← Table of contents
Uit Oost en West

UIT OOST EN WEST.

Reading edition

Uit Oost en West.

VERKLARING VAN EENIGE UITHEEMSCHE WOORDEN,

DOOR

Dr. P. J. Veth, Oud-Hoogleeraar.

drukkersmerk: Peritia Gratia Qve.
drukkersmerk: Peritia Gratia Qve.

Arnhem.—P. GOUDA QUINT.—1889.

Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.

Toen ik in 1864 als hoogleeraar aan de Rijksinstelling voor opleiding van Indische ambtenaren naar Leiden kwam, bestond daar eene, sedert, helaas maar al te zeer verflauwde geestdrift voor het woordenboek der Nederlandsche taal, waarvan de Heeren De Vries en Te Winkel destijds de eerste afleveringen in het licht gaven.

Voor de verklaring der uit vreemde talen overgenomen woorden werd de hulp gevraagd, en met ingenomenheid verleend, van Professor R. Dozy, die in zijne in 1867 uitgegeven „Oosterlingen” eene verklarende lijst gaf van de woorden, die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch in de Nederlandsche taal zijn overgenomen.

Maar hiermede was nog niet alles verricht. Ook andere talen, zooals het Maleisch, Javaansch, Malabaarsch, Chineesch enz. hadden tot de vorming onzer taal bijgedragen.

In mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” van 1867 No. 3, gaf ik over die Oostersche woorden eenige algemeene beschouwingen, die ik met eenige meer bekende voorbeelden toelichtte; en toen ik bespeurde, dat ook deze zwakke poging om tot de origines der Nederlandsche taal door te dringen, algemeene bijval vond, besloot ik eene verzameling van zoodanige woorden aan te leggen, waarin ik gedurende ruim een twintigtal jaren opteekende, de merkwaardigste door Dozy niet behandelde, bij Nederlandsche schrijvers voorkomende woorden van vreemde afkomst; inzonderheid de zoodanige, die wij aan ons handelsverkeer in vreemde werelddeelen en onze koloniën verschuldigd zijn, en daaronder vooral ook de woorden, die wij op dezelfde wijze hadden verkregen, maar die in de landen, welke voor ons de landen van herkomst waren, reeds vóór ons door de Portugeezen, Spanjaarden en Arabieren waren ingevoerd.

Aan scherpe grenslijnen was hier natuurlijk niet te denken, daar telkens en in alle richtingen zich woorden uit de eene taal naar de andere verbreiden. Ook was het zeker niet vreemd, dat, toen eenmaal eene menigte Spaansche en Portugeesche woorden uit de koloniën afkomstig, waren opgenomen, ook aan andere, waarmede dit niet het geval was, eene plaats werd gegeven.

Nu en dan werd ook wel eens een uit andere talen afkomstig woord behandeld, wanneer ik meende daarover eenig nieuw licht te kunnen verspreiden. Het merkwaardigste voorbeeld van dien aard, is zeker wel het woord tor, dat, daar het van echt Germaansche afkomst is, eigenlijk hier geene plaats had mogen innemen.

In den aanvang van het jaar 1888 werd deze verzameling—naar aanleiding van een gesprek over het woord fiche,—toevallig bekend aan den Heer G. Keller, redacteur der Arnhemsche Courant, die na inzage terstond toonde veel lust te hebben van tijd tot tijd eenige van mijne woordverklaringen, ten einde aan zijne lezers eenige verscheidenheid van lectuur te verschaffen, in zijn dagblad op te nemen. Daar ik vroeger meermalen was aangezocht om de proeven van dit werk, die ik reeds hier en daar had geleverd, te vermenigvuldigen, besloot ik den geheelen voorhanden voorraad tot zijne beschikking te stellen. Enkele woorden werden als minder geschikt uitgeworpen, vele andere werden bij de omwerking, die nu de verzameling onderging, van tijd tot tijd toegevoegd of breeder toegelicht.

Om den weg voor gedurige bijvoeging zoolang mogelijk vrij te laten, besloot ik mij van alle systematische rangschikking te onthouden. Deze toch zou alleen mogelijk geweest zijn, indien het werk in eens als een afgerond geheel aan de pers ware geleverd, maar kon niet in aanmerking komen, nu ik de gelegenheid wilde openhouden om nieuwe woorden bij te voegen, wanneer mij zoodanige in den loop van het afdrukken mochten voorkomen.

Daar mijn arbeid thans op verzoek van den tegenwoordigen uitgever, waaraan ik gaarne gevolg gegeven heb, als afzonderlijke uitgave het licht ziet, zijn de woorden echter gemakkelijk te vinden door middel van het alphabetisch register, dat ik aan het einde wensch te plaatsen. Dit register bevat niet enkel de in afzonderlijke artikelen behandelde woorden, maar ook de voornaamste dergenen, waarover iets in het voorbijgaan gezegd is.

Arnhem, Februari 1889.

P. J. VETH.

De bijzondere richting mijner studiën heeft mij dikwijls genoopt te snuffelen in weinig bekende boeken en handschriften en onze reizigers in gedachten over den Oceaan te volgen tot in de afgelegenste gewesten van den aardbodem. Niet zelden is het mij daarbij gebeurd te ontdekken, dat zij uit die gewesten woorden hadden medegebracht, die in onze volkstaal, dikwijls zelfs in onze schrijftaal, waren ingeslopen. Die woorden waren dan niet zelden in onze woordenboeken geheel verkeerd verklaard, terwijl van andere nooit eene verklaring beproefd of althans gevonden was. De woorden die ik bedoel zijn nu eens uit Amerika, dan eens uit Afrika, dan weder uit Azië, en voornamelijk, zooals te verwachten was, uit den Indischen Archipel afkomstig. Zij behooren evenwel lang niet altijd tot de eigen talen van die gewesten, maar zijn dikwijls daar ingevoerd door onze Arabische, Portugeesche en Spaansche voorgangers, en werden dus in de gewesten die onze reizigers bezochten, opgevangen uit den mond der kolonisten, of waren reeds sedert lang van dezen tot de inboorlingen overgebracht, zoodat zij deel van hunne taal schenen uit te maken. Zoo zijn er b. v. onderscheidene Arabische en Perzische woorden, ook nu nog bij ons in gebruik, die niet rechtstreeks uit West-Azië tot ons kwamen, maar die door den trechter van het Maleisch of Javaansch in onze taal werden overgegoten. Prof. Dozy, die voor eenige jaren in zijne „Oosterlingen” eene vrij volledige lijst en eene zeer scherpzinnige verklaring heeft gegeven van de woorden die in onze taal uit het Arabisch, Perzisch en Turksch stammen, heeft echter de woorden van de hier bedoelde soort overgeslagen, dewijl ze naar zijne meening meer behoorden in eene (ons nog steeds ontbrekende) lijst der woorden uit Insulinde afkomstig.

De woorden, die in mijne aanteekeningen een plaats hebben gevonden, kunnen moeilijk tot bepaalde klassen worden gebracht. Het is een allerlei, dat door geen anderen band wordt samengehouden, dan dat het vreemdelingen zijn in onze taal, die daarin als gasten zijn opgenomen. Er zijn er misschien zelfs enkele onder, die ofschoon in een vreemd gewaad tot ons gekomen, echter van onze taal niet zoo ver afstaan als men hun zou aanzien. Dit schijnt onder andere het geval te zijn met het woord Fiche, dat ik reeds eenigen tijd geleden bij wijze van proeve in de Arnhemsche Courant behandeld heb. Men houdt (zie van Dale, wiens verklaring nog onlangs door prof. Beets werd overgenomen) dit woord voor het Spaansche fichas, rekenpenningen. Ik meen te hebben aangetoond dat fichas in die taal volstrekt niet rekenpenningen in het algemeen beteekent, maar juist die bepaalde soort van rekenpenningen, die wij in het kaartspel gebruiken en, den in het Fransch gebruikelijken vorm aannemende, fiches noemen. Onze landgenooten hebben altijd het zwak gehad om alle vreemde woorden voor Fransch te houden en op Fransche wijze uit te spreken. Zij hebben soms zelfs aan zuiver Nederlandsche woorden een Franschen vorm en Fransche schrijfwijze gegeven, en getracht ze als vreemdelingen voor te stellen. Zoo ontstond o. a. het belachelijke, en in het Fransch, waar de stof nacre heet, geheel onbekende perle d'amour, waarin de Nederlander die de betrekking kent tusschen de parelschelp en de parel, onmogelijk het echt Nederlandsche parelmoeder, bij samentrekking parelmoer (Duitsch Perlmutter, Engelsch Mother of Pearl), kan miskennen. Op soortgelijke wijze meende nu ook onze van Lennep in fiche het Hollandsche vischje weder te vinden, en volkomen terecht herinnerde hij zich daarbij dat in de Japansche fichesdoozen, die men nog zeer dikwijls zag in mijne jeugd, maar die thans vrij zeldzaam zijn geworden, de speelmarkjes, van parelmoer vervaardigd, inderdaad den vorm van vischjes hadden. Toch houd ik ook die verklaring niet voor volkomen juist; 't is haast niet denkbaar dat een Hollander vischje als fiche zou gaan uitspreken. Ik vermoed dat die speelmarken, die vooral bij het whistspel gebruikelijk zijn, met dit spel uit Engeland tot ons zijn gekomen, want nog worden ze in Engeland fishes genoemd, en dat dit woord later voor Fransch gehouden en als fiches uitgesproken werd, is zeer natuurlijk. De juistheid dezer verklaring heb ik eenigermate door het woordenboek der Spaansche Academie, maar vooral door het Portugeesche van Moraes Silva (in v. fixa) bevestigd gevonden.

Lang heb ik het voornemen gekoesterd, zoo niet alles wat ik verzameld heb, dan toch het belangrijkste daarvan, in het licht te geven, en terwijl ik daartoe thans overga, vlei ik mij dat de lectuur niet al te dor of vervelend zal gevonden worden. De woorden hebben soms wonderlijke en verrassende lotgevallen, waarin zelfs een komisch element niet altijd ontbreekt.

Ik begin met een drietal woorden, die men den vreemden oorsprong niet zoo dadelijk kan aanzien, en die daardoor tot verkeerde opvattingen aanleiding hebben gegeven, de woorden negerij, oorlam en kwispedoor, waarvan wij de beide eerste aan het Maleisch, het derde aan de Portugeezen in Indië verschuldigd zijn. Voor het overige zal ik mij aan geene bepaalde orde binden, maar aan het varietas delectat gedachtig zijn.

Negerij of Negorij.

Omtrent dit woord heerschen zonderlinge dwalingen, die onmiddellijk worden ingezien, als men den waren oorsprong heeft erkend. Op den klank af brengt men het doorgaans in verband met neger (van niger, zwart), zooals wij de zwarte Afrikanen noemen. Zoo lezen wij bij Weiland in het art. neger: „van hier negerij, een aantal hutten, als een dorp bij elkander gezet, waarin negers wonen, b. v.: die landwaarts in hunne negerijen of dorpen hebben. Bogaert.” Hier is echter de beteekenis dorp niet geheel miskend; maar veel erger maakt het van Dale, „Nieuw Ned. Woordenboek”, die eerst, op negerij, dit gelijk stelt met negerhuis, maar tegelijk naar den tweeden vorm negorij verwijst, waarvan hij zegt: „Negorij, negerij (oudtijds), plaats, waar negers verkocht worden.” In deze weinige woorden zijn drie kapitale fouten bevat: want kennelijk wordt het woord met neger in verband gebracht, de beteekenis is geheel verkeerd opgegeven, en het wordt zeer ten onrechte als verouderd vermeld. Het woord is nooit menigvuldiger gebruikt geworden dan in de laatste jaren, nu zooveel over onze Oostindische bezittingen geschreven wordt. Doch die soort van boeken schijnen onze taal- en letterkundigen zelden in te zien. In het Nederlandsch-Fransch Woordenboek van prof. Heremans, doorgaans met zooveel zorg bewerkt, lees ik ook al: „Negorij, village habité par des nègres”, en in het Nederlandsch-Hoogduitsch Woordenboek van dr. Sicherer vind ik zelfs aan negorij twee beteekenissen toegekend: 1o. Negerdorp, negerkraal, 2o. Negermarkt, plaats waar negers als slaven verkocht worden. Klaarblijkelijk heeft hij de verklaringen van Weiland en van Dale gecombineerd.

Voor hen, die met de talen onzer Oostindische bezittingen in het geheel niet bekend zijn, moet men erkennen dat de uiteenloopende vormen, waarin dit woord voorkomt, en het verloop zijner beteekenis iets verwarrends en misleidends hebben. Zoo schrijft b. v. de heer Verkerk Pistorius in zijne „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche bovenlanden”, bestendig negari, waarin men niet zoo dadelijk hetzelfde woord herkent. Ook moet men, om het gebruik van het woord goed te begrijpen, met de filiatie der beteekenissen goed bekend zijn. Ik zal daarover zoo kort mogelijk het noodzakelijkste zeggen.

Het woord is eigenlijk het Sanskrietsche nagara of, in vrouwelijken vorm, negari. Van deze beide vormen is de eerste in laag-, de tweede in hoog-Javaansch gebruikelijk. Ook de Maleische vormen verschillen hiervan niet veel; in het laag-Maleisch spreekt men doorgaans negeri of negri uit.

Aan dit laatste is de Nederlandsche vorm negerij of beter negerie ontleend. Hoe men aan negorij is gekomen kan ik niet zeggen; misschien vond men het welluidender.

De beteekenis van het woord is eigenlijk: de plaats waar een vorst zich met zijn volk gevestigd heeft. Soms wordt er het geheele vorstendom, land of rijk, soms alleen het binnenste hoofddistrict door den vorst in persoon bestuurd, soms ook alleen zijn hoofdstad of residentie door bedoeld; maar ook de zetel der vazallen of regenten kan zoo genoemd worden. Deze beteekenissen vindt men in het Javaansch. In het Maleisch is de beteekenis nog verder verloopen en duidt het woord, althans in den vorm negri, iedere stad of aanzienlijk dorp, iedere verzameling van één gemeente vormende kampongs of buurten aan.

In het Nederlandsch schijnt mij de vorm negerie de verkieslijkste, omdat die het meest overeenkomt met den gewonen Maleischen vorm, waaraan wij het woord ontleend hebben. Negerie heeft overigens, ofschoon verreweg het meest gebruikt waar wij van onze Oostindische bezittingen spreken, bij ons de meer algemeene beteekenis gekregen van een stad of dorp bij onbeschaafde of half-beschaafde volken, zooals uit het door Weiland aangehaalde voorbeeld blijkt.

Oorlam.

Dit woord beteekent volgens van Dale: 1o. een ervaren zeeman, 2o. een rantsoen jenever aan boord der schepen, en in het algemeen een borrel of slok. De eerste beteekenis zou volgens hem rechtstreeks ontleend zijn aan het Maleische orang lama, dat een ervaren, handig, bekwaam man zou beteekenen. Dit laatste is zeker volkomen onjuist. Lama beteekent in het Maleisch lengte of duur van tijd, en, als adjectief, oud, uit den ouden tijd. Orang lama is in goed Maleisch een mensch van den ouden tijd, maar in laag Maleisch, als verkorte spreekwijze voor orang lama datang, een mensch die lang geleden gekomen is, een oudgast, in tegenstelling met een orang baroe datang of orang baroe, een pas aangekomene, een baar (van baroe, nieuw, afkomstig), een nieuweling.

Het woord Oorlam schijnt vooral aan de Kaap de Goede Hoop in gebruik te zijn geweest. In Deel VII van de „Historische beschrijving der reizen”, bl. 231, lezen wij daaromtrent het volgende: „De Europeesche inwoners van de Kaap zijn gewoon alle aankomende Europeanen door twee bijzondere Maleische woorden te onderscheiden. Die regelrecht uit Holland komen, doopen ze met den naam van Baar, komende van Oram bari” [moet zijn Orang baroe] „en die uit Indië wederkeert met den naam van Orlam. Den orlammen-tijd” [hierdoor wordt de tijd verstaan, waarop de retourschepen op de terugreis naar het vaderland de Kaap aandeden] „houdt men daar voor een kermis, waarop schippers, boekhouders en matrozen zich van voorraad ontdoen, dien zij duchten dat in Holland niet door den beugel zal kunnen” [als op oneerlijke wijze, b. v. door morshandel, verkregen]. Een weinig verder wordt gezegd, dat „de matroos, hier in een luilekkerland vallende, de schoonste gelegenheid had om al het opgespaarde te verteren en door den lekkeren Kaapschen wijn op hol te raken.”

Men ziet hieruit dat de oorlammen veelal echte liefhebbers van de flesch waren, en als men zich die tallooze avontuurlijke uitdrukkingen herinnert, die onze in dat opzicht maar al te zeer ontwikkelde volkstaal voor de dronkenschap en hare oorzaak, den jeneverborrel, heeft uitgedacht, zal men het misschien niet ondenkbaar vinden, dat in oorlam de beteekenis van borrelaar in die van borrel is overgegaan.

Die nieuwe beteekenis is hoofdzakelijk in gebruik aan boord der schepen, en vooral voor het rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen wordt uitgereikt. „Wanneer het wasschen is afgeloopen”, zegt Olivier, „Land- en Zeetochten in Indië”, D. III, bl. 332: „is de naastvolgende roep van des bootmans fluitje de ware blijde boodschap. Tot driemaal, met eenige niet onaardige roulades, bijna gelijk het gezang van een kanarievogel, klinkt de nu dubbel welkome scheepsmuziek den zonen van Neptunus in de ooren. Het is „oorlam.””

Aan de Kaap heeft oorlam ook de beteekenis gekregen van een man van ervaring en scherpzinnigheid. Deze hangt onmiddellijk samen met die van oudgast. Terwijl de baren, nog geheel vreemd aan de zeden en gebruiken van het Oosten, dikwijls werden bespot en als erg onnoozel uitgekreten, was de oorlam of oudgast in dat alles volkomen te huis, en daardoor ver boven den nieuweling verheven. De Namaqua's, een Hottentotsche stam, noemen zich gaarne oerlams, omdat zij eene uitstekende meening van hunne eigen schranderheid hebben. Vandaar dat men soms onder de volksstammen van Zuid-Afrika ook de Orlams of Oerlams vermeld vindt.

Die Namaqua's onderscheiden zich echter inderdaad door domheid en onkunde. Hierop slaat het volgende verhaal bij Schüssler, Zuid-Afrika, bl. 77: „Aron vertelde ons, zeer ondeugend, dat, daar de Namaqua's veel van „soopie” houden, het woord oorlam, hetwelk zij door hunne domheid niet eens goed konden uitspreken, het eenige woord was, dat ze van een gedeserteerd zeevarende hadden geleerd en onthouden, en door beduiding met de hand ook verstaan en begrepen; want, zeide hij, als zij het uitspreken, keeren zij tegelijk het plat van de hand naar den mond—wat werkelijk het geval is—en denken daarbij: veel „soopies” of „oorlams” maken domme menschen slim—oorlamsch.”

Er is dus wel iets waars in de meening van van Dale, dat oorlam ook een ervaren, handig man kan aanduiden, maar die beteekenis is uit de oorspronkelijke van oudgast afgeleid en volstrekt niet de meest gewone.

Kwispedoor.

Van dit woord heeft niemand ooit eene verklaring uit het Germaansch kunnen geven, ook niet in den vorm kwispeldoor, waardoor men het ons meer naar den mond heeft gemaakt; want wat toch zou kwispelen, een onbetwist Hollandsch woord, met een spuwbekken te maken hebben?

De ware verklaring van het woord gaf prof. de Vries in den Taalgids; het is hem evenwel daarbij ontgaan, dat hij dezelfde verklaring van mij in eene vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde gehoord had. Ik had intusschen die verklaring ook reeds vóór hem gepubliceerd, namelijk in het Tijdschrift voor Ned.-Indië, Jaarg. 1867, D. I, bl. 296. Wat ik daar schreef zal ik hier eerst letterlijk herhalen, om er daarna nog eenige opmerkingen aan toe te voegen.

„Gemeenlijk neemt men aan, dat dit woord bij ons van Spaanschen oorsprong is en verbasterd uit escupedor of escupidero, en dat het in onze taal is ingedrongen in het tijdvak der Spaansche heerschappij. Daarentegen houd ik mij verzekerd, dat het woord Portugeesch is, dat wij het in Indië van de Portugeezen geleerd hebben en dat het uit Indië naar Europa is overgebracht. Ziehier mijne gronden. Baldaeus spreekt in zijne „Beschrijvinge van Malabar en Choromandel”, bl. 160, van een Naïk, die cuspidoordrager was in het rijk van Carnatica, en van een tweeden, dien hij 's Konings betelgever noemt. De beteldoos en het spuwbekken zijn inderdaad van elkander onafscheidelijk. Bij het woord cuspidoordrager teekent Baldaeus op den kant aan: „Cuspidoor is een spuwbekken of -pot.” Nu heet werkelijk in het Portugeesch een spuwbekken cuspideira of cuspidòr, van het werkwoord cuspir of cospir, het Latijnsche conspuere. De vorm cuspideira is de beste en meest gebruikelijke; cuspidòr beteekent, volgens het Portugeesch woordenboek van Moraes Silva, eigenlijk Pessoa que cospe muito (een persoon die veel spuwt); maar hij kent het toch ook in de beteekenis van vaso de cuspir, d. i. een spuwbekken, en hij haalt daarvoor eene plaats aan uit Castanheda's „Historia da India” I, f. 39: „hum cuspidòr de oiro” (oiro = ouro), d. i. een gouden spuwbekken.

„Hieruit trek ik de volgende besluiten: 1o. het spuwbekken dat de Indische vorsten bij het betelkauwen gebruiken, noemden de Portugeezen cuspidòr; 2o. dit woord hebben wij in Indië van hen overgenomen, maar tot kwispedoor verbasterd; 3o. dit woord is uit Indië naar het moederland overgebracht. De afleiding uit het Spaansch verwerp ik: 1o. omdat Baldaeus, in 1669–1671, in welke jaren hij zijn werk te boek stelde, nog noodig had cuspidoor voor zijne lezers te verklaren, wat wel het geval niet zou geweest zijn, indien dit woord reeds in de Spaansche tijden in onze taal was gekomen; 2o. omdat kwispedoor met het Portugeesche cuspidòr nog meer overeenkomt dan met het Spaansche escupedor.”

Tot dusverre mijne vroegere verklaring. Ik voeg er nu nog de vrij afdoende opmerking bij, dat wij, zooals later blijken zal, in Indië de namen van een aantal zaken van onze Portugeesche voorgangers hebben geleerd en ons toegeëigend, maar dat wij in onze taal geen enkel woord hebben, dat onze voorouders vóór of gedurende onzen vrijheidsoorlog van de gehate Spanjaarden hebben overgenomen. In het geheel is onze taal aan het Spaansch al zeer weinig verschuldigd, doch daarop kom ik later wel eens terug.

Toen ik bovenstaande verklaring van het woord kwispedoor publiceerde, maakte ik aan het slot de opmerking dat cuspidòr misschien alleen op het vasteland van Indië en niet op de eilanden in gebruik was geweest. Doch dit is stellig verkeerd. Forrest, in zijn „Voyage to New-Guinea”, p. 135, gebruikt het woord ook, waar hij spreekt van Mindanao, en wel als inlandsch woord, waarvan hij eene verklaring noodig acht. Hij schrijft het woord, op het gehoor af, cuspadore, en zegt in eene noot: „an utensil well known to those who smoak tobacco and chew betel.” De Fransche vertaling van Forrest, die veel meer verspreid is dan het oorspronkelijke, heeft bl. 265 voor cuspadore eenvoudig crachoir, en laat de noot weg,—wel een waarschuwing, dat, wie gelegenheid heeft het oorspronkelijk in te zien, zich nooit met de raadpleging eener vertaling moet vergenoegen.

De plaats van Forrest bevestigt alleszins, dat cuspidòr een Indisch-Portugeesch woord is; het verdient echter opmerking, dat het nooit vermeld wordt onder de vele Portugeesche woorden die in de inlandsche talen van de Molukken, de Minahassa enz. zijn opgenomen.

Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijne in 1726 verschenen „Beschrijving van Groot-Java” (Oud- en Nieuw Oost-Indië, IV. 1), schrijft op bl. 61, dat een der grooten van den Vorst van Mataram hem een cuspidoor of spuwpotje nadraagt. Ook deze plaats leert ons, dat cuspidòr op de eilanden evenzeer als op het vasteland bekend was; merkwaardig is het bovendien, dat ook hij het woord nog in den Portugeeschen vorm geeft en van eene verklaring doet vergezeld gaan. Dit bewijst wel, dat zoowel het algemeen gebruik van het woord als zijn verhollandschte vorm kwispedoor, van recenten oorsprong zijn.

Adat.

Adat stamt van den Arabischen wortel ʾâda, die terugkeeren, herhalen beteekent, en duidt aan het gedurig terugkeerende, de gewoonte, het gebruik. In de rechtstaal van den Islam (dus bij Arabieren, Perzen, Turken enz.) wordt het woord gebruikt om het gewoonterecht, le droit coutumier, aan te duiden, in tegenstelling van het bij de wet geregelde en beschreven recht. „Het Mohammedaansche recht”, zegt mr. L. W. C. van den Berg, in zijne Beginselen van het Mohammedaansche Recht, „heeft twee hoofdbronnen, de wet (sjar') en de gewoonte, ʾâdat of ʾorf. Deze laatste mag alleen worden gevolgd, wanneer de wet zwijgt, of er uitdrukkelijk naar verwijst.”

In die Mohammedaansche landen, die eerst laat voor den Islam gewonnen zijn, toen het machtig Rijk der Khalifen lang was uiteengespat, en waar dus geen krachtig centraal gezag de inrichting der maatschappij in alle opzichten onder de heerschappij der wet kon brengen, werd aan het bestaande gewoonterecht zeer veel grooter plaats gelaten, dan er naar de beginselen van den Islam aan toekomt. Dit is inzonderheid ook het geval in den Indischen Archipel. Het staatsrecht, het strafrecht, de meeste rechtsbetrekkingen der individuen onderling, worden er door de âdat beheerscht, ja er zijn zelfs streken waar ook het personen- en erfrecht zich niet geheel aan de voorschriften van den Islam hebben onderworpen. Wel staat er overal tegenover de adat het goddelijke, op den Koran en de Sonnah rustende recht, gemeenlijk door de woorden sarat of sarengat (Arab. sjar' of sjaríʾah) aangeduid; wel moet, volgens de inlandsche begrippen, de adat steeds aan de sarat ondergeschikt blijven; maar dat overwicht der sarat bestaat meestal alleen in theorie. Nooit is door eenig openbaar gezag de grens tusschen het gebied van sarat en adat met juistheid aangewezen, en het inlandsch recht verkeert dienvolgens in Ned.-Indië in een staat van onzekerheid, die tot gedurig geharrewar aanleiding geeft. Doch over de rechtstoestanden in Ned.-Indië is het hier de plaats niet te spreken.

Bestaat er geen vaste grens tusschen de zaken waarin de sarat, en die waarin de adat beslist, even weinig bestaat er een vaste grens tusschen hetgeen al of niet tot de adat behoort. Het is er verre van af, dat, wat als adat geëerbiedigd wordt, steeds tot vroegere geslachten zou opklimmen; nieuwe instellingen worden dikwijls reeds na weinige jaren met het gezag der adat bekleed of, om juister te spreken, door de Europeesche gezaghebbers den inlander als adat opgedrongen. Zoo zegt de heer Gevers Deynoot in zijne „Herinneringen eener reis naar Nederl.-Indië”, bl. 78: „De Javaan is gesteld op oude gebruiken, maar men bestempelt dikwijls veel met den naam van adat, waarvan de inlander gaarne bevrijd zou zijn”, en de heer J. C. Baud, bij van Deventer, „Bijdragen tot de kennis van het landelijk stelsel”, II, bl. 190: „De Javaan is een slaaf der gewoonte (adat), maar voor hem is nu adat geworden, wat sedert 16 jaren bestaan heeft, terwijl hetgeen vroeger bestond, nu heeft opgehouden adat te zijn.”

Sommigen schrijven dit woord hadat, b. v. de heer Verkerk Pistorius, „Studien over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 87: „Hadat is de algemeene naam voor wetten, zeden, instellingen, gewoonten, gebruiken en inzettingen”. Deze schrijfwijze is te verklaren uit den aard der eerste letter van het Arabische woord, die door de inlanders evenmin als door de Europeanen kan uitgesproken of met juistheid in het schrift wedergegeven worden. Onlangs in de Arnhemsche Courant de door prof. Dozy in zijne „Oosterlingen” en elders gegeven verklaring van het woord averij tegen eene nieuwe, weinig aannemelijke verklaring handhavende, merkte ik op, dat ook in dat uit het Arabisch stammende woord, en juist om dezelfde reden, wel eens haverij wordt geschreven. Echter verdient mijns inziens adat, als meer met de gewone Mal.-Javaansche uitspraak overeenkomend, de voorkeur.

Op Celebes heeft het woord adat (in het Makassaarsch en Boegineesch ada uitgesproken) nog eene gewijzigde beteekenis gekregen. Het wordt er ook gebezigd van hen die gesteld zijn om de adats des lands te handhaven, alzoo de Rijksgrooten, de Raadsheeren, coll. de Rijksraad. Zie Matthes, „Makassaarsch Wdbk.”, bl. 650. Het is zeker niet meer dan toeval dat juist in deze beteekenis door de Europeanen zoo dikwijls de vorm hadat gebezigd wordt, en men zoo vaak van de hadat van Boni, de hadat van Gowa enz. leest. Men heeft waarschijnlijk daarin het voorbeeld van den een of anderen schrijver gevolgd, die met den heer V. Pistorius den vorm hadat verkoos. Men zou dwalen indien men meende, hier met een ander woord dan het gewone adat, of met eene uitspraak met scherper aspiratie op Celebes te doen te hebben.

In de tot dusverre gegeven voorbeelden is het woord adat steeds van Ned.-Indische toestanden gebruikt, en bleef het daartoe bepaald, dan zou het, hoe gemeenzaam het ons ook geworden is, nog geen aanspraak maken om als genaturaliseerd in onze taal te worden beschouwd; maar het heeft meer recht dan dessa, en minstens evenveel recht als prauw, om in een Nederlandsch woordenboek te worden opgenomen. Van Limburg Brouwer, „Akbar”, bl. 108, gebruikt het met betrekking tot Hindostan, waar hij van verkorting van de rechten der gemeenten tegen de adat gewaagt. Maar vindt men dit voorbeeld nog niet sterk genoeg, zeker zal men overtuigd worden, als men in populaire geschriften plaatsen als de volgende aantreft: „Eene vrouw mag niet kiezen, en zelfs geen man; dit verbiedt nu niet de kieswet, maar de maatschappelijke usance, de adat.” (Uilenspiegel van 18 Jan. 1872). Het Nederlandsch Woordenboek van van Dale, dat zoowel dessa als prauw heeft opgenomen, zal dus in een volgende uitgave voor adat een plaatsje behooren in te ruimen.

Het is niet geheel overbodig te vragen, welk geslacht aan het woord adat moet worden toegekend. De talen van Insulinde, die geen grammaticaal geslacht kennen, laten dit onbeslist. Maar sommige Nederlandsche schrijvers gebruiken het woord als mannelijk, b. v. „spoorwegen in de Oost—is er wel iets dat meer strijdt tegen den adat?” (Uilenspiegel van 14 Oct. 1871). Maar dat is stellig eene fout. In het Arabisch is het woord vrouwelijk en wordt door den uitgang als zoodanig gekenmerkt.

Hadji.

Over dit woord kan ik zeer kort zijn. Het duidt de personen aan die de hadj verrichten, d. i. de bedevaart naar Mekka, die door den Islam van iederen geloovige, minstens eenmaal in zijn leven, gevorderd wordt, wanneer hij in de gelegenheid is ze te volbrengen en het hem niet door force majeure belet wordt. In zoo ver van den hoofdzetel van den Islam verwijderde gewesten als ons Insulinde, is de massa der bevolking van de gelegenheid tot het doen der bedevaart verstoken, ofschoon zij toch jaarlijks door eenige duizenden, en vooral in de laatste jaren, tengevolge der zooveel gemakkelijker en veiliger reisgelegenheden, in sterk toenemend aantal volbracht wordt. De betrekkelijke zeldzaamheid der hadj is oorzaak, dat in Ned.-Indië zij, die haar volbracht hebben, levenslang den naam van Hadji als onderscheiding blijven voeren, en door de bevolking met veel eerbied behandeld worden. Het sterk toenemend aantal heeft echter het aanzien der hadji's doen tanen.

Moeson.

Moesons heeten bij ons de periodieke winden die tusschen de keerkringen waaien. De spelling met dubbele s, in de Vries en te Winkel's „Woordenlijst” en van Dale's „Nieuw Ned. Woordenboek” aangenomen, verliest allen grond, zoodra men met die schrijvers Pruisen, geesel en dergelijke schrijft. In het Fransch is die dubbele s noodig, om aan te duiden dat de s scherp is en niet den klank van z heeft; maar als men den regel aanneemt in § 105 van te Winkel's „Grondbeginselen der Ned. spelling” gesteld, moet men in onze taal moeson schrijven. Te meer is dit het geval, daar er niet de minste waarschijnlijkheid bestaat, dat wij het woord uit het Fransch hebben ontvangen. Dat sommigen zelfs mousson spellen, moet alleen worden verklaard uit de gewoonte van schier alle in taalquaesties minkundige Nederlanders, om alle vreemde woorden voor Fransche te houden en als Fransche woorden te schrijven.

Het woord moeson, op verschillende wijzen gespeld, is bij ons zeer oud, en ongetwijfeld hebben wij het in Indië van de Portugeezen geleerd, van wie het ook tot alle andere zeevarende natiën van Europa is overgebracht. Het verdient daarbij opmerking, dat het bij de Portugeesche schrijvers in twee hoofdvormen voorkomt, namelijk mouçâo (mousâo) en monçâo, waarvan de eerste misschien de oudere, maar de andere stellig de meer algemeene is. In het woordenboek van Moraes Silva zijn beide vormen opgenomen. Bij de Barros, „da Asia”, vindt men in de uitgave van 1553 nu eens moucâo, dan eens monçâo (bij welk laatste men echter wellicht aan een drukfout zou kunnen denken); maar in de uitgave van 1628 vindt men reeds overal monçâo, dat de meer gebruikelijke vorm in het Portugeesch was gebleven. Intusschen heeft de oudere vorm mouçâo het Fransche mousson, het Italiaansche mussone en ons moeson voortgebracht, terwijl daarentegen de vorm monçâo wordt wedergevonden in het Spaansche monzon, het Engelsche monsoon en het Duitsche monsun of monsuhn. Ook zijn in het Fransch de vormen monson en monçon niet geheel onbekend, en in van Linschoten's „Itinerario” lees ik eveneens, bl. 24, van monsoyns.

Ik heb vroeger aan de mogelijkheid gedacht, dat de geheele vorm met n uit drukfouten kon ontstaan zijn; maar toch scheen mij dat wat al te avontuurlijk, zoodat ik die n liever uit de zoo gewone inlassching eener liquida (n of m) tusschen een klinker en medeklinker(1) meende te moeten verklaren, welke inlassching, zoo zij achter een langen klinker of tweeklank plaats heeft, dien tevens noodwendig verkort, zooals in komfoor voor chauffoir, of in planzier, gelijk het volk zegt voor pleizier. Later evenwel is het mij waarschijnlijker voorgekomen, dat de beide vormen in den grond een verschillenden oorsprong hebben, en dat de ééne door het Javaansch uit het Sanskriet, de andere door het Maleisch uit het Arabisch tot ons is gekomen, ofschoon tevens eene verwarring en vermenging van beide toevallig zoo weinig van elkander verschillende woorden heeft plaats gegrepen.

In het Javaansch heeten de periodieke winden môngsô, welk woord eenvoudig de Javaansche uitspraak is van het Sanskrietsche mângsa, tijd, verwant met mâsa, maand(2). Eigenlijk beteekent dit môngsô dan ook tijd, getijde, tijdperk, seizoen, en de Javanen zijn gewoon het natuurlijke of zonnejaar, met het oog op de werkzaamheden van den landbouw, in 12 môngsô's of tijdperken van ongelijken duur te verdeelen. De 11e en 12e môngsô vormen met de vier eerste van het volgende jaar het droge, de zes overige het natte jaargetijde, en deze grootere tijdperken worden insgelijks môngsô's genoemd. Maar daar het verschil tusschen deze tijdperken geheel van de periodieke winden afhankelijk is, wordt de naam môngsô als van zelve ook op die winden toegepast.

In het Maleisch dragen de periodieke winden den naam van moesim. Dit woord is het Arabische mausim, maar de tweeklank au, dien de Maleier niet goed kan uitspreken, is daarin, evenals in moeloed, moelâ enz., met de vokaal oe verwisseld. Mausim beteekent in het Arabisch een bepaalden of gezetten tijd, en vandaar ook dikwijls een feest, dat op een gezetten tijd van het jaar plaats heeft. Zie de voorbeelden van dit gebruik des woords, aangehaald in Dozy's „Glossaire des mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, p. 317. Intusschen is het klaar dat een woord dat gezette tijden beteekent, evenzeer kon worden toegepast op de jaarlijks tusschen de keerkringen regelmatig terugkeerende tijden van droogte en vochtigheid, en daarmede gepaarde meerdere warmte of koude, en zoo verkreeg ook mausim de beteekenis van jaargetijde of seizoen. De Arabische zeevaarders gebruikten mausim meer bepaaldelijk voor het seizoen dat hun gunstig was om naar Indië te varen, of, zooals wij ons uitdrukken, voor den westmoeson. Zie b. v. Niebühr, „Reize naar Arabië”, D. I, bl. 421. Evenzoo is ook bij de Maleiers de ware beteekenis van moesim jaargetijde, en zij onderscheiden, gelijk de natuur van hun land met zich brengt, een moesim kĕring of panas, d. i. een droog of warm jaargetijde, en een moesim oedjan of dingin, een vochtig of koel jaargetijde. Doch daar, zooals ik reeds opmerkte, in die gewesten de jaargetijden geheel bepaald worden door de periodieke winden, die met verwonderlijke regelmatigheid waaien, is het al zeer natuurlijk dat men den naam moesim (evenals de Javanen dien van môngsô) op de regelmatig afwisselende ooste- en westewinden toepaste, zoodat men thans ook van een moesim barat of westmoeson en een moesim timor of oostmoeson spreekt.

De Portugeezen nu hebben, naar mijne meening, van môngsô en moesim, welke beide woorden zij met elkander verwarden, omdat zij, bij toevallige overeenkomst in vorm, geheel dezelfde beteekenis hadden erlangd, hun monçâo of mouçâo gemaakt. Ook bij hen beteekenen die woorden nu eens jaargetijde of seizoen, en dan eens de periodieke winden, die in Indië de jaargetijden beheerschen. Zoo zegt b. v. de Barros op de ééne plaats: „Estes taes tempos por serem geraes pera navigar a certas partes, e nâo a outras, commummente os mareantes nossos, conformando-se com os daquelle Oriente, chamam-lhe monçâo, que quer dizer tempo pera navigar pera tal parte” [d. i. „Zoodanige tijden, omdat zij voortdurend geschikt zijn om naar zekere streken te varen, en niet naar andere, noemen onze zeelieden, in overeenstemming met die van het Oosten, gewoonlijk moeson, hetgeen wil zeggen een tijd om te varen naar deze of gene streek.”] Maar op andere plaatsen van denzelfden schrijver heeft monçâo geheel de beteekenis van den vasten wind (vento geral) die gedurende dat jaargetijde waait. In de gewone Portugeesche spreekwijze fora da monçâo heerscht weer de eerste beteekenis. Zij stemt letterlijk overeen met het Fransche hors de saison.

Ook in de andere Europeesche talen, waarin dit woord uit het Portugeesch is overgenomen, heeft het denzelfden dubbelen zin behouden. Zoo vinden wij den eersten in de in Dozy's Glossaire aangehaalde plaats uit de reizen van Thévenot: „Depuis ce temps plusieurs vaisseaux viennent à Bassora, chargés de marchandises des Indes, et le temps ou monson, comme ils l'appellent, auquel viennent les vaisseaux, est au mois de juillet; et ils y demeurent jusqu'à la fin d'Octobre, passé lequel temps ils ne pourraient plus sortir du fleuve, à cause des vents contraires; et justement alors commence la monson pour passer aux Indes, qui dure jusqu'au commencement de Mai.” En eveneens zegt Baldaeus, „Beschrijving van Ceylon,” bl. 63: „Mousson is een gety ende zaizoen des jaars”, ofschoon hij elders het woord ook van de periodieke winden gebruikt. Maar bepaaldelijk in deze laatste beteekenis vinden wij het woord reeds in van Linschoten's Itinerario, bl. 24, waar hij de monsoyns omschrijft als: „winden die op haer tydt wayen.”

Bij ons hoort men tegenwoordig in den dagelijkschen omgang niet zelden de uitdrukking, „het is er de rechte moeson niet voor,”—een bewijs dat het woord ook in de volkstaal doordringt in den zin van „de geschikte tijd.”

Soebatten.

Het is jammer dat Prof. Dozy zich omtrent den oorsprong van dit woord, dat hij in de voorrede zijner „Oosterlingen” als van Arabische herkomst vermeldt, niet nader verklaard heeft. Wij zouden dan wellicht meer zekerheid hebben van die afkomst, die mij wel zeer waarschijnlijk voorkomt, maar niet historisch kan bewezen worden. Maar het schijnt hopeloos een Germaanschen oorsprong voor het woord te ontdekken, en daar het toch den vorm heeft van een Nederlandsch werkwoord, ligt het voor de hand het te vergelijken met die menigte verbaalvormen, die, door toevoeging van de lettergreep en, al of niet door een verdubbeling der sluitconsonant van de vorige lettergreep voorafgegaan, dagelijks door de Europeanen in Indië van Javaansche en Maleische woorden gevormd worden. Men denke aan tombokken voor rijststampen, tandakken voor op Javaansche wijze dansen, batikken voor op Javaansche wijze katoenen stoffen verven, amokken voor amok maken, patjollen voor met de patjol bewerken, pikelen voor op de schouders dragen, pikeren voor denken, en ontelbare andere. Zoo er in het Maleisch of Javaansch een woord mocht gevonden worden dat op soebat gelijkt, kan daarvan, als de beteekenis voegt, zonder twijfel het werkwoord soebatten gevormd zijn.

Zulk een woord bestaat nu inderdaad, maar het is een woord dat, schoon in de genoemde talen zeer gebruikelijk, aan het Arabisch is ontleend. Het is het woord tsohbat, dat, in het Maleisch overgegaan, als sohbat, en in het laag Maleisch geheel als sobat wordt uitgesproken, waarvan soebat slechts een geringe wijziging is. Sobat beteekent eigenlijk vriendschap, maar wordt, door een in de Maleische taal zeer begrijpelijken overgang, ook in den zin van vriend gebezigd. Daar de Maleiers, wanneer zij iets te verzoeken hebben, veelal zeer mild zijn met vleiende vriendschapsbetuigingen, en daarbij, vooral in den aanvang hunner brieven, menigvuldig van het woord sobat gebruik maken, vormden de Europeanen daarvan het werkwoord sobatten of soebatten, met de beteekenis van steeds het woord sobat in den mond hebben, en vandaar, zooals van Dale het verklaart, vleiend vragen, aanhouden om iets door vleiende woorden gedaan te krijgen. Van soebatten of sobatten, heeft men dan verder soebatter, soebatster en soebattery afgeleid. Het gebruik in Indië is duidelijk uit het volgende, aan het Soerabajasch Handelsblad van 23 Aug. 1871 ontleende voorbeeld: „De hoofddjaksa is in zijne plaats tot ronggo benoemd, welke keuze men algemeen gunstig acht, daar deze ambtenaar bij de bevolking niet erg getapt is, waarvan men voor de politie meer goeds verwacht, dan van die sobattery tusschen hoofden en geregeerden.”

In Nederland behoort het woord soebatten met zijne derivata schier uitsluitend tot de volkstaal. Behalve bij die would-be komische schrijvers, die geestigheid in platheid zoeken, zal men het in gedrukte schriften zelden aantreffen. Prof. de Vries wees mij een voorbeeld in de „volgeestige werken” van S. van Rusting (Amst. 1712), waarin op bl. 97 de volgende woorden voorkomen:

„Daar stond hij nu gelijk een aap, „Die zoebat.”

Kras.

De vrij talrijke woorden die in onze taal uit het Maleisch stammen, zijn deels namen van voorwerpen van natuurlijke historie, die in de Maleische landen te huis behooren, of handelswaren die vandaar worden uitgevoerd, deels woorden die betrekking hebben op het leven der Maleische bevolkingen, b. v. hunne woningen, kleeding, gebruiken en instellingen, vooral ook hunne scheepvaart; maar niet weinige ook zijn uitdrukkingen uit het dagelijksch leven, die, door matrozen of militairen overgebracht, zijn ingedrongen in de volkstaal en doorgaans in het geheel niet, of slechts in komische en satirieke geschriften, ingang hebben gekregen tot de schrijftaal. Deze laatste worden dikwijls miskend. Daar onze Germanisten zich niet veel met het Maleisch en verwante talen inlaten, denken zij er zelden aan daarin den oorsprong te zoeken van volksuitdrukkingen, waarvoor zij met veel moeite eene verklaring uit den Germaanschen taalschat trachten op te sporen, terwijl eene verklaring uit het Maleisch voor de hand ligt.

Een der meest gebruikelijke van die woorden is kras in de beteekenis van sterk, flink, krachtig. Is men geheel vreemdeling in het Maleisch, dan is men natuurlijk geneigd daarbij aan het Latijnsche crassus, dik, stevig, te denken, of met Franck, „Etymologisch Woordenboek der Ned. taal”, aan het Fransche crasse, een slechts in dezen vrouwelijken vorm gebruikelijk adjectief, dat geheel aan crassus beantwoordt. Het Maleische kras (eig. kĕras, in welk woord evenwel, gelijk in honderden andere, de toonlooze ĕ-klank tusschen de zich gemakkelijk vereenigende consonanten k en r in de uitspraak doorgaans verloren gaat), komt echter in beteekenis en gebruik veel meer met het Nederlandsche kras overeen, zoozeer zelfs, dat het volstrekt overbodige moeite schijnt naar een anderen oorsprong te zoeken. Men zie slechts het Maleisch Woordenb. van Pijnappel, waar de beteekenissen dus worden opgegeven: „hard, stijf, onbuigzaam; stevig, vast; sterk, ook zooals wij kras gebruiken, b.v. tjoekei di bĕnoewa Tjina itoe terlaloe kras”, d. i. de tollen zijn in het Chineesche rijk heel kras. Uitdrukkingen als een krasse kerel, een kras wijf, of „dat is wat kras, Keesje”, zooals Hildebrand in de „Camera obscura” tot het diaconiehuismannetje zegt, komen geheel met het Maleisch gebruik van kras overeen.

Daarbij bedenke men dat kras in dezen zin in geen andere Germaansche taal voorkomt, dat het geen oud woord schijnt te zijn (het ontbreekt o. a. bij Kiliaan), en dat het, in overeenstemming met hetgeen boven over woorden van Maleischen oorsprong werd opgemerkt, in deftigen stijl niet gebruikelijk is. Het Javaansch heeft hetzelfde woord en in dezelfde beteekenis.

Amper.

Evenals over kras denk ik over het bijwoord amper, thans gewoonlijk bij ons gebruikt in den zin van nauwlijks, ternauwernood. Ofschoon mij bekend is, dat prof. de Vries, onze groote taalkenner, na gezette overweging een ander gevoelen is toegedaan, schijnt mij toch zooveel voor de herkomst van dit woord uit het Maleisch te pleiten, dat het mij wenschelijk voorkomt mijne gronden aan de toetsing mijner lezers te onderwerpen.

Het Maleische woord dat ik op het oog heb, is hampir of ampir, waarvan de beste woordenboeken dier taal de beteekenissen dus opgeven: nabij, dichtbij, naast, bijna, of als werkw. nabijkomen, naderen. Het woord schijnt het eerst, en geheel in de oorspronkelijke beteekenis, naar de Kaap de Goede Hoop te zijn overgebracht, hetzij door de matrozen in dienst der Compagnie, die de Kaap als ververschingsplaats bezochten, hetzij door de Maleiers, als kolonisten, die op last der Compagnie naar Afrika werden overgebracht om er den bodem te helpen ontginnen. Die Maleiers, die nog eene vrij talrijke en de meest geachte klasse onder de gekleurde rassen in de Kaapkolonie vormen, hebben, ofschoon zij meerendeels aan den Islam zijn getrouw gebleven, de Hollandsche taal en vele Hollandsche gebruiken aangenomen. Hunne taal is ongeveer als die der Hollandsche boeren van Zuid-Afrika. Onze reiziger in Oost-Afrika, de heer Hendrik P. N. Muller, ontmoette er eenige in de Nederlandsche faktorie te Zanzibar, die voornemens waren de bedevaart naar de Kaʾba te verrichten. Toen zij hem met zijn gezelschap Hollandsch hoorden spreken, toonden zij zich geneigd tot een praatje en verzekerden hem: „ons is slamsche menschen; ons wil na Mekka, maar ons hèt geen geld nie.” (Zie zijn „Bezoek aan de Delagoa-baai en de Lydenburgsche goudvelden,” in Eigen Haard voor 1887(3).) De wegen waarlangs Maleische woorden naar Zuid-Afrika konden komen, zijn ons dus goed bekend, en het behoeft ons niet te bevreemden in de taal der Boeren Maleische woorden, zooals banjak (veel), tjambok (zweep of karwats) en andere, aan te treffen. Van amper, en wel uitdrukkelijk in de beteekenis van bijna, zijn de volgende voorbeelden aan de Afrikaander literatuur ontleend: „Van Engels en Frans, wat een mensch dit zou verwag, krij jij amper gen woorden in ons taal nie.” (Th. Tromp, Herinneringen uit Zuid-Afrika, bl. 173). „Hulle kan amper net so vinnig loop a's een pert.” (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, bl. 181).

Naar Europa overgebracht, schijnt het woord zijn beteekenis allengs eenigszins gewijzigd te hebben, ofschoon het aan sporen van de oorspronkelijke beteekenis bijna niet geheel ontbreekt. Nog zeer onlangs hoorde ik eene dame het woord in dien zin bezigen, en daar dit mijne aandacht trok, vroeg ik haar wat zij er mede bedoelde, waarop zij onmiddellijk bijna ten antwoord gaf. Van Dale geeft in zijn Ned. Woordenboek zoowel bijna als nauwelijks op en Heremans in zijn Ned.-Fr. Woordenboek onderscheidt uitdrukkelijk twee beteekenissen: 1o. nauwelijks, à peine; 2o. bijna, presque. Ik merk hierbij op, dat Heremans als Vlaming en van Dale als bewoner van Staatsvlaanderen ook voor het Zuid-Nederlandsch goede autoriteiten zijn.

De overgang der beteekenis van bijna tot nauwelijks, is zeker niet van dien aard, dat zij ernstigen twijfel aan de juistheid mijner verklaring kan wekken. Er bestaat ongetwijfeld verschil, maar hoe de eene soms schier onmerkbaar in de andere overgaat, blijkt b. v. uit eene phrase als ampir siang, „even voor den dageraad”, die ons „als 't amper dag is” al zeer nabij komt. De bezwaren van prof. de Vries tegen mijne verklaring betreffen dan ook minder deze wijziging van beteekenis, als het menigvuldig gebruik dat van amper en amperkens overal in Zuid-Nederland gemaakt wordt. Dat algemeen gebruik in België acht hij met een Maleischen oorsprong moeilijk vereenigbaar en brengt hem tot de meening dat amper op Nederlandschen bodem ontstaan is. Hoe hij zich het ontstaan voorstelt, zal men weldra kunnen lezen in de nieuwe aflevering van het groote Woordenboek der Nederlandsche taal, die thans op de pers is.

Ik ontveins niet dat ook mij het algemeen gebruik van amper in Zuid-Nederland, als het werkelijk Maleisch is, zeer bevreemdt; maar veroorloof mij toch nog eene kleine opmerking, die de waarde der tegenwerping wel eenigszins vermindert. In het „Dictionarium Teutonico-Latinum”, van Kiliaan, waarvan de eerste uitgave in 1574 te Antwerpen verscheen, komt amper als bijwoord, hetzij in den zin van bijna of van nauwelijks, nog niet voor. Mag men hieruit niet opmaken, dat het gebruik van dit woord in België niet oud is, en in verband daarmede de gissing wagen, dat het door Antwerpsche of andere Vlaamsche matrozen, die aan de eerste tochten der Nederlanders naar Oost-Indië hebben deelgenomen, daar het eerst is in zwang gebracht?

Bakkeleien.

Bekend, ook door van Dale en Franck opgenomen, en door laatstgenoemde als Maleisch erkend woord uit de volkstaal, dat vechten, plukharen beteekent. Voorbeelden uit onze schrijvers, zal men echter vermoedelijk niet kunnen bijbrengen, tenzij men ze mocht vinden in eene of andere klucht of blijspel, of bij komische schrijvers en rijmelaars als Focquenbroch, Rusting en dergelijke. Aan den oorsprong van het woord uit het Maleisch kan niet getwijfeld worden en men mag dus ook stellig aannemen, dat het door Janmaat onder het volk is gebracht. Het is het Maleische berkĕlahi, dat in het laag-Maleisch, met assimilatie van de r aan de volgende letter, bekkĕlahi wordt uitgesproken. De beteekenis is in Maleisch en Hollandsch geheel dezelfde.

Fezikken.

Fezikken schrijf ik met Weiland, en niet feziken, zooals de Vries en te Winkel en ook van Dale hebben, omdat het woord mij gevormd schijnt naar de analogie van amokken, batikken, tandakken, en dergelijke.

Ik houd namelijk fezikken voor eene gewijzigde uitspraak van bisikken, dat men in Indië zal gevormd hebben van het Maleische bisik, in 't Javaansch ook wisik, een zeer gewoon woord, dat fluisteren, stilletjes of heimelijk praten beteekent, en waarvan ook vooral de geredupliceerde vorm bisik-bisik in gebruik is. De beteekenis van fezikken is geheel dezelfde. Ik kan van Dale niet toegeven dat dit woord verouderd is, want ik heb het, vooral te Dordrecht, dikwijls hooren gebruiken, ook in het afgeleide gefezik. Ik kan er echter vrede mede hebben, als dat „verouderd” alleen slaat op de schrijftaal. Trouwens daarin is fezikken zeker, evenals andere dergelijke woorden uit de volkstaal, altijd zeer zeldzaam geweest. Weiland haalt echter een voorbeeld aan van Westerbaen: „ick sat... te fesikken van u.”

Dr. Franck heeft in zijn Etymologisch Woordenboek eene afleiding uit het Germaansch beproefd, namelijk als verbaal afleidsel met iteratief-diminutive beteekenis van het oude fezen of vezen (met vergelijking, wat den vorm betreft, van hinniken en ginniken of grinniken). Dat zijne afleiding mogelijk is, geef ik toe; daar echter het woord fezikken in het oud-Nederlandsch niet voorkomt, waag ik het ook de mijne, die stellig eenvoudiger is, daarnevens te stellen. Misschien ben ik geneigd den invloed van het Maleisch op het Nederlandsch te overdrijven; maar dit is een natuurlijk gevolg daarvan, dat die gewoonlijk schier geheel wordt voorbijgezien. Om duidelijk te bewijzen hoe verkeerd men daarin handelt, laat ik thans een woord volgen, waarvan de oorsprong uit het Maleisch volstrekt onbetwistbaar is.

Pitsjaren.

Pitsjaren is thans bij ons alleen gebruikelijk als zeewoord en beteekent door middel van een sein aan boord roepen. Het wordt ook wel gebruikt wanneer de bevelhebber van een schip het afwezige scheepsvolk door zulk een sein terugroept; maar oorspronkelijk schijnt het slechts gebezigd te zijn van een vlootvoogd, die de bevelhebbers der schepen van zijn eskader bij zich aan boord laat komen, om zich met hen te beraden. De vlag die daarvoor dient, heet de pitsjaar-vlag.

Van Dale vergelijkt het Eng. pitch-yard, maar verzuimt ons te zeggen wat dit woord beteekent. Ik heb het tevergeefs gezocht, maar indien het werkelijk onder de zeelieden in gebruik is, schijnt het mij een verbastering van pitsjaar, zoodat het door dit laatste moet worden opgehelderd, en niet omgekeerd.

Pitsjaar nu is stellig niets anders dan het Maleische bitjára (door sommigen bitsjára uitgesproken), dat, zelf uit het Sanskriet stammend, overlegging, raadpleging, raad, raadsvergadering beteekent. Wanneer de admiraal met de kapiteins een raad, een bitjara, wilde houden, seinde hij met de pitsjaar, d. i. de bitjara-vlag. Door misverstand heeft men later dit pitsjaren in den zin van seinen om aan boord te komen opgevat.

Dat pitsjaren werkelijk moet verklaard worden zooals ik hier heb voorgesteld, blijkt uit het gebruik van dat woord in oude Indische stukken. Een duidelijk voorbeeld is het volgende uit een brief van den Gouverneur-Generaal aan Pieter Fransen te Bantam, dd. 17 April 1630, bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in O.-Indië”, D. V, bl. 187: „Sult den Tommogon bij eene goede gelegentheyt voorhouden en te verstaen geven, dat het goed waare syn E. met ons daarover eerst hadde gepitschaert.” Zoo ook leest men in een rapport van Couper, dd. 25 Maart 1677 (Ald. D. VII, bl. 103): „waerover seyden eerst te moeten pitsjaren.”

Men heeft van pitsjaren ook een naamwoord, pitsjaring gemaakt. Zoo bij de Jonge, D. V, bl. 105: „Off dit een Gabangsche pitsjaringh sy sal ons den tyt leeren”, en D. VI, bl. 32: „dat onder ons geen gebruick was, bij de eerste bejegeninge van eenige pitsiaringen te spreecken.”

Pidjetten.

Van het Maleische en Javaansche pidjet, en dus minder juist dikwijls pitjitten geschreven. Door dit woord worden zekere manipulatiën in de inlandsche geneeskunde aangeduid, bestaande in wrijvingen en drukkingen met de volle hand en zachte knepen met duim en vinger. Strikt genomen is pidjet de speciale naam voor het knijpen, terwijl het wrijven oeroet heet; doch dit laatste woord is minder bekend, terwijl pidjetten, zoo gebruikt dat het beide omvat, een woord is dat door de Europeanen in Indië dagelijks gebezigd en ook in Nederland niet zelden gehoord wordt. Dr. van der Burg zegt van het pidjetten in zijn klassiek werk „de Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 249: „Dat systematisch knijpen en wrijven nuttig kunnen zijn, ook bij abnormale toestanden van het lichaam, is bekend, en dat beide als aangename prikkels reeds bij de volkeren der oudheid in zwang waren, behoeft niet herinnerd te worden. Zeer zeker zijn die bewerkingen hoogst aangenaam bij groote spiervermoeidheid, en hoewel somtijds zeer pijnlijk onder de operatie, is het effect er van uitstekend. Nadeelen van de behandeling zijn alleen waarneembaar bij menschen, die er om zoo te zeggen misbruik van maken en er zoo door verwend zijn, dat zij er niet meer buiten kunnen, en b. v. niet kunnen slapen zonder geknepen en gewreven te worden. Men zou de gewoonte bijna onder de middelen tot genot kunnen brengen.” Verg. ook wat ik over het pidjetten en de pidjetsters van beroep gezegd heb in mijn „Java”, D. I, bl. 487.

De methode om voor zekere kwalen en lichaamsgebreken het knijpen en wrijven als geneesmiddelen aan te wenden, is in ons land in groot aanzien gekomen door de voortreffelijke resultaten, daarmede verkregen door onzen beroemden Metzger. Men hoort echter op zijne manipulatiën nooit den naam van pidjetten toepassen, en zij schijnen inderdaad van die der Javaansche pidjetsters (het vak wordt meest door vrouwen uitgeoefend) nogal te verschillen. Dr. Metzger waakt tegen het misbruik door het te doen op eene wijze waarbij van „wellustig genieten” zelden sprake is. Ik heb nooit een zijner patiënten zijne behandeling onder de middelen tot genot hooren noemen.

Punch, Pons.

Het woord punch, in de schrijftaal veelal onveranderd behouden, in de omgangstaal tot pons verbasterd, hebben wij uit het Engelsch, maar het is in deze taal zelve weder afkomstig uit Indië. Het is namelijk het Indische en Perzische pandja of pendja, vijf (het Gr. pente), zoo bekend door den eigennaam Pendjâb of Pundsjâb, het land der vijf rivieren, in Hindostan. In het Oosten bestaat de drank, die bij de Engelschen onder den naam van punch populair is geworden, uit vijf bestanddeelen; hij schijnt in Perzië volledig pandja noesj (de vijfdrank) te heeten (zie Vullers, Lex. Persicum, I, p. 376), maar tot enkel pandja te zijn afgekort. De vijf bestanddeelen waren, zoo men meent, oorspronkelijk: brandewijn (rum of arak), thee, citroen, suiker en kaneel. Het laatste wordt thans gewoonlijk weggelaten, meestal ook de thee. Zie Littré, „Dictionnaire de la langue française”, in v. „Punch”. Maar als men de laatste behoudt en het bijgevoegde water als vijfde bestanddeel aanmerkt, blijft de oude naam gewettigd. De verschillende praeparaten, die onder den naam van siroop van punch in den handel komen, zijn wat de zuiverheid betreft zeker niet altijd te vertrouwen.

Den overgang tot pons vormt het Fransche ponche, dat o. a. voorkomt in het volgende door Littré aangehaalde voorbeeld: „il nous fit servir (le capitaine hollandais) de la bierre, du vin de Madère, de la ponche et du pain d'épices.” Labat, „Voyage aux Antilles”, VIII, p. 361. Punch is thans in het Fr. mannelijk, in onze taal vrouwelijk; maar uit het aangehaalde voorbeeld blijkt, dat ponche in het Fransch ook als vrouwelijk werd gebruikt.

Tank.

Dit woord komt zeer dikwijls en, als algemeen bekend, doorgaans zonder eenige verklaring, voor bij onze schrijvers over de bezittingen der Compagnie in Hindostan en op Ceilon. Men zie b. v. Baldaeus, „Afgoderije der Heidenen”, blz. 24, 30, 48; „Begin en Voortgang”, D. II, no. 17, bl. 10; Valentijn, V, 2, „Ceilon”, bl. 240; Canter Visscher, „Mallabaarsche brieven”, bl. 151; Stavorinus, „Reize naar Batavia”, bl. 240. Men vindt echter uitvoerige beschrijvingen van de tanken bij Valentijn, V, 1, „Coromandel”, bl. 172, en bij Stavorinus, a. w., bl. 83 v. Verg. ook Stocqueler, „Oriental interpreter”, in v. Tank. Het blijkt uit die plaatsen dat de tanken groote kunstmatige vijvers of waterbakken zijn, voor badplaatsen ingericht. Het woord is Hindostani. Een andere, minder gebruikelijke naam der tanken in Hindostan is Tullao. Zie Stocqueler in v.

Sedert wij onze bezittingen in Hindostan verloren hebben, is het woord tank bij ons in vergetelheid geraakt; maar, vermoedelijk door Engelschen invloed, wordt het thans weder gebruikt om de groote ijzeren reservoirs op de petroleum-schepen aan te duiden.

Sits.

Sits werd vroeger en juister chits geschreven, de eerste letter toch van het oorspronkelijke woord is de tja of tsja der Hindostansche, Perzische, Javaansche en Maleische alfabets, die in vele Europeesche talen door ch wordt vervangen. Daarom heet ook het sits in het Fransch chite, in het Eng. chintz of chints. Vroeger was bij ons ook dezelfde transscriptie in zwang, zooals blijkt uit den bekenden naam Cheribon. Chits komt nog voor in Canneman's „Dissertatio de Batavorum Mercatura Levantica”, p. 20, waar wij lezen: „Per Caravanas Halebum etiam mittebantur species [pannorum] levigatae Persicae ex Ispahan et Tebriz, quae Malaico nomine tchit, vulgo chits, vocantur.” Hier is de Maleische naam, die echter ook wel tjita (Jav. tjitô) luidt, correct opgegeven, maar uit het bijgevoegde bericht blijkt, dat het niet noodig is aan te nemen, dat wij dien naam het eerst van de Maleiers ontvangen hebben. De gebloemde katoenen stof, die wij sits noemen, werd oorspronkelijk in Hindostan geweven en geverfd of gedrukt, en niet enkel over den Indischen Archipel, maar ook over Perzië en de Levant tot ons gebracht; en ook de Perzische naam luidde tsjit of tjit. Dat behalve het echte Indische sits of Indienne vele Europeesche namaaksels onder denzelfden naam in den handel komen, is bekend.

Palankijn.

Ieder, die niet geheel vreemdeling is in de Nederlandsche letterkunde, kent ook de „Reize in een palanquin” van Jakob Haafner (Amst. 1808), den laatsten schrijver van wien wij berichten hebben over de bezittingen der Compagnie in Hindostan en Ceilon, die sedert aan Engeland zijn afgestaan. Palanquin is de Portugeesche vorm van het woord, dat wij thans Palankijn schrijven, en dat in de verschillende talen en dialekten van Hindostan in de vormen pallangka, palankin en palki voorkomt, die allen (door verwisseling der liquidae l en r) afstammen van het Sankrietsche Paryanka, rustbed. Het woord is ook in het Javaansch en Maleisch overgegaan in de vormen palangki en plangki.

De Indische draagstoel, toegerust met een verhemelte en gordijnen, en geheel anders ingericht dan de Europeesche, behield natuurlijk den oorspronkelijken naam, toen hij door de Europeanen van de inlanders werd overgenomen.

Rigel.

Prof. Dozy heeft in zijne „Oosterlingen” een artikel gewijd aan de ster Aldebaran, ook aan niet-astronomen bekend door de regels in Beets' „Guy de Vlaming”:

„En wat er in uw aadren gloeide, „En wat er in uw oogen blonk „Zal, opgegaan tot hooger sfeeren, „Mijn Aldebarans gloed vermeeren „Of Mixars helle schittervonk”.

Maar gelijke aanspraak had zeker de eveneens Arabische naam Rigel, die de ster aanduidt in den voet van het sterrenbeeld „Orion”, en waarvan Nieuwland in zijne beroemde ode „Orion” aldus zingt:

„'k Zie Betelgeuze's rooden gloed „Uw schouder, naast Bellatrix, sieren „En Rigel flonk'ren op uw voet”.

Rigel is het Arab. ridjl, d. i. voet, en als naam van de ster in den Orion afkorting van ridjloeʾl-djabbâr, de voet van den reus. Door al-djabbâr, de reus, wordt het sterrenbeeld Orion aangeduid.

Elixir.

Dit woord is behandeld in Dozy's „Oosterlingen”; maar hij verkeerde destijds nog in onzekerheid omtrent den oorsprong van het woord, waarvan hij alleen zegt: „het zou mij niet verwonderen als er een door de Arabieren veranderd Grieksch woord, waarvan de eerste of tweede letter een x is, onder schuilde”. De juistheid dier gissing was reeds aangewezen toen zij werd bekend gemaakt, namelijk door Fleischer, die in zijn werkje de Glossis Habichtianis, p. 70, elixir verklaarde als ontstaan uit het Arab. lidwoord en het Grieksche xèron, dat eigenlijk een droog geneesmiddel aanduidt, maar door misverstand eene ruimere beteekenis kreeg. Ik merk in het voorbijgaan op, dat ook dit woord eene bijdrage levert tot de oplossing van het thans weder opgerakelde geschil over de uitspraak der Grieksche letter èta, die velen thans evenals in het Nieuw Grieksch als i willen uitspreken. Als ik mij niet bedrieg pleiten alle oude transcripties van Grieksche woorden met èta in het Syrisch en Arabisch voor het itacisme. Eene objectie door Zotenberg tegen de verklaring van elixir uit het Gr. xèron opgeworpen, namelijk dat de Grieksche x in het Arabisch sk en niet ks wordt, is te niet gedaan door Defrémery in het Journal Asiatique van Augustus 1867, door te wijzen op het Arabische abraksis, als transscriptie van het Gr. praxis.

Elixir is dus uit het Arabisch tot ons gekomen. Het was in die taal een term der Alchimisten, om den steen der wijzen aan te duiden, de substantie waardoor men onedele metalen in goud kon veranderen, en die tevens een middel was waardoor men alle kwalen kon genezen en het lichaam versterken en verjongen. Doch toen de alchimistische droomerijen haar krediet verloren, bleef het woord elixir in zwang om oplossingen van verschillende zelfstandigheden in alkohol of alkoholische tincturen aan te duiden, of in het algemeen elk geneesmiddel, dat druppelsgewijze wordt toegediend. Men denke b. v. aan het maag-elixir, dat vaak bij jenever en curaçao gevoegd wordt.

Tarra.

Men schrijft thans gewoonlijk tarra, en het is ook alleen in dien vorm dat het woord voorkomt in de Woordenlijst van de Vries en te Winkel. Weiland behandelt het op tara, den gewonen vorm van het woord in het Italiaansch, Spaansch en Portugeesch. In den vorm tare vindt men het ook in het Fransch en Engelsch. Wij hebben het woord, als zoovele andere in de handelstaal, waarschijnlijk van de Italianen ontvangen. Het beteekent, gelijk men weet, het verschil tusschen bruto en netto gewicht of maat, met andere woorden wat voor emballage moet worden afgetrokken.

De oorsprong van dit woord was aan Prof. Dozy nog onbekend, toen hij zijne „Oosterlingen” schreef. Hij zegt in de Voorrede: „het woord tara of tarra kan Arabisch zijn, maar het is mij nog niet gebleken, dat de Arabieren het in dien zin gebruikten.” Maar in het twee jaren later verschenen „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe” heeft alle twijfel omtrent den Arabischen oorsprong opgehouden. Het Arabische woord is tarha, van den wortel taraha, die de beteekenis heeft van verwerpen, en tarha is dus het deel der koopwaren dat men verwerpt, niet mederekent, bij de prijsberekening aftrekt, te weten de balen, kisten, vaten enz. waarin de goederen gepakt zijn.

Er bestaat in het Arabisch nog een synoniem woord merma, dat ook in het Spaansch is overgegaan. Ook dit merma beteekent letterlijk het verworpene en bevestigt de juistheid der verklaring van tarra. De beide woorden helderen elkander op, zooals door Dozy in het Glossaire, p. 313, wordt in het licht gesteld.

Alkatief.

Baldaeus, „Beschrijving van Malabar en Choromandel”, bl. 183, van de levenswijze der Europeanen in die gewesten sprekende, zegt: „Zelden slaapt men op bedden, maar op alcativen of matrassen.” Het woord alcatief is het Spaansch-Portugeesche alcatifa, alquetifa, dat denkelijk in Baldaeus' tijd ook onder de Nederlanders in Indië zoozeer bekend was, dat hij het zonder verklaring kon gebruiken. Het is dus weder een woord dat wij in Indië van de Portugeezen overnamen, maar de oorsprong is kennelijk Arabisch. Engelmann, de eerste bewerker van het zoo vaak op naam van Prof. Dozy aangehaalde, en inderdaad door dezen geheel omgewerkte en met de belangrijkste artikelen vermeerderde „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérivés de l'Arabe,” verklaart het door het Arab. al-qatîfa, tapis, couverture, en verwijst naar eene noot van Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements chez les Arabes,” p. 232. In de bedoelde noot wordt eene plaats aangehaald uit Marmol's „Descripcion de Africa,” die eene volledige verklaring geeft van de woorden van Baldaeus en dus luidt: „De gewone bedden der aanzienlijken bestaan uit die harige alcatifa's, die ons uit Africa worden aangebracht. Deze worden onderscheiden malen dubbel gevouwen, terwijl een lange omslag dient om het lijf van boven te bedekken.”

Nog heden is het woord alkatief in Ned.-Indië in gebruik, hoofdzakelijk in de beteekenis van een tapijt of vloerkleed, die het ook in het Arabisch bezit, zooals mede door Dozy in zijn „Dictionnaire détaillé”, t. a. p. is aangetoond. Weitzel, „Batavia”, bl. 113: „Onder de tafels vindt men nog wel eens een sierlijk karpet, en vóór de canapé's vaak zeer schoone alkatieven of vloerkleedjes.”

Prof. de Goeje heeft mij medegedeeld, dat hem toevallig bij de inzage van oude rekeningen gebleken is, dat nog in het begin dezer eeuw alkatieven als handelsartikel werden vermeld.

Fellah.

Dit woord is thans in meest alle Europeesche talen, ook in de onze, algemeen in gebruik om de Egyptische landbouwers aan te duiden. Ieder kent den roman van den heer About, „Ahmed le fellah”. In de aankondiging van Lady Gordon's „Letters on Egypt”, in de Gids voor 1866, D. II, bl. 597 vv., wordt fellah telkens als een algemeen bekend woord gebruikt.

Het woord is Arabisch en luidt in die taal fallâh. Het beteekent in het algemeen landbouwer, maar voor zoover het in de talen van het Westen is opgenomen, duidt het altijd in het bijzonder de Egyptische landbouwers van Arabische afkomst en Moslemsche geloofsbelijdenis aan. Een Christen is nooit een fellah.

Boernoes.

Boernoe of boernoes is, volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”: „een Arabische mantel van witte wollen stof met een kap, zooals de Mooren in Noord-Afrika dien dragen”, en voorts ook: „een soort van nieuwerwetschen vrouwenmantel van soortgelijke snede”. Hierbij verdient alleen te worden opgemerkt, dat de boernoes noch uitsluitend wit, noch uitsluitend van wol is, noch uitsluitend door de Mooren gedragen wordt. Boernoes is het Arabische bornos of boernoes, waarover wij een uitmuntend artikel vinden in Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements”, p. 73, waaruit blijkt, dat ook zwarte, blauwe en groene mantels van deze soort voorkomen, en dat ze ook wel van katoen en zijde worden geweven. Maar die van witte wol zijn ongetwijfeld de meest gebruikelijke. De boernoes werd ook gedragen door de Mooren in Spanje, door de ridders van Malta en door de Mamelukken in Egypte; maar Prof. Dozy maakt uit het stilzwijgen der schrijvers over het hedendaagsche Egypte op, dat hij daar niet meer in gebruik is. Hiertegen pleit echter 1o. dat volgens Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 311, burnooses or white woollen cloaks behooren tot de artikelen die uit het Westen van Afrika in Egypte worden ingevoerd, en 2o. dat de boernoes voor eenige jaren, in Nederland althans, vooral bekend geworden is door degenen die dit kleedingstuk, op de overlandreis uit Indië naar het Moederland, uit Egypte medebrachten. Dat evenwel boernoes een modenaam ook voor een nieuwerwetschen vrouwenmantel met kap is geworden, zal wel aan de Franschen zijn toe te schrijven, die dit kleedingstuk in Algerië leerden kennen. En vandaar dan ook dat men somtijds, naar Fransche schrijfwijze, bournous leest, b. v. bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 219: „een juffrouw met donkere, blinkende oogen en een rooden bournous.”

Dit woord, dat bij ons, door de wisselingen der mode, weder in onbruik begint te raken, is oud in de talen van zuidelijk Europa; want het komt in den met het Arabisch lidwoord vermeerderden vorm voor in het Spaansche albornoz en het Portugeesche albernoz of albenoz. Zie Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 73.

Fakir.

Fakir beteekent, volgens van Dale's Nieuw Ned. Woordenboek, eigenlijk een arme, dan een Mohammedaansche bedelmonnik, en eindelijk een Indische kluizenaar, die zich op allerhande wijze pijnigt. Het woord is het Arabische faqîr, en heeft oorspronkelijk alleen de eerste beteekenis; maar is, evenals het Perzische derwîsj, bij ons dervis, dat hetzelfde beteekent (zie Dozy's „Oosterlingen”, in v.) in het later spraakgebruik bij voorkeur de naam geworden der armen om Gods wil, die eene gelofte van armoede gedaan hebben, in één woord der Mohammedaansche bedelmonniken. Zie b.v. Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 211. Zulke fakirs vindt men ook vele in onze Oostindische bezittingen, en in de nieuwere geschriften over die gewesten zal men fakir doorgaans slechts in deze beteekenis aantreffen. Maar de vele punten van overeenkomst tusschen den Mohammedaanschen bedelmonnik en den Hindoeschen kluizenaar en boeteling zijn oorzaak, dat onze oude schrijvers, misschien op het voorbeeld der inlanders zelven, den naam van fakir ook aan dezen laatsten geven. Zoo b.v. Baldaeus, „Afgoderije der Heydenen”, bl. 76: „Rawan, ziende Lekeman gaan, komt voor de deur van Ram, in gedaante van een fakier, en eyscht een aalmisse” (aalmoes), en Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 110: „Wat verder landwaarts in vonden wij in een klein boschje de overblijfsels van een steenen gebouw, waar een fakier of heilige zijn verblijf hield!”

Het bevreemdt mij eenigszins, dat Prof. Dozy het zeer dikwijls voorkomende fakir niet in zijne Oosterlingen heeft opgenomen.

Camarilla.

Camarilla is in het Spaansch een verkleinwoord van camara, kamer, zaal. In het bijzonder is camara een vertrek in het koninklijk paleis, waarin de Vorst audientie geeft aan de gezanten van vreemde Mogendheden, dat alleen voor zijne voornaamste dienaren en gunstelingen toegankelijk is, en waar de geheime zaken van Staat behandeld worden. Camara of Camarilla beteekent dus ongeveer hetzelfde als ons kabinet, in den zin waarin van „het kabinet des Konings” gesproken wordt. En evenals dit met het woord kabinet het geval is, beteekent ook camarilla, bij overnoeming, de personen, die in het aldus genaamde vertrek met den Vorst beraadslagen, zijne geheime raden, de Consulta, de Kabaal, zooals men in Engeland ten tijde van Karel II de geheime raadslieden des Konings noemde, den Achterraad, zooals Hooft en Stijl de vertrouwde dienaren van Margareta van Parma, in tegenstelling met den Raad van State, betitelen. In Spanje schijnt de uitdrukking Camarilla om de geheime raadslieden der Kroon, den Achterraad, aan te duiden, vooral in zwang te zijn gekomen gedurende de regeering van Philips VII, die gewoon was des avonds zijne kamerheeren en dienaren rondom zich te verzamelen en zich geheel door hen liet leiden. Zie b.v. Gervinus, „Geschichte des XIXten Jahrh.”, Bd. II, bl. 163. De listen en kuiperijen dezer partij hebben aan het woord Camarilla eene slechte beteekenis doen hechten. Het is thans in alle talen van het beschaafde Europa, en dus ook in de onze, in gebruik om elke vereeniging of club van hovelingen aan te duiden, die de gunst van den Vorst exploiteert, om een voor henzelven of de belangen van hunnen stand voordeeligen, maar voor het algemeen welzijn veelal verderfelijken invloed op de Regeeringszaken uit te oefenen.

Het is duidelijk dat dit, ook bij ons, in historische en politieke geschriften, somtijds gebruikte woord geen inbreuk maakt op de juistheid der opmerking, bij kwispedoor gemaakt, dat ons volk, tijdens de Spaansche heerschappij, geene woorden uit de taal der gehate vreemdelingen heeft overgenomen.

Parlesanten.

Die opmerking wordt ook niet gelogenstraft door parlesanten of parlasanten, een woord uit de volkstaal dat zeer wel tot de dagen van Alba en Requesens kan opklimmen, maar dan toch niet van de Spanjaarden overgenomen, doch door het volk uit de drie Spaansche woorden par (of por) los santos, d. i. bij de heiligen, gevormd werd, om de Spaansche krijgsknechten, die deze gedurig in den mond hadden, te bespotten. Het woord is in verschillende woordenboeken onzer taal opgenomen, maar kan thans wel als verouderd worden aangemerkt, en is aan de schrijftaal waarschijnlijk wel bijna geheel vreemd gebleven. Ik herinner mij echter de volgende woorden in een der dichtbundels van Bilderdijk (welke is mij ontgaan) gelezen te hebben:

„En of Tante Parlesantte Als men aan haar koffers kwam, Uitgekeven En versteven Ligt zij als een schaap zoo tam.”

Ik haal deze regels ook aan, omdat zij doen zien in welke beteekenis het woord gebruikt werd, namelijk in die van vloeken en razen, en niet in die van praten, snappen, zooals van Dale ons wil doen gelooven.

Olla podrida.

Het zou echter kunnen zijn dat ons volk van de Spanjaarden geleerd had een Olla podrida te maken, een hunner meest geliefde nationale gerechten. Het is zelfs niet onmogelijk dat de beroemde ketel met hutspot, die bij het ontzet van Leiden in een der schansen achtergelaten werd gevonden, een pot met olla podrida geweest is. Althans het woord olla podrida komt in beteekenis al heel veel met het Hollandsche hutspot overeen. De olla podrida wordt ons beschreven als een mengsel van allerlei spijzen: ossenvleesch, schapenvleesch, ham, kippen en ander gevogelte, en alles wat men verder daarbij wil voegen om den smaak te verhoogen. Men zal zich uit den „Gilblas” herinneren, dat een goed bereide olla podrida als een fijne lekkernij geldt. Evenwel, daar in het dagelijksch leven de overschotten of klieken van verschillende spijzen voor de olla podrida gebezigd worden, zullen de bestanddeelen wel niet altijd even keurig en ook zeker niet altijd even frisch zijn. De naam olla podrida, gevormd van het Latijnsche olla, d. i. pot, en podrida het deelwoord van podrir (thans pudrir), dat bederven, verrotten beteekent, geeft hieromtrent veel te denken, en is niet geschikt om een Nederlander naar het invoeren van dezen schotel in zijn vaderland te doen verlangen. Hij houdt zich zeker liever bij den vaderlandschen hutspot, en heeft dan ook aan den vreemden naam geen behoefte. Waar die in Nederlandsche geschriften voorkomt, zal het wel doorgaans zijn in verhalen, hetzij historische of verdichte, waarvan Spanje het tooneel is, of in reisbeschrijvingen, waarin Spaansche zeden ter sprake komen.

Meer nog dan olla podrida is bij ons de letterlijke vertaling dier uitdrukking in het Fransch: Potpourri bekend. Hier echter wordt het begrip van mengelmoes of poespas meestal niet op spijzen, maar op door overgangen aaneengeregen melodiën toegepast. Maar hoe vreemd is toch soms dat cynisme der zuidelijke volken, zelfs van dat volk dat bij ons als de wetgever op het gebied van den goeden smaak geldt! Ons, ruwe zonen van het Noorden, zou de naam van olla podrida, indien ik hem letterlijk durfde vertalen, van alle spijs schier afkeerig maken, en om een verzameling der goddelijke melodiën b.v. van een Mozart een potpourri te noemen, zou ons, als wij niet het vreemde woord gebruikten zonder aan de beteekenis te denken, een heiligschennis dunken.

Baljaren, baljaarden.

Ook dit woord is uit het Spaansch of Portugeesch afkomstig, maar is niet rechtstreeks uit het Iberisch schiereiland, maar door tusschenkomst der Negerslaven in West-Indië tot ons gebracht. Het is het Spaansche baylar of Portugeesche bailar, dansen (hetzelfde als het Italiaansche ballare, waarvan ons bal, ballet en ballade). Baljaren is een woord waardoor in Suriname het dansen der negers wordt aangeduid. Een baljaarpartij is een negerbal, waarop zij den dans door hun gezang en het slaan op de trom begeleiden. Zie van Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. II, bl. 87. Het woord baljaren is in dat mengelmoes van talen, dat de negers in West-Indië spreken, door eenvoudige letteromzetting uit bailar ontstaan.

Uit West-Indië is dit woord met eenige wijziging zoowel in vorm als in beteekenis ook naar Nederland overgewaaid. Men schreef het hier baljaarden en hechtte er de beteekenis aan van rumoer of getier maken. Trouwens die negerdansen onderscheiden zich ook zeer door luidruchtigheid. Men vindt dit woord meermalen in „Willem Leevend”, b. v. D. IV, bl. 291: „Want die ondeugende kaerel komt altijd op het laatst aanspringen en baljaarden.” Andere plaatsen, waar de beteekenis van rumoer maken nog duidelijker is, heb ik tot mijne spijt verzuimd aan te teekenen.

Een andere afstammeling van het woord bailare is door tusschenkomst van het Fransch uit het Oosten tot ons gekomen. De Portugeezen noemden de Indische dansmeisjes in hunne taal bailadera, dat eenvoudig danseres beteekent. Hieruit is, door de lispende uitspraak der l in het Portugeesch, bayadère ontstaan, dat in de meeste talen, en ook bij ons, de bijzondere naam der Indische dansmeisjes (namelijk uit Hindostan, niet van de Javaansche, die ronggeng of talèdèk genoemd worden) gebleven is. De Engelschen noemen ze met een inlandsch woord natch of nautch. Canter Visscher, Mallabaarse brieven, bl. 73, spreekt van baljadores, klaarblijkelijk het mannelijk waaraan bailadera of baljadera als vrouwelijk beantwoordt.

Cigaar.

Cigaar is het Spaansche cigarro; het rooken van cigaren schijnt zich vanuit Spanje over Europa verspreid te hebben. In het Spaansch wordt cigarro gebruikt zoowel voor de fijne in papier of maïsblad gewikkelde tabak, die bij ons gewoonlijk cigarette heet, als voor het rolletje van tabaksbladen, dat wij cigaar noemen. Echter wordt ook in 't Spaansch voor de eerstgenoemde soort veelal het verkleinwoord cigarrita gebezigd.

De afkomst van het woord cigarro is onzeker. Gewoonlijk meent men dat het niets dan de inlandsche naam is van de tabak van Cuba (Havannah); doch anderen beweren dat cigarro afstamt van cigarra, krekel, wegens eenige overeenkomst in voorkomen, die tusschen dit diertje en een rolletje tabak zou bestaan. Deze laatste afleiding is mij echter te fantastisch; maar of werkelijk de inlandsche taal van Cuba een woord voor tabak heeft dat op cigarro gelijkt, heb ik geen middel om na te gaan.

Men begint thans bij ons sigaar te schrijven, vooral op het voorbeeld, zoo ik meen, van de „woordenlijst” der heeren de Vries en te Winkel. Ik zou echter meenen dat al de gronden die er voor zijn aan te voeren om in de woorden van vreemde afkomst, de uitgang daargelaten, de oorspronkelijke spelling te behouden, ook voor cigaar pleiten. Schrijft men sigaar, waarom dan niet ook sitroen, sider enz.? Ook zal men, sigaar aannemende, om de consequentie sigarette moeten schrijven, niettegenstaande in dit woord ook de uitgang on-nederlandsch en kennelijk aan het Fransch ontleend is.

Omberen.

De naam van dit bij ons zoo geliefde kaartspel is uit Spanje afkomstig, ofschoon het spel zelf, zooals het bij ons gespeeld wordt, door vele daarbij gebruikelijke termen (sans prendre, mariage, remise, remise royale, favorite enz.) zijne Fransche herkomst verraadt. In dit spel wordt degeen die vraagt, en dienvolgens als hoofdpersoon zijn spel tegen de beide andere spelers te verdedigen heeft, de omber genoemd, welk woord klaarblijkelijk het Spaansche el-hombre, letterlijk vertaald de man, is. In den „Diccionario de la Real Academia Española” leest men in het art. Hombre, dat el-hombre heet „el que in ciertos juegos de naypes entra la polla, para jugarla solo contra los otros”, d. i. „hij die in zekere kaartspelen den inzet doet om alleen tegen de anderen daarom te spelen”. Dit beantwoordt nu wel niet volkomen aan de rol die in ons omberspel door den omber wordt vervuld, maar toont toch klaarblijkelijk de juistheid der gissing van de heeren de Vries en Verwijs in het „Woordenboek der Ned. taal”, art. Omber: „Vermoedelijk is de naam van het spel eenvoudig ontleend aan den hoofdpersoon, dengene tegen wien de twee anderen spelen”. Maar men houde daarbij toch wel in het oog, dat „jeu de l'hombre” de Fransche, niet de Spaansche, althans niet de gewone Spaansche naam van dit spel is. In het Spaansch heet het gewoonlijk juego de espadilla (spadielje-spel), of ook wel renegado (waarschijnlijk van het renonceeren). In het Portugeesch zegt men eveneens jogo da espadilha of renegada.

De Fransche uitdrukking jeu de l'hombre heeft door misverstand aanleiding gegeven tot den nu verouderden bijvorm lomberen, evenals ons lommer naar alle waarschijnlijkheid uit l'ombre, de schaduw, ontstaan is.

Ofschoon, zooals ik reeds opmerkte, in ons omberspel vele Fransche uitdrukkingen gebruikt worden, zijn er toch nog onderscheidene andere, behalve de omber, die een Spaansche afkomst verraden. Zoo heeten de hoogste op elkander volgende troeven matadors, dewijl ze zeker zijn iedere kaart van de tegenpartij te slaan. Matador (van matar, het Latijnsche mactare) beteekent in het Spaansch doodslager, en is ook in Spanje de naam der personen, die in de stierengevechten de stieren afmaken. Schoppenaas, de hoogste kaart in het spel, heet spadielje. Dit is het Spaansche espadilla (Port. espadilha), dat degen beteekent. De plaats onzer schoppen in het kaartspel werd namelijk oudtijds door degens (espadas) ingenomen. De degens zijn met schoppen verwisseld waarschijnlijk tengevolge van de overeenkomst der namen espada, spada, spado, degen, met die van spade (Eng.), spade (Ned.), Spaten (Hgd.), die allen een schop of spade beteekenen. Klaverenaas heet basta van het Spaansche basto, knuppel, omdat oudtijds knuppels de plaats onzer klaveren innamen, die nog in het Eng. clubs heeten. Manielje (Sp. Malilla, Port. Manilha), Ponto (Sp. Punto, Port. Ponto), Kodielje (Sp. Codillo), Casco, verraden denzelfden oorsprong, ofschoon het mij niet gelukt is eene voldoende verklaring van deze namen te vinden.

Eldorado.

Eldorado is bij ons de naam van een denkbeeldig gewest, dat alle heerlijkheden in zich vereenigt, een paradijs op aarde, aan welks werkelijkheid echter niemand gelooft. Maar van de velen die het woord gebruiken, zijn weinigen met den oorsprong bekend. Het woord is Spaansch en samengesteld uit het lidwoord el, dat eigenlijk afzonderlijk behoorde geschreven te worden, en dorado, het verleden deelwoord van dorar, vergulden, met goud overtrekken. De letterlijke beteekenis van het woord geeft groote waarschijnlijkheid aan de meening van den heer P. A. Tiele (zie zijne „Ontdekkingsreizen sedert de 15de eeuw”), dat de sage van Eldorado haren oorsprong verschuldigd is aan het verhaal van een Indiaansch Vorst, die zijn lichaam met goudstof bestrooide. Van een persoon moet vervolgens de naam op een land of gewest zijn overgebracht, aanvankelijk in de Andes gezocht, en, toen dit vruchteloos bleek, meer oostelijk naar Guiana verplaatst.

Gedurende veertig jaren werden door eene reeks van grootere en kleinere Spaansche expeditiën vergeefsche pogingen aangewend om Eldorado te vinden; later namen ook Engelsche reizigers, vooral de beroemde Sir Walter Raleigh aan deze onderzoekingen deel. Ofschoon ze nooit eenig resultaat opleverden, vindt men op alle kaarten van Zuid-Amerika en Guiana, in de 17de en 18de eeuw verschenen, het meer van Parima, het middelpunt van het Goudland, soms met de goudrijke stad Manoa del Dorado er bij aangewezen. Merkwaardig is wat daarover is medegedeeld in het pas uitgegeven schoone werk van generaal P. M. Netscher, „Geschiedenis van de Koloniën Essequebo, Demerary en Berbice”. „Bij de Spanjaarden aan de Orinoco en bij de Nederlandsche kolonisten aan de Essequebo”, zoo lezen wij daar, bl. 25, „zijn de illusiën van een wondermeer waar schatten te vinden waren, nog lang blijven voortleven. Wij zullen hieronder, in den loop van ons verhaal, doen opmerken, hoe nog herhaaldelijk door onze Commandeurs aldaar enkele ondernemende personen naar de binnenlanden zijn uitgezonden, om naar goud, zilver en andere mineralen te zoeken (vooral door den Directeur-Generaal Storm van 's Gravesande tusschen 1740 en 1772); terwijl zelfs nog in 1775 uit de Orinoco eene groote Spaansche expeditie daartoe werd uitgerust, waarbij honderden het leven lieten”. Eerst door de wetenschappelijke onderzoekingen van Alexander von Humboldt en Sir Robert Schomburgk is het geloof aan de fabel van Eldorado voor goed vernietigd.

Bakkeljauw.

Dit woord ontbreekt, zeer ten onrechte, in alle Nederlandsche woordenboeken. Het is algemeen in gebruik in onze Westindische bezittingen en in alle geschriften die daarover handelen. Het voedsel der negerslaven placht er hoofdzakelijk uit bananen en bakkeljauw te bestaan. Zie van Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. I, bl. 118; van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname,” bl. 202. De bakkeljauw was de opengespouwen, sterk gezouten en gedroogde kabeljauw, die op de banken van Newfoundland gevangen en in vaten van 600 à 700 pond naar Suriname gezonden werd. Kabeljauw en bakkeljauw zijn klaarblijkelijk hetzelfde woord, slechts door letteromzetting gewijzigd. Welke vorm de oorspronkelijke is, valt bezwaarlijk uit te maken. De germaansche talen hebben den vorm met ka, b. v. het Hoogduitsch Kabeljau of Kabliau, het Deensch cabliau, het Zweedsch kabeljo; ook het Fransch heeft cabéliau en het middeleeuwsch Latijn cabellauwus. Daarentegen hebben de romaansche talen den vorm met ba, zooals het Spaansch Bacallao, het Portugeesch Bacalhao, het Italiaansch Bachalaio. Men meent dat deze woorden eigenlijk uit het Baskisch stammen, en wijst er op dat de Basken het eerst de kabeljauwvisscherij op de bank van Newfoundland op groote schaal hebben gedreven. Ook labberdaan, bij ons de gewone naam van de gezouten kabeljauw, wijst naar de Basken. Zie het etymologisch woordenboek van Franck op dat woord. Er is dus wel eenige reden om de vormen met ba voor meer oorspronkelijk te houden.

Sommigen meenen dat er tusschen kabeljauw en bakkeljauw een soortverschil bestaat. Zoo zegt v. Hoëvell, t. a. p., dat de bakkeljauw, d. i. de kabeljauw die op de bank van Newfoundland gevangen wordt, een middensoort tusschen kabeljauw en schelvisch is. Ik houd die meening voor ongegrond. Natuurproducten die over eene groote oppervlakte verspreid zijn, vertoonen veelal eenige verscheidenheden, maar een onderscheid als hier tusschen de kabeljauw van Newfoundland en die der Noordzee wordt aangenomen, is, voorzoover ik weet, aan de beoefenaars der natuurlijke historie onbekend.

Doch al bestaat dit soortverschil niet, toch zijn kabeljauw en bakkeljauw geene synoniemen. De noordelijke volken gebruiken kabeljauw voor de levende en versche visch, en hebben voor de verschillende bereidingen die deze ondergaat, om voor verzending en bewaring geschikt te worden, verschillende benamingen, zooals stokvisch voor de gedroogde, labberdaan voor de gezouten, klipvisch voor de tevens gezouten en gedroogde kabeljauw. De zuidelijke volken, die de versche kabeljauw niet veel te zien krijgen, gebruiken hun bakkeljauw vooral van de visch, die op verschillende wijzen is verduurzaamd. Wel verklaart het woordenboek der Spaansche Akademie bacallao door abadejo, dat in het algemeen de kabeljauw aanduidt, maar het Portugeesch woordenboek van Moraes Silva omschrijft bacalhao uitdrukkelijk door „o badejo escalado e curado ao sol, ou embarricado em salmadeira”, d. i. de kabeljauw opengespouwen en in de zon gedroogd of in de pekel gelegd. Dit beantwoordt volkomen aan de beteekenis aan ons bakkeljauw toegekend. Bakkeljauw is dus de Westindische naam van stokvisch of zoutevisch, dien wij daar, gelijk zoovele andere woorden, van de Spanjaarden of Portugeezen hebben overgenomen, ofschoon wij daarin slechts een zeer oud en bekend woord in anderen vorm en met speciale beteekenis hebben terug ontvangen.

Schorseneeren.

Is ook dit woord van vreemden oorsprong? Ongetwijfeld, zooals men reeds kan opmaken uit de onzekerheid van vorm en spelling. In de schrijftaal gebruikt men nevens schorseneer ook schorseneel, tengevolge van de gewone verwisseling der liquidae; maar in de volkstaal komen erger verbasteringen voor, waaronder schotsche nero's zeker wel de grappigste is. Ik herinner mij zeer goed, dat ik reeds als kind dacht, dat schorseneer eigenlijk écorce noire beteekende, en ik ben in die meening gebleven tot ik later mij overtuigde dat die uitdrukking in het Fransch onbekend is, en de schorseneer in die taal in het dagelijksch leven salsifis, maar meer wetenschappelijk scorsonère heet. Nu, dat dit laatste geene oorspronkelijk Fransche benaming is, maar uit eene vreemde taal afkomstig moet zijn, was gemakkelijk in te zien. Van Dale hielp mij nu aan eene vroeger reeds half vermoede verklaring, waaraan ik langen tijd niet twijfelde. Schorseneer zou het Italiaansche scorza nera zijn, dat evenals écorce noire, zwarte schors beteekent, en den Hollandschen vorm nog gemakkelijker schijnt te verklaren. Van Dale's meening werd ook bevestigd door het gezag van Littré (in v. Scorsonère), en door de vergelijking van het Duitsche Schwarz-wurzel.

Intusschen hadden die schrijvers een kleinigheid, maar een belangrijke kleinigheid, over het hoofd gezien, of althans niet genoegzaam in aanmerking genomen. Heet de schorseneer in het Italiaansch wel scorzanera? De vorm is inderdaad eenigszins anders; hij luidt scorzonera, en geen taalkundige zal zeker in staat zijn uit de samenstelling van scorza en nera, wanneer die als substantief en adjectief worden bijeengevoegd, scorzonera te verkrijgen. Reeds het Fransche scorsonère had Littré moeten waarschuwen.

Voorgelicht door deze eerste moeilijkheid, ontdekt men weldra nieuwe bezwaren. Is zwarte schors voor de schorseneeren wel een goede naam? Zij hebben een zwarte schors, ja! maar niet aan het zichtbaar deel der plant, maar alleen als bekleedsel van den als spijs gebruikten vleezigen penwortel. Schwarz-wurzel is daarom een goede naam, maar zwarte schors zou vreemd gekozen zijn voor een plant, waarvan slechts de wortel een zwarte schors heeft.

Is de naam Italiaansch, dan dient de plant ook wel uit Italië afkomstig of van Italië uit over Europa verspreid te zijn. Maar is dat werkelijk het geval? De botanische naam is Scorzonera Hispanica, en ofschoon die naam niet als een afdoend bewijs kan gelden, dat de plant niet vroeger in Italië dan in Spanje is bekend geweest, is hij toch voldoende om bij het zoeken van het land van herkomst onze aandacht vooral bij Spanje te bepalen.

In het Italiaansch-Fransche woordenboek van den abt de Villanova wordt Scorzonera aldus verklaard: „Sorta da pianta, venuta dall' Indie in Europa, e che prende tal nome, per preservar essa dai morsi dello scorzone”, d. i. „eene soort van plant, uit Indië naar Europa overgebracht, en die dezen naam draagt, omdat zij beveiligt tegen de beten van de scorzone”. Scorzone wordt in hetzelfde woordenboek verklaard door „Specie di serpe velenosissima di color nero”, d. i. eene soort van zwartkleurige, zeer vergiftige slang (adder).

Deze verklaring wordt opgehelderd door de volgende bijzonderheden, medegedeeld in Lindley en Moore, „Treasury of Botany” in v. Scorzonera: „Scorzonera Hispanica is a native of Spain; but is cultivated in this country [Engeland], and the root is sold in the markets as Scorzonera, a name derived from escorza, the Spanish name of a serpent, in allusion to its cooling antifebrile effects, it having formerly been employed in Spain on account of these properties for the cure of serpent-bites. It has also sometimes been called viper's grass”.

De afleiding van Scorzone met den uitgang era, is zeker te verkiezen boven die van Scorza nera; maar wanneer Spanje terecht als het vaderland der plant beschouwd wordt, zal men als grondwoord niet escorza (welks bestaan ik betwijfel), maar escorzon, dat in het Spaansch aan scorzone schijnt te beantwoorden, behooren aan te nemen. De voorslag e voor sc is in het Spaansch volkomen regelmatig, en doet niets ter zake. Ook de plant wordt in het Spaansch escorzonéra genoemd.

Hidalgo.

Dit vaak gebruikte, ook door van Dale opgenomen, Spaansche woord, beteekent een gentleman, een man van goede familie, schoon juist niet van den hoogsten adel. De oorsprong van het woord blijkt uit den niet geheel ongebruikelijken volledigen vorm, Hijodalgo, waarvan het vrouwelijk, ten blijke dat het een samengesteld woord is, Hijadalgo luidt, terwijl daarentegen de samengetrokken vorm, als ware hij een enkelvoudig woord, in het vrouwelijk Hidalga heeft. Hijodalgo is samengesteld uit hijo, zoon, de partikel de, van, en algo, iets, eenig vermogen. Men zou dus hidalgo kunnen vertalen door „een zoon van goeden huize”.

Hijo is = fijo, het Latijnsche filius (Gr. huios), door de gewone verwisseling van F en H. Vandaar heeft het Portugeesch fidalgo voor hidalgo, evenals fazenda voor hacienda enz.

Amfioen.

Amfioen is de voornamelijk in Ned.-Indië gebruikelijke naam van het heulsap, dat wij in Nederland, evenals alle andere volken van Europa, met den aan het Grieksche opion ontleenden Latijnschen naam opium noemen. Van de Grieken is die naam ook, in den vorm afioen, tot de Arabieren overgegaan; de Perzen spreken dien, volgens het woordenb. van Vullers, afjoen uit, de Maleiers en Javanen, die de f niet kunnen uitspreken, zeggen apioen of apjoen. Van al deze vormen is het Nederlandsche amfioen door de inlassching der m (zie beneden) nog kennelijk verschillend. Ook gebruikt de inlander apioen alleen van het opium in ruwen staat, zooals het door den handel geleverd wordt. Is het gezuiverd, dan noemt hij het tjandoe; is het, met of zonder tabak, voor zijn gebruik gereed gemaakt, dan noemt hij het madat (van 't Hindostanische madad; vgl. v. d. Tuuk, „Tobasche Spraakkunst”, bl. 125, noot 2). Bij de Nederlanders in Indië daarentegen behoudt het den naam van amfioen onder alle omstandigheden, en zij spreken van amfioen rooken en amfioen schuiven, van amfioenkitten, amfioenpijpen, amfioenpillen, zoowel als van amfioenhandel en amfioenpacht.

Het woord amfioen zelf is bij ons Nederlanders reeds vrij oud, zoo oud als de vaart naar Indië zelve. Er wordt over dat heulsap reeds in 't breede gehandeld in de „Beschrijvinge van 't Coninckrijck Gussaratten”, in „Begin en Voortgang”, II, no. 17, bl. 61, waar het amphion of affien wordt genoemd. Ook bij Baldaeus, „Malabar en Choromandel”, bl. 144, komt de vorm amphion voor, en reeds veel vroeger vindt men dien bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 98, die met zijne gewone nauwkeurigheid zegt: „het amfion, also ghenaemt van de Portugesen, van de Arabyers, Mooren en Indianen affion”. De ingevoegde liquida m (waarvoor ook de n werd geschreven, die echter in de uitspraak als m klonk) is dus van Portugeeschen oorsprong. In het Port. Woordenboek van Moraes Silva, komt, nevens het thans gebruikelijke opio ook anfiâo voor, dat bijna als amfion luidt. Ik sprak reeds met een woord over die gewone insertie, vooral vóór de lipletters, in het art. Moeson, en zal er op terugkomen bij Pampoesjes. Kamfer voor kafoer (zie Dozy's „Oosterlingen” op het woord) en de volksuitspraak pampier voor papier zijn nog een paar bekende voorbeelden, die, zoo het noodig was, licht met andere zouden te vermeerderen zijn. Voorbeelden van amfioen bij latere schrijvers zal men in het Ned. Woordenboek van de Vries en te Winkel op dat woord kunnen vinden. Hier merk ik alleen nog op dat in Nederlandsch-Indië amfioen bestendig en uitsluitend de vorm is die in alle administratieve stukken gebruikt wordt; opium leest men daar nooit.

Daar opium en amfioen inderdaad slechts verschillende vormen van hetzelfde woord zijn, geldt van beide hetzelfde wat het geslacht betreft. Het is verkieslijk beide als stofnaam onzijdig, als handelsartikel vrouwelijk te maken, en het mannelijk, oudtijds voor amfioen gebezigd op grond der vergelijking van andere op oen uitgaande woorden, in het geheel niet meer te gebruiken. Ik ontleen deze opmerking aan het art. Amfioen in het Woordenboek van de Vries en te Winkel, waarvan mij, schoon het, terwijl dit gedrukt wordt, nog niet is uitgegeven, in de proef inzage is verleend.

De uitdrukking amfioen schuiven is in het Ned. Wdbk. van van Dale geheel ten onrechte door opium kauwen verklaard. Dit is gebruikelijk bij de Turken en West-Aziaten, maar komt in Ned.-Indië zelden of nooit voor. Ook zou voor dat kauwen schuiven al een zeer zonderling gekozen woord zijn. Ik heb de wijze, waarop het opium gerookt wordt, in mijn „Java”, D. I, bl. 622, besproken. Ik vind voor dit schuiven de verklaring in het krachtig inzuigen of ophalen van den rook der opiumpijp, dat van een sissend, sijfelend, schuifelend of fluitend geluid vergezeld gaat, en zie dat deze verklaring ook door Prof. de Vries is overgenomen.

Mandoor, Mandarijn.

Ik voeg deze woorden bijeen, omdat het mij waarschijnlijk voorkomt, dat er tusschen beide een nauwe verwantschap bestaat.

Mandoor of mandoer (eene gewone verscheidenheid van uitspraak, waarbij, naar ik vermoed, dialectsverschil ten grondslag ligt) beteekent in Ned.-Indië een opzichter of meesterknecht op een fabriek of bij eenig belangrijk werk, iemand dus die aan zijne minderen bevelen geeft. Het woord wordt algemeen gebruikt in het Maleisch, Javaansch en Soendaneesch; maar is ook niet minder gewoon in den mond der in Ned.-Indië levende Europeanen. Zoo spreekt, om een paar voorbeelden uit duizenden aan te halen, de Sturler, „Handboek voor den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1126, van „meesterknechts of mandoors voor het voeren der cilinders bij het vermalen van het suikerriet”, en van Gorkom, „Oost Indische Cultures”, II, bl. 42, van inlandsche opzichters of mandoers, die bij de indigobereiding het criterium of de tijd daar was om het vocht uit den trekbak af te laten, in den reuk of den smaak van het vocht vonden. Dit woord mandoor, stellig in het Javaansch en Maleisch van vreemden oorsprong, schijnt af te stammen van het Portugeesche mandar, bevelen, gelasten, en is vermoedelijk door de inlanders samengetrokken uit mandador, lastgever. „Bij Heydt: „Geographisch- und Topographischer Schauplatz von Afrika und Ost-indiën (1744),” leest men meermalen mandator, b. v. bl. 95.”

Van hetzelfde Portugeesche mandar, of waarschijnlijker nog rechtstreeks van het Latijnsche mandare, komt nu vermoedelijk ook mandarijn, door de Portugeezen mandarin of mandarim uitgesproken. Ik vind in het Portugeesch-Fransch Woordenboek van da Costa e Sá (Lissabon, 1794), den latiniseerenden vorm Mandarinus, die, naar het mij toeschijnt, zal zijn uitgedacht door de Jezuieten, die in de Latijnsche taal zooveel over China en Japan geschreven hebben. Bij hen zal men vermoedelijk den oorsprong van het woord moeten zoeken, en ik acht het onnoodig er het Sanskrietsche mantrin, in het Jav. en Mal. mantri, minister of raadsman van een vorst, staatsbeambte, bij te halen, dat wat den vorm betreft zeker niet zoo goed past. Het woord komt reeds voor bij v. Linschoten, „Itinerario”, bl. 32, 33, in den opmerkelijken vorm Mandoryn. S. de Vries, „Curieuse aenmerckingen” (1682), D. I, bl. 38, zegt over mandaryn: „de naem mandarijn is geen Chineesch woord, maar voortgekomen van de Portugeezen, welcke alle magistraten in China dien naem geven, willende daermeê sooveel seggen, als de Nederlanders met 't woord Commandeur. Gelijck 't dan ook schijnt, dat de naem mandarijn is afgeleyd van 't Lat. woord mandare.”

Een Chineeschen oorsprong kan 't woord mandarijn stellig niet hebben, maar het wordt in alle Europeesche talen gebruikt om een hoogen staatsbeambte in China aan te duiden. Ook noemen wij Mandarijnappels of Mandarijntjes (Fr. Mandariniers), een soort van kleine, zoete, bijzonder geurige, licht geribde, eenigszins afgeplatte en zeer los in de schil liggende oranjeappels, die naar men zegt in China vooral gebruikt worden om ze aan de mandarijnen ten geschenke te zenden. Zie Lindley en Moore, „Treasury of Botany”, p. 292.

Gorgelet.

Gorgelet is een woord nu aan weinigen bekend, maar dat dikwijls voorkomt bij onze oude schrijvers over Indië; b. v. Baldaeus, „Afgoderye der Heydenen”, bl. 62: „zij stopte den hals van 't gorgelet, zoodat het water daaruyt niet konde loopen.” Valentijn, IV, 1, bl. 54: „de derde slavin draagt een gorgelet met water na.” Zulk een gorgelet wordt door van Linschoten uitvoerig beschreven, waar hij in zijn „Itinerario” handelt „van de manieren ende usantiën der Portugaloysers ende Mestisen vrouwen in Indië”, bl. 47. „Desgelijcks, wanneer zij drincken,” zegt hij, „hebben een manier van potgiens, gemaeckt van swarte aerde, zijn seer fijn ende dun, op die manier van de pullen die men bij ons ghebruyckt om die bloemen in te setten, ende binnen in den hals is een schildeken vol gaetgiens; dit cruycxken wordt ghenaemt Gorgoletta, om dieswille dat als men wil drincken soo hout ment omhoog om niet aen de mont te raken, ende alsdan comt het water door de gaetgiens die binnen in den hals in 't schildeken staen, ende loopen al gorgelende inde mont sonder een druppel te storten, 'twelcke zij doen door groote reynigheyt, omdat niemant het aende mont souden setten; ende wanneer daer jemant eerst nieuw van Portugal comt, ende wil dan beginnen te drincken, op haer manier als voorseyt is, en door die onghewoonte hem bestort, hebben dan een groot playsier ende belachen hem.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings