UIT OOST EN WEST. (continued 3)
Reading edition
Wij vinden nu in onderscheidene dezer namen als eerste lettergreep tor, en velen mijner lezers zullen wellicht vreemd opzien wanneer ik het waag uit te spreken, dat daarin de naam schuilt der door de Scandinaviërs het hoogst vereerde godheid, den Dondergod Thor. Gelijk aan de meeste andere godheden waren ook aan Thor verschillende diersoorten toegewijd, en daaronder ook de mestkever, misschien oorspronkelijk wegens het nut dat hij sticht door het verteren van onreine stoffen. Ook bij de oude Egyptenaren bestond, zooals ieder weet, een heilige mestkever, die zeer groot aanzien genoot, de Scarabaeus (Ateuchus Sacer). Men leerde in Gothland dat wie zulk een heiligen mestkever op den grond zag liggen en weder op de pooten zette, daarmede zeven zonden uitdelgde, en zag hierin een herinnering van Thor's voorspraak bij Alvader.(14) Men noemde dus oorspronkelijk den mestkever, en later ook andere groote kevers of zelfs de kevers in het algemeen, bagge, bug, bok, bist (of welke andere vormen men ook bezigde), d. i. kever van Thor, en toen men later, bij de invoering van het Christendom, diepen afkeer voor al zulk heidensch bijgeloof begon te koesteren, den Thordjefvul, d. i. de duivel van Thor, waaruit in het tegenwoordig Zweedsch als algemeene naam der kevers Tordyfvel is ontstaan. Bij ons zeide men, zoo het schijnt, oorspronkelijk Torbok, dat later tot enkel Tor is afgekort.
Ik ben het meeste wat ik hier heb medegedeeld verschuldigd aan Cowan's „Curious facts in the history of Insects” (Philadelphia, 1865), p. 28. Doch daar ik het werkje slechts uit de tweede hand ken, en in mijne aanteekeningen mijn eigen bijvoegselen en gevolgtrekkingen niet van die van den schrijver heb onderscheiden, kan ik niet meer met juistheid opgeven wat ik hem verplicht ben. De toepassing op het Ned. tor en torbok is in allen gevalle van mij, en zoo zij eene dwaling blijkt te zijn, komt die op mijne rekening.
Sporen van bijgeloof met betrekking tot de torren ontbreken ook in Duitschland niet. Scheffel, zeker een der uitstekendste kenners van de Germaansche oudheid, weet ons in zijn „Ekkehard” (bl. 242) veel van den eerbied des Duitschen volks voor den Hornschröter, ons vliegend hert, te verhalen. Een der namen van dezen schoonen kever, den grootsten van Europa, is de Donnerkäfer (ook Donnergugi), en het blijkt dat hij werd beschouwd als het middel waarvan de toovenaars zich bedienden om donder te verwekken. Scheffel haalt daarbij de volgende woorden aan uit Grimm's „Mythologie” (3te Ausg., bl. 657; vgl. bl. 176): „Dem Schröter, den es mit Donner und Feuer in Bezug setzt, mag das Deutsche Volk besondere Ehre angethan haben.” De hier vermelde bijzonderheden voeren ons terug tot den Dondergod Thor.(15)
Het vliegend hert is te zeer van den mestkever onderscheiden, om aan te nemen dat zij vereenzelvigd werden; maar het eerstgenoemde kon met hetzelfde recht als de laatste „Thor's kever” genoemd worden en dus medewerken om, toen men den zin voor de oude mythologie verloor, aan alle kevers zonder onderscheid den naam van Thorbagge, Torbok of bij afkorting Tor te doen geven.
De vraag doet zich mij voor of het woord tor, als waarschijnlijk niet werkelijk van vreemde afkomst, hier wel eene plaats had verdiend. Daar evenwel, door het verloren gaan van tusschenschakels, de ware verklaring van het woord in het Nederlandsch niet meer te vinden was, kon het slechts door de hulp van vreemde talen worden opgehelderd. Ook blijft de vraag of wij het niet inderdaad aan de invallen der Noormannen in ons land verschuldigd zijn.
Muskiet.
Muskiet, zeldzamer, ofschoon juister, moskiet geschreven, is bij de Nederlanders in Oost- en West-Indië de algemeene naam voor alle stekende en den mensch aanvallende muggen, en is ook in het moederland gebruikelijk, wanneer van Oost- en Westindische muggen sprake is. Het is weder een woord dat wij in de koloniën van de Portugeezen of Spanjaarden hebben overgenomen. In de taal van beide volken is mosquito een verkleinvorm van mosca, het Latijnsche musca, en beteekent eigenlijk kleine vlieg, maar toch ook kleine mug, daar het volk deze verwante diertjes, beide evenzeer tot de diptera of tweevleugelige insecten behoorend, niet altijd nauwkeurig onderscheidt.
Japon.
Van dit woord zegt Weiland: „de benaming is ontleend van Japan, een Rijk beoosten China, derhalve een kleed in navolging van de Japanners. Vanhier ook japonsch: een japonsche rok, een japonsche, japansche deken.” Zeker is het dat onze schrijvers ook wel Japon en Japonsch of Japoensch schreven, gelijk men nog in het Fransch le Japon zegt. Toch acht ik de hier gegeven verklaring van ons japon geheel verwerpelijk. Ik betwist niet dat men oudtijds japonsche rok zeide voor hetgeen men thans een Japanschen kabaai zou noemen; maar de verkorting van japonsche rok tot enkel japon is moeilijk te verklaren, en dat men eenvoudig den naam van een Aziatisch Keizerrijk aan een vrouwengewaad zou hebben toegekend, is nauw denkbaar. Maar wat meer weegt, er is een woord van Arabischen oorsprong, in verschillende vormen tot schier alle talen van Europa doorgedrongen, dat hetzelfde of een verwant kleedingstuk aanduidt, en waarvan het inderdaad zeer bevreemdend zou wezen, indien onze vaderen alleen den toegang daaraan geweigerd hadden, te meer dewijl dit woord vooral ook in het Fransch voorkomt, uit welke taal de namen van mode-artikelen van oudsher tot ons plachten over te waaien. Het woord dat ik bedoel is het Arabische djobbah, waardoor een groot, ruim kleed, doorgaans met wijde mouwen, veel gelijkende op onze kamerjaponnen, wordt aangeduid. Men zie daarover Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes”, die o. a. opmerkt: „Du mot Arabe djobbah les Espagnols ont fait: aljuba, juba, chupa, jubon, les Portugais aljuba, les Italiens giuppa, giuppone et les Français jupe, jupon.” Maar hier is nog slechts een klein deel der talrijke nakomelingschap van het woord djobbah genoemd. Bij Littré vond ik nog als Italiaansch giubba en giubbone, als Portugeesch gibâo, als Provençaalsch jupa, jupon, jupio, als Normandisch jupin, als Bourgondisch gipon, als oud-Fransch jupel en jupeau genoemd. In het Hoogduitsch behooren tot deze familie jupa, jope, juppe, juppel, joppel en misschien ook schuba, schaube, in het Engelsch jippo, in het Nederlandsch de bij Kiliaan voorkomende namen jupe en juype. Tot deze laatste stond japon, als jupon tot jupe, als giuppone tot giuppa, namelijk als verkleinvorm, en daar door de aanhechting der verkleinende lettergreep, de u in jupe toonloos werd, kon ze gemakkelijk in een stomme e of korte a overgaan. Dat men japon is gaan schrijven, kan misschien ook aan den invloed van bovengemelde verkeerde afleiding worden toegeschreven, die intusschen zooveel gezag heeft erlangd, dat ze ook door Franck is aangenomen, en de waarschijnlijke oorzaak is waarom Dozy in zijne „Oosterlingen” aan Japon geene plaats heeft ingeruimd.
Sarong.
Sarong (van het Mal. en Jav. Saroeng) noemen wij gewoonlijk den op Java en elders in Nederlandsch-Indië bij de inlanders gebruikelijken rok, welke ook bij ons te lande door vele dames, die vroeger in Indië hebben gewoond, als huisgewaad wordt gedragen, en welke in onze vaderlandsche katoenfabrieken op groote schaal ten behoeve van Indië wordt vervaardigd. Evenwel wordt aan het woord, in dien algemeenen zin gebruikt, eene ruimere beteekenis gegeven, dan het oorspronkelijk bezit. Wat in den strikten zin een sarong is, zal ik hier kortelijk uiteenzetten.
Het woord saroeng beteekent eigenlijk scheede of koker, en inderdaad bestaat de sarong uit een lap katoen op de bepaalde grootte geweven, waarvan de beide einden zijn aaneengenaaid, zoodat men er de beenen door moet steken. Een sarong is dus strikt genomen overgesteld aan een kain pandjang of kain lepas, d. i. een lange doek of losse doek, waarvan de einden niet aaneen zijn gehecht, en die om het lichaam gewonden en ingestoken wordt. Zulk een lange doek heet in het Javaansch in de lage taal djarik (in den mond des volks veelal verbasterd tot djarit) en in de hooge taal siendjang. Zoowel de sarong als de kain pandjang worden op het smalle inlandsche weefgetouw slechts op de halve breedte geweven, zoodat twee banen in de lengte worden aaneengezet. De Europeesche industrie weeft ze echter op de volle breedte. Beide worden door beide seksen gedragen. De saroeng, ook samping geheeten, is meer in West-Java of de Soendalanden, de djarik, die als kleed der mannen bĕbĕd, als vrouwenrok tapih heet, in het eigenlijk Java te huis. Op de volle breedte wordt voor de sarong een lap van ten hoogste twee meter, voor een djarik van ten hoogste 2½ meter vereischt. Beide worden meestal om den middel bevestigd door een gordel, die door een gesp wordt vastgehouden.
Zoowel de sarong als de djarik kunnen bestaan uit doeken die wit geweven en later effen geverfd of gebatikt (met figuren beschilderd) worden, en uit doeken die van vooraf geverfde draden in ruiten of strepen worden geweven. De gebatikte stoffen komen met onze gedrukte katoenen, de geruite en gestreepte met onze gekleurde weefgoederen overeen. Geruite katoenen (kain polèng) zijn, nevens effen gekleurde, meer in trek in West-Java; gestreepte katoenen (kain loerik) genieten, nevens de gebatikte stoffen, in Midden- en Oost-Java de voorkeur. Voor de gebatikte is de inlandsche nijverheid het meest door de Europeesche verdrongen.
In de inlandsche gebruiken en drachten is veel aan vaste regelen onderworpen, waarin een willekeurig ingrijpen van luim of mode niet gaarne wordt gezien. De sarong, die zich als een meer afgewerkt en afgerond geheel voordoet, moet met de beide aaneengenaaide einden volkomen aaneensluiten. Aan beide einden van het doek wordt een zoogenaamd hoofd (kapala) gemaakt. De beide vereenigde hoofden, die te zamen ongeveer een vierde van het geheele doek uitmaken, verschillen geheel van het grondpatroon. Bij de in kleuren gewevene hebben deze vereenigde hoofden een effen grondkleur, met een aantal evenwijdige, verschillend gekleurde strepen, bij de gebatikte vormen de kapala's altijd twee reeksen van met de punt naar elkander gekeerde spitsen of zoogenaamde torens. De djarik mist in den regel de kapala's; slechts Chineesche vrouwen ziet men wel eens djariks met kapala's dragen.
Indien men het gebruik van het woord sarong door de Europeanen, niet slechts in het moederland, maar ook in Indië, aan de hier opgegeven eischen van eene echte sarong toetst, zal men waarschijnlijk bevinden, dat het zeer dikwijls verkeerd aangewend wordt. Ook in mijn werk over Java zijn in de beschrijving van sarong en djarik (D. I, bl. 601–603) eenige misstellingen ingeslopen, die ik hier volgens de mededeelingen van den heer van Musschenbroek over de inlandsche katoennijverheid en volgens de aanteekeningen op mijn werk van wijlen Tjondro Negoro, den Regent van Brebes, heb verbeterd.
Baadje.
Baadje, d. i. buis, wambuis, niet buisje, zooals van Dale zegt, want baadje is geen verkleinwoord. Afgaande op een, mijns inziens, geheel verkeerde etymologie, schreven Weiland, de „Woordenlijst” van de Vries en te Winkel en de eerste uitgaven van het „Nieuw Woordenboek der Ned. taal” van van Dale allen baaitje. Vreemder nog is het dat Franck de goede spelling met de slechte afleiding verbindt. „Baadje”, schrijft hij, „minder juist voor baatje, een door syncope der i gewijzigden vorm van baaitje, wambuis van baai of andere grove stof, het verkleinwoord van baai (wollen stof); vgl. katoentje van katoen”. In Manhave's nieuwe uitgave van van Dale leest men terecht: „Baadje. Vroeger schreef men verkeerdelijk baaitje. Het woord komt niet van baai, zooals men vroeger meende, maar is aan het Maleisch ontleend”. Ik heb dezelfde meening reeds voorgestaan in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” en ben er sedert steeds meer in bevestigd. Ja ik zou durven verklaren, dat indien er één woord in onze taal is waarvan de afkomst uit het Maleisch zeker is te achten, dat wel baadje moet zijn, en dat dit aan onze lexicographen bij eenige meerdere bekendheid met den Maleischen taalstam en met de literatuur over Ned.-Indië zeker niet zou zijn ontgaan. Zij zouden dan geweten hebben, dat bij de volken van Insulinde algemeen een kleedingstuk in gebruik is, dat in het Javaansch, Maleisch, Makassaarsch(16), Bataksch en Dajaksch den naam van badjoe draagt; dat dit bestaat uit een wijd, loshangend, tot op de heupen reikend buis, om den hals sluitend met een opstaanden kraag, en met ruime mouwen die slechts tot even over den elboog reiken; dat er echter eenige verscheidenheden in den vorm voorkomen, die zich door bijzondere namen onderscheiden; dat de stof doorgaans wit of blauw gestreept katoen, in sommige gevallen ook laken, fluweel of zijde is; en dat de naam van dit kleedingstuk ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik is, en door hen baadje of baatje wordt uitgesproken. Bij oudere schrijvers vindt men nog wel den oorspronkelijken vorm badjoe (b. v. Valentijn, VI, 1, bl. 54: „die wat meer van staat zijn dragen wel een zijde of ander fraai wambuis of badjoe”); maar die vorm is allengs in baadje overgegaan (b. v. van Rees, „Toontje Poland”, I, bl. 19: „slavenmeiden met korte en halfopen baadjes”). En daar de dj (eigenlijk eene enkele letter, die aan de djim of djô van het Maleisch-Javaansche alfabet beantwoordt) door ons in d–j wordt opgelost, de d dus sluitletter eener lettergreep wordt, en als zoodanig in het Hollandsch (dat b. v. laadje, naadje evenzoo uitspreekt als maatje, staatje) de waarde van t krijgt, wordt dit baadje ook dikwijls door baatje vervangen (zooals bij Gevers Deynoot, „Herinneringen”, bl. 57: „mannen en vrouwen... in ligtkleurige katoenen baatjes”). Ja zelfs den vorm baaitje vindt men bij sommige onzer oudere Indische schrijvers, b. v. Canter Visscher, „Malabaarsche brieven”, bl. 46: „daarover hebben zij een baaitje van fijn lijnwaad”. Maar dat het woord ook in deze schrijfwijze in geen verband met baai staat, wat gelijk ieder weet een wollen stof is, blijkt reeds daaruit, dat alsdan een baaitje van lijnwaad een contradictio in terminis zou wezen. Dit baaitje wijst, zooals het mij toeschijnt, slechts op eene zekere eigenaardigheid van uitspraak, zooals men ook wel laaitje(17) hoort, en is verder van geen gewicht.
Schippers en matrozen dragen niet zelden een baadje, en het is zeer mogelijk dat door hen vooral zoowel de snit als de naam van dit kleedingstuk uit Indië is overgebracht. De meeste Maleische woorden in onze taal danken wij aan de zeelieden. Maar ik geloof, dat men zich vergist, wanneer men meent dat het matrozenbaadje gewoonlijk van baai is gemaakt. Bedrieg ik mij niet, dan geldt dit veel meer van den boezeroen, waarover het baadje vaak wordt aangeschoten. Is dit juist, dan vervalt zelfs de mogelijkheid om baadje van baai af te leiden. Ook heeft men de opmerking gemaakt, dat, indien baadje eigenlijk een verkleinvorm van baai was, men in die Nederlandsche gewesten die het verkleinwoord met ke vormen, baaike zou moeten zeggen, welke vorm echter geheel onbekend schijnt.
Pampoesjes.
Pampoesjes zijn onder onze varensgasten eene soort van schoenen van zeildoek, die men b. v. te Amsterdam in de winkels van scheepsbehoeften ziet uitgestald. Dit woord doet ons denken aan het Jav. pampoes, schoenen zonder hakken of met lage hakken, vervaardigd van stof of zacht leer. Volgens eene lijst van vreemde woorden in het Maleisch der Minahassa, door den heer de Clercq, voorkomende in het „Tijdschr. voor Ned.-Indië”, Jg. 1870, D. I, bl. 364, beteekent pampoes in de Minahassa pantoffels of damesschoenen.
Het pampoesjes onzer varensgasten, waarmede men ook nog het Eng. pumps voor dansschoenen kan vergelijken, kan zeer wel aan het Javaansche pampoes, waarmede het de m vóór de p gemeen heeft, ontleend zijn, maar stellig is dit pampoes afkomstig van het Perzische papoesj, door de Arabieren baboesj uitgesproken, en waarvan de Franschen babouche hebben gemaakt. De ingevoegde m is van denzelfden aard als die in Amfioen. Zie op dat woord.
De papoesjes der Oosterlingen worden in de „Reizen van Cornelis de Bruyn door de voornaamste deelen van Klein-Asia”, enz., bl. 95, aldus beschreven: „Als een goed Musulman aan de reinigingen voldaan heeft, moet hij met nedergeslagen gezicht tempelwaarts gaan, en, gedenkende wat eerbiedigheid hij aan die plaats schuldig is, zijne schoenen aan de deur uittrekken, weshalven de Oosterlingen, dewijl zij er zoo menigmaal daags toe gehouden zijn, een zoort van schoenen hebben uitgevonden, bekwaam om 'er zonder het lighaam eens te buigen of 'er het behulp der handen toe van nooden te hebben, met gemak te kunnen uittreden. Zij noemen ze Pabouches(18) en [deze] mogen eer voor een slag van pantoffels of muilen, als voor schoenen te boek gesteld worden. De kleur is verscheiden, geel, rood, paars, swart, enz. De Turken en Franken draagen ze gemeenlijk geel, d'Armeniërs rood, de Grieken paars en de Jooden swart, maar niemand van alle deze natiën vermag ze, zolang als ze in het gebied van den Grooten Heer woonen, groen te draagen, gelijk al de wereld in Perziën mag doen. 't Zou een Christen, die in Turkije woonde, tot een misdaad gerekend worden, een koleur aan de voeten te draagen, welke bij de Mahometaanen door de genegentheid welke hun Propheet tot deselve had, voor heilig werd gehouden.” Elders, bl. 131, voegt de Bruyn er nog bij, dat de Pabouches „bijna van maaksel als muilen zijn, de hiel met het overige der zool gelijk, doch beslagen met een halfrond ijzertje van gedaante als een hoefijzer.”
Dozy, „Dict. détaillé des noms des vêtements”, etc. heeft een aantal plaatsen van reizigers in het Oosten over de baboesjes bijeengebracht, maar de beschrijving bij de Bruyn is hem ontgaan.
Slendang.
„Slendangs”, zegt van Dale „Nieuw Ned. Woordenb.” op het woord, „zekere geweven stof”. Klaarblijkelijk kent hij het woord slechts van prijscouranten van fabrieken of dergelijke stukken, en kon dus voor eene bijzondere stof houden wat eigenlijk een bijzondere soort van kleedingstuk is. Men zou meenen dat de slendang of selendang genoeg bekend is door het gebruik dat onze uit Indië gekomen dames en hare bedienden er maken, en door de veelvuldige vermelding in alle geschriften uit en over Ned.-Indië, om althans eene juiste opgave der beteekenis te waarborgen. De inlandsche vrouwen dragen den slendang als sieraad (of ook om er een kind of iets anders in meê te voeren) over hunne overige kleedingstukken. Het is een lange, smal opgevouwen, veelal gebatikte(19) doek, die, dubbel toegeslagen, zoo over de schouders wordt gelegd, dat aan de rechterzijde de beide slippen lang van voren afhangen. Soms wordt ook de slendang over het hoofd gedragen. Het woord is aan het Maleisch en Javaansch gemeen.
Ginggang.
Guingamp, eene kleine Fransche stad in Bretagne (Dep. Côtes du Nord), is sedert lang bekend door hare weverijen. In het Aardrijkskundig Woordenboek van Kramers lezen wij, dat zij fabrieken heeft van gingang, linnen en garen, en volgens den „Dictionnaire” van Littré, is de oorsprong van het woord gingang (ginggang), in het Fransch guingan geschreven, in den naam dezer stad te zoeken. Hier is op taalkundige gronden niets tegen in te brengen. Bekend is het dat vele fabrikaten, door verkorte spreekwijze, eenvoudig den naam dragen van de plaatsen, waarvan zij afkomstig zijn. Zoo spreekt men van Manchester, Oxford, Florence, Orleans, Valenciennes, Nankin enz., om de van die plaatsen afkomstige stoffen aan te duiden.
Desniettemin wordt door vele schrijvers gingang (of ginggang) als een product der Aziatische weefgetouwen beschouwd. Van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” en Kramers en Bonte „Kunstwoordentolk”, toonen door hunne verwijzing naar een Maleisch of Javaansch woord ginggang, dat in die talen gestreept zou beduiden, dat zij den oorsprong in den Indischen Archipel zoeken. Naar den vorm (reduplicatie met veranderden klinker) kan zeker ginggang zeer wel een Javaansch of Maleisch woord zijn, ja het komt in het Javaansch voor met de beteekenis van afwijken, uiteengaan, waarvan men desnoods die van gescheiden zijn of uiteenstaan, zooals strepen van zekere kleur die door een andere kleur gescheiden worden, zou kunnen afleiden. Evenwel wordt die wijziging der beteekenis van ginggang, zoover ik weet, door geen enkel woordenboek van de Javaansche en verwante talen bevestigd. In het „Jav. Handwdbk.” van Prof. Roorda wordt ginggang genoemd: „een soort van gestreept of geruit Oostindisch lijnwaad, geen Javaansch fabrikaat”, terwijl in de jongste uitgaaf Prof. Vreede ten overvloede herinnert, dat de Javaansche gestreepte lijnwaden loerik heeten. In het „Soendaasch Wdbk.” van den heer Oosting lezen wij op ginggang: „benaming van een soort van geruit of gestreept goed, dat op Java wordt ingevoerd.” In Klinkert's „Supplement op het Maleisch-Ned. Wdbk.” van Dr. Pijnappel lezen wij op ginggang: „geruit hessen- of kielengoed. Op Riouw tjélé, doch ginggang wordt ook verstaan.” Dat men op Riouw, het centrum als het ware der Maleischsprekende bevolkingen van Insulinde, ginggang ternauwernood verstaat, begunstigt stellig niet de meening dat het een echt Maleisch woord zou zijn.
Ik moet nog opmerken, dat de aangehaalde plaatsen volstrekt niet pleiten voor de bewering dat ginggang eigenlijk gestreept goed zou wezen. Het wordt nu eens gestreept of geruit, dan eens bepaaldelijk geruit goed genoemd. Hierbij mag evenwel aan den anderen kant niet verzwegen worden, dat in de katoennijverheid soms een onderscheid tusschen ginggang of gingham (den Engelschen vorm van het woord) en tjélé wordt gemaakt, en dat, waar dit in acht wordt genomen, werkelijk ginggang de gestreepte en tjélé de geruite stof aanduidt. De heer Ekker (firma T. C. Stork te Hengelo) schrijft mij: „Voor Makassar en de Molukken wordt de stof steeds bij ons aangevraagd onder den naam gingham, wanneer zij gestreept, onder dien van tjélee of cotonnetten, als zij geruit moet zijn. De eigenlijke beteekenis van gingham zal dus naar mijn inzien gestreept weefsel zijn. Ook voor Engelsch-Indië wordt bij ons gestreept goed onder den naam van gingham aangevraagd, geruit daarentegen onder dien van checks.” Men begrijpt hieruit hoe de meening ontstaan is dat ginggang bepaaldelijk gestreept zou beteekenen. Inderdaad schijnen echter de woorden ginggang en tjélé synoniem te zijn en het onderscheid tusschen beide gemaakt slechts op een handelsusantie te berusten.
Er kan na al het gezegde weinig twijfel zijn, of ginggang en tjélé zijn in den Indischen Archipel oorspronkelijk uitheemsche namen voor uit den vreemde ingevoerde goederen. Wij zullen dus de meening moeten opgeven, dat ginggang eigenlijk een Maleisch of Javaansch woord is. Dit maakt echter de afkomst uit het Fransch wel waarschijnlijker, maar nog geenszins zeker. Wij zagen reeds dat de ontkenning dat ginggang een Javaansch fabrikaat is, niet buitensluit, dat het toch van Indischen oorsprong, namelijk van het vasteland van Indië (of van Ceilon) afkomstig kan zijn. En dit wordt zeer aanbevolen door de volgende door Littré aangehaalde plaats uit de „Histoire philosophique des Deux-Indes” van Raynal (het eerst in 1771 uitgegeven): „Une centaine de balles de mouchoirs, de pagnes et de guingans d'un très-beau rouge, que les Malabares fabriquent à Gaffanapatnam(20), où ils sont établis depuis très-longtemps.”
Nauwkeurig bezien is zelfs deze plaats den aanspraken van Guingamp op de eerste productie der ginggangs en het geven van zijn naam aan die stof zeer vijandig. In den tijd waarin Raynal dit schreef werd nog Europa door de Engelsche en Nederlandsche O.-I. Comp. op groote schaal van de schoone voortbrengselen der Indische weefgetouwen voorzien, en begon de Europeesche katoennijverheid pas hare vleugelen uit te slaan. Ofschoon thans de namen van vele in Europa vervaardigde stoffen algemeen in Indië bekend zijn, is het moeilijk te gelooven, dat reeds vóór 1770 zulk een naam in de inlandsche talen aldaar het burgerrecht heeft erlangd.(21)
Ik geloof derhalve niet dat ginggang iets met Guingamp te maken heeft, maar acht de overeenkomst der beide namen bloot toevallig. Littré zegt ook niet uitdrukkelijk, dat te Guingamp ginggans gemaakt worden, maar slechts in het algemeen dat er „fabriques de tissus” bestaan, en wanneer anderen nu daarvan bepaald ginggang-fabrieken maken, is het wellicht alleen een besluit uit den eenmaal aangenomen samenhang van ginggang en Guingamp getrokken.
Bepaald en duidelijk te zeggen wat eigenlijk ginggang is, of door welke kenmerken het zich onderscheidt, is zeer moeilijk. Alle voortbrengselen der nijverheid zijn aan gedurige wijziging, namaak in geringer qualiteit of vervalsching onderhevig, terwijl de naam alleen blijft. Dat alles wat men later ginggang heeft genoemd of nog dien naam draagt, volkomen aan het oorspronkelijk dus genoemde fabrikaat gelijk is, zal zeker niemand durven beweren. Volgens het „Nederlandsch Handelsmagazijn” (Amsterdam, Diederichs, 1843) zijn de gingans, ginggans of ginghams bontgestreepte of bontgeruite geweven stoffen, nu eens geheel uit linnen of katoenen garens, dan eens uit katoen gemengd hetzij met linnen, hetzij met zijde, hetzij met schors vervaardigd. Terwijl vroeger de ginggangs, zoo ik meen, steeds als zeer fijne weefsels genoemd werden, verzekert mij de heer Ekker dat zij thans geweven worden in verschillende, grove zoowel als fijne, qualiteiten. Zij schijnen zelfs gewoonlijk van grover qualiteit te zijn, want terwijl de heer Klinkert, zooals wij zagen, ze hessen- of kielengoed noemt, schrijft mij de heer Ekker, dat zij voornamelijk gebruikt worden voor arbeidersbroeken of -baadjes.
Vervolgens moet ik nog opmerken dat in den manufactuurhandel, de artikelen niet enkel genoemd en onderscheiden worden naar de grondstof, de kleur, het patroon, den aard en de fijnheid van het weefsel, maar ook nog naar de wijze van opmaken of verpakken. Saroengs, kain-pandjangs, slendangs, zijn, onafhankelijk van alle andere omstandigheden, in den manufactuurhandel lappen of doeken die op een bepaalde maat geweven zijn, en wel zoo dat ze juist de grootte en den vorm hebben die voor een saroeng, een kain-pandjang, een slendang vereischt wordt, terwijl ze verhandeld worden per corge(22), d. i. per pak dat 20 doeken bevat. Daarentegen behooren de ginggangs tot de zoogenoemde stukgoederen; zij zijn aan één stuk geweven tot eene lengte van 12 tot 24 yards, bij eene breedte van 24 tot 36 inches, waarvan men afsnijdt naarmate van de behoefte.
De Engelsche vorm gingham, waarvan men zich in den katoenhandel gewoonlijk bedient, zoowel als de gebruikelijke opgave van lengte en breedte in Engelsche maat, bewijzen dat onze inlandsche ginggang-fabrikatie, ofschoon een belangrijke tak van onze katoen-nijverheid, op Engelschen grondslag rust en zich naar Engelsche voorbeelden moet richten. Ik geloof echter dat, waar men niet door handelsusantiën gedwongen is, de schrijfwijze die in het Maleisch, Javaansch en Soendaasch wordt gebezigd, nam. ginggang, voor ons de beste is te achten.
Ofschoon dit artikel omtrent den oorsprong en de rechte schrijfwijze van den naam tot geene zekerheid leidt, mag ik het toch niet eindigen zonder mijn dank te betuigen aan de heeren F. Driessen te Leiden en H. J. Ekker te Hengelo voor de mij zoo welwillend verschafte inlichtingen.
Batikken.
Gevormd van het Javaansche batik, op de wijze die reeds in art. Soebatten werd ter sprake gebracht. Batik beteekent in het Javaansch met figuren beteekende of beschilderde (gebatikte) katoenen stof, in tegenstelling met de uit gekleurde draden in ruiten of strepen gewevene. De gebatikte stoffen nemen dus in de inlandsche katoen-industrie de plaats in onzer gedrukte katoenen, maar de wijze waarop ze vervaardigd worden is oneindig veel omslachtiger en kostbaarder. Het geschiedt niet in fabrieken, maar behoort tot den huiselijken arbeid der Javaansche vrouwen. (Van Rees, „Herinneringen”, II, bl. 85: „Is dat werk verricht, dan zet zij zich nevens haar man, om uit te rusten, een oud kleed te herstellen of een nieuw te batikken.”) Elke gebatikte doek wordt afzonderlijk uit de hand bewerkt, door eerst de omtrekken van het patroon aan te geven, en daarna de verschillende kleuren ieder afzonderlijk op het doek te brengen, eenigermate op de wijze onzer chromolithographie. Gelijk bij deze de vereischte teekening wordt verkregen door achtereenvolgens afdrukken van even zoovele met kleuren beteekende steenen als er kleuren in de plaat moeten voorkomen, zoo geschiedt dit bij het batikken door achtereenvolgende indompeling van het weefsel in elk van de kleurstoffen, door wier samenstelling de voorgenomen teekening wordt gevormd. Natuurlijk moet gezorgd worden, dat bij elke dier indompelingen slechts die gedeelten van het doek met de verfstof in aanraking komen, die hare kleur moeten aannemen. Deze uitkomst wordt verkregen door vóór elke indompeling het doek in al die deelen, waarop de kleurstof die aan de beurt is niet mag inwerken, aan beide zijden met een mengsel van was en hars te bedekken. Deze bewerking, die schrijven of teekenen (serat) wordt genoemd, wordt verricht met een scheppertje met langen tuit, bevestigd in een bamboe, die als een schrijfpen in de hand wordt gehouden. Door dit tuitje laat de batikster het kokend mengsel op het doek vloeien dat vóór haar op een raam is uitgespannen. Daar deze bewerking voor iedere kleur moet herhaald worden, is het gemakkelijk na te gaan, hoeveel tijd en geduld voor het batikken, vooral bij meer samengestelde patronen, gevorderd wordt. Wie de bewerking, die ik hier slechts in vluchtige omtrekken mocht schetsen, meer in bijzonderheden wenscht te leeren kennen, kan zijn weetlust bevredigen door de raadpleging der geschriften van den heer van Musschenbroek, den grooten kenner der inlandsche nijverheid van Insulinde. Zie zijn werkje „Iets over de inlandsche wijze van katoenverwen op Midden-Java”, (Leiden 1878) en zijne inleiding op Groep II, 10e klasse, G. Nijverheid, in den Catalogus der Ned. Kol. Afd. van de Amst. Tentoonstelling 1883, bl. 228, v. v.
De Europeesche nijverheid heeft door de gewone procédé's van het katoendrukken de gebatikte stoffen zoo goed mogelijk nagebootst, maar ofschoon het haar, wat de patronen betreft, gelukt is den inlandschen smaak vrij wel te bevredigen, baart de fabriekmatige bewerking eene stijfheid en hardheid der omtrekken, die den Javaan dadelijk den vreemden oorsprong doet erkennen en zijne voorkeur voor de lossere teekening en zachter uitvloeiende kleuren van het werk der inlandsche vrouwen in stand houdt. Alleen de geringe prijs heeft aan de batik tiron, de nagemaakte batik, ingang verschaft en zelfs de Javanen genoopt, op hunne beurt, pogingen aan te wenden om de Europeesche gedrukte stoffen met gebrekkige hulpmiddelen na te bootsen. Zie mijn „Java”, D. I, bl. 541.
Oorkrab.
Een merkwaardig Nederlandsch-Indisch woord, dat uit het Hollandsche oor en het tot krab afgekorte Maleische kraboe is samengesteld. Men gebruikt ook den verkleinvorm oorkrabbetje. Het gewone oorsieraad der Maleische en Javaansche vrouwen, in laag-Javaansch of Ngoko Soeweng, in hoog-Jav. of Krômô Sengkang geheeten, is geen ring noch aan een ring gehangen, maar bestaat uit een spil of schroef, die sluit in een vrij groot in de oorlel gemaakt gat, waarin aan de voorzijde de knop of schijf, die het eigenlijke pronkstuk vormt, wordt bevestigd, terwijl een plaatje of moer, aan de achterzijde aangebracht, het uitvallen verhindert.
Men onderscheidt vele soorten van oorkrabben, die in de inlandsche talen ieder haar eigen naam hebben. Zij verschillen in grootte, vorm, materiaal en versiering. De grootste worden gedragen op Sumatra, waar eene soort voorkomt waarvan de schijf dikwijls een middellijn heeft van elf centimeter en de wangen geheel bedekt. Zie wat de Sumatraansche oorsieraden betreft, „Midden-Sumatra”, III, Volksbeschrijving, bl. 8 v., 17 v. en Pl. XX–XXII van den Atlas. Van de Javaansche oorkrabben vindt men de nauwkeurigste beschrijving bij Poensen, „Iets over de kleeding der Javanen”, in „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XXI, bl. 15, waaraan ik de volgende plaats ontleen: „De oorkrabben kunnen soms vrij kostbare voorwerpen zijn; doch men ziet ze ook dragen, die van luttel waarde zijn. Men draagt ze van goud en zilver, met edelgesteenten, van been, hout, koper, enz. Het plaatje van goud enz. in den knop van een oorkrab, daar het rosetje van juweelen op vastgemaakt wordt, heet djadam; vandaar soewĕng-djadam, d. i. een oorkrab met een djadam.”
Alizari.
Dit woord was door Engelmann opgenomen in de eerste uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe”, maar zonder andere verklaring dan: „espèce de guarance, rubia seca”, en voorts met een vraagteeken er achter, omdat hij den oorsprong niet kende. Prof. Dozy voegde hieraan in de tweede uitgave niets toe, maar nam in zijn „Oosterlingen” Alizariwortel op, met de opmerking dat ook hem de oorsprong van alizari onbekend was; dat het woord er wel-is-waar Arabisch uitzag, maar dat in het Arabisch de meekrap andere namen heeft. Prof. Land slaat in den „Nederl. Spectator”, 1867, voor, alizari te beschouwen als samengesteld uit het Arabisch lidwoord al en eene verbastering van het Grieksche isatis, welk woord wel-is-waar niet de beteekenis had van meekrap, maar de wouw (isatis tinctoria L.) aanduidde, doch, zegt hij, lichtelijk bij vergissing op eene andere verfplant kan zijn overgedragen, zooals dat meermalen met oud-Grieksche plantennamen is gebeurd. Zeer aannemelijk is die verklaring zeker niet. Al wil men over het verschil in beteekenis en de verbinding van een Grieksch naamwoord met het Arabisch lidwoord heenstappen, dan blijft nog als grootste struikelblok de verwisseling van t met r over, die zelfs als verbastering bezwaarlijk kan worden aangenomen. Veel waarschijnlijker is de verklaring van Marcel Devic in zijn „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale”, geplaatst achter het Supplement op den „Dictionnaire de la langue Française” van Littré. Volgens dien schrijver is alizari samengesteld uit het Arab. lidw. en het eveneens Arabische ʾaçárah [waarschijnlijk ook wel ʾiçarah uitgesproken], welk woord, van den wortel ʾaçara, persen, afgeleid, alle uitgeperste plantensappen aanduidt (vgl. de Sacy, „Chrestomatie Arabe”, 2e ed., T. III, p. 451). Devic geeft een voorbeeld, waarin het gebruikt wordt van de kleurstof der pastel of weede, en toont ook aan dat in den handel de Levantsche meekrap azala of izari (d. i. dus alizari zonder het lidw.) genoemd werd. De letter çad van het Arabische alfabet gaat in de talen van Zuid-Europa gewoonlijk in z over. (Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 18). Het is zeer denkbaar dat het handelsgebruik een woord met de algemeene beteekenis van uitgeperst plantensap allengs, bij wijze van verkorte uitdrukking, tot een bijzonder gewichtig artikel van dien aard beperkt heeft.(23)
Behalve in de toch ook niet zeer gewone samenstelling alizariwortel, is alizari in onze taal niet gebruikelijk, maar des te meer in den laatsten tijd het daarvan afgeleide alizarine. Terwijl alizari een handelsnaam van de meekrap is, verstaat men door alizarine de kleurstof die de scheikunde uit de meekrap trekt, maar die in de laatste jaren ook verkregen wordt uit steenkolenteer, eene uitvinding die aan de meekrapteelt veel afbreuk heeft gedaan. Ook wordt eene inktsoort, waarin meekrap als bestanddeel voorkomt, en die blauwgroen van kleur is, maar op het papier donkerzwart wordt, alizarine-inkt genoemd.
Henna, Alkanna.
Henna, soms met het Arabische lidwoord alhenna geschreven, is eigenlijk hetzelfde woord als kanna of alkanna, dat voornamelijk in den laatsten vorm gebruikelijk is. Het zijn verschillende wijzen van uitspraak van het Arabische woord henná of hinná, den naam van het roodachtig gele of donker oranjekleurige sap, geperst uit de bladeren eener altijd groene struik, die de botanici Lawsonia inermis of Lawsonia alba noemen. Maar ofschoon henna en alkanna in den grond hetzelfde woord zijn, verschilt het gebruik, daar het laatste slechts van een surrogaat der echte henna wordt gebezigd. De henna wordt in het Oosten algemeen door de vrouwen aangewend om de nagels en eenige andere deelen van handen en voeten te beschilderen. De wijze dezer bewerking kan men het best leeren kennen door de uitvoerige beschrijving en afbeelding in Lane's „Modern Egyptians”, 5th edit., p. 38. Hetzelfde gebruik komt ook voor in den Indischen Archipel, althans op Sumatra, waar de henna (in het Maleisch) ínei heet. Miquel, „Sumatra”, bl. 100: „Met het uitgekookte sap van de bladen van de inei of henna kleuren de inlanders de nagels van handen en voeten rood.” (Vgl. ook Filet, „Plantkundig Woordenboek”, 2e uitg., no. 1747).
Onder Alkanna (Eng. Alkanet) verstaat men de plant, eertijds Anchiusa tinctoria en Lithospermum tinctorium, thans gewoonlijk Alkanna tinctoria geheeten, en hier en daar in Midden- en Zuid-Europa gekweekt. De bruinroode kleur die zij oplevert wordt door de apothekers tot het kleuren van zalven en tincturen, door de ververs tot het nabootsen der kleuren en vlammen van rozenhout (d. i. het hout van Dalbergia nigra) en andere Zuidamerikaansche boomen, eindelijk door de wijnhandelaars als kleurmiddel bij het vervalschen van portwijn gebruikt.
Manna.
Het is eenigszins bevreemdend dat Prof. Dozy aan dit woord geene plaats heeft gegeven in zijne „Oosterlingen”, daar het stellig van Semietische afkomst is, en een bekend handelsartikel aanduidt. Het echte manna is eene in kleine, gele, doorzichtige korrels voorkomende zelfstandigheid, verhard uit het taaie en zoete sap, dat uit een zekere in Arabië menigvuldig voorkomende struik, de Tamarix mannifera, vloeit, tengevolge van tallooze voor het bloote oog onzichtbare wondjes, door den steek van een insect, Coccus manniparus, teweeggebracht. Deze stof is, daargelaten het wonderbare gelegen in den verbazenden overvloed waarin ze zich voordeed tijdens de omzwervingen der Israëlieten in de woestijn van Arabia Petraea, en in de omstandigheden waaronder ze zich vertoonde, hoogstwaarschijnlijk niet verschillend van dat hemelsch brood, dat in Exodus XVI onder den naam van man wordt vermeld. Manna is daarvan de gewone vorm, gebezigd in het Arameesch dialect dat ten tijde van de opkomst des Christendoms in Palestina werd gesproken, en daarom ook, bij aanvoering van woorden in de landstaal, in het N. Testament wordt gebruikt (Joh. VI: 31, 49, 58; Hebr. IX: 4; Openb. II: 17). Het woord man beteekent in het Arabisch een geschenk, eene gave, en wanneer de Arabische schrijvers het boven beschreven manna mannoe's-samáï, d. i. gave des hemels, noemen, dan schijnen ook zij aan een wonderbaren oorsprong te denken, hetzij alleen omdat de herkomst dezer stof ook voor hen in het duister school, hetzij omdat de kennis van de wonderbare spijziging der Israëlieten in de woestijn ook tot hen was doorgedrongen. Voor dit laatste pleit de overeenkomst met de uitdrukkingen hemelsch brood en hemelsch koorn, die Ps. CV: 40 en LXXVIII: 24 worden aangetroffen. Bij de nauwe verwantschap tusschen de Hebreeuwsche en Arabische talen, is er volstrekt geen reden om bezwaar te maken, ook in het Hebreeuwsch de beteekenis van gave aan het woord manna toe te kennen. En wanneer wij dan Exod. XVI: 15 lezen, dat de Israëlieten, het manna ziende, en niet wetende wat het was, tot elkander zeiden: „man hoe,” dan is er geen reden om dit anders dan met „dit is een gave” te verklaren. Vers 31 wil dan ook zeker slechts te kennen geven, dat man, d. i. gave, sedert de naam bleef van dit van den hemel nedergedaald geschenk. Er bestaat wel eene andere verklaring van die uitdrukking man hoe, aan de Grieksche vertaling der LXX ontleend, volgens welke die woorden op vragenden toon moeten worden uitgesproken en vertaald worden: wat is dat? zoodat, tengevolge dier vraag, Wat de naam der onbekende stof zou gebleven zijn. Maar man als vragend voornaamwoord komt wel voor in de latere Aramaïseerende taal van Palestina, maar is in het echte Hebreeuwsch onbekend(24).
De naam manna is later ook aan andere soortgelijke in den handel voorkomende stoffen gegeven, zooals aan het manna van Fraxinus ornus, welks uitvloeiing mede door den steek van een insect, Cicada orni, wordt bevorderd, of dat van Hedysarum Alhagi, eene struik op wier takken en bladeren zich korrels als gekristalliseerde suiker vormen, die men tegen het najaar op ieder uur van den dag kan inzamelen. Van deze gewassen komt het eerstgenoemde vooral in Italië, het andere, behalve in Perzië, ook in Arabië voor.
Farizeër.
In onderscheiding van andere soortgelijke aan den Bijbel ontleende uitdrukkingen, welker verklaring ik aan de bijbelsche woordenboeken overlaat, gun ik een plaatsje aan dit woord, omdat het in onze taal niet enkel de naam is der Joodsche sekte die het aanduidt, maar nog de algemeene beteekenis van schijnheilige of huichelaar heeft gekregen, en ook het adjectief farizeesch (of farizeeuwsch) heeft voortgebracht. Men denke b.v. aan Vondels bekende regelen: (van Lennep's „Vondel”, V, blz 427):
„O! Farizeeusche grijns, met schijngeloof vernist, Die 't groote lyck vervolgt tot in zijn tweede kist”, enz.
In Vondels „Joannes de Boetgezant” leest men ook farizeeusheyt voor huichelarij (ald. X, bl. 74) Het Hebr. farîsch, waarvan de naam afkomstig is, beteekent afgezonderde, afgescheidene, iemand die zich door bijzonder vertoon van vroomheid van de menigte onderscheidt.
Betelgeuze.
Bij de vroeger gegeven verklaring van den sterrennaam Rigel had ik ook gaarne die gevoegd van Betelgeuze, die in dezelfde daar aangehaalde verzen van Nieuwland als een door rooden gloed gekenmerkte ster in den schouder van Orion vermeld wordt. Maar ofschoon omtrent den Arabischen oorsprong van Betelgeuze geen twijfel kan bestaan, werd de verklaring gedrukt door eene zwarigheid, die ik niet kon oplossen. Ik wachtte met de behandeling van het woord tot wellicht een gelukkig toeval mij de oplossing zou aan de hand geven. Ware mij vroeger ingevallen den „Dictionnaire étymologique des mots d'origine orientale” van Devic, achter het Supplement van Littré te raadplegen, dan zou ik zijne zeer aannemelijke verklaring niet zoolang aan mijne lezers onthouden hebben.
Betelgeuze is de door de Europeesche schrijfwijze meer of min onkenbaar gemaakte samenstelling van twee Arabische woorden: bait (of bêt), d. i. huis, ook in de astronomische beteekenis van de huizen der zon of teekenen van den dierenriem, en van djauzá (met het lidw. al-djauzá), den bekenden naam van het teeken der Tweelingen. Dus beteekent Betelgeuze „het huis der Tweelingen”, wat op zichzelf niet de geringste zwarigheid oplevert. Moeilijk is het echter te verklaren, hoe diezelfde naam kan gegeven zijn aan de schitterende roode ster in den schouder van Orion.
Uit de Arabische woordenboeken (b. v. Freytag, D. I, bl. 324b) blijkt, dat niet alleen de Tweelingen, maar ook het sterrenbeeld Orion al-djauzá genoemd werd. Deze homonymie, zoowel als de eigenlijke, oorspronkelijke beteekenis van djauzá, laat Devic onverklaard. Misschien kunnen Ideler's „Untersuchungen über d. Sternnamen” daaromtrent eenig licht geven; doch dit boek heb ik niet ter hand. Verder leeren ons de woordenboeken (b. v. Freytag, D. IV, bl. 331a) dat de ster Betelgeuze in 't Arabisch mankiboeʾl djauzá, d. i. de schouder van Orion, heet, wat ons niet veel verder brengt. Maar aan Devic behoort de verdienste van in een Arabisch HS. te hebben opgespoord, dat mankiboeʾl-djauzá ook door jadoeʾl-djauzá, d. i. de arm van Orion, vervangen wordt. In de niet zeldzame uitspraak jèd-el-djauzá kon dit, zooals hij nog verder terecht schijnt op te merken, lichtelijk door hen, die de Arabische sterrenamen gebruikten zonder ze te verstaan, met bêt-el-djauzá verward en verwisseld worden.(25)
Tijferen.
In werken over Ned.-Indië wordt niet zelden het woord tijferen gebezigd in den zin van „palmwijn door insnijding uit een boom tappen.” Zie b. v. „Tijdschr. v. N.-Indië”, 1870, II, bl. 240: „de plaats waar de inlanders de saguweer tijferen.” Het zou zeer zeker eene vergeefsche poging zijn voor dit woord eene Germaansche afstamming te zoeken; maar uit welke taal is het dan afkomstig?
In Rumphius' „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 5, leest men daarover het volgende: „De personen die op het tappen van drank uit boomen afgericht zijn, noemt men hier te lande met een Portugeese naam Tiffadoros en het werk zelfs tiffar, bij onze Duytsche tyfferen.” Op bl. 60 herhaalt hij dit in de volgende, in hoofdzaak alleen in de spelling verschillende woorden: „Het werk en de wetenschap om diergelijke dranken uit boomen te tappen, heet men hier met een Portugees woord tifar en de personen die zulks doen Tifadores, waartoe wel de bequaemste en ervarenste zijn de Baleyers, die ook een bijzondere en van de Amboinsche verschillende manier van teifferen hebben,” enz. Intusschen vind ik ook in de beste en volledigste Portugeesche woordenboeken van deze woorden tifar of tiffar en tifador of tiffador geene melding, en ofschoon men zeker op gezag van Rumphius mag aannemen, dat de Nederlanders in de Molukken het woord tijferen van hunne voorgangers hebben overgenomen, is daarmede de oorsprong nog geenszins verklaard. Misschien is het door de Portugeezen ontleend aan een der dialecten van Timor of de Molukken, waarin, gelijk men weet, de letter f voorkomt, die aan het Maleisch en Javaansch geheel en al vreemd is.
't Is zeker een curieuse bijdrage tot de kennis van 't gebruik van 't woord tijferen in onze taal, dat in 1670, bij A. v. d. Burgh te Amsterdam, een bundel gedichten in 't licht werd gegeven door zekeren M. Cramer, onder den titel: „D'Indiaensche tijfferboom, uyt-tijfferende verscheyden heylsame rijmen”. Zoo men zulk een titel verstaan zou, moest het publiek, waarvoor men schreef, toch wat meer van Indië weten, dan het tegenwoordig geslacht. Thans zou dat niemand verstaan, en wanneer iemand de bestaande woordenboeken ging raadplegen om over de beteekenis van tijferen te worden ingelicht, zouden ook de volledigste hem teleurstellen.
Tee, teeboei.
De gewone schrijfwijze thee wil mij niet uit de pen vloeien, omdat er voor de h noch in den oorsprong noch in de uitspraak van het woord eenige grond is. De letterverbinding th wordt bij ons gebezigd in vele woorden van Griekschen oorsprong om de thêta aan te duiden, en in enkele andere vreemde woorden, b. v. Thaler, Thallium, enz. In echt Nederlandsche woorden komt ze slechts voor in thuis, thans, althans, omdat deze uit te huis, te hands, al te hands zijn samengetrokken. De naam tee, zoowel als de plant (de Thea Chinensis der botanici) is tot ons gekomen uit China. De echte Chineesche vorm is tschā, waaronder de Chinees eigenlijk het tee-aftreksel verstaat. Het blad noemt hij tschā-yĕ, teeblad. Rechtstreeks van het Chineesche woord stamt het Portugeesche cha, waarnevens echter thans ook teha gebruikt wordt. In sommige Chineesche dialekten nadert de uitspraak wat meer tot den bij ons gebruikelijken vorm; maar vooral is dit het geval met het Javaansche té of hĕté en het Maleische teh, wat het vermoeden wekt dat wij wellicht ons tee door tusschenkomst dezer talen hebben ontvangen. Onze oudere schrijvers (b. v. Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabar ende Coromandel”, bl. 183), hebben dikwijls tee zonder de h. Ook de Engelschen schrijven tea zonder h, en spraken oudtijds, gelijk dit nog in Ierland geschiedt, dat woord juist zoo uit als wij ons tee, zooals blijkt uit de volgende regels van Pope's „Rape of the lock”:
„Here thou, great Anna, whom three realms obey, „Dost sometimes counsel take, and sometimes tea”.
Daar nu de h zuiver overtollig is, schijnt de latere schrijfwijze thee, enkel door de voorkeur voor een ingewikkelde spelling, misschien onder den invloed van het Fransche thé, te zijn voortgebracht. Onze oude taal heeft echter meer recht om hier de toongeefster te zijn dan het Fransch. Want ofschoon de tee aan vele oudere reizigers bekend was, staat het genoegzaam vast, dat deze drank het eerst door onze landgenooten over Europa verspreid is. Zie Schotel, „Letterkundige bijdragen tot de geschiedenis van den tabak, de koffij en de thee”, bl. 185 vv.
Onder de samenstellingen met thee noemt Weiland o. a. theeboe, maar zonder dit woord te verklaren. Het is natuurlijk hetzelfde als het Fransche thé bou, waardoor in vroeger tijd de zwarte tee, in onderscheiding van de groene, werd aangeduid. Men meende namelijk dat de zwarte en groene tee van verschillende planten afkomstig waren, die de botanici door de namen van thea viridis en thea bohea onderscheidden, en het is van dit bohea dat het Fransche bohé of bou afkomstig is. Ook in het Engelsch is bohea (de ea uitgesproken als tegenwoordig in tea) als de naam eener soort van tee bekend. Onze voorouders gebruikten dit woord evenzeer, maar spraken het boei uit, zoodat ik niet recht weet hoe Weiland aan zijn theeboe komt. Theeboei leest men nog bij Schotel, t. a. p., bl. 205.
De oorsprong van bohea (eig. boe-ie-tschā) is te zoeken in den geographischen naam van een gebergte in de Chineesche provincie Foekiën of Hokkiën, vanwaar men de dusgenoemde soort verkreeg, Woe-ie of Boe-ie. Voor het overige weet men thans, dat het onderscheid tusschen groene en zwarte tee meer van de wijze van bereiding dan van het soortverschil af hangt. Want, ofschoon in de teeplant talrijke verscheidenheden voorkomen, zooals met alle op groote schaal in ver uiteenliggende streken en onder verschillende omstandigheden gekweekte cultuurplanten het geval is, kan men, in het algemeen gesproken, van dezelfde verscheidenheid zoowel groene als zwarte tee bereiden, wat niet buitensluit dat men wellicht sommige verscheidenheden bij voorkeur voor het bereiden van groene tee verkiest.
Aan verschillende in den handel voorkomende teesoorten, waarvan het onderscheid nu eens op werkelijk verschil in de planten, dan eens op de sorteering in top-, fijn-, middel- en grofblad, dan weder op de wijze van behandeling schijnt te berusten, worden verschillende namen gegeven. De meest bekende zijn Congo (eig. koeng-foe, d. i. werk), Souchong (siao-tschoeng, d. i. kleine soort), Hyson (hi-tschoen, d. i. glanzende lente), Uxim (You-tsiën, d. i. vóór de regens), en Pecco (pih-koe of pĕ-hao, d. i. wit haar, ook tee met witte puntjes). In Engeland is, of was althans vóór korten tijd, ook de bohea nog in den handel bekend, maar de naam heeft zijne vroegere beteekenis van zwarte, in tegenstelling met groene tee verloren en dient alleen nog om tee van de geringste hoedanigheid aan te duiden. Over de beste tee, Joosjes-tee geheeten, zie men het art. Joosje.
Joosje.
In Wilcock's Engelsche vertaling der Reizen van Stavorinus, D. I, bl. 173, vond ik de volgende curieuse aanteekening over dit woord, dat bij ons een der volksnamen van den duivel is. „The images which the Chinese worship, are called joostje by the Dutch and joss by the English seamen. The latter is evidently a corruption of the former, which, being a Dutch nickname for the devil, was probably given to these idols by the Dutch who first saw them, either for their hideous appearance, or from the principle that all idolatry is demonolatry. On no better ground than this the authors of the „Universal History” accuse the Chinese of worshipping the devil knowingly and de facto.”
Het zwakke punt in de redeneering van Wilcock is, dat hij onverklaard laat, waarom Joostje in het Hollandsch een bijnaam van den duivel is,—eene vraag die, als ze in ernst gedaan werd, zeer moeilijk te beantwoorden zou zijn; want Joostje, zooals Wilcock het woord spelt, is een deminutief van Joost, en Joost is een mansnaam, die afstamt van het Latijnsch Justus, dat rechtvaardig beteekent, en zeer ongeschikt is voor een naam van den vorst der duisternis. In enkele gevallen wordt Joost ook gebruikt voor personen die Jozua gedoopt zijn; maar Jozua zou als naam van den duivel even onverklaarbaar wezen.
Dat, door de gelijkheid in vorm bedrogen, vele Nederlanders werkelijk meenen dat Joosje als naam van den Duivel van den eigennaam Joost afstamt, blijkt genoegzaam uit de spreekwijze „Joost haal' mij” en andere dergelijke; maar onze oude schrijvers geven ons ook hier het noodige licht, daar zij het ons duidelijk maken, dat Joosje oorspronkelijk een Chineesch woord is, dat het gewone voorwerp van de dagelijksche vereering der Chineezen aanduidt, hetwelk door de Europeanen van ouds als de Duivel beschouwd werd. Zoo lezen wij bij Wouter Schouten, „Reistogt naar en door Oost-Indiën” (uitgave van 1780), D. I, bl. 23, dat de Chineezen te Batavia in hunne donkere woningen waskaarsen ontsteken ter eere van den Vorst der hel, dien zij als hunnen God aanbidden. „Den Schepper,” zegt Schouten, „vreezen zij niet, wijl van Hem alles goeds komt; maar de Duivel, dien zij gemeenlijk Joosje noemen, is, zeggen zij, een machtig en geweldig vorst der wereld, die de menschen met duizenden van plagen kan bezoeken en gantschelijk verderven.” Deze voorstelling aangaande de vereering des duivels door de Chineezen vindt men bij verschillende schrijvers en zelfs nog in de „Mededeelingen over de Chineezen op Java” door Aquasi Boachi(26), in „Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van Ned.-Indië”, Dl. IV, bl. 283. Het is wel ontwijfelbaar dat die vereenzelviging van Joosje, als het voorwerp der vereering van de Chineezen, met den Duivel, tot het gebruik van Joost of Joostje in onze volkstaal als naam van den Duivel aanleiding heeft gegeven. Dat de voorstelling aangaande eene vereering des Duivels door de Chineezen geheel verkeerd is, zooals Prof. Hoffmann in zijne aanteekeningen op het stuk van Aquasi Boachi, bl. 279, aantoont, doet hier niets ter zake; het is ter verklaring van den bedoelden naam des Duivels genoeg te weten, dat zij vroeger algemeen was.
Den naam Joosje voor het voorwerp van vereering der Chineezen vindt men met eenige wijziging ook in het Engelsche Joss en in de samenstellingen josshouse, zooals de kleine Chineesche huistempels, en josssticks, zooals de Chineesche offerstokjes genoemd worden. Bij latere Nederlandsche schrijvers vindt men dit Joosje vervangen door Djoesie, dat waarschijnlijk de echte Chineesche uitspraak meer nabij komt. Zie W. L. Ritter, „Java, tooneelen uit het leven, karakterschetsen en kleederdrachten van Java's bewoners”, bl. 134; de Hollander, „Land- en Volkenk. van Ned.-Ind.”, 3e uitg., D. I, bl. 470.
Volgens Prof. Hoffmann, t. a. p., bl. 282, zou Joosje of Joss eigenlijk niet het door de Chineezen vereerde beeld zijn, maar hun tabernakel, een kistje waarin een houten beeldje van Boeddha of een of anderen boeddhistischen heilige geplaatst is. Deze kleine tabernakels of Boeddha-huisjes heeten namelijk gewoonlijk Tschoe tszé, Japansch Dsoe-si. Hiervan zal dan Djoe-si afkomstig zijn.
Minder waarschijnlijk dunkt mij de gissing, die Joosje of Joss voor eene verbastering van het Port. Deos, Sp. Dios (d. i. God) houdt. Men zou daaruit desnoods nog het Eng. Joss, maar bezwaarlijk het Hollandsche Joosje kunnen verklaren.
Naar alle waarschijnlijkheid staat ook nog met het behandelde Joosje de naam in verband van joosjes-tee, dien de Nederlanders gewoon zijn te geven aan eene zeer fijne soort van tee, tot zeer kleine balletjes gekneed, waarom zij ook buskruid- of parel-tee wordt geheeten. Zie de Sturler, „Handboek voor den Landbouw in Ned.-Indië”, bl. 392; Jacobson, „Handboek voor de cultuur en fabricatie van thee”, I, bl. 101. De samenhang is echter niet volkomen duidelijk. Ik waag het daaromtrent het volgende te gissen.
De godsdienstoefening waarbij de Djoesi behoort, is geen openbare, maar een huiselijke. Elke Chinees heeft in zijne woning een huisaltaar met eene tafel, waarop het boven beschreven kistje staat. Op deze tafel worden dagelijks vruchten, reukwerk en andere voorwerpen geofferd. Zou het nu niet kunnen zijn, dat tot deze offergaven ook de bovenvermelde balletjes van de fijnste tee behooren en deze daaraan den naam van joosjes-tee te danken hebben? Dat tee werkelijk onder de gewone Chineesche offergaven voorkomt, blijkt uit „Bijdragen voor de taal-, land- en volkenk. van Ned.-Ind.”, D. II, bl. 325.
Beiram.
Beiram of Bairam is een Turksch woord, dat feest beteekent. Het ontbreekt in de „Oosterlingen” van Dozy; maar onze oude schrijvers gebruiken het doorgaans tot aanduiding der beide groote feesten van den Islam, het feest bij het einde van de vasten, en het offerfeest, dat op den 10den der laatste maand door de bedevaartgangers te Mekka, maar ook elders in de Mohammedaansche wereld, ter herinnering, zegt men, van Abrahams offerande(27), met offermalen gevierd wordt. Zoo lezen wij in C. de Bruyn's „Reizen”, I, bl. 118: „Eer wij dit hoofdstuk eindigen, moeten wij ook yts van den Bairam of Paaschfeest zeggen”, en ald. bl. 119: „Behalve dezen Bairam, die de groote of de Bairam des Ramadans geheeten wordt, hebben de Turken noch den kleinen, of den Bairam der Adgi's [Hadji's] of Pelgrims van Mecha”.
De bijv. naamwoorden groot en klein zijn hier door de Bruyn verkeerd gebruikt; want inderdaad is volgens de leer van den Islam het Mekkaansche offerfeest het groote, en het feest bij het einde van de vasten het kleine; maar hij is daarbij in overeenstemming met de zienswijze der Turken, die het offerfeest het kleine, en het feest na de vasten het groote noemen, omdat het laatste met veel grooter vreugdebedrijven gevierd wordt. Even verkeerd is het in den grond, wanneer de Bruyn het feest na de vasten het Paaschfeest noemt, maar ook hier is hij in overeenstemming met der Turken spraakgebruik. Inderdaad staat het offerfeest in nauwer historischen samenhang en heeft meer punten van aanraking met het Israëlietische Paschen, dan het feest dat zoo dikwijls het „Turksche Paschen” genoemd wordt.
De verwarring in de benamingen van deze feesten is reeds aangewezen in eene noot van onzen beroemden Reland op zijn werkje: „de Religione Mohammedica”, ed. alt., p. 109.
Efendi.
Efendi of Effendi is een Turksch woord, dat heer, meester beteekent en als titel geplaatst wordt achter namen van personen en van waardigheden, als in: Ja'koeb Efendi, de heer Jakob; Raïes Efendi, titel van den Minister van Buitenlandsche Zaken. Men beweert dat Efendi oorspronkelijk Grieksch is en verbasterd uit authentis, in hedendaagsche uitspraak afthendis.
Dozy heeft het woord niet in de „Oosterlingen” opgenomen, ofschoon hij er over spreekt bij Aga, dat nagenoeg hetzelfde beteekent. Het onderscheid bestaat daarin, zegt hij, dat Aga wordt gebruikt wanneer men van een militair opperhoofd, en Efendi, wanneer men van een burgerlijk ambtenaar spreekt. Ook aan Efendi had een afzonderlijk artikel moeten gegeven worden, dat uit een eenvoudige verwijzing naar Aga had kunnen bestaan. Dat dit niet is geschied, zal wel een bloot toevallig verzuim zijn.
Balkon.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens; volgens het eene komt het uit het Perzisch, volgens het andere is het Germaansch, maar gewijzigd door doorgang door het Italiaansch. Door het woord niet op te nemen in de „Oosterlingen”, heeft Prof. Dozy getoond aan de afleiding uit het Perzisch geen waarde te hechten. Maar in zijne aankondiging van dat werkje in den „Ned. Spectator”, 1867, zegt Prof. de Goeje: „Ik moet bekennen dat de afleiding van balkon van het Perzische bâlâkhâneh (opperkamer, 't bovenste van 't huis) mij althans even waarschijnlijk voorkomt, als die van het oud-Hoogduitsche balcho (balk).” Inderdaad verzet zich noch de woordvorm, noch de beteekenis bepaaldelijk tegen die afleiding. Bâlâkhâneh is samengesteld uit bâlâ boven, en khâneh, woning, en beteekent dus bovenhuis. De overgang tot de beteekenis van balkon is niet zeer bezwaarlijk, zooals blijkt uit de volgende verklaring van bâlâkhâneh in Stocqueler, „Oriental Interpreter”: „Persian, Balcony, an upper-room, open in front, and generally overlooking another and lower apartment”. Nochtans blijft voor mij deze afleiding van balkon onwaarschijnlijk, zoolang niet is aangetoond hoe en langs welken weg zulk een woord uit Perzië naar Europa kon worden overgebracht; want het is veel te oud in de Europeesche talen om over Britsch-Indië tot ons te zijn gekomen. Bovendien heeft de beteekenis toch een veel moeilijker sprong gemaakt, dan bij de afleiding van het Germaansche, ook in onze taal voorkomende balk, terwijl de vorm geheel duidelijk wordt door de tusschenkomst van het Italiaansch, waarin woorden van Germaanschen oorsprong zoo menigvuldig zijn, en waaruit zoo menig woord van dien aard tot de Germaansche volken in gewijzigden vorm is teruggekeerd. Mij dunkt de verklaring in Grimm's „Deutsches Wörterbuch”: „Balkenvorsprung, auf dem man eines Standes im Freien zur Aussicht geniesst, nach dem Italienischen balcone, das selbst aus unserem Balke entlehnt wurde”, laat weinig te wenschen overig.
Veranda.
Veranda is eene open galerij aan de buitenzijde eener woning, zooals in de laatste jaren meer en meer aan villa's en op tuinen uitziende vertrekken in zwang komen. De naam zoowel als de zaak is ons uit Indië aangebracht. In Britsch-Indië zijn namelijk veranda's, uit een lichten steenen buitenmuur en jalousiën bestaande, en bestemd om de warmte en het licht in de vertrekken te temperen, van oudsher in algemeen gebruik geweest. Zoowel de Portugeezen, die varanda, als de Engelschen die meestal verandah schrijven, hebben het gebruik dezer aanbouwsels nagevolgd, en in hunne koloniën zoowel als in het moederland en verder over Europa verspreid. Ook in Nederlandsch-Indië zijn zij in zwang gekomen, en de naam veranda is in den vorm bĕranda in het Maleisch opgenomen. Bij ons schrijft men meestal in navolging der Engelschen verandah; maar beter is het de h, voor welker gebruik geen reden bestaat, weg te laten. Het woord is ontleend aan het Sanskriet of liever Prakriet, waarin het waranda luidt, dat ons tevens aan een ander van ouds gebruikelijk Nederlandsch woord, warande, doet denken. Vondel schreef reeds eene verzameling fabelen onder den naam van „Warande der dieren”, en nog in onze dagen gaf de heer J. Alberdingk Thijm een aan kunst en letteren gewijd tijdschrift onder den titel van „de Dietsche Warande” in het licht.
In den laatsten tijd vindt men in onze dagbladen van tijd tot tijd veranda door het oude warande vervangen, waarbij de schrijvers ongetwijfeld ten doel hebben den uit Engeland ingedrongen vorm weder door een oud Nederlandschen te vervangen. Er is trouwens geen twijfel aan of veranda en warande hangen etymologisch ten nauwste samen, en gaan beide terug tot denzelfden wortel war (vanwaar waren, bewaren). Maar dat is nog geen voldoende reden om de beide woorden met elkander te vereenzelvigen. Zij zijn langs geheel verschillende wegen tot ons gekomen en drukken voor ons iets geheel anders uit. Kiliaan, die waerande schrijft, verklaart dit door: „Roborarium, vivarium, cunicularium, leporarium, theriotrophium; locus septus ubi ferae inclusae custodiuntur et asservantur”, en vergelijkt het Fransche garenne en het Engelsche warren. Hieruit blijkt dus dat de eigenlijke beteekenis van warande is „bewaarplaats voor levende dieren, diergaarde, dierenpark”. Daar echter zulke dierenparken doorgaans ook fraai beplant waren, werd de warande ook een lustoord, een wandelpark. Zoo zegt Vondel in de Inleiding tot de Warande der dieren:
„Opdat wy onzen geest gins in die groen waerande, „Een vorstelycke plaats, ververschen in de schaeuw”;
terwijl bij eenige regels verder, in het vers:
„Wy naerdren meer en meer, de lust-plaets loopt ons teghen”,
het woord warande door lustplaats vervangt. Men kan dus onze tegenwoordige diergaarden of zoölogische tuinen in volmaakt goed en teekenend(28) Nederlandsch waranden noemen; maar juist daarom klinkt het zeer vreemd, ja ongerijmd, wanneer men leest, „dat in de Rotterdamsche diergaarde belangrijke uitgaven zijn gedaan voor het aanbrengen van warande's”. Ik acht het dus verkieslijk voor de open galerij den vorm veranda te behouden, maar geschreven zonder de overtollige h.
Zonnehout.
Zoo noemt men soms in Indië het fraai gevlamde hout van Pterorarpus Indicus, dat in de Molukken Lingoa en in de Minahassa Aga-aga heet. Zie Miquel, „Flora van N.-I.”, I, 1, bl. 135; Pijnappel, „Geographie van Ned.-I.”, bl. 29. Ik laat hier eene plaats volgen uit het „Amboinsch Kruydboek” van Rumphius, D. II, bl. 206, die schijnbaar de verklaring van dezen naam geeft. „Deze stukken [hout] zijn zomtijds zo schoon geadert, dat men een grooten brand, met een draayenden rook, daarin speculeeren kan, diergelyke de Maleyers en Macassaren zeer zoeken, om krisscheeden van te maken. Zij laten zig redelyk wel polysten, maar houden hare coraal-roode verwe niet lange, en besterven bruin-rood. Zulke stukken vind men ook omtrent de schorsse, daar de stam gescheurt is, en gestadig van de zon geraakt werd, dewelke de vettigheid na deze plekken trekt, dezelve van buiten swart en verbrand maakt, waaronder 't bruine, en daar na 't ligt-roode hout leid, doch overal zo vet, dat voornoemde oly aan 't vuur uitsweet. Ik heb diergelijke boomen op steenige en steile stranden gevonden, wiens voorste wortelen van 't zout water bespat, en met beurten door de heete zon gebrant wierden, maar de achterste of landelijkste geenzints, als zijnde met eenige ruigte bedekt, waaraan ik bemerkte, dat de eerste wortelen vet, schoon rood en welriekende waren, en daaruit besloot, dat de zonnehitte de vettigheid in dezen boom bij elkander vergaderde.”
Wie deze plaats met den naam zonne-hout vergelijkt, zou allicht geneigd zijn om dien naam te verklaren uit den invloed, dien de zon gezegd wordt op dit hout uit te oefenen. In waarheid echter is de naam zonnehout niets anders dan eene verbastering van den Javaanschen naam van dit hout kajoe sônô. Kajoe beteekent hout en sônô is het Sanskrietsche sana, dat licht, glans beteekent (vgl. het Soend. seuneuh, vuur). Valentijn zegt III, 1, bl. 215, dat „sommige stukken van dit hout den heerlijken gloed van een brandend vuur vertoonen.”
Kajaten- of Kiatenhout.
Dit is van ouds de Nederlandsche, thans wel minder gebruikelijke, maar toch nog niet geheel verouderde naam van het beroemde Djatihout, het hout van Tectona grandis, een zwaren boom, die op Java in uitgestrekte bosschen, die als domein van het Gouvernement beheerd worden, voorkomt. De twee vormen, tusschen welke het moeilijk is te kiezen, laten zich beide, zooals straks blijken zal, evengoed verklaren. Daar evenwel het woord in de woordenboeken der Nederlandsche taal niet is opgenomen, wil ik in de eerste plaats zijn burgerrecht door eenige voorbeelden bewijzen. Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, III, bl. 34. „Naam. In 't Latijn Jatus. Op 't Duitsch Kiatenhout. Maleyts en Javaans Jati en Caju Jati.” Verhuell, „Herinneringen van eene reis naar de Oost-Indiën”, II, bl. 89: „Wij kwamen door een groot bosch van Jati-boomen, bekend als timmerhout onder den naam van Cajaten.” J. W. H. Cordes, „de Djati-bosschen op Java”, bl. 2: „Rheede van Drakenstein beschreef hem met den naam van Theca en de als Indische plantenkenner zoo beroemde Rumphius als Jatus en in het Nederduitsch als Kiati-boom, het hout Cajujati of Kiatenhout.” Lang voor ik deze plaatsen kende, vond ik op den catalogus eener verkooping van meubelen „een cajatenhouten” kantoor-bureau vermeld. Ik vroeg mijn timmerman wat dit beteekende en vernam van hem dat onder dien naam bij timmerlieden en kastenmakers het teak-hout van Britsch-Indië bekend is. Maar wij zullen zoo aanstonds zien dat Teak de Britsch-Indische en Engelsche naam is van den boom die op Java Djati heet. Dat hout, dat een der grootste schatten uitmaakt waarmede de Natuur ons Java heeft gezegend, is (hoe beschamend voor ons!), omdat men den moed mist om het naar Nederland uit te voeren, bij ons veel meer onder den Engelschen dan onder den Javaanschen naam bekend, en de oude Nederlandsche naam is bijna geheel vergeten.
Rumphius, t. a. p., bl. 35, zegt dat de echte Javaansche naam djati is, zooals ook thans algemeen wordt geschreven, doch onze voorvaderen vervingen doorgaans de Javaansche djô en Maleische djîm door de j, b. v. ook in den naam Java zelven, die eigenlijk Djawa moet zijn (zie mijn „Java”, II, bl. 6). Men las nog in de eerste helft dezer eeuw in Hollandsche boeken doorgaans Jati.(29) Verder zegt Rumphius, dat Djati eigenlijk deugdzaam, durabel beteekent en ook van menschen gebruikt wordt,—„een bewijs dat djati-hout voor 't beste en durabelste onder alle timmerhouten in aanzien is”. En inderdaad, ofschoon Djati ook op zichzelf het hout kan aanwijzen, plaatst men in het Javaansch en Maleisch daar dikwijls kajoe, d. i. hout, vóór, zoodat djati een adjectief schijnt te zijn en kajoe djati de volledige uitdrukking, die door het rechte, echte hout, het hout bij uitnemendheid, moet vertaald worden. Uit kajoe djati is ongetwijfeld door samentrekking kajate ontstaan; maar daar in de eerste lettergreep kajoe, d. i. hout, reeds schuilt, is de gewone vorm kajatenhout (een volkomen parallel van porte-brisée-deur) inderdaad als een belachelijk pleonasmus af te keuren. Ofschoon dit nu alleen hen hinderen kan, die met den oorsprong van het woord bekend zijn, ware het wellicht beter hout en tevens de verbindende n weg te laten en eenvoudig kajate te schrijven.
In het Soendaasch, of de taal van West-Java, beantwoordt aan kajoe kaï, of bij samentrekking in samenstellingen ki. Men zegt dus kidjati, of naar de oude wijze van transscriptie kijate, waarin ook de j, die als overgang tusschen de klinkers i en a van zelf ontstaat, ongeschreven kan blijven. Hieruit is de vorm kiatenhout ontstaan, die ongeveer evenveel recht van bestaan heeft als kajatenhout. Men zou echter een zekere voorkeur voor den Javaanschen vorm kunnen wettigen door de opmerking, dat de djatiboom, die in het eigenlijk Java uitgestrekte terreinen bedekt, in de Soendalanden slechts weinig voorkomt.
In Britsch-Indië komt de djati-boom vooral voor op de kust van Malabar en verder noordwaarts. Van de Javaansche soort, die ook zelve eenigszins variëert, verschilt de Indische ten hoogste als variëteit. De inlandsche naam is volgens Cordes Tayk of Doda-Thayka. Hiervan maakten de Portugeezen Teca, dat reeds voorkomt bij de Couto, (dec. 7, liv. 6, cap. 6), van Reede van Drakestein (in den „Hortus Malabaricus”, lib. IV, p. 57) Theka(30), de Engelschen teak, teak-timber, en waar de Javaansche djatiboom bedoeld wordt, Java-teak, de Franschen Tek of Teck, bois de Tek, Tek des Indes, de Duitschers Teakholz, Tikholz, Thekholz. Zelfs Nederlandsche schrijvers spreken van Teakhout, zonder eenig bewijs te leveren dat hun de Jav. naam djati of de oud-Nederlandsche kajatenhout bekend is. In van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” verm. uitgave door Manhave, vind ik een artikel Jatti-, Djatti- of Deak-hout, en een afzonderlijk art. Teakhout, zonder dat daarbij naar het andere wordt verwezen. Hoe de schrijver aan Deakhout komt, kan ik niet nagaan; die vorm is mij nooit ergens anders voorgekomen.
Sedert Bontius is de Djati-boom dikwijls de Indische eik genoemd. Dit is echter slechts te beschouwen als eene hulde aan de voortreffelijkheid van zijn hout, dat voor Indië de plaats van het eikenhout in Europa vervulde. Botanisch bestaat er tusschen den Djatiboom en den Eikeboom geene verwantschap.
Kajaput.
Dit woord komt schier alleen voor in de samenstellingen kajaputboom en kajaputolie, vooral in de laatste. Het is, behoudens de verminking door de Europeanen van een niet begrepen term, samengesteld uit de Maleische woorden kajoe, hout, en poetih, wit; kajaputboom is dus letterlijk withoutboom. Door de inlanders worden zoo genoemd verschillende boomen van de geslachten Melaleuca, Leptospermum, Myrtus, Eucalyptus, allen behoorende tot de familie der Myrtaceae en door hunne vluchtige oliën gekenmerkt. Men zie Filet, „Plantkundig woordenboek”, no. 120, 1737, 1938, 2885, 3423; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië,” Dl. II, bl. 106, 317, 453, 611. De beroemde kajaputolie van den handel, de minjak kajoe poetih der inlanders, wordt vooral gebruikt tot inwrijving bij pijnen van allerlei aard, alsook tot wering van insekten. De echte kajaputolie wordt verkregen door destillatie der takken en bladeren van Melaleuca cajaputi Rexb., en vooral op het eiland Boeroe gestookt. De olie van Melaleuca leucadendron wordt vaak onder denzelfden naam begrepen.
Cacao, Chocolade.
Cacao, ook wel kakao geschreven, is de naam der zaden van den cacaoboom, Theobroma cacao, die uit tropisch Amerika afkomstig is, maar thans ook in andere tropische gewesten gekweekt wordt. De cacao is, gelijk ieder weet, het hoofdbestanddeel voor de bereiding van chocolade. De oorsprong van den naam is, evenals die van het gewas, Amerikaansch. Piso, „Mantissa Aromatica”, p. 198, zegt van deze zaden: „Hi sunt decantati illi ab indigenis cacahuatl, ab Hispanis corrupte cacao nuncupati, quorum causa arbor tantopere expetita est, utpote chocolatae potionis caput”. Van de Spanjaarden en Portugeezen is het verbasterde cacao tot alle volken van Europa overgebracht.
Ook het woord chocolade is van Amerikaanschen oorsprong en luidt in de taal van Mexico en aangrenzende landen, volgens Piso, „Mantissa aromatica”, p. 196, chocolatl, waarvan de Spanjaarden en Portugeezen, die den naam aan alle andere volken van Europa hebben medegedeeld, chocolate gemaakt hebben. Men zegt dat wat de Mexicanen zoo noemden, een mengsel was van cacao en maïs, op eene ruwe wijze tusschen steenen onder elkander tot poeder gemalen en in water gekookt. Maar de Europeanen gaven den naam chocolade aan het mengsel van cacaoboonen en verschillende geurige zelfstandigheden, zooals vanielje, kaneel, piment enz., dat met suiker bereid en in melk of water gekookt, den bekenden heerlijken drank oplevert, die zich uit een Mexicaansch nonnenklooster over de geheele beschaafde wereld heeft verbreid. Zie de Sturler, „Handboek voor den landbouw in Nederlandsch O.-Indië”, bl. 266.
Kokos, Klapper.
De over alle tropische gewesten verspreide en in ontelbare behoeften hunner bevolking voorziende Cocos nucifera is aan ieder onder den naam van Kokospalm bekend, maar wordt in Nederlandsch-Indië onder de Europeanen Klapperboom genoemd. De eerste dezer namen is van de Portugeezen tot ons gekomen, de andere is eene verbastering van een der menigvuldige inlandsche namen. Over beide heb ik het een en ander te zeggen.
Kokos is eigenlijk de naam van de noot, zoodat de boom terecht Kokosboom of Kokospalm geheeten wordt, terwijl kokosnoot strikt genomen een pleonasmus in zich sluit. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 78, zegt: „De Portugesen noemen deze vruchten coquo, om die drie gaetkens die daer in sijn, ghelijckheyt hebbende met een meerkattenkop.” Indien deze laatste woorden eene verklaring beoogen, zijn zij volkomen onverstaanbaar voor hem die in de Portugeesche taal geheel vreemdeling is; wie deze echter eenigszins kent, kan althans naar de beteekenis gissen. Coco (de vorm coquo is thans geheel verouderd) beteekent in het Spaansch en Portugeesch een momaangezicht of masker, waarmede men den kinderen vrees aanjaagt. Nu heeft de kokosnoot door de gaatjes of putjes die er in worden opgemerkt, eenige overeenkomst met een aangezicht,(31) inzonderheid, zooals van Linschoten opmerkt, met dat van een meerkat, en is dus niet ongeschikt om als middel te dienen om kinderen bang te maken. Bepaaldelijk wordt de oorsprong van den naam zoo voorgesteld door de Paiva: „Sermôes”, I, p. 232, waar hij, na de gedaante van de kokosnoot beschreven te hebben, dus voortgaat: „per razâo da qual figura,... os nossos lhe chamarâo coco, nome imposto pelas mulheres a qualquer cousa, com que querem fazer medo as crianças”, d. i. „om reden van welke gedaante de onzen haar coco noemen, een naam die door de vrouwen gegeven wordt aan ieder voorwerp waarmede zij kleine kinderen willen bang maken.”
Misschien zullen sommigen deze verklaring van den naam kokos wat gezocht vinden, en liever aannemen dat het woord uit de eene of andere taal van tropisch Azië, Afrika of Amerika afstamt. Het ontbreekt echter zooveel ik weet geheel aan getuigenissen, die dat gevoelen zouden kunnen schragen.(32)
De naam klapper heeft aanleiding gegeven tot eene zonderlinge verwarring, doordien hij ook aan de Nederlanders in Europa bekend is als naam voor een inheemschen boom en eene inlandsche olie. De Europeesche klapperboom is volgens van Dale de abeel, volgens Heremans, „Ned.-Fr. Woordb.”, le tremble, welk woord hij in het Fr.-Ned. deel vertaalt door ratelaar, ratelpopulier, trilpopulier, klaterabeel. Deze namen, die allen klaarblijkelijk de Populus tremula L. aanduiden en ontleend zijn aan hare lange, saamgedrukte, bij het minste zuchtje het blad in trillende beweging brengende bladstelen,—kunnen dus nog met klapperboom vermeerderd worden. Van Dale's verklaring door abeel, indien men daardoor als gewoonlijk de Populus alba verstaat, is niet volkomen juist. De Europeesche klapperolie is volgens van Dale en Heremans de papaverolie, de olie getrokken uit de klapper- of klaproos. Het maakt op hen die deze weinig gebruikelijke namen niet kennen, en daarentegen met de Indische beteekenis van klapperboom en klapperolie gemeenzaam zijn, een komischen indruk, wanneer zij bij Weiland onder de samenstellingen met klapper, klapperen: „klapperboom, klapperman, klapperolie, klappertanden”, door elkander zien aangevoerd. Ik houd mij overtuigd, dat Weiland, die klaarblijkelijk niets van Indië en Indische zaken wist, bij klapperboom en klapperolie alleen aan de Populus tremula en aan de papaverolie gedacht heeft. Zijn hem die woorden al eens in de Indische beteekenis voorgekomen, dan heeft hij ze hoogstwaarschijnlijk niet verstaan of ter goeder trouw gemeend dat ook in Indië ratelpopulieren groeiden en papaverolie in algemeen gebruik was. Heeft hij zich werkelijk zoo vergist, dan is hij de eenige niet. In de „Annales de l'extrême Orient” gaf de heer Meyners d'Estrée een uittreksel van een artikel over het landschap Deli in het „Tijdschrift v. h. Aardr. Gen.”, waarin ik over de kultuur van klapperboomen sprak. De Fransche schrijver vertaalde dit met „la culture du tremble”.
De kokosnoot heet in laag Javaansch kerambil, in hoog Javaansch kĕlôpô of klôpô. Dit laatste komt in den vorm kĕlapa of klapa ook voor in het Soendaasch, alsmede in het Maleisch, dat echter ook een eigen naam voor deze vrucht heeft, njioer of nioer. Onze oude schrijvers maakten van kelapa of klapa, met een latiniseerenden uitgang, calappus of clappus, evenals van Jati soms Jatus (zie op Kajaten). Voorbeelden van dit clappus (een enkele maal tot clappes verbasterd) vindt men o. a. bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”, bl. 143, „Afgoderye der Heidenen”, bl. 136; Wouter Schouten (uitg. van 1875), I, bl. 190; Rumphius, „Amb. Kruydboek”, I, bl. 1; „Verh. v. h. Bat. Gen.”, V, bl. 3. Later is klapper, klapperboom, klapperolie enz. in zwang gekomen, zonder twijfel als een uitvloeisel dierzelfde zucht om aan Indische zaken, onafhankelijk van de beteekenis, den Europeaan gemeenzame namen te geven, waarvan ik een aantal voorbeelden in het artikel kaalkop heb bijeengesteld.
Areek.
Areek heet dikwijls bij onze oude schrijvers de noot van den Pinangpalm (Areca Catechu) of zoogenaamde betelnoot, die door de bewoners van den Indischen Archipel en andere Indische volken met het betelblad gekauwd wordt. (Zie op Betel). Ik bepaal mij tot een paar voorbeelden. Baldaeus, „Afgoderije der Heydenen”, bl. 15: „daar is ook een zoort van Bramines, haar onthoudende van betel te eten, zijnde een groen blad met drooge areek ofte jonge genomen ende met kalk 'tzamen gemaakt.” Rijklof van Goens bij Valentijn, „Ceilon”, bl. 243: „Men bouwde op Coetsjin een schip, om met peper en areek na Porto Novo verzonden te worden”.
Dit woord schijnt van Malabaarschen oorsprong te zijn, maar is van de Malabaren overgegaan tot de Portugeezen, en van de Portugeezen tot ons, ofschoon men thans in Indië, ook onder Europeanen, de betelnoot gewoonlijk met den Maleischen naam pinang noemt. In de botanie is Areca de naam geworden van het geheele geslacht palmen waartoe de pinangpalm behoort. Bij Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 28, lezen wij over dezen naam het volgende: „In Guseratten en Decan heet de betelnoot Suppari, te Goa en overal daar de Portugeesche taal gebruikt werd, heet ze, zoowel de groene als de drooge, Arequa of Areca en den boom Arequero... Ik zelfs heb ze van de Mallabaren horen noemen, de jonge en groene Paynga, de oude Areec en Pac.”
Dat de naam Areek ook nu nog niet geheel verouderd is, zien wij uit de vermelding van areek-noten in Ritter's „Indische herinneringen”, bl. 262.
Betel.
Deze bij de Europeanen gewone naam voor de sirih der Maleiers, d. i. voor het geurige, roodsappige en bittere blad, dat zij gewoon zijn met een stukje pinangnoot en een weinig fijne kalk, dikwijls ook met een gambirkoekje, te kauwen, zou, volgens Bontius, in het aanhangsel op Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p. 90, Javaansch zijn. Maar hoe vreemd ons zulk eene dwaling in een te Batavia gevestigd geneesheer ook schijnen moge, het is zeker dat hij zich vergist, daar de betel in het Javaansch in de lage taal soeroeh, in de hooge taal sĕdah heet. Vandaar ook de naam der residentie Pasoeroehhan of Pasoeroewan, in de hooge taal Pasĕdahhan, die beteltuin beteekent.
Toen ik in „de Gids” voor Maart 1876 mijne aankondiging van Prof. Dozy's „Oosterlingen” schreef, was de oorsprong van het woord betel mij niet bekend; maar onze beroemde linguist Neubronner van der Tuuk schreef mij daarover het volgende: „Betel is door 't Portugeesch heen tot ons gekomen uit het Tamiel, waar het wettilei is (zie Röttger's Wdbk., bl. 236, r. 1.). Het wordt in het Tamiel werrilei gespeld, maar twee r's worden als t uitgesproken”. Ik vind in de Portugeesche woordenboeken de vormen betele, betelle, betel, bethel en betre. Van Linschoten „Itinerario”, bl. 84, schrijft bettele of bethre. Bontius gebruikt den vorm betele, die ook het naast komt aan dien gebezigd in Chavica betle, den botanischen naam der plant. De Portugeezen hebben zeker het betel-kauwen het eerst leeren kennen op de kust van Malabar, waar het Tamiel te huis behoort. Daarom zegt ook Moraes Silva in zijn Portugeesch Woordenboek, art. betele: „Herva trepadeira aromatica, que os Malabares mascâo ordinariamente,” d. i. „eene geurige klimplant, die de Malabaren gewoonlijk kauwen.”
Onder de veelvuldige samenstellingen, zooals betelblad, beteldoos, betelpeper, betelpruim enz., verdient betelnoot opmerking, omdat daardoor niet de vrucht van de sirih- of betelplant, maar de met het betelblad gekauwde pinangnoot of areek wordt aangeduid. Zie op Areek.
Zuurzak.
Met dezen naam noemt men thans in Nederlandsch-Indië algemeen de nangka, de vrucht van Artocarpus integrifolia. Dat hij echter zeer ongepast is, kan blijken uit iedere goede beschrijving der vrucht, b.v. uit de volgende bij Valentijn, III, 1, bl. 160: „Deze vrugt is van groote en dikte als een lange watermeloen, zijnde omtrent anderhalve voet en ook wel langer, en wel zoo dik als een man boven aan zijn dije is... Zij smaken zeer zoet, ten deele als zoete limoenen en ook wel wat na honig.” Heeft dus al de vorm van de vrucht eenige overeenkomst met een zak, er is geen enkele reden om haar zuurzak te noemen.
Doch bij onze oude schrijvers leest men ook niet Zuurzak, maar Soorsak, en wij schijnen hier wederom een voorbeeld te hebben van die verbastering van vreemde woorden, om ze een meer Nederlandsch voorkomen te geven, waaraan wij klapper voor kalapa en een aantal dergelijke (zie op kaalkop) verschuldigd zijn. Valentijn, t. a. p., bl. 159, noemt de Artocarpus integrifolia den Soorsakboom, schrijft soorsak cursief als een vreemd woord, noemt als soorten de Biloelang-soorsak en de Brij-soorsak (de laatste dus genoemd omdat zij papachtig is), en geeft niet de minste aanleiding om te denken, dat hij soorsak voor een Ned. woord houdt. Anders echter Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, Dl. I, bl. 105, die van deze vrucht sprekende zegt: „Naam, in 't Latijn, Saccus arboreus major, bij onze Duitsche soorzak of schorzakken, omdat ze wel een schorre of ruige zak gelijken.” Doch in deze verklaring schijnt Rumphius mij der taal in twee opzichten geweld aan te doen; vooreerst door soor, zonder opheldering, met schor te verwisselen; ten andere door aan schor in het algemeen de beteekenis van ruw, ruig, toe te kennen, terwijl het, voor zoover ik weet, alleen in de uitdrukking schorre (d. i. ruwe, kale, steile) kusten, een zeemansterm, in het dagelijksch leven onbekend, eene beteekenis heeft die daarnaar zweemt. Soorsak heeft een geheel on-Nederlandsch aanzien, en daar alle pogingen om het woord in eenige taal of dialect van Insulinde weêr te vinden, tot hiertoe vruchteloos zijn gebleven, ligt het voor de hand te gissen, dat de naam uit Hindostan zal afkomstig zijn. De Malabaarsche naam dezer vrucht is echter Jaka of Jakka, waarvan het Engelsche Jack, jackfruit. Ook deze naam Jaka komt bij onze oude schrijvers voor, b. v. bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 73 (die Iaqua of Iaacca schrijft); Nieuhoff, „Gezandschap aan den grooten Tatarischen Khan”, D. II, bl. 146; „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. IV, bl. 39.
Het verdient uit dien hoofde opmerking, dat de Engelschen de uit West-Indië afkomstige Anona's, die sedert lang naar Oost-Indië zijn overgebracht, onderscheiden in custard-apple (Anona squamosa), sweet-sop (Anona reticulata), en sour-sop (Anona muricata). Zie Drury, „Useful plants of India”, p. 44. Als eenigszins overeenkomende met de inlandsche Nangka, maar door de Hollanders ingevoerd, noemt men de Anona muricata in Indië Nangka welanda of hollanda (Hollandsche nangka). De naam soursop, verbasterd tot soorsak, en vervolgens tot zuurzak, schijnt door Rumphius, Valentijn en hunne opvolgers op de ware inlandsche Nangka te zijn overgebracht. De vrucht van Anona muricata heeft werkelijk een zuursappig, verfrisschend vleesch. Zie Bisschop Grevelink, „Planten van Ned.-Indië”, bl. 28.
Ananas.
Deze om haar heerlijke vruchten bekende plant, de Ananassa sativa, wordt in geheel Indië, zoo op het vasteland als op de eilanden, in talrijke verscheidenheden gekweekt. Algemeen wordt thans erkend dat deze plant uit Brazilië of Peru afkomstig is, ofschoon de ouderdom harer cultuur en hare verwildering op de eilanden van den Archipel Rumphius aan haren Amerikaanschen oorsprong deden twijfelen. Zoowel als de plant is ook haar naam uit Amerika afkomstig. Ik lees in „The Treasury of Botany” van Lindley en Moore, p. 60, dat deze plant het eerst aan de Europeanen bekend werd in Peru, dat zij daar te lande nanas heet, en dat zij onder dezen naam in 1555 beschreven werd door den monnik André Thevet. Paludanus, in de aanteekeningen op v. Linschoten's „Itinerario”, schrijft (bl. 72) „Ananas, van die Canarijns ananasa geheeten, van die Brasilianen nana en van anderen in Hispaniola iaiama, van die Spangiaerden in Brasyl pinas, om eenighe ghelijkenisse die deze vrucht heeft met die pijnappel(33), is uyt die provincie van Sante Croce eerst in Brasiliën, vandaer in Spaensch-Indiën ende volgens in Oost-Indiën gebracht.” Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, zegt, p. 194, dat de plant bij de Brazilianen nana en bij de Portugeezen ananas heet, en het Portugeesch Woordenboek van da Costa e Sá zegt op Ananas: „fruto e planta do Brasil”. Ook S. de Vries, „Curieuse aenmerkinghen”, I, bl. 231, bevestigt dat nana de Braziliaansche naam is. Wij mogen dus niet twijfelen of plant en naam beide zijn door de Portugeezen uit Amerika naar Oost-Indië overgebracht.
Het is duidelijk dat ook wij den naam dezer plant van de Portugeezen hebben overgenomen, terwijl in het Javaansche en Maleische nanas, op wat wijze dan ook, de oorspronkelijke Amerikaansche vorm van dien naam is bewaard of hersteld. Aan de volken van den Archipel moest het toeschijnen dat deze naam door reduplicatie, ontstaan was; vandaar dat hij in sommige talen (Bataksch, Dajaksch, Soendasch) de vormen honas, kĕnas, kanas, kon aannemen, waardoor hij meer bepaald tot nom. subst. is gestempeld. Merkwaardig is de Menangkabausche naam pisang ănas, die zich kwalijk met den aard der vrucht laat rijmen.
Ofschoon ik in de gelegenheid was, alvorens dit stukje ter perse ging, het (nog niet afgedrukte) art. ananas in het Woordenboek van de Vries en te Winkel te raadplegen, heb ik gemeend niets aan dit artikel te moeten veranderen. Bij vergelijking zal bevonden worden dat beide elkander bevestigen en aanvullen.
Vanielje.
Ofschoon dit product, dat tot de orchideeën behoort, uit Amerika afkomstig is, moet de naam niet uit eenige Amerikaansche taal, maar uit het Spaansch worden verklaard. Hij luidt in die taal vaynilla, een verkleinvorm van vayna, het Latijnsche vagina. Vayna beteekent in het algemeen eene scheede, en inzonderheid de scheede die het zaad van sommige planten bevat, de zaaddoos, peul of hauw. De vruchten der vanielje (vanilla aromatica) bestaan werkelijk uit kleine, lange hauwen, zoodat de reden van den naam geheel voor de hand ligt. De Mexicaansche naam der vanielje is Tlilxochitl. Zie Piso, „Mantissa aromatica”, p. 200.
Agar-agar.
Agar-agar is de gewone Maleische naam van de Plocaria (Gracilaria) candida, thans Sphaerococcus lichenoïdes, eene soort van eetbare zeewier, soms bij Nederlandsche schrijvers zeedruiven genoemd, ofschoon ook bij hen agar-agar de gebruikelijke naam is. Deze wier komt voor langs de stranden van meest alle eilanden van den Archipel en van Ceilon, en vormt een belangrijk artikel van uitvoer naar China. Om ze te eten kookt men ze tot eene gelei, die door de Chineezen ook als lijm of vernis wordt gebruikt. Te Singapore ziet men overal op de straten venters van water, groenten, vruchten, soep en agar-agar. Zie Wallace, „Insulinde”, I, bl. 39. Zie verder Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 20 en 21; v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. III, bl. 79; Miquel, „Sumatra”, bl. 42.
Bamboes.
Bamboes is in onze taal de naam van het botanisch geslacht Bambusa, dat, vooral in de soort Bambusa vulgaris, in een groot aantal verscheidenheden zoowel in Hindostan als in den Indischen Archipel voorkomt. Andere soorten vindt men in West-Indië en Midden-Afrika, en voor de bewoners der tropische gewesten is er geen andere plant, die het bamboesriet in nuttigheid evenaart. Om een denkbeeld te erlangen van het eindeloos verschillend gebruik dat van deze plant en al hare deelen gemaakt wordt, raadplege men b. v. Wallace's „Insulinde”, D. I, bl. 129–135.
Het woord bamboes, mv. bamboezen, dat ook in vele samenstellingen, b. v. bamboesriet, bamboesstok, bamboeskoker enz. voorkomt, wordt in onze taal niet enkel van de geheele plant, maar soms ook van enkele harer deelen gebruikt. Zoo vindt men b. v. bij Gevers Deynoot, „Reis naar Oost-Indië”, op bl. 79 bamboezen in de beteekenis van de door een knoop gescheiden leden der bamboesplant („de inlander die eenige gelden verzameld heeft begraaft deze in bamboezen onder den grond”), op bl. 105 in die van bamboesstokken („puntige bamboezen werden in het werk gesteld om den tijger en den karbouw met elkander te doen strijden”). Ook wordt van bamboes het stoffelijk bijv. nw. bamboezen gevormd, b.v. bamboezen huisjes, bamboezen kooi, bij denzelfden schrijver, bl. 78 en 105.
Ons woord bamboes is door toevoeging eener s gevormd van bamboe, aan welken laatsten vorm thans sommige schrijvers uit een streven naar nauwkeurigheid de voorkeur geven. In den Indischen Archipel is de naam bamboe niet onbekend, maar hij is er door de vreemde, Aziatische of Europeesche, handelaars ingevoerd. De inlandsche naam van dit riet is boeloeh (Maleisch) of woeloeh(34) (Javaansch). De naam bamboe, waarvoor men ook mamboe zegt, stamt uit Hindostan. „Oock is”, zegt v. Linschoten „Itinerario” bl. 82, „op alle de custe van Malabar veel dick riet, en principaelijk aan de custe van Choromandel, welck riet wordt van de Indianen mambu genaempt, en van de Portugesen bambu”. In de Portugeesche woordenboeken vind ik de vormen bambu, mv. bambuz, en bambuz, mv. bambuzes. Het kan nauwelijks aan twijfel onderhevig zijn of wij hebben ook dit woord van de Portugeezen overgenomen en ons bamboes is naar bambuz gevormd.
Rotting.
Rotting is, volgens Weiland, „eigenlijk een rietachtig plantgewas, dat bij de kruidkenners den naam van rottang voert en verschillende soorten heeft, en in het gebruik een staf, van dat plantgewas genomen.” Deze verklaring is weder zeer gebrekkig; voor eene juiste zijn weinig meer woorden, maar wat meer zaakkennis noodig. Ons rotting en het Engelsche rattan zijn verbasteringen van het Maleische rotan, hetwelk de algemeene naam is van de rietpalmen, behoorende tot de botanische geslachten Calamus en Daemonorops, en in een verbazend aantal soorten in de bosschen van den Indischen Archipel voorkomende. Over den oorsprong van het Maleische woord zelf uit te weiden ligt buiten mijn bestek; men zie daarover v. d. Tuuk, „Bataksch leesboek”, D. IV, bl. 119; maar wel is het van belang op te merken, dat reeds in onderscheidene dialecten van den Indischen Archipel zelven, in plaats van de finale n, in dit woord de neusklank ng gehoord wordt, zooals in het Makassaarsche raoekang, het Bataksche hotang, het Daïrische kĕtang.(35) In de talen van Insulinde gaat de finale n zeer licht in ng over en meenen de Europeanen deze laatste letter dikwijls ook daar te hooren, waar de inboorlingen de enkele n schrijven. Zoo b. v. in het gewone kojang voor het Maleische kojan, in orang oetang v. o. oetan. (zie op het woord), in Bintang, zooals de Europeanen den naam van het eiland Bintan uitspreken enz. Vgl. ook op Tang. En zoo hebben de Europeanen van rotan veelal rotang gemaakt, b. v. in den botanischen soortnaam Calamus rotang.
Eene andere opmerking tot verklaring van het verbasterde rotting is, dat de Europeanen, daarvoor grond vindende in de inlandsche uitspraak, geneigd zijn in Maleische en Javaansche woorden de tusschen twee vokalen, waarvan de voorafgaande betoond is, geplaatste medeklinkers te verdubbelen of tusschen de beide lettergrepen te verdeelen, zooals in dammer, pagger, passer, slokkan, dessa en andere. Rotan werd dus rottang, en de toonlooze a in de laatste lettergreep, door de versterking der voorlaatste nog meer verkort, ging in dammar, paggar, passar in ĕ, in rottang in de nagenoeg evenzoo luidende ĭ over.(36) Men schreef dus rotting, welke vorm reeds zeer oud is en o. a. voorkomt bij Baldaeus, „Ceilon”, bl. 88.
Rotting is geheel een Nederlandsch woord geworden, zooals blijkt uit de vele daarmede gevormde samenstellingen, b.v. rottingknop, rottingband, rottingolie enz. In den handel onderscheidt men handrotting (zwaardere stukken op bepaalde maat gesneden voor wandelstokken) en bindrotting (lange, dunne stukken voor bindmiddel en vervaardiging van matten en meubelen gebruikt.)
Bataten.
Bataten of pataten (patatten) is de met de plant zelve uit Amerika afkomstige naam eener Convolvulacee, die door de botanici Batatas edulis genoemd wordt, en wier eetbare, vleezige en zoet smakende knollen onder de voedingstoffen der tropische gewesten eene belangrijke plaats innemen. Volgens Nieremberg, „Hist. Nat.” l. XV, c. 90, aangehaald bij Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. V, bl. 369, zou het woord batatta uit Haïti afkomstig zijn, hetgeen het door Rumphius eenigszins in twijfel getrokken gevoelen bevestigen zou, dat dit knolgewas door Spanjaarden en Portugeezen uit Amerika naar Manilla en vandaar naar de Molukken en andere gewesten van den Indischen Archipel is overgebracht. Het voorkomen der bataten in het wild, zelfs op eilanden waar nooit geregelde vestiging van Europeanen plaats had, is hiertegen, blijkens vele soortgelijke gevallen, geen afdoend bewijs. Ook Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 254, beschrijft de bataten als een Amerikaansch gewas, waarvan hij de Peruaansche en Braziliaansche namen opgeeft.
De naam bataten, Port. en Sp. batáta, is ongetwijfeld weder door de Spanjaarden en Portugeezen tegelijk met de plant zelve verspreid en door de Nederlanders in Indië, gelijk ook door de Maleiers (zie Rumphius, t. a. p., bl. 368) van hen overgenomen. Ook is hij in den vorm Batatas de botanische naam geworden van het geslacht, waartoe deze plant behoort.
Men noemt de bataten dikwijls ook „zoete aardappelen” en inderdaad hebben zij met de gewone aardappelen, Solanum tuberosum, veel overeenkomst. Vanhier dat, toen de aardappelen, die in de bergen van Peru en Chili in het wild wassen, maar reeds in overoude tijden door cultuur over Amerika verspreid zijn, het eerst in Engeland bekend werden, zij daar, als uit Virginië ingevoerd, met den naam van Batatas Virginiana bestempeld werden. Hieruit laat zich ook verklaren dat potatoes, eene verbastering van batatas, de gewone naam der aardappelen in het Engelsch is gebleven. Evenzoo heeten in het Zweedsch de aardappelen doorgaans potates of potäter, en ook in andere talen wordt dit knolgewas nog wel eens bataten of pataten genoemd.
Van Dale, „Nieuw Ned. Woordenb.” verklaart bataten door „groene aardappelen”. Ik denk dat dit eene verschrijving is voor „zoete aardappelen”, onder welken naam de bataten algemeen bekend zijn. Er bestaan zooveel ik weet geene andere groene aardappelen dan die welke, boven den grond groeiende en daardoor aan de lucht blootgesteld, eene groene kleur hebben aangenomen. Doch het is ondenkbaar dat men aan deze, die niets dan gewone aardappelen zijn, den naam zou gegeven hebben van eene plant, die tot eene geheel andere plantenfamilie en tot de voortbrengselen der tropische gewesten behoort.
Banaan.
Deze plant is aan Oost- en West-Indië, of, om juister te spreken, aan de tropische gewesten van Azië, Afrika en Amerika gemeen. Men heeft zelfs vroeger aangenomen dat zij, evenals de maïs en eenige andere planten, in beide halfronden oorspronkelijk was; doch zulke voorstellingen worden door de tegenwoordige wetenschap gewraakt. Wat de banaan betreft, gelooft men thans algemeen dat zij in de oude wereld te huis behoort, en vermoedt men dat zij in den allereersten tijd der ontdekkingsreizen van Portugeezen en Spanjaarden door hen naar de nieuwe wereld is overgebracht. En hiervoor pleit ook de getuigenis van Oviedus, „Hist. Indic.”, l. 8, c. 1, dat de platano door de Spanjaarden en Portugeezen uit Groot-Kanarië het eerst naar de Nieuwe Wereld gebracht is en zich daar later vermenigvuldigd heeft.
Deze plant, die bij verschillende volken eene belangrijke plaats onder de voedingstoffen inneemt, heeft ook een aantal zeer uiteenloopende namen. In het Arabisch heet zij mauz, waarvan de botanische geslachtsnaam Musa afkomstig is. In den Indischen Archipel heeft zij bijna zooveel namen als er talen gesproken worden; ik noem slechts pisang in het Maleisch en hoog-Javaansch, gĕdang in het laag Javaansch, tjaoe in het Soendaasch, oenti in het Makassaarsch, als voorbeelden. Zonderling is de Spaansche naam platano of plantano; want het eerste is in het Spaansch ook de naam van den plataanboom, die niet in het minst op de banaanplant gelijkt, en plantano schijnt eer eene verbastering van platano, door de in den volksmond zoo vaak voorkomende inlassching der liquida (zie bij amfioen en pampoesjes)(37), dan omgekeerd. Intusschen is van plantano de gewone Engelsche naam plantain gevormd. De meest verbreide naam dezer plant is echter banaan, zoo het schijnt door de Portugeezen in den vorm banána tegelijk met de plant uit Afrika naar Brazilië overgebracht, zoodat Dapper, „Beschrijving van het Keizerrijk Sina”, bl. 221, terecht kon schrijven, dat bananas de naam dezer vrucht is bij de Brazilianen. Evenwel worden door Piso, „de Indiae utriusque re nat. et medica”, p. 154, geheel andere namen als voor de pisangs in Brazilië gebruikelijk opgegeven, namelijk pacobuçu en pacobeté. Pacobuçu is de naam van de soort die de botanici Musa sapientum noemen, en pacobeté de naam van de Musa paradisiaca, die in Suriname bakkove (elders baccovo, pacoba) wordt geheeten. Men beschouwt in die gewesten de M. sapientum soms als de echte typische banaan, en stelt ze als zoodanig tegenover de M. paradisiaca, die kleiner en overvloediger vruchten draagt. Echter worden, als men algemeen spreekt, de bakkove's onder den naam van banaan begrepen. Zegt men dus, gelijk men zoo dikwijls leest, dat in West-Indië de banaan nevens de bakkeljauw het hoofdvoedsel van de negerslaven placht te wezen, dan is daarmede niet beslist of men Musa sapientum of Musa paradisiaca bedoelt; het was zelfs doorgaans de bakkove, die aan de negers verstrekt werd.
Ik deed reeds opmerken, dat de naam banaan door de Portugeezen uit Afrika naar Amerika werd overgebracht. Inderdaad schijnt banaan oorspronkelijk Afrikaansch te zijn. Volgens Rumphius is banaan een naam die in Guinee te huis behoort; Th. Tromp, in zijne „Herinneringen”, bl. 50, zegt mede dat men in Afrika de pisangs bananen noemt. Overigens hebben de Franschen en Duitschers algemeen den naam banaan aangenomen, en zelfs onder de Nederlanders, die in vroeger tijd met de minder afgelegene en meer door Europeanen gekoloniseerde Westindische bezittingen, veel meer dan met de door het monopolie der Compagnie voor den ondernemingsgeest der particulieren gesloten gewesten van Insulinde bekend waren, was de naam banaan veel meer dan die van pisang bekend. In de laatste jaren, nu men Insulinde zooveel meer heeft leeren kennen en waardeeren en zoovele familiën na veeljarig verblijf in Indië zich weder metterwoon in het moederland vestigen, wordt in den dagelijkschen omgang het woord banaan meer en meer door pisang verdrongen, en is, zelfs de ware pisang eene spreekwoordelijke uitdrukking geworden. Sommigen willen den pisang van de banaan onderscheiden. Daarin eene zoo wijd verspreide cultuurplant natuurlijk een verbazend aantal verscheidenheden ontstaan zijn, kan men met het verschil van namen ook lichtelijk het denkbeeld van eenig soortverschil verbinden; maar bepaalde verscheidenheden, waaraan men den naam van pisang in onderscheiding met dien van banaan zou kunnen toekennen, zijn niet aan te wijzen. Alle gekweekte variëteiten in Indië schijnen tot dezelfde beide soorten als de Amerikaansche: Musa sapientum en Musa paradisiaca te moeten gebracht worden. Zelfs in Afrika worden pisang en banaan hier en daar door elkander gebezigd. Zoo leest men b. v. in Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idioticon,” op het woord Pisang: „algemeene Kaapsche naam voor de verschillende banaansoorten”, terwijl de Marrée, in zijne „Beschrijving der Goudkust”, II, bl. 199, zelfs van pisangboomen als een product dier kust gewaagt.