← Table of contents
Van Schooljongen tot Koning

Eind goed, al goed.

Reading edition

De kroning gaat door.—Czernovië is vrij!—Felix wordt Prins-Gemaal.—Felix en Elizabeth doen afstand van den troon.—Robert Rensma, President der Oranje-Republiek.—

Toen de Czaar zijn nederlaag begreep, nam zijn gelaat een oogenblik een uitdrukking van smartelijke verslagenheid aan. Maar hij wist zich onmiddellijk te beheerschen, liet het lijk van den Hertog met een doek bedekken en wegbrengen, en sprak toen:

“Het woord van den Czaar is heilig. Elizabeth is de wettige vorstin van Czernovië; een nieuw Charter van mijn hand zal voor nu en eeuwig de volkomen onafhankelijkheid van dat Rijk erkennen en verzekeren. Laat de kroning voortgang hebben.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prinses Elizabeth, die de blijde tijding door een boodschapper van Zabern ontvangen had, kwam door de kerkdeur naar buiten. Recht op Felix toegaande, reikte zij hem de hand, en dit gebaar was welsprekender dan de langste proclamatie had kunnen zijn. Alle aanwezigen wisten het: daar stonden de Prins en [439] de Prinses van Czernovië! Geen ander dan zij beiden zou hen regeeren.

En terwijl de juichkreten der in den tuin verzamelde menigte nog niet waren weggestorven, terwijl de Moscoviten deels zwijgend toezagen, deels haastig en langs afgelegen straten naar hun huizen terugslopen, begonnen opeens alle kerkklokken der stad met jubelenden galm te luiden, en vreugdeschoten overstemden het hoera-geroep dat door heel Slavowitz weerklonk.

Verrast zag Elizabeth op. De hekken van den grooten tuin werden opengeworpen, ja ingedrukt, en het volk stormde binnen, wierp zich aan de voeten van Felix en Elizabeth, riep honderdduizendstemmig:

“Leve de Prins! Leve de Prinses!”

En Zabern, als altijd bedacht op den vragenden blik van Elizabeth, dien zij in zulke gevallen op hem richtte, zei met een glimlach:

“Heel Slavowitz weet reeds, Prinses, dat gij uw aanstaanden Gemaal den titel: Prins van Czernovië hebt verleend.”

“Maar—hoe kan men dat weten? Ik heb mij in dien geest geheel niet uitgelaten, nog minder eenig besluit geteekend!”

“Neen Prinses,” antwoordde Zabern rustig, “maar u zou het ongetwijfeld spoedig doen. Daarom heb ik er maar op gerekend. Sedert een week lagen tienduizend proclamaties gereed, vijfduizend om het volk uw verloving mede te deelen, even zoo veel om de benoeming van uw Gemaal tot Prins bekend te maken. Door een uitstekende regeling dezer aangelegenheid is ’t me mogelijk geweest deze proclamaties binnen een half uur overal te doen aanplakken.” [440]

Elizabeth kon niet nalaten te lachen. Zabern moest toch altijd zulke eigenmachtige dingen doen! Maar ze was het van hem gewend en kon het hem ook niet kwalijk nemen. Alleen zei ze, half schertsend, half verwijtend:

“En als de Hertog van Bora het duel gewonnen had?”

“Dan had ik de proclamaties bewaard voor een gunstiger oogenblik, Prinses. Want Czernovië mocht Russisch worden—zoolang Zabern leefde, zou het nooit Russisch blijven!”

Dit antwoord was Zabern waardig, en diep geroerd drukten Elizabeth en Felix hem zijn linker en eenige hand.

Inmiddels had de Czaar bevelen gegeven om het St. Nicolaasklooster, om welks bezit reeds eenige kleine schermutselingen hadden plaats gegrepen, te ontruimen, en het Russische leger de grens te doen verlaten. Alleen een klein escorte bleef achter om den Czaar uit te geleiden.

Hoewel het Elizabeth nu louter een vorm leek, en ook de toeschouwers, die hun plaatsen in de kerk weer hadden ingenomen, de plechtigheden meer bijwoonden om van het gelukkig einde der gebeurtenissen getuige te zijn, dan wel om de waarde die zij er aan hechtten, besloot men de kroning niet uit te stellen, en in handen van den Czaar legde Elizabeth den kroningseed af.

Een half uur na die plechtigheid had de Russische Keizer het grondgebied van Czernovië verlaten, zonder dat velen zijn heengaan betreurden.

Het was een veelbewogen dag geweest, en aan den maaltijd ten Paleize, waar de Prinses, behalve haar [441] toekomstigen Gemaal, Zabern, Radzivil, Dorislas en Rob genoodigd had, werd natuurlijk over niets anders gesproken dan over den angst en de spanning waarin men sedert dien morgen verkeerd had.

Ieder op zijn beurt werd aan het woord gelaten om zijn aandeel in de gebeurtenissen, of zijn oordeel erover mee te deelen.

Zabern, anders weinig spraakzaam, was uitgelaten als een kwajongen; tot groot vermaak der aanwezigen deed hij een uitvoerig verhaal van het ingewikkeld netwerk van listen en lagen, dat hij gesponnen had om de tegenpartij te verschalken, en men bewonderde opnieuw de geestkracht en de onvermoeibaarheid van dezen man, die, wanneer het noodig was, zich den tijd niet gunde tot slapen of eten, die zich om zoo te zeggen op tien plaatsen tegelijk vertoonde, en die maanden vooruit zag naderen, wat voor anderen nog verborgen bleef wanneer ze er vlak voor stonden. Hoe ruw en roekeloos deze man soms zijn mocht, hij bezat ongeëvenaarde verdiensten, en zonder hem zouden de dingen ongetwijfeld geheel anders geloopen zijn dan nu het geval was geweest.

De held van den dag was natuurlijk Rob.

Hij moest omstandig vertellen hoe hij het Russische duplicaat van het Charter machtig was geworden, en op zijn gewone bescheiden wijze deed hij dit.

Toen de Maarschalk hem den dag voor Felix’ vertrek had meegedeeld, dat de zes mannen van “De Vogel” zich in het Paleis bevonden, had hij opeens begrepen dat niemand beter dan zij hem behulpzaam konden zijn bij de uitvoering van een plan, dat hem reeds lang bezighield. [442]

Hij had namelijk terecht ingezien, dat al de moeielijkheden waarin Czernovië verkeerde, haar brandpunt hadden in het ontbreken van het Charter, het onmiskenbare bewijs van ’s lands onafhankelijkheid. Kon men dit terugbezorgen, dan zou reeds veel gewonnen zijn, vooral wanneer het volkomen in ’t geheim geschiedde. Natuurlijk was hierop maar éen weg: het duplicaat, dat in de Archieven van het Kremlin moest berusten, machtig te worden. Wel had Orloff verzekerd dat men in Rusland dit duplicaat tevergeefs had gezocht, maar aan het leugenachtige van deze verklaring bestond geen twijfel. Er bleef een groote kans over, dat men zekerheidshalve het duplicaat vernietigd had, doch waar slechts van een mogelijkheid, niet van een zekerheid sprake was, zou het onverantwoord zijn geweest het bestaan van die mogelijkheid niet nader te onderzoeken. In een zaak van zulk een gewicht als deze behoorde men zich aan een stroohalm vast te houden, en zelfs de gewaagdste pogingen niet nalaten, zoodra ze slechts een vage kans op succes hadden.

Zabern was dit geheel met Rob eens, en hij verklaarde, toen deze zoo ver met zijn verhaal was gevorderd, dat hij nu niet begrijpen kon zelf dat denkbeeld gemist te hebben. Bij gebrek aan een Charter er een te maken, dat was dadelijk in hem opgekomen, maar geen oogenblik had hij den inval gehad om een onderzoek naar het bestaan van een duplicaat in te stellen. Hij bracht Rob in de vleiendste bewoordingen lof, en verzekerde de aanwezigen, dat zijn leerling hem binnen enkele jaren ongetwijfeld over het hoofd zou groeien. [443]

Rob vroeg dus Zabern, zoodra deze hem de aankomst der zes Turksche gevangenen had bericht, dadelijk bij hen toegelaten te worden. Hij nam La in het geheim, en deze had wel ooren naar zijn voorstel. Om te beginnen moesten ze allen trachten zoo gauw mogelijk hun schuilplaats in de Himalaya te bereiken; eenmaal in het bezit van hun voorraden en hulpmiddelen, zouden ze gemakkelijker kunnen overleggen wat hun daarna te doen stond.

Op het punt van te vertrekken, voegde Felix zich bij hem en de omstandigheid dat hij genoodzaakt was Czernovië te verlaten, gaf Rob aanleiding om zich niet langer tegen zijn meegaan te verzetten. Felix werd nu met de plannen in kennis gesteld, en toonde zich daar zeer mee ingenomen.

In hun schuilplaats aangekomen, gingen ze dadelijk aan het werk. Er lagen groote voorraden monum, ook waren er talrijke instrumenten en machinerieën beschikbaar, en op La’s voorstel werd terecht het eerst gezorgd een kleine vliegmachine gereed te maken. De nieuwe, verbeterde “Vogel,” waarvan La in de gevangenis het ontwerp al geheel gereed had gemaakt, was een kwestie van later zorg.

Toen een vliegmachine voor twee personen gereed was, zetten Rob en Felix daarmee rechtstreeks koers naar Moskou. Hun taak werd daar spoediger volvoerd dan ze dachten. Des avonds op het dak neergekomen, vonden ze weldra hun weg naar de Archieven. Alle afsluitingen te doen smelten met een verbeterde thermiet-samenstelling was slechts een kleine moeite. Elke afsluiting week voor hun pogingen. Enkele personen, die hun in den weg traden, moesten ze met [444] hun gaspistolen bedwelmen, maar overigens ondervonden ze geen tegenstand. Het zoeken naar het Charter kostte den meesten tijd, en telkens stootten ze op groote bundels papieren, die nagebladerd moesten worden en geen van allen het begeerde bleken te bevatten. Totdat Rob eindelijk een ijzeren kistje vond, waaruit tot hun groote vreugde het waardevolle document te voorschijn kwam!

Het was inmiddels 14 September geworden, en de vliegmachine moest haar grootste snelheid ontwikkelen om tijdig haar doel te bereiken.

De groote opgewondenheid die in de stad heerschte leidde de aandacht van hun neerdaling, die trouwens op een verlaten weiland plaats had, af. Ze brachten den toestel in veiligheid, en Rob snelde naar de kerk, waar hij in het laatste oogenblik, maar juist op tijd, aankwam. Het overige weet men. Felix, die zijn vermomming had afgelegd, was, van de verwarring gebruik makend, de kerk binnengedrongen, en had rustig het tijdstip afgewacht om zijn slag te slaan.

Zoo was dus door het optreden dezer beide mannen Czernovië gered, en het lijdt geen twijfel of de geschiedboeken zullen hun namen met dankbaarheid en eerbied vermelden.

Tegen het eind van het maal verrichtte Elizabeth een daad van edelmoedigheid, door den Commandant Miroslav en den generaal Trevisa te doen ontbieden en hen, wegens het nationale feest dat heden gevierd werd, gratie te verleenen. Dit liet niet na vooral op Miroslav een goede uitwerking te oefenen, en hoewel in een andere, minder verantwoordelijke betrekking, bleef hij nog lange jaren het land uitstekende diensten bewijzen. [445]

Toen door de berichten in de nieuwsbladen de geheele en juiste toedracht der gebeurtenissen bekend werd, nam de geestdrift, en daarmee de populariteit van Elizabeth, Felix en Rob, steeds toe.

Er werden herhaaldelijk ovaties aan het Paleis gebracht, en zoodra een der drie genoemde personen zich in het openbaar vertoonde, kwam er geen einde aan de toejuichingen en het eerbetoon.

Elizabeth, door Zabern geleid, begreep terecht, dat van deze stemming een krachtig en beleidvol gebruik moest worden gemaakt.

Er werden nu talrijke hervormingen ingevoerd, die uitstekende gevolgen bleken te hebben, en daar, door den dood van Kossuth, het met dezen gesloten verdrag van onwaarde was geworden, kwam een groot gedeelte van het verzamelde geld weer vrij. Maar voor zoover dit door Czernoviërs was bijeen gebracht, wilde geen hunner van terugname weten, en ettelijke millioenen vloeiden daardoor in de staatskas, waarvan een richtig gebruik het land niet anders dan ten goede kon komen.

De Czaar, het moet tot zijn eer gezegd worden, toonde al den eerbied en de bewondering waarop een vorstin als Elizabeth recht had. Hij zond een nieuw Charter en gaf tevens de meest volledige waarborgen voor de duurzame onafhankelijkheid van het land, dat hij zoo ernstig had bedreigd. Uit de dagbladen weten we allen, dat door toedoen van Koningin Wilhelmina het Congres te ’s-Gravenhage, van 1 December 1902, bijeengeroepen werd, waarop alle groote Mogendheden de onafhankelijkheid van Czernovië erkenden, zoodat ook de laatste vrees voor [446] vreemde inmenging is verdwenen. Bovendien is het thans bekend genoeg, dat Czernovië, door zijn sterke, zedelijk hoogstaande organisatie, tegenwoordig een voorbeeld vormt voor andere beschaafde landen, dat van heinde en ver geleerden worden uitgezonden om zijn staatsinstellingen te bestudeeren, en dat het een aanbeveling en een eer is voor iedereen, te kunnen zeggen dat hij aan een Czernovische universiteit zijn opleiding genoot.

Den 28en September had het huwelijk van Felix en Elizabeth plaats, nadat daags te voren, in allen eenvoud, Zabern en Katina in den echt verbonden waren.

Het zou te ver voeren, het huwelijk van den Prins en de Prinses uitvoerig te beschrijven; men begrijpt trouwens dat deze plechtigheid alle van dien aard verre overtrof. Zij kenmerkte zich echter door een gebeurtenis, die hier niet onvermeld mag blijven.

Toen, onder het bruisen van het orgel, de feeststoet de kerk verliet, daalde plotseling van hoog uit de lucht een regen van bloemen op het rijtuig neer, waarin Felix en Elizabeth hadden plaats genomen. Verbaasd richtten zich aller oogen naar boven, en—daar zag men hoe een groot, sierlijk gebouwd luchtschip, met vlaggen in de Czernovische kleuren rijk getooid, snel daalde, om op eenige meters boven den grond onbewegelijk te blijven hangen.

Het was De Vogel!

Dit door La zoo kunstig vervaardigde, volmaakte luchtschip, was bestemd de vraag van den bestuurbaren ballon volkomen en schitterend op de lossen, en daarmee ook een sociale kwestie van het hoogste [447] belang. Want met die uitvinding waren de grenzen, die tot nog toe de volkeren scheidden, als het ware weggewischt. Afstanden, natuurlijke hinderpalen bestonden niet meer; straks zouden alle natiën éen worden, verbroedering, samenwerking en eenheid zouden alle partijtwisten, allen haat en elke onverdraagzaamheid doen ophouden. De periode van wereldvrede en naastenliefde was aangebroken!

Den 8sten October kwamen Felix en Elizabeth van hun reis terug en toen werd Czernovië verrast door een onverwacht bericht.

De Prins en de Prinses deden afstand van de regeering!

In het eerste oogenblik kon niemand aan de waarheid van dat besluit gelooven. Maar weldra verkondigde een proclamatie, dat de geruchten waarheid bevatten.

Zeer lang en ernstig hadden Felix en Elizabeth dit plan besproken en overdacht. Ze voelden zich beiden zeer aangegrepen door de snelle opeenvolging van schokkende gebeurtenissen der laatste tijden; niet alleen maakte een dringende behoefte aan rust en afzondering zich van hen meester, maar ook begrepen ze dat een jongere kracht beter dan zij het werk zou kunnen voleindigen, waarvan zij de vaste en onomstootelijke basis hadden gelegd. De Russische elementen hadden zich hoe langer hoe meer uit Czernovië teruggetrokken, de onafhankelijkheid van het land was onaantastbaar, hun taak kon als geëindigd beschouwd worden. Bovendien was naar hun vaste overtuiging de terugkeer tot de republiek [448] het ideaal, dat voor Czernovië moest nagestreefd worden; ook dat zou bereikt worden door afstand te doen, en een verkiezing voor een President uit te schrijven. Wat hun persoonlijke keuze betreft, deze kon niet twijfelachtig zijn.

De proclamatie, waarin de afstand werd medegedeeld, omschreef uitvoerig de redenen die daartoe geleid hadden, en hoewel niet allen zich daar volkomen mee konden vereenigen, velen zelfs trachtten Felix en Elizabeth van hun besluit terug te brengen, moest men zich ten slotte gewonnen geven.

De verkiezing werd uitgeschreven.

Niets belette, die volgens de wetten van het land te doen houden, want de republiek bestond feitelijk nog, de constitutioneele gebruiken die langzamerhand waren ingeslopen hadden van Czernovië slechts in naam een vorstendom gemaakt. De titels, aan Elizabeth en Felix gegeven, waren in den grond niets dan een uiterlijke vorm, een door een bevriend vorst verleende waardigheid, waarmee de Czernovische wetten niets te maken hadden. De omstandigheden hadden tot dezen abnormalen toestand geleid, de oorspronkelijke regeeringsvorm was er echter in zijn wezen niet door veranderd.

Maar het volk, verblind door de praal, waarmee het in den laatsten tijd was geregeerd, wilde deze dingen niet zoo kalm overdenken.

Toen door Felix en Elizabeth als candidaat voor den Presidentszetel Rob werd aanbevolen, de man die Czernovië gered had, was de verkiezing vrijwel overbodig. Men stemde als éen man op hem. Maar toen hij met bijna algemeene stemmen was gekozen, [449] wilde het geestdriftige volk hem tot Koning uitroepen. Wat men ook deed, hoe Rob zelf ook telkens weer verklaarde die hooge waardigheid niet te begeeren, ze zelfs voor het land ongewenscht te vinden—het volk liet zich niet overtuigen. Het sprak hardnekkig van den “Koning,” de dagbladen noemden hem in hun berichten “Robert I, Koning van Czernovië.”

Zabern, de man van den ouden stempel, had wel graag gezien, dat Rob zich dit Koningschap had laten welgevallen. Maar Felix en Elizabeth waren ’t met den “Koning” eens, dat het ’t beste zou zijn deze vlaag te laten uitwoeden, en dan geleidelijk het volk te overtuigen van de zegeningen, die een republikeinsch bestuur zou brengen.

Inderdaad is Rob dan ook nooit tot Koning gekroond, en in zooverre is de titel van dit boek, waarin het verhaal zijner avonturen is samengevat, niet juist. Maar het feit, dat het hem slechts éen woord gekost zou hebben om zich een troon te veroveren, het feit, dat een bevolking van acht millioen zielen er behagen in schiep hem “Koning Robert” te noemen, was oorzaak dat de samensteller van dit verhaal niet nalaten kon hem, en voor het laatst, ook op zijn beurt dien titel toe te kennen.

In een proclamatie, die Rob na zijn verkiezing, den 9en October des morgens om 10 uur, tot zijn volk richtte, deelde hij mede, dat het de uitdrukkelijke wensch der afgetreden Vorstin was, het presidentschap hersteld te zien, en dat hierin ongetwijfeld reden te over zou gevonden worden om ook aan zijn persoonlijk verlangen te voldoen en hem een republiek, geen koninkrijk te schenken. Hij zette nader zijn denkbeelden [450] over een republikeinsch stelsel van bestuur uiteen, en eindigde met de overtuiging uit te spreken dat men ten slotte zijn inzichten zou deelen. En zijn onderschrift luidde: “Gedaan te Willemstad, den 9en October 1902. De President der Oranje-Republiek: Rensma.”

Het herstel van die twee zoo lang in onbruik geraakte bewoordingen had een diepgaande uitwerking. Het stemde tot nadenken, riep den goeden Oud-Hollandschen tijd terug, en stemde tot dankbaarheid bij de gedachte dat de nieuwe President niet anders wenschte dan de oude gebruiken aan den nieuwen tijd onderworpen te maken.

De tijd heeft dan ook geleerd, dat men Rob’s inzichten is gaan deelen.

Felix en Elizabeth bewonen een door het Gouvernement voor hen gebouwde villa in het mooiste gedeelte der stad; Zabern, die zich ouderwetsch begon te gevoelen, trok zich uit het politieke leven terug en ontving eveneens van den Staat een sierlijk huis, even buiten de stad gelegen, waar hij met Katina nog menig gelukkig jaar hoopt door te brengen. Maar alle vier blijven ze warme belangstelling voelen voor alles wat hun land en zijn bestuurders betreft, en Rob hoopt nog lang van hun zeer gewichtige en op ervaring gegronde raadgevingen gebruik te maken.

