aan, en moest onwillekeurig glimlachen als hij dacht aan de wijze waarop hij deze voorschriften ten uitvoer zou brengen. Ook trof hem het eigenaardige verschil in zijn verhouding tot Elizabeth, als hij den tegenwoordigen toestand vergeleek bij dien van enkele jaren geleden: toen waren ze beiden zorgelooze kinderen, die elkaar liefhadden, en dacht hij slechts vaag aan de mogelijkheid dat hij eenmaal zijn vader in diens hooge betrekking zou kunnen opvolgen; nu was hij een zwervend avonturier—zij Prinses van Czernovië, geroepen om over enkele jaren een koningstroon te bestijgen! En wie zou zeggen, welke wonderbaarlijke veranderingen de toekomst nog voor hen verborgen hield?

Toen Felix het Witte Salon binnentrad, zag hij Elizabeth aan een schrijftafel zitten, met een potlood aanteekeningen makend op een stapel voor haar liggende papieren. Ze had een ivoorkleurige satijnen [256] japon aan met een overkleed van witte tulle, dat schitterde van zilveren borduursels. Klaarblijkelijk was ze in een zenuwachtigen toestand. Het potlood beefde in haar vingers. Ze keek niet naar Felix, maar hield de oogen op de papieren voor haar gericht.

Nauwelijks was de kamerheer verdwenen, of ze stond op en snelde op Felix toe. Hij breidde de armen uit en sloot haar aan zijn borst. Eindelijk hadden ze elkaar dan wedergevonden!

Toen de eerste vreugde van het wederzien voorbij was, zei Elizabeth:

“Ga daar zitten. En laten we voorzichtig zijn. In dit Paleis hebben de muren ooren. Vertel me nu: hoe kom je hier? waar heb je dien tijd van onze scheiding doorgebracht?”

Felix deed nu het geheele verhaal. Hoe hij met De Vogel had rondgezworven, de inrichting van het luchtschip in dien tijd steeds verbeterend, en het juiste tijdstip afwachtend om in Czernovië zijn slag te slaan; hoe hij Rob had leeren kennen, en hoe deze zich aan hem had gehecht; hoe De Vogel was verongelukt en hij een oogenblik gevreesd had alle hoop te moeten opgeven; hoe het geluk hem echter gediend had en hij den weg meende gevonden te hebben die naar het doel kon leiden. Kortom, Felix bracht Elizabeth geheel op de hoogte, verhaalde ook dat zijn overige lotgenooten in Turksche gevangenschap verkeerden, maar dat het voor ’t oogenblik verstandig leek geen pogingen tot hun bevrijding in ’t werk te stellen, hoe hard hun lot ook was. Voorloopig was het beter dat men hen allen, vurige vaderlanders, voor dood bleef [257] houden; nu zij hun sterkste wapen, De Vogel, verloren hadden, was hun kracht meer in een voorzichtig en bedekt optreden te vinden.

Elizabeth bracht hem, voor zooveel noodig, op de hoogte van den politieken toestand. Die was ongetwijfeld zeer moeielijk. Het aantal vreemdelingen in Czernovië vormde verreweg de minderheid en voor ernstige binnenlandsche onlusten behoefde geen vrees te bestaan. De betrekkingen tot het buitenland, vooral die tot Rusland, waren echter zeer gespannen. De Czaar wenschte beslist, dat Elizabeth den Hertog van Bora zou huwen; hij had geduld, hij kon wachten, wilde zelfs niets liever dan den schijn bewaren dat Elizabeth uit zichzelf tot dit huwelijk had besloten—maar zoo Elizabeth den toestand al slepende trachtte te houden, rekenend op Rusland’s geduld, begreep ze toch dat dit spel hoogstens een jaar te spelen zou zijn. Dan zou de Czaar niet aarzelen door dwang te verkrijgen, wat men hem goedschiks niet geven wilde. En in deze moeielijke omstandigheden had ze een Kabinet naast zich, dat uit zeer verschillende bestanddeelen was samengesteld, waarvan ze slechts enkele leden geheel durfde vertrouwen. Op Zabern was al haar hoop gebouwd. Wel werd deze door andere beweegredenen geleid dan zij, maar zijn aanhankelijkheid was onverdacht. En eigenlijk was met Zabern de eenige Minister genoemd, op wiens politiek, zoowel tegenover binnen- als buitenland, zij geheel vertrouwen durfde; Radzivil, de Premier, hoewel ongetwijfeld de Prinses zeer toegedaan, was geen krachtige figuur, meer hoveling dan staatsman; Ravenski, te laf om verraad in het groot te plegen, werd zoozeer door zijn eigen belangen en [258] begeerten gedreven, dat hij nooit iets voor anderen zou kunnen beteekenen; de Hertog—nu, diens Russische gezindheid was onverdacht; en wat de overigen aangaat—meerendeels twijfelaars, mannen wier Ministerschap hun ijdelheid bevredigde, en die niet graag openlijk partij kozen in een zaak die hun gevaarlijk kon worden. Ten slotte vertelde Elizabeth nog van de onvoorzichtigheid die ze eens begaan had, aan Paul te vertellen hoe ze altijd hoopte een middel te vinden om haar huwelijk met Bora te verijdelen, en op welke wijze Ravenski van die bekentenis misbruik had weten te maken. Hij was dus de eenige die haar geheim kende, want—al steunden ook Radzivil en Zabern haar plannen, geheel uitgesproken had ze die tegenover hen nooit. In zoover kwamen nu echter Felix, Zabern en zij zelf overeen, dat de Hertog op de een of andere, mits wettige, wijze op zij geruimd moest worden; daarin lag althans een middel om de onderhandelingen met Rusland langer slepende te houden. En de omstandigheden hadden een begin van uitvoering aan dit plan gegeven, al waren op het oogenblik de gevolgen die er uit zouden voortkomen, nog niet geheel te overzien.

“Voor jou te kunnen leven en voor mijn volk!” zei Elizabeth, “ziedaar de illusie die ik verwezenlijkt hoop te zien!”

Toen kwam het gesprek op Paul en zijn treurigen dood.

“Een verschrikkelijke gebeurtenis is dat,” zei Elizabeth bewogen. “Je was getuige van den moord, vertel me alles er van!”

Felix deed het geheele verhaal, dat, op zichzelf [259] reeds droevig, nog pijnlijker voor Elizabeth werd door de gedachte, dat het ongeval zoo spoedig nadat zij hem als secretaris ontsloeg, plaats gegrepen had. De ontroerde uitdrukking van zijn gelaat, waarmee hij haar beslissing had vernomen, zou nooit uit haar herinnering gaan. Ze gevoelde het verlies diep, te meer daar hij niet alleen haar trouwe helper, maar ook haar trouwe vriend was geweest; en langen tijd zat ze met Felix over hem te spreken, over zijn aanhankelijkheid en zijn uitstekende diensten.

“Ik zal een nieuwen Secretaris moeten benoemen,” zei ze. “Felix—jij moet zijn plaats innemen. Wil je dat?”

Geen betrekking kon hem meer aanlokken dan die; hij zou er door in dagelijksch gezelschap van Elizabeth zijn. Maar hij voelde toch ook de bezwaren ervan.

“Zal die benoeming geen aanstoot geven?”

“Waarschijnlijk wel; aan sommigen ten minste. Maar ik kan daarmee geen rekening houden. Het Czernovische deel der bevolking keurt al wat ik doe onvoorwaardelijk goed; de Russischgezinden zullen natuurlijk de noodige tegenwerpingen maken. Maar wat hindert dat!”

“Men zal ’t verdacht vinden, dat je mij kiest, een vreemdeling, dien je gisteren voor het eerst zag.”

“Het ambt van Particulier Secretaris is geen officieele betrekking; de keuze van den persoon is geheel aan mij. Het kan heeten dat ik, juist om beide partijen tevreden te stellen, een vreemdeling kies, en dat jij daartoe in aanmerking kwam omdat je getoond hebt, mijn belangen te behartigen.”

Felix voelde zich nog niet geheel gerustgesteld, [260] maar hij zag toch te veel voordeel in het plan om er niet op in te gaan.

“Welnu, Hoogheid,” zei hij schertsend, “ik neem de benoeming aan!”

“Dat is goed! Je zult zien, dat het minder verbazing zal wekken dan je denkt. Men is hier aan vreemde dingen gewoon, en men weet bovendien dat ik doorgaans doe wat ik zelf wil. En nu moeten we onze maskers weer opzetten en onze rol behoorlijk spelen, want ik zal den Maarschalk Zabern doen roepen, opdat hij mijn besluit verneemt.”

Elizabeth gaf orders den Maarschalk te doen ontbieden, en deze liet zich spoedig daarna aandienen.

Toen hij binnentrad, zag hij Felix scherp aan, als verwachtte hij op diens gelaat iets te zullen lezen omtrent den aard van zijn langdurig onderhoud met de Prinses. Maar Felix was, als hij wilde, even ondoordringbaar als Zabern zelf, en zijn gezicht verraadde niets.

“Welk nieuws is er omtrent Russakoff?” vroeg de Prinses.

“Het spijt mij, Hoogheid, te moeten melden dat de spion nog niet teruggevonden is.”

“Het zal hem blijken, dat hij niet veel gewonnen heeft door een man, die mij trouw was, te dooden om zijn Hollandsche afkomst. Want ik heb hem vervangen door een anderen Hollander, die nu reeds getoond heeft mij even trouw te zullen zijn. Maarschalk—mijn nieuwe Secretaris.”

Zabern boog.

“Het kabinet zal zeker met die benoeming ingenomen zijn,” antwoordde hij.

“Het is een aangelegenheid, Maarschalk,” antwoordde [261] Elizabeth hoog, “die buiten de waardeering van het Kabinet valt.”

Zabern ging op een ander onderwerp over.

“Hoogheid, de Hertog van Bora verzoekt U een vraag te mogen stellen.”

“En die is?”

“Zijne Genade zou gaarne weten hoe lang zijn gevangenschap duren zal.”

“In elk geval totdat deze striem van het gelaat van mijn Secretaris verdwenen is. Overigens verzoek ik u de zaak voor het Hooggerechtshof aanhangig te maken, geheel volgens de daarvoor gestelde regelen. Wil ook dit den Hertog mededeelen.”

“Het zal mij een genoegen zijn, Hoogheid,” antwoordde Zabern ironisch, “den Hertog Uw beslissing over te brengen.” [262]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings