Het Duel.
Reading edition
De ontmoeting in het Roode Woud.—De Russische schildwacht.—Het duel begint.—De plotselinge verschijning der Prinses.—De Hertog wordt gearresteerd.—Zij hebben elkaar herkend!
De avond viel, toen Felix met Rob en Paul hun weg zochten naar de grens van Czernovië.
Van Slavowitz waren ze in een troïka, een met drie paarden bespannen voertuig, tot aan het Roode Woud gereden, volgens voorafgegane overeenkomst langs een anderen weg dan Bora en zijn getuigen.
Nadat ze de troïka in een eenzame herberg aan den weg hadden ondergebracht, geleidde Paul de beide vrienden naar de afgesproken plaats, waar een smal voetpad door een dicht dennenbosch heenvoerde.
“Prachtige dennen!” zei Felix, de kaarsrechte en statige stammen beschouwend.
“Daar verschuilen de wolven zich achter in den winter,” merkte Paul op. “Soms verscheuren ze de Russische schildwachten.”
Het voetpad ten einde loopend, kwamen ze op een ruime open vlakte. [214]
“De grenslijn moet ergens over deze vlakte loopen. Juist, daar staat de steen.”
Paul wees op een zwaar, rechthoekig steenblok, op welks oostelijke zijde, diep ingesneden, zich de letters R-U-S-L-A-N-D bevonden, terwijl de zuidzijde de letters C-Z-E-R-N-O-V-I-E vertoonde.
“Nu zijn we op Russisch grondgebied,” zei Paul, “en we mogen wel goed uitzien, opdat niet de een of andere verborgen schildwacht een schot op ons afvuurt.”
“Zoo? Is dat tegenwoordig Russische gewoonte om op wandelaars te schieten?”
“Het komt voor, tenminste langs deze grens. Waarschijnlijk om vijandelijkheden van Czernovische zijde uit te lokken. Aha! daar is er al een. Ik dacht wel dat we niet ver zouden kunnen gaan zonder er een te ontmoeten.”
Werkelijk zat op ongeveer honderd meter afstand, in de schaduw der boomen, een Kozak te paard, de lans omhoog gericht.
Het gezicht van dezen ruiter was wel geschikt om allerlei gedachten in Felix wakker te roepen.
Ver, ver van hier, aan de bevroren stranden van Kamchatka, hielden andere vedetten de wacht. De afstand tusschen de beide grenzen was meer dan zesduizend mijlen.
En dit rijk, zoo reusachtig uitgestrekt, bedreigde het kleine Czernovië! Het was bijna niet denkbaar, dat Czernovië ooit de ijzeren militaire vuist van dien reus ontkomen kon. De gedachte alleen was een dwaasheid.
En toch.... [215]
Opeens kwam de kozak, de lans vooruit stekend, snel aanrijden. Bij de drie vrienden aangekomen, hield hij zijn paard in.
“Uw paspoorten?”
“Hier,” zei Paul, hem eenige roebels in de hand drukkend. “Dat paspoort is overal geldig. We gaan niet verder dan tot hier; we komen alleen maar even een duel uitvechten.”
“Een duel! Dat is tegen de Russische wet. Het wachthuis is hier niet ver vandaan. Als de commandant komt, worden we allemaal ingepikt.”
“Wel neen,” zei Paul. “Ik heb nog meer paspoorten, voor den commandant ook. Kijk maar.”
De kozak dacht na. Hij stak de roebels in zijn linkerlaars. Hij hield wel van roebels, en zag graag vechten ook.
“We zijn de eersten,” merkte Paul op. “Nog vijf minuten.”
Felix gaf den kozak een sigaar, stak er zelf een op, en liep kalmpjes heen en weer. Hij scheen lang niet zoo ongerust als Paul, ofschoon deze niets merken liet, en zeker heel wat bedaarder dan Rob, die zich niets op z’n gemak voelde.
“Het is eigenlijk een gek ding, dat duel,” zei Paul. “Je doet er niemand een dienst mee. Als Bora valt, kan de Czaar het Czernovische kabinet als medeplichtig aan zijn dood beschouwen, omdat Radzivil, van het duel wetend, dit niet voorkwam. En dan....”
“Ik heb dat alles overdacht,” zei Felix. “Ik zal daarom zorg dragen hem hoogstens zoo te verwonden, dat hij voorloopig het duelleeren zal moeten uitstellen.”
“Als je dat doen kunt, des te beter,” antwoordde [216] Paul, hoewel hij zeer twijfelde of Felix dit voornemen tegenover een uitstekend schermer als de Hertog zou kunnen ten uitvoer brengen.
Ruim dertig minuten na het vastgestelde uur verscheen de Hertog, door zijn getuigen vergezeld. De aanwezigheid van een dokter had men van weerszijden overbodig geacht.
Baron Ostrova trad onmiddellijk op Paul toe en groette beleefd.
“U bent laat, baron.”
“Wil ons verontschuldigen. Ons rijtuig verloor een wiel onderweg. Laten we ons daarom haasten. Hier zijn de sabels.”
Paul vergeleek de beide wapens, koos er een voor Felix uit, en gaf het sein tot het gevecht.
Als een leeuw vloog Bora op Felix af, als wilde hij hem bij den eersten houw buiten gevecht stellen.
Maar nauwelijks hadden de sabels elkaar geraakt, of het bevel weerklonk:
“In naam der wet—houdt op!”
Deze woorden werden door een vrouwenstem gesproken, een stem die Felix van ontroering deed trillen. Een houw van den Hertog pareerend, deed hij snel een pas achterwaarts, en terwijl hij zijn verdedigende houding bewaarde, wierp hij een blik in de richting vanwaar het bevel gekomen was.
En daar, bleek en schoon, en zoo dicht bij hem dat hij haar in de oogen kon zien, stond Elizabeth, ademloos van overhaasting. Niemand der aanwezigen begreep waar zij opeens vandaan gekomen was; geheel in beslag genomen door het duel had men trouwens haar zachten voetstap niet vernomen. [217]
Felix vergat zijn verdedigende houding. Hij vergat alles. Zijn sabel gleed hem uit de handen en viel op den grond.
Een doodsche stilte ontstond, toen men daar de Prinses zag staan, een jonge, weerlooze vrouw wel is waar, maar die op dat oogenblik de macht van den Staat vertegenwoordigde, en wier gevoelens ten opzichte van het duel men kende.
Een oogenblik zweeg Elizabeth. Ze zag den vreemdeling aan—hij was het niet! Dat was Felix niet, die zwartharige, gebronsde man!
Maar toen ze hem haar vraag:
“Wie lokte dit duel uit?”
beantwoorden hoorde met vaste heldere stem:
“Dat deed ik!”
toen waren die drie woorden genoeg om haar te overtuigen dat de lang verlorene hier voor haar stond. Ze begreep dat de verandering, die met hem had plaats gegrepen, slechts schijnbaar was, dat hij een uiterlijke vermomming had aangenomen, en niemand zou haar nu de overtuiging kunnen ontnemen dat Felix zich op slechts enkele passen van haar bevond. Die stem, den blik van die oogen, ze zou die na jaren en uit duizenden herkend hebben. Opnieuw maakte een diepe ontroering zich van haar meester en ze voelde haar hart hevig kloppen. Maar ze wist zich te beheerschen, en sprak:
“Het past een van mijn ministers niet zich boven de wet te stellen.”
Daarna, zich omwendend, riep ze:
“Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel.” [218]
Verrast volgden alle aanwezigen de richting van haar blik, en nu zag men aan den zoom van het bosch, aan de Czernovische zijde van de grens, den Maarschalk Zabern staan, met gevouwen armen, uiterlijk even weinig te doorgronden als een sfinx, innerlijk verheugd over den loop van zaken.
Een weinig meer achterwaarts stond een peloton lansiers van het Blauwe Legioen, en in hun midden een licht voertuigje, een elegante droschky, geschikt voor snelle ritten.
“Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel.”
De Hertog lachte spottend bij deze woorden:
“Bedenk, dat ik op Russisch grondgebied sta! Ik stel mij onder bescherming van dezen kozak.”
De kozak, die tot nog toe zwijgend had toegezien, maakte bij deze woorden een angstige beweging. Hij vond het niets prettig op deze manier in de kwestie gemengd te worden, want hij vreesde al elk oogenblik den commandant van de wacht te zien komen, en dan zou hij ongetwijfeld duchtig worden gestraft, omdat hij deze schending van Russisch grondgebied had toegelaten. Geheel niet wetend met welke personen hij hier te doen had, zei hij nu in zijn benauwdheid iets, waarmee hij onwillekeurig de Prinses te hulp kwam, namelijk:
“Ik kan u niet beschermen, want u mag op Russisch grondgebied ook niet duelleeren, en als ik mijn plicht deed zou ik u moeten gevangen nemen.”
Toen begreep de Hertog het nuttelooze van verder tegenstreven; hij stapte op Czernovisch grondgebied over, en gaf zich gewonnen.
“Uw sabel,” sprak Zabern. [219]
En met een bitteren glimlach gaf Bora den maarschalk zijn zwaard over.
“Daar is uw escorte naar Slavowitz,” zei de Prinses, op de afdeeling ulanen wijzend.
Een der manschappen kwam met een handpaard naar voren, en de Hertog steeg op, gereed zich in gevangenschap te begeven.
“De getuigen van den Hertog bevinden zich op Russisch grondgebied,” vervolgde de Prinses, “ik kan hen dus niet gelasten zich eveneens over te geven. Het is aan hun keuze overgelaten zich aan de Russische of de Czernovische wet te onderwerpen. Wat den Secretaris betreft”—er klonk oprechte spijt uit haar stem—“hij is van zijn ambt vervallen. Ik mag niet dulden dat een mijner onderdanen, wie hij zij, de wet overtreedt. Tegenover de beide andere heeren ben ik, daar zij vreemdelingen zijn, machteloos. Ik zou het echter op prijs stellen, in ’t belang van het justitiëele onderzoek, hen ten spoedigste in mijn Paleis te ontmoeten.”
Alleen Felix had de ontroering bemerkt, die bij deze laatste woorden in haar stem trilde. Hij begreep dat zij hem herkend had en boog zwijgend het hoofd.
Door Zabern geholpen, steeg de Prinses weer in haar droschky. De stoet zette zich in beweging, en verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was. [220]