Deze geschiedenis zou niet volledig zijn, zoo niet nog met enkele woorden van de terugkomst van Rob in Amsterdam werd melding gemaakt. [451]

Toen ook de drukte der verkiezingen voorbij was dacht Rob het eerst aan zijn voogd, zijn vrienden en bekenden in het vaderland, van wie hij zoolang gescheiden was geweest, en hij besloot, alvorens zijn taak in de Oranje-Republiek te aanvaarden, naar Amsterdam te gaan en zijn omgeving met zijn nieuwe levensrichting bekend te maken.

Hij zond het ons bekende telegram, nam den nachttrein over Weenen, en stond, zooals wij weten, op eens tegenover zijn innig verheugden voogd, die reeds aan zijn behoud was gaan twijfelen.

In de nieuwsbladen had men toen ter tijde reeds veel over de Czernovische gebeurtenissen gelezen. Maar zooals dat gaat, vooral wanneer er zulke snel opeen volgende verwikkelingen plaats hebben, die berichten hielden slechts verwarde mededeelingen in, waarvan de meeste op verzinsels en misverstanden berustten. Ja, men kan veilig zeggen dat de bladen in die dagen over Czernovië de grootste dwaasheden opdischten. Men sprak van een avonturier, die zich met geweld van de regeering had meester gemaakt, na de Prinses, die onlangs ver beneden haar stand gehuwd was, verbannen te hebben. Kortom, de pers verspreidde de gebruikelijke, op vage geruchten berustende “berichten van speciale correspondenten,” alleen om die den volgenden dag weer tegen te spreken.

Rob’s aankomst in Amsterdam, en de enkele ophelderingen die hij aan hem bestormende reporters gaf, brachten ten slotte meer helderheid in de krantenberichten.

De aanteekeningen van den President houden hier [452] op, en daarmee is de taak van hem, die er dit boek uit samenstelde, ten einde.

De uitgever wenschte echter, dat er nog het volgende aan toegevoegd zou worden.

De bladen hebben dezer dagen, enkele weken vóor de verschijning van dit werk, het bericht gebracht dat de President der Oranje-Republiek (die er duizend exemplaren van bestelde voor de openbare bibliotheken), den heer A. Bertrand benoemd heeft tot officieel geschiedschrijver in dienst van den Staat.

Deze benoeming is inderdaad geschied, en naar aanleiding daarvan ontvangt de uitgever talrijke brieven en telegrammen, waarin gevraagd wordt “of de boeken van Bertrand nu toch zullen blijven verschijnen.”

Het is den schrijver dier boeken een voorrecht en een genoegen, bij zijn vertrek naar Willemstad de Nederlandsche jeugd te kunnen meedeelen, dat haar belangstelling hem vleit, en dat hij hoopt nog menig werk van zijn hand over de Nederlandsche grenzen te zenden!

Bij den uitgever dezes verscheen mede:

In dienst van den Kroonprins

EEN VERHAAL UIT DEN FRANSCH-DUITSCHEN OORLOG

DOOR

A. BERTRAND

MET VELE EN FRAAIE PLATEN.

Prijs ingenaaid ƒ 2.40, in prachtband ƒ 2.90.

“In dienst van den Kroonprins” speelt tijdens den Fransch-Duitschen Oorlog, en het is niet alleen een gelukkige gedachte geweest een episode uit dien belangrijken, altijd boeienden reuzenstrijd tusschen twee Europeesche grootmachten tot achtergrond voor een romantisch verhaal te kiezen, maar het mag ook een uitstekende eigenschap van dit boek genoemd worden, dat de inhoud geheel op historische feiten is gegrond, en die met groote nauwgezetheid weergeeft. Nergens is den loop der geschiedkundige gebeurtenissen geweld aangedaan; integendeel zijn de avonturen van den jeugdigen held, die den oorlog eerst als toeschouwer, daarna als onverschrokken strijder meemaakt, zoo onopgesmukt en toch met zooveel waarheidsliefde verteld, dat men telkens gevoelt, hoe hier de geestdriftige, maar gewetensvolle geschiedschrijver aan het woord is. Bizonder gelukkig is de schildering der groote veldslagen; zoowel Franschen als Duitschers laat de samensteller recht wedervaren, en bij het te boek stellen der geweldige botsingen tusschen hun kolossale legers, stijgt zijn taal meer dan eens tot geestdriftige vervoering, ja tot een inderdaad dramatische hoogte. Zeldzaam aangrijpend zijn die veldslagen beschreven, en daarbij zoo meeslepend, dat de lezer gedwongen wordt in ademlooze spanning het verhaal ten einde toe te blijven volgen.

Dit boek is zoo degelijk geschreven, dat ook ouderen van dagen, vooral militairen, het zullen willen lezen. Terwijl alle wetenschappelijke geleerdheid is vermeden, is door deskundig toezicht bij de bewerking waarborg gegeven aan de strikt juiste boekstaving der zeer populair vertelde militaire operaties. Het behoeft geen betoog dat dit de waarde van het boek verhoogt.

Mocht men nog vreezen, dat dit nieuwe jongensboek een te oorlogszuchtigen geest ademt, dan zal een vluchtig doorbladeren doen zien, dat de schrijver zich beijverde de afschrikkende zijde van den oorlog in een scherp licht te stellen, en elke gelegenheid aangreep om den vrede te verheerlijken. Gevoelens van eer, zelfverloochening, vaderlandsliefde, schoone voorbeelden van trouw en plichtsvervulling—elke bladzijde voert ze den lezer op ongezochte wijze voor oogen.

Het lijdt geen twijfel, of elkeen, wiens hart toegankelijk is voor edele gevoelens, zal dit boek met stijgende verrukking lezen; een schat van goede lessen zal hij er uit putten, en niemand zal zich de lezing berouwen. Moge die lezing er, voor zoover noodig, toe leiden om ook aan de andere boeken der serie-Bertrand de aandacht te wijden, die zij—blijkens achterstaande pers-beoordeelingen—zoo ruimschoots verdienen.

Het Vaderland.

’t Is een boek vol avonturen, dat met spanning door de jongens gelezen zal worden. En daarbij is het een goed boek. Geen oorlogszuchtige strekking, al handelt het over den oorlog, geen ruwe opgesierde verhalen, maar een boeiende, der waarheid getrouwe vertelling van wat Hans heeft meegemaakt. Ook de ouderen, vooral de militairen, zullen het met genoegen lezen. Het heeft vele en fraaie platen.

De Oprechte Haarlemsche Courant.

De serie Bertrand is met een kloek werk—meer dan 400 bladzijden groot en flink gedrukt—vermeerderd. Voor hen, die houden van aankweeking van vaderlandsliefde en gloeien van vereering voor het Vorstenhuis, is het een hoogst begeerlijk boek.

De lotgevallen van een cadet van den Kroonprins van Pruisen in den oorlog van 1870 worden op boeiende wijze beschreven. Leerrijk is dit werk, omdat de lezers op onderhoudende wijze in de gelegenheid zijn, geschiedkundige kennis op te doen van den Fransch-Duitschen oorlog.

Zoo nu en dan wordt eene vergelijking gemaakt met het Nederlandsche leger, dat gewoonlijk—en naar wij meenen dikwijls niet ten onrechte—een veeg uit de pan krijgt.

Aan avontuurlijke voorvallen en wonderbaarlijke ontsnappingen is het verhaal bijzonder rijk. Vooral de veldslagen zijn goed geteekend. Het is den auteur niet voldoende met enkele penhalen een schets te geven van een veldslag. Zijne teekeningen zijn af.

De twaalf, goed in den tekst passende houtgravuren, zijn vol leven en verhoogen zeer de aantrekkelijkheid van den inhoud.

Bij den uitgever van dit boek verscheen ook:

H. BERTRAND, De Ridders van de Rozenorde.

——, Het Gezonken Goudschip.

——, Eindelijk Gesnapt.

——, Getrouw aan den Koning.

——, Voor Koning en Vaderland.

——, Een Strijd om de Schatten van Alva.

OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

De Ridders van de Rozenorde.

Het Nieuws van den Dag.

In het bekende kloeke formaat van Becht’s St.-Nicolaas-jongensboeken is verschenen De Ridders van de Rozenorde. De heer H. Bertrand, die al de voorgaande bewerkte, heeft ook dit verhaal in het Nederlandsch overgebracht.

Was dus de bewerking weder aan goede handen toevertrouwd, dat de inhoud niet onderdoet voor de belangwekkende lotgevallen, die verhaald werden in “Voor Koning en Vaderland,” “Het gezonken Goudschip” en de andere boeken, dat zullen de jeugdige lezers begrijpen, als wij hun mededeelen, dat deze bijna 400 bladzijden bevatten de avonturen en krijgsbedrijven van vier jongens—ware zeehelden—die dienst namen onder den admiraal Drake en o.a. deel hadden aan het verslaan van de Spaansche Onoverwinnelijke Vloot. ’t Waren deze jongens, die de Rozenorde stichtten, een orde, waarvan de leden plechtig bezwoeren al het mogelijke te zullen doen om elkander te overtreffen in trouw aan de Koningin, in dapperheid tegenover hare vijanden, in daden van ridderlijkheid en van barmhartigheid tegenover de armen en zwaar beproefden.

Een aantal flink uitgevoerde platen zijn aan het werk toegevoegd.

OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

Het Gezonken Goudschip.

Het Nieuws van den Dag.

Een jongensboek van Hans Von Zobeltitz behoeft ten onzent geen uitvoerige aankondiging meer. De Nederlandsche jeugd heeft hare goedkeuring aan al zijn vroegere verhalen geschonken en ’t is dan ook geen wonder, dat de uitgever (H.J.W. Becht, te Amsterdam) voortgaat met Zobeltitz’ boeiende boeken verder onder haar bereik te brengen.

Dezen keer is de keuze al bizonder gelukkig geweest. Nooit kwam een boek beter op zijn tijd dan dit; dit zal duidelijk zijn, als we zeggen, dat het pakkende verhaal gedeeltelijk speelt in ... Transvaal. En wel ten tijde van Jamesons beruchten inval. De hoofdpersonen komen met Oom Paul in eigen persoon in aanraking, maken vermetele tochten met de Boeren mede, helpen een handje vechten, enz. enz.

Hoe dit alles in elkaar zit, wordt in 437 bladzijden van: Het gezonken Goudschip “De Admiraal De Ruijter” (zoo is de titel van het boek) uiteengezet op een wijze, die onze jongens ook dit werk van den talentvollen schrijver weder zal doen verslinden.

De Heer Bertrand wijdde ook thans weder groote zorg aan de bewerking. We behoeven niet te zeggen, dat het Goudschip van een mooien stempelband voorzien en fraai geïllustreerd is.

Dagblad voor Z.-Holland en ’s-Gravenhage.

Een overzicht te geven van dit lijvige boek—bijna 450 bladzijden, ik denk er niet aan. Wel wil ik het werk van heeler harte aanbevelen. Het zal in deze dagen dubbel belangstelling wekken, omdat de Jamesonraid er in ter sprake komt: onze Hollandsche jongens vooral zullen er in groeien. Maar de ouderen ook wel.

Er is in dit boek een onweerstaanbare humor. Jochem Päsel, die per slot toch geen ezel bleek te zijn, houdt er de vroolijkheid in. Hoe de auteur het verbazend aantal personen “in de hand houdt”, is eenvoudig verwonderlijk;—ook om deze reden, afgescheiden van den omvang van het boek, zou het een onbegonnen werk zijn in détails te treden.

Ik zou bezwaarlijk uit de laatste jaren ’n werk kunnen noemen dat met dit te vergelijken is, in ’t zelfde genre natuurlijk. Het is met mooie platen geïllustreerd. Kortom, ’n boek aanbevelenswaard van alle kanten.

OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

Eindelijk Gesnapt.

Het Nieuws van den Dag.

Eindelijk gesnapt is door den Heer H. Bertrand op even voortreffelijke wijze als de vorige boeken in het Nederlandsch overgebracht.

Wat zullen de jonge lezers dit boeiende verhaal weder verslinden!

Hoe zullen zij medeleven met de verrassende lotgevallen van Hasso Gehren, den leerling van het Gymnasium, die op zoo interessante wijze bij een sensatie-makende inbraak betrokken wordt. Deze wakkere Hasso heeft namelijk den inbreker gesproken (welk een inbreker!) en hij wordt daardoor de held, die de handhavers van het recht op het spoor kan brengen. Hij gaat mee met de politie, om in verre landen den voortvluchtige na te zitten. En zij krijgen hem eindelijk: na een wedloop om den aardbol heeft de politie, dank zij de schrandere aanwijzingen van den knaap, haar prooi ten slotte te pakken. Maar wat heeft dat een moeite gekost: spoorwegongelukken, brand aan boord, vechten met de Chineesche zeeroovers, wij noemen hier maar een klein gedeelte op van het verbazingwekkende dat Hasso bij deze vervolgingsjacht doorleeft.

Dit nieuwe boek van Zobeltitz, met zijn fraaien band en verdienstelijke platen, zal het verrukkelijkst cadeau zijn, dat een jongen zich wenschen kan.

Nieuwe Rotterdamsche Courant.

Zoo modern mogelijk zijn de wonderlijke reizen, verteld in het dikke boek van Hans van Zobeltitz, door H. Bertrand vertaald, en door H.J.W. Becht uitgegeven. Eindelijk gesnapt na een wedloop om den aardbol is de titel. Een wedloop als de reis om de aarde in tachtig dagen. Maar wat een avonturen! Wat een gevaarvolle ontmoetingen, wat een mislukkingen als het doel juist zal worden bereikt, wat een bedriegerijen hier en zelf-opofferingen daar.... En dat alles onder de “modernste” omstandigheden van reisgelegenheden enz. Het begin is trouwens al up to date. Een hotel is gevestigd boven een Bank. Een logé van het hotel breekt in in de Bank. Maar met wat een schat van nieuwerwetsche inbrekersmiddelen! Men moet zijn natuurkunde maar kennen! Hij wordt, wegvluchtend, nog net gezien door een gymnasiast, en de detective die hem achter na gaat, neemt mitsdien dezen jongen mede. Men ziet: de opzet is eenvoudig als het ei van Columbus. Maar de avonturen zijn overheerlijk.

OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

Een strijd om de Schatten van Alva.

Het Nieuws van den Dag.

“Een Strijd om de Schatten van Alva of de Watergeuzen in 1572” is de titel van een dik boek, in prachtband, dat verscheen bij den uitgever H.J.W. Becht te Amsterdam.

Voor jongens, die al vrij wat van de vaderlandsche geschiedenis weten en die dus zulke heele kleine jongens niet meer zijn, zal dit spannende boek ongetwijfeld een begeerlijke lectuur zijn.

Alva’s schatten, om welke hier op zoo avontuurlijke wijze gestreden wordt, zijn de rijkdommen, afkomstig van den tienden penning en des ijzeren hertogs beeldschoone dochter. Beiden vallen, als het loon der dapperheid, ten deel aan den hoofdpersoon der geschiedenis, een Engelsch edelman, die met de Watergeuzen gemeene zaak gemaakt heeft, en dan ook dien hatelijken Alva troeft wat hij kan.

De belangrijkste episoden uit het verhaal worden door fraaie illustraties veraanschouwelijkt.

De Telegraaf.

Niet alleen een boeiend, maar ook een leerzaam boek. Het is geschiedkundig juist, zonder dat daarom de fantasie er in gemist wordt.

De Kerkelijke Courant.

Dit dikke boek is als aangewezen voor elke jongensbibliotheek. Het leert eerbied voor de helden der geschiedenis, en doet dat op een volstrekt niet schoolsche wijze. Integendeel: elke bladzij getuigt van geest en fantasie.

De Amsterdammer.

Een Strijd om de Schatten van Alva is een merkwaardig boeiend jongensboek, dat den verzamelaar der serie, den heer BERTRAND, alle eer aandoet.

De Avondpost.

Dit prachtig jongensboek boeit van het begin tot het einde.

Algemeen Handelsblad.

Wat zal dit meesleepende boek verslonden worden!

OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

Getrouw aan den Koning.

Het Nieuws van den Dag.

De serie jongensboeken van Hans von Zobeltitz, die de Heer Bertrand zoo keurig in het Nederlandsch overbrengt en die dan door den Heer H.J.W. Becht zoo smaakvol worden uitgegeven, is weer vermeerderd met een deel even dik en even onderhoudend als zijn voorgangers.

De talentvolle schrijver behandelt, onder den titel Getrouw aan den Koning, op de hem eigene wijze de geschiedenis van de gedenkwaardige jaren 1813–1815. De ondergang van Napoleon en de weder-opleving van Europa na zijn val worden op aanschouwelijke wijze verhaald, al zijn natuurlijk de merkwaardige lotgevallen van de helden van het boek in deze geschiedenis de hoofdzaak. In de levendige beschrijvingen van den slag bij Waterloo en den volkerenslag bij Leipzig, en het aandeel, dat daarin ook ons land nam, zullen de jongens zeer zeker groot behagen scheppen.

De Amsterdammer.

Bij den uitgever H.J.W. BECHT, alhier, is verschenen Getrouw aan den Koning, een verhaal uit de jaren 1813–1815, naar het Duitsch van Hans von Zobeltitz door H. Bertrand. Een heerlijk jongensboek vol afwisseling. De wapenfeiten van Maarschalk Blücher, de veldslagen van Napoleon, zijn tocht naar Rusland, zijn er in beschreven, doch niet uit een geschiedkundig oogpunt, zoodat het steeds boeiend blijft. Menige jongen zal dan ook dit boek met graagte lezen.

Het Algemeen Handelsblad.

Getrouw aan den Koning behoeft door zijne dikte niemand af te schrikken. Deze geschiedkundige roman uit de dagen van Leipzig en Waterloo moge wel wat erg veel histoire bataille geven, men kan hem niet de deugd ontzeggen van bijzonder boeiend te zijn. Ook de geschiedenis die zich nergens op vervelende wijze op den voorgrond dwingt, schijnt met eerbied te zijn behandeld.

Het Nieuwe Schoolblad.

In een romantisch verhaal wordt de bevrijding van Duitschland geschetst, op levendige en boeiende wijze. ’t Is een mooi boek, zoowel voor ouderen als voor de jeugd (12 jaar en ouder), en voor onze scholen wel geschikt.

OORDEEL DER VOORNAAMSTE BLADEN

OVER

Voor Koning en Vaderland.

Het Haagsche Dagblad.

Alles te zamen kunnen we dit flinke boek—roy. 8°, 424 bldz.—ten volle aanbevelen als gezonde kost voor jongelieden, waaruit ze den veelszins belangrijken tijd van Frederik den Groote—als Kroonprins—en diens Koninklijken vader, en van zooveel krachtige figuren meer wat nader kunnen leeren kennen.

Het Vaderland.

Zoo’n prettig geschreven historisch-romantisch verhaal en vooral een, waardoor men niet zoo spoedig heen komt (424 blz.), is juist iets voor onze jongens.

Nederland.

Voor Koning en Vaderland heeft in Duitschland opgang gemaakt. Hiertoe werkt, behalve de vaderlandsche strooming daar en de belangstelling voor al wat het Brandenburgsche huis aangaat, ook het werkelijk amusante van het boek mee. Het is flink geïllustreerd en behoort tot de avontuurlijke jongensromans in het genre van Marryat.

De Telegraaf.

Een zeer aardig boek, met goede Duitsche houtgravuren. Het is een hoogst boeiende roman voor jongelieden, die van lezen houden en nog niet tot de overtuiging gekomen zijn, dat er eigenlijk geen leesbare boeken meer bestaan. De Duitsche auteur heeft het bekende tijdvak van Zopf und Schwert gekozen, toen Koning Frederik Wilhelm I in onmin leefde met zijn zoon, later Frederik de Groote. Twee jongelieden, Frits Wünke en Christiaan von Stachow, treden in dienst van den Kroonprins, en deelen in zijn lief en leed tot aan zijne verheffing op den troon zijns vaders. Er heerscht een uitmuntende geest in dit boek, dat met veel handigheid is samengesteld.

De Arnhemsche Courant.

Het is een jongensboek, waaraan heel wat te lezen valt: 424 bladz. Toch gelooven we, dat de jongelui, die het lezen, spijt zullen hebben, dat het al uit is. Het speelt in de eerste helft der achttiende eeuw in den oorlog om Silezië, die de grondslag was van Pruisen’s macht en grootheid. Aan tafereelen uit het krijgsmansleven zijn deze bladzijden rijk en al zijn zij geen soldaten, zullen de jongelui gaarne de campagnes medemaken, die op zoo levendige en aanschouwelijke wijze verhaald worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings