UIT OOST EN WEST. (continued 2)
Reading edition
Het blijkt tevens uit deze plaats dat gorgelet weder een woord is, dat onze voorvaderen in Indië van de Portugeezen hebben overgenomen. In het Portugeesch Woordenboek van Moraes Silva wordt Gorgolèta dus omschreven: „Quarta de barro de gargalo largo, no qual ha un raro, e passando agua por elle caindo umas bolinhas que estâo no fundo, faz a agua um som ao beberse”, d. i.: „Een aarden vat met wijden hals, waarin zich een zeef bevindt, waarop onder het drinken balletjes vallen, die op den bodem liggen, zoodat het water, er doorgaande, een geluid maakt.”
Kipersol.
Kipersol of Quipersol is eene Nederlandsch-Indische verbastering van het Portugeesche quitasol, zonnescherm. In oudere boeken vindt men het nog in den echten Portugeeschen vorm, b. v. in „Begin en Voortgang”, Eerste schipvaerd der Hollanders naar O.-I., bl. 77, waar wij lezen: „Te Panarucan zijn veel swarte Christenen. Zij gaen gekleedt met een paar lange indiaensche boxens [broek], ghelyck men ghemeynlick in Persiën draeght, maar heel barrevoets; altoos eenighe slaven achter haer hebbende, die hun een quitasol ofte sonneweerder over 't hoofd houden.” Later vindt men verbasterde vormen, b. v. bij Valentijn, II, 1, bl. 257, Kitasol. Bij Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 45, leest men: „Alle personen van enig aanzien dragen een quiperzol boven hun hooft, om de hette der zonnestralen af te keren, en de vrouwen zouden zich schamen uit te gaan, indien een slaaf dezelve niet nadroeg of haar boven het hooft hielde”; en bl. 96: „de kinderen der Europeanen worden doorgaans zorgvuldig bewaart voor de stralen van de zonne, gebruikende als zij uitgaan zonneschermen, quipersols genoemt”. De meest verhollandschte vorm, kipersol, is ook de jongste. Men leest dien b. v. in „Batavia in derzelver gelegenheid” enz., D. III, bl. 6, waar van de Bataviasche dames gezegd wordt: „Deeze fraay versierde juffrouwen kunnen niet naar de kerk gaan, of zij moeten ten minsten één slaaf achter zich hebben met een grooten kipersol of zonnescherm, om de hitte af te keeren.”
Quitasol, waarvoor men ook guardasol zegt, is samengesteld uit quitar, verlaten, verwijderen, afschaffen, afweren, en sol, zon. Men gebruikt het ook voor een zonnehoed.
Kaste.
Deze naam, dien wij bestendig gebruiken waar van de scherp gescheiden erfelijke standen bij de oude Egyptenaars en bij de Hindoe's sprake is, moet bij ons stellig van romaanschen oorsprong zijn. In het Spaansch en Portugeesch beteekent casta ras en wordt ook voor de rassen van dieren gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat het afstamt van het latijnsche castus, rein, onvermengd. Ik kan mij dit slechts zóó voorstellen, dat het oorspronkelijk een adjectief was als een soort van epitheton perpetuum behoorende bij een substantief dat ras of stam beteekende, b. v. gente. Dit substantief zal dan in het spraakgebruik zijn weggevallen, zoodat van de uitdrukking gente casta, d. i. onvermengd ras, alleen het adjectief casta overbleef, om hetzelfde te beteekenen. Eene merkwaardige beschrijving der kasten in Hindostan wordt gevonden in Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 147, die door de volgende definitie van het woord kaste wordt voorafgegaan: „Een kast dan is een zeeker geslagte van menschen, welke uit kragt van hunne geboorte verbonden zijn zekere bedieningen en plegtigheden waar te nemen, uit kragt van welke zij ook zeekere voorregten bezitten”.
Fust.
Het woord fust komt bij Nederlandsche schrijvers in twee beteekenissen voor. Het zijn eigenlijk twee waarschijnlijk van elkander geheel onafhankelijke woorden, die slechts door toeval aan elkander gelijk zijn. Het eerste, nog algemeen in gebruik, heeft de beteekenis van schacht, onderstel, vat; het tweede, sedert lang geheel verouderd, heeft zelfs geene plaats in de Nederlandsche woordenboeken gekregen, niettegenstaande het ontelbare malen bij onze oude schrijvers over de geschiedenis onzer vestiging in Indië en onzer oorlogen met de Portugeezen en Spanjaarden voorkomt. Wel een bewijs dat deze weinig gelezen worden!
Het is het Spaansche en Portugeesche fusta, door Da Costa e Sá omschreven als: „Genero de embarcaçao comprida e de baixo bordo, que anda a vélas e a remos”, d. i. „een lang, platboomd vaartuig, geschikt om naar omstandigheden te zeilen of geroeid te worden”. Ik sprak reeds over dit woord in mijn „Java”, D. II, bl. 283.
Amok.
Amok komt reeds bij onze oudste schrijvers over Indië dikwijls voor, en is later zoozeer een Nederlandsch woord geworden, dat Prof. Pijnappel in zijn „Maleisch Woordenboek” het Maleische amoek en den verbaalvorm mengamoek door amokken, wanhopig aanvallen, kon verklaren. Voor hen echter die minder met de schrijvers over Indië vertrouwd zijn, zal het niet overbodig zijn op te merken, dat het evenzeer Javaansche als Maleische amok eigenlijk een soort van woede of razernij beteekent, die den inlander (bovenal den Makassaar; zie Wallace, „Insulinde”, D. I, bl. 306) soms bevangt, wanneer zijne hartstochten in de hoogste mate zijn opgewekt, en waarbij hij wanhopend aanvalt op ieder die hem in den weg treedt, en moord tracht te plegen, onverschillig aan wien. Het amok is zeer verwant met hetgeen de inlanders mata glap, d. i. verduistering der oogen noemen; juister misschien de amokmaker doet gaarne het mata glap voorkomen als een symptoom van zijn toestand, om daardoor zijn niet altijd geheel onwillekeurig moorden te vergoelijken. Zie v. d. Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. II, bl. 786. Een ander verschijnsel dat er mede gepaard gaat, is het luide schreeuwen, waarbij doorgaans het woord amok zelf vernomen wordt, waarom men in het Javaansch Wdbk. van Prof. Roorda op amoek ook de verklaring vindt: „een uitroep van iemand die in dolle woede gaat moorden.” Vandaar verder de uitdrukking amok roepen of amok schreeuwen, b. v. bij W. Schouten, „Reistocht naar en door O.-Indië”, 4e dr., D. I, bl. 27: „Binnen Batavia werden eenen zwarten Indiaan de borsten afgenepen, omdat hij amok geroepen had.... Dit was reeds de derde amokroeper die in mijn tijd geradbraakt werd.” Zoo ook bij van Rees, „de Bandjermassinsche Krijg”, I, bl. 64: „de priester vatte eensklaps een der wapens, riep amok, en wilde den artillerist een houw toebrengen.” Maar ook de omstanders roepen amok, wanneer iemand, zooals men gewoonlijk zegt, amok maakt. Zie b. v. Ritter, „het Amok” in „Tijdschr. v. N.-Indië”, Jg. VII, D. III, bl. 459: „Groot was de opschudding onder al die reizende personen, toen zich op eens de noodkreet amok! amok! in den omtrek deed hooren.” Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, Deel I, bl. 236, schijnt de uitdrukking amok spuwen als synoniem met amok roepen te beschouwen; want hij zegt dat de amokspuwers dus genoemd worden, omdat zij het woord amok veel in den mond hebben. Ik geloof echter dat men daarbij tevens moet in het oog houden, dat den amokmaker het schuim op den mond komt.
Bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Malabaar en Choromandel”, bl. 145, komt de zonderlinge en minder gewone uitdrukking amokspeelder voor; een later voorbeeld van amokspeler vindt men bij W. Schouten, a. w., D. II, bl. 134. Amok slaan noemt men het alarmsein, dat door de inlandsche wachters op de trom gegeven wordt, wanneer zich een amokmaker vertoont.
Ik meen bij Nederlandsche schrijvers ook wel amok loopen gelezen te hebben. In allen gevalle is in het Engelsch to run amuck een gewone uitdrukking geworden. Daarbij heeft echter een kluchtig misverstand plaats gegrepen, doordien men de eerste lettergreep van amuck voor het lidwoord a of an hield. Men schrijft dus meestal to run a muck (zie b. v. Forrest, „Voyage aux Moluques”, p. 168), en vindt in de Engelsche woordenboeken dikwijls het woord Muck, waarvan Johnson erkende, de herkomst niet te weten. Dryden gebruikt de uitdrukking to run a muck in de volgende verzen in het derde deel van „the Hind and the Panther”:
„Frontless and satire-proof he scours the streets „And runs an Indian muck at all he meets.”
En Pope volgde hem na in zijne vertaling van Horatius:
„Satire's my weapon, but I'm too discreet „To run a muck and tilt at all I meet.”
Dit Engelsche muck heeft een Franschen schrijver, den heer Radau, in de „Revue des Deux Mondes”, 1 Oct. 1869, p. 675, op den schranderen inval gebracht, dat het Maleische amok zou zijn: „une corruption du mot Anglais a muck (un enragé).”
Tegenwoordig wordt bij ons het woord amok nu en dan gebruikt in de verzachte beteekenis van opschudding, straatrumoer. Men zal daarvan voorbeelden vinden in het art. Amok in de thans ter perse liggende aflevering van het groot „Nederlandsch Woordenboek”.
Kraal.
Kraal is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, „een dorp of gehucht der Hottentotten; eene opene plaats met staketsel afgeschut.” Weiland zegt op het woord: „Zoo noemt men, in beschrijvingen van de Kaap de Goede Hoop, de afgeperkte plaats waar de woningen der Hottentotten staan: een kraal van vier hutten; ook eene groote open plaats, met staketwerk omgeven, waarin men vee drijft.... Het schijnt een uitheemsch woord te zijn.” Dit laatste kon met meer stelligheid worden uitgesproken; het woord is ongetwijfeld van de Hottentotten zelven afkomstig. Zoo lezen wij in het „Dagregister van de Voyagie naar het Amaqua's [of Namaqua's] land” van Simon v. d. Stel, bij Valentijn: „Beschrijvinge van de Kaap der Goede Hoop” (V. 2) bl. 592: „De voorgedagte bergen.... worden bewoond van eene natie, genaamt Hottentotten, dewelke zich met troepen van menschen en vee bij malkanderen houden, 't welk zij Kraalen noemen, waarvan wij er dezen dag drie zijn gepasseert”. Ook de dorpen der Kaffers en andere Afrikaansche stammen worden, bij uitbreiding van het gebruik des woords, kralen genoemd. Zie b. v. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 39; „D. Veth's Reizen in Angola”, bl. 359.
Maar dit Hottentotsche woord is door de Nederlanders ook naar Oost-Indië overgebracht, en wordt bij onze oude schrijvers (door verwarring met kraal, als samentrekking van koraal, polypenhuis) soms ook Coraal geschreven. Zoo leest men bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 198: „Men vangt omtrent Mathure de Elephanten met Coralen, zijnde vele boomen in de aarde geslagen, die in 't eerste een ruymen ingank geven, maar van langhzamerhand enger worden, met valdeuren”. Een anoniem schrijver over Ceilon, door Weiland aangehaald, spreekt evenzoo van „eene groote en sterke houten kraal of bijkans rond palissadenwerk, waarin zij de olyphanten drijven”.
Thans is het woord nog algemeen in Ned.-Indië in gebruik om de afgeperkte ruimte voor de buffels aan te duiden. Zoo b. v. bij Pruys van der Hoeven, „Een woord over Sumatra”, I, bl. 63: „Iedere vier jaar nu vereenigen zich de eigenaars en drijven de buffels in een daartoe gemaakte kraal, die, fuiksgewijze vervaardigd, uitloopt in een sterk omheind moeras met een nauwe opening”.
Bonze.
Bonze is in de talen van het hedendaagsch Europa de naam der Boeddha-priesters in China en Japan, en wordt overdrachtelijk gebruikt om alle priesters aan te duiden, die bijgeloof en fanatismus dienen. Omtrent den oorsprong van dit woord ontving ik van wijlen Professor Hoffmann, onzen uitstekenden kenner van het Japansch, de volgende inlichting: „Het woord Bonze voor Boeddha-priester beantwoordt aan het Japansche Bo-nzi, en werd door de Roomsche zendelingen in het meerv. Bonzii, genit. Bonziorum, geschreven. Het is de algemeene naam aan Boeddhistische geestelijken gegeven en de Japansche uitspraak van den Chineeschen naam Fă-szi, die wetmeester, leeraar der wet beteekent.”
Bij onze oude schrijvers leest men telkens het woord Bonze, ook Bonziër, waar van Japan en China sprake is. Ik zal slechts enkele voorbeelden bijbrengen. S. de Vries, „Curieuse Aenmerckingen”, II, bl. 592: „Hij voeghden er bij hoedaenighe cierlycke redenen de welspreeckende en hoogst voorname secte der Bonziërs bij de Japanners hielden”. Valentijn, V, 2, bl. 145: „De Japanders hebben daartoe ook hunne bijzondere priesters, Bonzes genaamd”. „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 27: „Deeze afgodt Fo werdt uit de Indiën naar China overgebragt door zijne priesters, gewoonlijk Bonzen genoemd, omtrent in 't twee en dertigste jaar onzer tijdrekening.”
Bouw.
Bouw is de zeer gebruikelijke, ook in Nederland algemeen bekende, verhollandschte vorm van het Javaansche bahoe, synoniem met het ons minder bekende karjô. Bahoe beteekent oorspronkelijk zooveel akkergrond als één man met zijn gezin bewerken kan; maar toen wij begonnen zijn ons met den grond der Javanen te bemoeien, hebben wij ons ook hunne landmaat meer of min toegeëigend, en niet alleen haren naam vernederlandscht, maar ons ook veroorloofd hare waarde nauwkeuriger te bepalen. Een bouw wordt thans in alle Gouvernementsstukken gerekend op 500 vierkante Rijnlandsche roeden. Het is te eer noodig op den Javaanschen oorsprong van dit woord opmerkzaam te maken, daar de onkundige licht geneigd zou zijn het voor een echt Nederlandsch woord, in den zin van een stuk bebouwden grond, aan te zien.
Een moeilijker vraag is het, hoe het woord bahoe, dat eigenlijk arm, bovenarm, schouder beteekent, en die beteekenis in het Maleisch steeds behoudt, in het Javaansch in die van eene groote landmaat is kunnen overgaan. Misschien heeft men aan het woord de beteekenis van de kracht eens arms, eens mans kracht gaan hechten, en vandaar vervolgens die van een stuk lands, waarvoor, als er werkbare of weerbare mannen gevorderd werden, ééns mans kracht, dus één man, moest gesteld worden. Men herinnere zich hierbij dat de heeredienstplichtigheid op Java, volgens oude herkomst, aan het bezit van den grond verbonden was.
Creool.
Een creool is een blanke bewoner van Zuid-Amerika en de Westindische eilanden, van vaders- en moederszijde van Europeesche afkomst, maar in de koloniën geboren. Hij staat tegenover den Europeeschen kolonist door het land zijner geboorte en tegenover den kleurling door de zuiverheid van zijn Europeeschen oorsprong.
Zoo ongeveer wordt dit woord gewoonlijk verklaard en opgevat, maar er is in die verklaring iets eenzijdigs; want men kent in Brazilië ook neger-creolen, d. z. kinderen van negers en negerinnen, maar in Amerika geboren en als zoodanig overgesteld aan de negers uit Afrika aangevoerd.
Wat meer is, oorspronkelijk schijnt creool eer de in Amerika geboren negerslaven dan de daar geboren blanken aan te duiden. Het Portugeesche crioulo, waarvan ons creool afkomstig schijnt te zijn, beteekent volgens Moraes Silva: „O escravo, que nasce em casa do senhor; o animal, cria, que nasce em nosso poder;” d. i.: de slaaf die geboren wordt in het huis zijns meesters; het dier, jong, dat geboren wordt in onze macht. Crioulo als adjectief verklaart dezelfde lexicograaf door „nâo comprado”, d. i. niet gekocht. En dat ook creool oorspronkelijk niets anders dan een in het huis des meesters geboren slaaf beteekende en in Suriname die beteekenis zelf zeer lang behouden heeft, blijkt uit Hartsinck's „Beschrijving van Guiana” (Amst. 1770), D. II, bl. 899: „Nog hebben wy tot slaaven, die in onze volkplantingen uit slaaven gebooren worden, Creoolen genaamd, die men voor de beste en trouwste lijfeigenen houdt; men noemt ze Creoolen om hen te onderscheiden van de zoutwater Negers, welken naam men toeëigent aan alle slaaven die van Africa ingevoerd worden.”
Van oudsher werden de slaven in het algemeen onderscheiden in: „de ingeborenen des huizes en de voor geld gekochten” (zie b. v. Gen. XVII: 12, Levit. XXII: 11), en overal werden eerstgenoemden, in het Latijn verna geheeten, om hunne trouw hooger geschat. Dezelfde tegenstelling bestond natuurlijk ook in de Spaansche en Portugeesche bezittingen in Amerika. De crioulo's als vernae waren in de kolonie geboren; maar terwijl de oorspronkelijke beteekenis van het woord allengs in vergetelheid raakte, dacht men daarbij weldra nog slechts aan dat geboren zijn in een ander land dan dat der afstamming, en kende dus den naam crioulo toe aan alle negers, hetzij slaaf of vrij, in Amerika geboren, en aan de blanken die ten opzichte van het verschil tusschen geboorte- en stamland in dezelfde omstandigheden verkeerden.
Zoo kan men zich den oorsprong der tegenwoordige beteekenis van het woord creool zeer geleidelijk voorstellen; mocht echter historisch kunnen bewezen worden, dat de naam vroeger aan de blanke dan aan de zwarte creolen gegeven is, dan zou men moeten aannemen, dat er een eenvoudige metaphora had plaats gehad van den ingeborene des huizes tot den ingeborene des lands.
Mijne verklaring van het woord creool verschilt eenigszins van de gewone, die het afleidt van het Spaansche criollo. Dit woord is ongetwijfeld slechts een eenigszins gewijzigde vorm van het Portugeesche crioulo; maar dit laatste schijnt mij het oorspronkelijke te zijn, althans indien het juist is, wat uit het woordenboek der Spaansche Akademie schijnt te blijken, dat criollo niet gebruikelijk is in de beteekenis van verna, maar alleen in die van: „el hijo de padres europeos, nacido en America”, die echter uit die van verna schijnt te zijn afgeleid.
Intusschen is de oorsprong van het Portugeesche crioulo zelf niet geheel zonder zwarigheid. Moraes Silva geeft door de verklaring van het voorbeeld gallinha crioula (in het huis des eigenaars uitgebroede hen) door de woorden: „que nasce e se cria em casa” (die in het huis geboren en opgevoed wordt) genoeg te kennen, dat hij crioulo in verband brengt met het werkwoord criar. Criar is in het Portugeesch een tweede vorm voor crear, het latijnsche creare. Het werkwoord criar of crear beteekent volgens Moraes Silva: 1o. uit niets voortbrengen, scheppen; 2o. veroorzaken, teweegbrengen; 3o. voortbrengen, van zich geven; 4o. zogen, voeden; 5o. opvoeden. In de tegenwoordige taal wordt in de drie eerste beteekenissen gewoonlijk crear, in de beide laatste, meer afwijkende, criar gebruikt. Se criar beteekent dus: opgevoed worden, opgroeien. Hieruit moet men dus opmaken dat crioulo oorspronkelijk een voedsterling, alumnus, aanduidt, wat lichtelijk in de beteekenis van een in het huis des meesters geboren en opgevoeden slaaf kon overgaan. Niet in deze beteekenis schuilt dus het bezwaar, maar alleen in den vorm; want die uitgang oulo schijnt geheel onregelmatig en zonder voorbeeld te zijn.
Intusschen bestaat het woord crioulo in de beteekenis van verna in de Portugeesche taal, en de tweede beteekenis, die van creool, laat zich daaruit geleidelijk verklaren. Er kan dus nauwelijks reden zijn om met sommigen aan te nemen, dat creool eigenlijk een Caraïbisch woord is, waarvoor men te vergeefs een oorsprong in eenige taal van Europa zou zoeken.
Ik geloof hier nog te moeten bijvoegen, dat het woord creool in het spraakgebruik niet altijd strikt de beteekenis behoudt, die er in de woordenboeken aan wordt toegekend, maar vaak ook de verschillende graden, vooral de lichtere, van kleurlingen omvat, die in de Westindische koloniën geboren zijn. Zie b. v. Dumontier, in „Catalogus der afdeeling Ned. Koloniën van de Amsterdamsche Tentoonstelling in 1883,” bl. 152. In onze Westindische bezittingen zijn creolen, ongeveer wat wij in onze Oostindische bezittingen inlandsche kinderen noemen.
De vorm van het Portugeesche woord heeft in zijn overgang tot andere talen slechts geringe wijziging ondergaan. Wij zagen reeds dat het in het Spaansch criollo luidt. In het Ital. werd het creólo, in het Fransch créole, in het Engelsch creole, in het Duitsch creole en in het Nederlandsch creool.
Mulat.
Door dit woord worden aangeduid die geboren zijn uit een blanken man en eene negerin of uit eene blanke vrouw en een neger, alsmede (tot zekere hoogte althans) die gesproten zijn uit mulatten en blanken. Het woord behoort uit den aard der zaak vooral op de Westkust van Afrika en in West-Indië te huis, waar wij het hebben overgenomen van de Spanjaarden en Portugeezen. De Engelschen kennen het evenzeer in den vorm mulatto, de Franschen in dien van mulâtre.
Omtrent den oorsprong van dit woord bestaan twee gevoelens. Volgens het eerste stamt het af uit het Arabisch en wel van moewallad, waaraan men de beteekenis toekent van „iemand die uit een Arabischen vader en een vreemde moeder (slavin) of uit een slaaf en eene vrije Arabische moeder geboren is”. Deze verklaring is het eerst gegeven door Reiske in eene noot op „Abulfedae Annales Moslemici”, I, p. 264; beaamd door de Sacy „Chrestomathie Arabe”, II, p. 155, en opgenomen in Freytag's Arabisch Woordenboek en in Engelmann's „Glossaire des mots Espagnols”, etc. Vandaar dat ik in mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen”, in „de Gids” voor 1867, D. I, mij verwonderde dat dit woord, aan welks afkomst uit het Arabisch ik toen niet twijfelde, niet in dat boekje was opgenomen.
Later evenwel heb ik ingezien, dat dit woord niet van moewallad kan zijn afgeleid om de volgende redenen.
1o. Vooreerst is de beteekenis van moewallad door Reiske en de Sacy niet juist opgegeven. Het beteekent: een onder de Arabieren opgenomen vreemdeling, iemand die tot Arabier aangenomen, als zoodanig genaturaliseerd is, of, zooals het is uitgedrukt in Zamachschari's „Lexicon Arabico-Persicum”: „iemand die uit vreemden onder de Arabieren geboren en met de kinderen der Arabieren naar hunne zeden opgevoed is”. Prof. Dozy zegt, in zijne vermeerderde uitgave van het „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 384, dat in Spanje, tijdens de Arabische heerschappij, de naam van moewallad werd gegeven aan de Spanjaarden die den Godsdienst der Arabieren aangenomen hadden en dus onder de Arabieren waren opgenomen. De plaatsen van Abulfeda en Makrizi, die tot de verklaring van Reiske en de Sacy aanleiding gaven, kunnen ongetwijfeld even goed van geadopteerde Arabieren als van personen van gemengde afkomst worden opgevat.
2o. Evenmin als de beteekenis, begunstigt ook de vorm van het woord moewallad de bedoelde afleiding. Eene samentrekking als van moewallad tot mulat zou in de Romaansche talen zonder voorbeeld zijn. Alleen in het Javaansch zou men misschien een voorbeeld van zulk eene samentrekking kunnen vinden, namelijk in modin voor het Arabische moadzdzin, den uitroeper van het gebed. Maar zelfs dit voorbeeld zou vervallen als men kon toonen, dat de Javanen dit woord in den evenzeer bestaanbaren, ofschoon dan ook minder gebruikelijken, vorm moedzin van de Arabieren of Perzen kunnen ontvangen hebben.
De tweede afleiding van mulat is veel eenvoudiger; zij is die welke Engelmann met de volgende woorden verwerpt: „il va de soi-même que ce mot n'a rien de commun avec mule, dont on a voulu le deriver”. Ik zeg daarentegen met Prof. Dozy, die trouwens zelf reeds t. a. p. heeft opgemerkt, dat ik later van gevoelen was veranderd: „Je dois avouer que j'approuve au contraire l'étymologie repudiée par M. Engelmann”.
Ik moet hier evenwel met een woord zeggen, welke zwarigheid mij aanvankelijk vooral weerhield, mulat met den muilezel in verband te brengen. Deze heet in het Latijn mulus, in het Spaansch mulo, in het Portugeesch gewoonlijk mu (afgekort uit mulo, waarvan echter het vrouwelijk mula nog in gebruik is). Later evenwel is mij gebleken, dat ook de verlengde vorm mulato oudtijds in het Portugeesch den muilezel aanduidde. Dit wordt uitdrukkelijk opgegeven in het Wdbk. van Moraes Silva, die als voorbeeld deze woorden van Sa Miranda aanhaalt: „ou dormindo no mulato”. Het is dus dit mulato zelf (waarmede men het Fransche mulet vergelijke), dat figuurlijk de personen van half-blanke, half-zwarte afkomst aanduidde, gelijk de muilezel half paard, half ezel is. En zoo wordt het ook door Moraes Silva opgevat. Op het eerste gezicht heeft deze verklaring wel iets van een snaakschen, inval; maar deze zwarigheid vervalt als men bedenkt, dat de kleurlingen eene verachte kaste vormen, ten wier koste het volk zelf deze geestigheid van hen muilezels te noemen, zeer wel kan hebben uitgedacht.
Voor de afkomst van mulat uit het Spaansch of Portugeesch pleit ook nog dat wij Creool en Mesties, woorden die tot dezelfde klasse behooren (zie het voorafgaande en het volgende artikel) aan dezelfde natiën verschuldigd zijn.
Mesties.
Onze oude schrijvers schreven Mestice of ook wel Mixtice en Mixstice. Deze laatste vormen moesten zeker toonen, dat zij daarin het Latijnsche mixtus, deelwoord van miscere, mengen, erkenden. Toch bewijzen de gewone vormen, dat wij ook dit woord van de Portugeezen en Spanjaarden ontvangen hebben, die ook in het Latijn den vorm met x reeds met mistus afgewisseld vonden. Wij zullen dus, om het gebruik van dit woord goed te leeren kennen, ook nu weder de beste Spaansche en Portugeesche woordenboeken raadplegen. In het Spaansch schrijft men mestizo, en het woordenboek der Spaansche Akademie zegt daarvan: „Mestizo se aplica a la persona o animal nacido de padre y madre de diferentes castas”, d. i.: Mestizo wordt gebruikt van een persoon of van een dier, geboren uit vader en moeder van verschillenden stam. Evenzoo leest men in het Portugeesche woordenboek van Moraes Silva op mestiço of mistiço: „Filho de animaes que nâo sâo da mesme especie”, d. i.: afstammeling van dieren die niet van dezelfde soort zijn. Dit is dus de eerste en algemeene beteekenis, die het woord nooit heeft verloren. Vooral blijkt dit uit het gebruik van métis (hetzelfde woord met uitstooting der s) en den bijvorm métif in het Fransch. Zoo spreekt men van „animaux métis”, „fleurs métisses”, „mestiz Français, demi Bourgoings”, en figuurlijk „une classe métive également étrangère à la noblesse et au tiers état”. Zie het woordenboek van Littré op Métis. Zoo ook spreekt Mallat, „les Philippines”, II, p. 133, van métis Chinois, waardoor hij de afstammelingen van Chineezen en inlandsche vrouwen te Manilla aanduidt, de klasse die wij te Batavia perănakan tjina noemen.
Maar behalve deze algemeene beteekenis van persoon of dier van gemengde afkomst, heeft het gebruik aan mesties eene speciale beteekenis gegeven, waardoor het eene bijzondere klasse van kleurlingen aanduidt. Het woordenboek der Spaansche Akademie laat op de aangehaalde woorden volgen: „Dicese con especialidad del hijo de Español y India”, d. i.: Inzonderheid zegt men het van den zoon eens Spanjaards en eener Indiaansche vrouw. Aan deze speciale beteekenis houdt zich het „Nieuw Ned. Woordenboek” van van Dale met de omschrijving: „afstammeling van eenen blanke en eene Indiaansche (Amerikaansche) of van eenen Indiaan en eene blanke”. Bij Moraes Silva zijn de woorden: „O filho de Europeu com India, branco com mulata, etc.”, d. i.: zoon van een Europeaan met eene Indiaansche, van eenen blanke met een mulattin enz., meer als voorbeelden van het gebruik van mesties te beschouwen.
Zoowel in onze Oost- als in onze Westindische bezittingen hebben wij het woord mesties van de Spanjaarden of Portugeezen overgenomen. In Oost-Indië, waar geene negers en dus ook geen mulatten voorkomen, maar men de inlanders, schoon zeer ten onrechte, zwarten noemde, waren mixsticen volgens Valentijn, II, 1, bl. 256: „kinderen of van Hollandsche vaders en swarte moeders (want nooit heb ik daar kinderen van een blanke moeder en swarte vader gesien, nog daar af gehoort) of wel van swarte moeders en Portugeesche vaders, die men Toepassen noemt, zijnde afsetsels der Portugeesen, die in de eerste tijden met eygen bewilliging hier gebleven zijn.” Valentijn spreekt hier wel bepaaldelijk van Amboina, maar hetzelfde gold van al de Indische gewesten onder het beheer der Compagnie. Zoo onderscheidt Nic. de Graaf in zijne „Voyages aux Indes Orientales”, bl. 290, de vrouwen te Batavia in „Hollandoises, Indiennes, Mestices et Kastices”. De Hollandoises zijn de in Nederland geborene, die naar Indië zijn overgekomen; de Indiennes of Hollandoises-Indiennes de in Indië uit Hollandsche ouders geborene; de Mestices die gesproten zijn uit een Hollandschen vader en eene inlandsche vrouw; de Kastices (zie het volgend artikel) de kinderen van een Hollandschen vader en eene Mestice. Vgl. ook nog „Batavia in hare gelegenheid” enz., D. III, bl. 3(4). De namen Mesties en Kasties worden thans in Ned. Oost-Indië weinig meer gehoord.
In Ned. West-Indië zou, volgens Dr. Dumontier (in den Catalogus der afd. Ned. Kolon. van de Amsterd. Tentoonstelling van 1883, Groep I, bl. 152) Mesties eene speciale beteekenis hebben, die evenwel van die bij de Spanjaarden verschilt; de Mestiezen zouden daar de afstammelingen zijn, niet van een blanken vader en een Indiaansche vrouw, maar van een blanken vader en een mulattin, terwijl de afstammelingen van een blanken vader en een mestiezin kastiezen zouden heeten. Van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname”, bl. 161, bepaalt zich tot de opmerking, dat de kleurlingen, naarmate zij meer tot het blanke type naderen, Mestiezen, Kastiezen en Poestiezen worden geheeten.
Kasties.
Gelijk mesties overeenkomt met het Spaansche mestizo en het Portugeesche mestiço, is het in het vorige artikel reeds een paar malen vermelde kasties gelijk aan het Spaansche castizo, en het Portugeesche castiço, afstammende van casta, waarvan ons kaste komt, waaraan vroeger reeds een artikel werd gewijd. Castizo en castiço beteekenen van goed, zuiver ras (vandaar cavallo castiço, een raspaard, een dekhengst). Het woord is dus uit zijn aard niet zeer geschikt om voor eenige soort van kleurlingen gebezigd te worden; maar vele woorden hebben nevens de absolute ook een relative beteekenis, gelijk men b. v. vele zaken wit noemt die in het geheel niet zuiver wit zijn, maar relatief wit in vergelijking met andere. Te Goa, de hoofdstad der Portugeesche bezittingen in Indië, noemt men kastiezen, niet te onrecht, in tegenstelling met de personen van gemengde afkomst, degenen die, hoewel in de koloniën geboren, toch van zuiver Europeesch ras zijn, daar beide ouders daartoe behooren (dus Creolen in den meest gewonen zin). Maar in de Nederlandsche Koloniën heeft men die klasse van kleurlingen kastiezen, genoemd die, door herhaalde kruising met blanken, reeds zoozeer tot de volkomen blanken naderen, dat, wanneer nog ééne kruising met blank bloed plaats heeft, de carnatie der kinderen niet meer van die der Europeanen te onderscheiden is. Zoo zegt Valentijn, II, 1, bl. 256: „de kinderen van een mixstice en een Hollander noemt men poestiçen, en de kinderen van een poestiçe en een Hollander castiçen, die bijna zoo blank als een Hollander zijn, en na welke men de kinderen, uit de volgende huwelijken voortkomende, weer onder de Hollandsche telt.” Hiermede stemt overeen N. de Graaf, op de plaats in het art. Mesties aangehaald, behalve dat hij de poestiezen overslaat, die door Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen zijn ingeschoven. Waarschijnlijk heeft hij die onder de mestiezen medegerekend.
In Nederlandsch West-Indië, waar men ook met mesties wel een weinig in de war schijnt te zijn, is de beteekenis van kasties geheel miskend. Zoowel volgens van Sijpesteyn als volgens Dr. Dumontier (zie de plaatsen aangehaald in het art. Mesties) staan de poestiezen niet, gelijk bij Valentijn tusschen de mestiezen en de kastiezen, maar nog achter deze laatsten, als afstammelingen van een blanken vader met een kastiezin, en volgens Dumontier bestaat er zelfs nog een lichtere graad van kleurlingen dan de poestiezen, namelijk de testiezen, gesproten uit een blanken vader met eene poestizin en omgekeerd. Maar wanneer er nog twee graden tusschen een kasties en een blanke staan, heeft eerstgenoemde, dunkt mij, nog weinig recht om zelfs in betrekkelijken zin een persoon van zuiver ras genoemd te worden.
Ik kan in geen enkele taal behalve de onze een spoor vinden van die woorden poesties en testies. Hun oorsprong is mij onbekend en de oe in het eerstgenoemde woord is iets zoo eigenaardig Hollandsch, dat ik nauwelijks de gedachte onderdrukken kan, dat wij hier met door de Nederlanders naar de analogie van mesties en kasties gevormde kunstwoorden te doen hebben.
Onder de namen voor soorten van kleurlingen vind ik ook nog Terceronen en Quarteronen of Quadronen. Deze namen hebben het voordeel dat zij door hun vorm zelf den graad van bloedmenging aanduiden; maar wanneer ik nu als verklaring van Terceroon vind opgegeven: afstammeling van een Europeaan en eene mulattin, en van Quarteroon: afstammeling van een Europeaan en van een terceronin of mesties (Kramer's „Algemeene Kunstwoordentolk”, 4e druk, in v. v. quart en tercero), dan weet ik weer niet waar mij aan te houden, daar mesties òf kleurling in het algemeen, òf, volgens speciaal Spaansch gebruik, een afstammeling van een blanke met een Indiaansche, òf eindelijk, volgens Dr. Dumontier, juist zelfs een afstammeling van een Europeaan en een mulattin (dus hetzelfde als volgens de hier gegeven verklaring terceroon) beteekent. In het belang der anthropologie wordt eene vaststelling van den zin dezer verschillende benamingen dringend gevorderd.
Karboeger.
Een bijzondere soort van kleurlingen wordt in Suriname door den naam van Karboeger aangeduid. Eigenlijk zijn de Karboegers een stam van Indianen, die de oevers der Tebiti-rivier, een zijtak van de Coppename, bewoont. Deze Karboeger-Indianen onderscheiden zich van andere Indiaansche stammen door een donkerder huidkleur en gekroesd haar. Zij zijn blijkbaar een gekruist ras, en men beweert dat zij afstammen van Caraïben, die van een gestrand schip de mannen gedood en de vrouwen weggevoerd hebben. Te Paramaribo geeft men den naam van Karboegers aan kinderen van negers en mulattinnen of negerinnen en mulatten, die dus drie vierden negerbloed hebben en een terugtred tot het zuiver zwarte ras maken. Zij heeten waarschijnlijk zoo omdat hunne carnatie het meest met die der Karboeger-Indianen overeenkomt. Zie over hen van Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname”, bl. 161, en Dr. Dumontier in „Catalogus der Ned. Koloniale afd. van de Amsterdamsche tentoonstelling van 1883”, Groep I, bl. 151.
Liplap.
Naam die vooral op Java, misschien ook elders in Nederlandsch-Indië, gegeven wordt aan eene zekere klasse van personen, in hoofdzaak afstammende van de Portugeezen die tijdens de verovering der bezittingen van Portugal door de Ned. O.-I. Compagnie in hare nederzettingen gevestigd bleven en de Hervormde kerkleer aannamen, en te wier behoeve te Batavia en elders langen tijd in de Portugeesche taal werd gepredikt, totdat deze schier geheel door de Maleische verdrongen was. Ofschoon van Europeanen, althans Europeesche vaders, die vóór twee à drie eeuwen leefden, afstammende, moeten zij echter, wegens de sterke inmenging van inlandsch bloed, als kleurlingen beschouwd worden. Doorgaans onder elkander huwende of zich weder met inlandsche vrouwen verbindende, leven zij schier geheel gescheiden van de Europeanen of kleurlingen van nieuweren oorsprong, en vormen bijna een eigen ras, dat een mengelmoes van Maleisch en Hollandsch van de slechtste soort als taal heeft aangenomen, eigenaardige gewoonten volgt en zich, tengevolge van grove verwaarloozing, veelal door groote stompzinnigheid en onkunde onderscheidt.
„Geplaatst”, zegt van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een Indisch officier”, 3e druk, 1e serie, bl. 239, „tusschen Europeanen, die zich niet met hunne vorming bemoeien, en inlanders, waarmede zij zich niet willen afgeven, blijven zij op een lagen trap van ontwikkeling staan”. Beide seksen zijn bijzonder keurig op hunne kleeding, die bij de mannen, signo's geheeten, zeer nauwsluitend en stijf is, maar bij de vrouwen, die nonna's genaamd worden, en er in hare jeugd dikwijls allerliefst uitzien, zich door bevalligheid en goeden smaak onderscheidt. De mannen schrijven doorgaans eene fraaie hand, en worden dus dikwijls als kopiïsten gebezigd, maar begrijpen vaak zoo weinig van hetgeen zij schrijven, dat hunne kopiën van fouten wemelen; de vrouwen zijn vaardig in handwerken, hebben eenigen aanleg voor muziek en zijn hartstochtelijke danseressen.
De naam liplappen dien men hun geeft, en die ook wel, misschien beter, liblabben geschreven wordt, is uit geene bekende taal te verklaren, of men moest er, met sommigen op Sumatra's Westkust, het Bataksche liplip in vinden, hetwelk beteekent: iemand als zijn bloedverwant verloochenen, omdat men zijne schulden niet wil betalen. Zie v. d. Tuuk, Bataksch Wdbk., bl. 484. Deze verklaring is echter geheel onaannemelijk; behalve dat de beteekenis in het geheel niet past, was de naam van Liplap reeds te Batavia in gebruik, toen men er zelfs den naam der Bataks te nauwernood kende. Liplap schijnt mij een komisch, willekeurig gevormd woord te zijn, op de wijze van mikmak en dergelijke,—een spotwoord dat, eenigszins geluidnabootsend, op de hoogst gebrekkige en belachelijke taal dezer klasse van kleurlingen wijst.
In de beruchte „Relation de la ville de Batavia”, als aanhangsel gevoegd bij de „Voyages aux Indes Orientales” van Nic. de Graaf, komt, bl. 291, eene plaats voor over de vrouwen te Batavia, waarin van de Hollandoises-Indiennes, dat zijn de in Indië uit Europeesche ouders geborene meisjes, gezegd wordt: „on les appelle ordinairement les Enfants Liblabs; la plus part de celles-ci ont, a ce qu'on dit, le timbre un peu felé”. Ik weet niet recht wat ik van deze woorden maken moet. Is de naam Liblab in de Graaf's tijd (omstreeks 1720) de speciale naam geweest der in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen, of schuilt er iets bijzonders in dat Enfants Liblabs? Dat destijds de toon der Bataviasche Maatschappij uitermate slecht was, dat ook Europeesche ouders de opvoeding hunner kinderen schandelijk verwaarloosden, ze vaak geheel aan slaven overlieten en zelfs niet zorgden, dat zij de Nederlandsche taal leerden, en dat de dochters zich in reine zeden en beschaafde manieren vaak weinig boven de Liplapsche dames verhieven, zijn zeker maar al te bekende zaken; maar dit is toch de eenige plaats die mij ooit is voorgekomen, waarin dames van onvermengd Europeesch bloed, in weerwil van, ja men zou zeggen juist om hare zuiver Europeesche afkomst, Liplappen, of eigenlijk, wat nog vreemder is, Liplapsche kinderen worden genoemd. Wie tegenwoordig het wagen mocht eene dame van zuiver Europeesch bloed, die gewoonlijk te Batavia zelve al de voordeelen eener Europeesche opvoeding heeft genoten en in niets bij hare zusters in het vaderland achterstaat, eene Liplap of een Liplapsch kind te noemen, zou haar eene grove en waarschijnlijk geheel onverdiende beleediging toevoegen.
Wetanger.
In de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië”, N. V., D. I, wordt, in een rapport over den staat van Bantam in 1786, op bl. 147 gewag gemaakt van Wettangers of Compagnies-onderhoorigen. De Redactie tracht dit woord in eene noot te verklaren, en noemt het „een bastaardwoord ontleend aan Wettang (wetan), het Oosten, zoodat Wettangers „menschen uit het Oosten” zou beteekenen”. Die verklaring is echter zeer onvoldoende. Waar komen die Oosterlingen van daan? Waarom wordt in een land, waar Makassaren, Boegineezen, Timoreezen, Alfoeren, Papoea's en ik weet niet hoevele stammen meer, terecht „Oosterlingen” kunnen genoemd worden, die naam in het bijzonder geschonken aan een klein deel der bevolking, dat er bezwaarlijk een speciaal recht op hebben kon?
Wij weten thans beter wat in den tijd der Compagnie de Wettangers of liever Wetangers waren, uit het „Resumé van het onderzoek naar de rechten van den Inlander op den grond in Bantam”, bl. 3. Ziehier wat wij daar lezen: „Zij waren tot zekere straffen veroordeeld en gehouden tegen de zeeroovers en ander kwaad volk in straat Soenda en langs de kusten te kruisen, omtrent de schepen te rapporteeren en andere zware diensten te doen, hetgeen ten gevolge had dat velen zich daaraan onttrokken, door zich in de bovenlanden te vestigen. Zij waren verplicht nabij St. Nikolaaspunt te wonen.”
De toestand dezer Wetangers schijnt mij verklaard te moeten worden uit het inlandsch recht, volgens hetwelk schuldenaars, die hunne schulden niet kunnen betalen, ter voldoening daarvan tot lichamelijke diensten ten behoeve hunner schuldeischers verplicht worden, en dus in een staat van onvolkomen slavernij verkeeren. Men noemt zulke pandelingen orang beroetang of orang oetangan, en uit dit laatste woord schijnt wetanger verbasterd. Zij zullen dus als het ware pandelingen der Compagnie zijn geweest, haar door den rechter toegewezen om door persoonlijke diensten de boeten of andere straffen te vervangen, hun wegens misdrijven opgelegd.
Mardijker.
Mardijker is de vernederlandschte vorm van het Maleische mardaheka of mardeka, Jav. mardikô, vrij, een vrij man, die niet tot heerediensten verplicht is. Men noemde mardijkers eene klasse van inlanders, die in de geschiedenis van Insulinde eene vrij belangrijke rol heeft vervuld, maar omtrent wier oorsprong en beteekenis veel onzekerheid heerscht. Men vindt reeds sporen van het bestaan der Mardijkers onder het Portugeesch bestuur, dat aan onze verovering der Molukken is voorafgegaan. Zie Valentijn II, 1, bl. 123; 2, bl. 16. Het is waarschijnlijk hun naam die Valentijn en anderen op het denkbeeld heeft gebracht, dat zij afstammelingen waren van vrijgegeven of vrijgekochte slaven; maar, ofschoon het zeer mogelijk is, dat velen onder hen inderdaad vrijgelatenen of afstammelingen van dezen geweest zijn, staat het toch vast dat het woord niets meer beteekent dan een vrijman, onverschillig of hij al of niet eenmaal tot den slavenstand heeft behoort. Men leert evenwel ook nog uit dien naam, dat de bedoelde vrije lieden geen Europeanen, maar inlanders waren; want waarom zou men ze anders een Maleischen naam gegeven hebben? De vrije, niet in dienst der Compagnie staande of door haar bezoldigde Europeanen, met andere woorden, de blanken die als kolonisten naar Indië waren gekomen, werden Vrijburgers genoemd; zulke Vrijburgers waren nu ook de Mardijkers, maar als men hen met den naam van Vrijburgers noemde, voegde men er doorgaans tot onderscheiding zwarte bij, daar men gewoon was alle inlanders zwarten te noemen.
De kolonel Haga, die ons, als inleiding tot een lezenswaardige verhandeling over de Mardijkers van Timor (in het Tijdschrift v. het Bat. Gen., Dl. XXVII, blz. 191), de resultaten van zijn zorgvuldig onderzoek over de Mardijkers heeft medegedeeld, erkent als het doel dezer instelling, een inlandsch element te scheppen, dat, onder het rechtstreeksch bestuur der overheerschers geplaatst en door voorrechten aan deze verbonden, een tegenwicht zou helpen vormen tegen de massa der inheemsche bevolking. Het lag in den aard der zaak, dat men onder die Mardijkers oorspronkelijk alleen zulke inlanders opnam, die, ter plaatse waar men ze vestigde, vreemdelingen waren, welke of om eenige reden de bescherming der Compagnie gezocht hadden, of door het voorspiegelen van voordeelen waren gelokt. Later zich voortplantende en in aantal wassende, erlangden zij, vooral te Batavia, eene belangrijke plaats in de maatschappij. Velen dreven een aanzienlijken handel, inzonderheid in kleedjes en kostbaarheden, waren vermogend en bewoonden fraaie huizen; anderen leefden in de nabijheid der stad van tuin- en akkerbouw. Zie Valentijn, IV, 1, bl. 254; „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 35.
De Mardijkers werden tijdens de Compagnie ook voor schuttersdiensten bestemd; waar hun aantal dit toeliet werden de weerbare mannen onder hen in compagniën of vendelen ingedeeld. Zie b. v. de beschrijving van Batavia in D. I der Verhandelingen van het Bat. Gen., bl. 61. Niet zelden namen de Mardijkers ook deel in de militaire expeditiën door de Compagnie uitgerust. Zie b. v. Baldaeus, Ceilon, bl. 71 en 80, en de Jonge „Opkomst van het Ned. gezag,” D. VI, bl. CVIII en 171. Nergens echter hebben de Mardijkers eene grootere rol vervuld dan op Timor; alleen op dat eiland (te Koepang en Babauw) is nog onder dezen naam eene afdeeling militairen, uit verschillende inlandsche en vreemde elementen bestaande, in dienst gebleven. De verhalen echter omtrent hunne heldendaden en de hun toegekende eerbewijzen bij een aanval der Portugeezen in 1749, berusten slechts op mondelinge overlevering, en het legendair karakter dezer berichten is door kolonel Haga in het aangehaalde stuk duidelijk in het licht gesteld.
Te Batavia is de naam Mardijkers sedert lang in onbruik geraakt, en vervangen door dien van Papangers. Radermacher en W. van Hogendorp in hun beschrijving van de stad Batavia (Verhh. v. het Bat. Gen. I, bl. 61) gebruiken Papangers en Mardijkers als synoniemen, en het Koloniaal Verslag over 1849 zegt over die Papangers het volgende: „Dit corps, samengesteld uit vrijgegeven slaven, Maleiers, Mooren, Bengaleezen en hunne afstammelingen, die hun 16e jaar zijn ingetreden en hun 40e nog niet hebben bereikt, is reglementair eene inlandsche schutterij en staat dan ook, behoudens het gezag van den Resident, onder de bevelen van den kommandant der schutterij. Zij onderscheidt zich echter van de boven behandelde schutteren daardoor, dat zij geheel voor 's lands rekening komt buiten de schutterlijke kas, en geregeld al de wachten in de oude stad betrekt tegen dagelijksche soldij. De diensten welke dit corps bij voortduring verricht, geven reden tot tevredenheid”. In weerwil dezer laatste woorden blijkt uit „Ind. Staatsbl.”, 1849, no. 17, dat de Regeering destijds reeds het voornemen koesterde, het corps Papangers te reorganiseeren of geheel op te heffen. Dit laatste schijnt eenige jaren later gebeurd te zijn.
Van den oorsprong van den naam Papangers kan ik geene rekenschap geven. Onder de vreemde Oosterlingen, te Amboina wonende, worden door Valentijn, II, 1, bl. 156, ook Pampangers (bewoners van het gewest Pampanga op Manilla) genoemd. Men kan aannemen dat onder de Mardijkers ook afstammelingen van die natie scholen, maar, daargelaten dat het woord Pampangers een m te veel heeft, is het niet aan te nemen, dat zij onder de Bataviasche Mardijkers ooit zoodanig het overwicht hebben gehad, dat hun naam dien van Mardijkers verdringen kon.
Toepassen.
Zoo heet een deel der bevolking van de door de Compagnie beheerde gewesten, dat veel overeenkomst had met de Mardijkers en dikwijls met hen verward wordt. Zoo lezen wij in „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35: „de Mardijkers of Toepassers zijn Indianen van verschillende natiën, volgens veler meening Toepassers genoemd, omdat zij de zeden en godsdienst der volkeren, bij welke zij woonen, lichtelijk, als bij toepassing, aannemen”. Valentijn onderscheidt echter tusschen Mardijkers en Toepassen, en zegt dat deze laatsten, althans te Amboina, afstammelingen zijn van Portugeesche vaders en inlandsche moeders. De belachelijke verklaring van den naam Toepassers, zoo even vermeld, zal wel niet vele voorstanders vinden; maar het woord is klaarblijkelijk verhollandscht en zal moeten afstammen van het een of ander inlandsch woord, dat met het Nederlandsche woord toepassen eene toevallige overeenkomst had. Het zal dus gevormd zijn op de manier van kaalkop van kakap, passeerbaan van paséban, boetjongen van boedjang, Bokje van Boegis of Boeginees, Baviaan van (het eiland) Bawéan, en andere dergelijke producten van Europeesche onwetendheid of valsch vernuft. Zulk een woord vinden wij in het Malabaarsche toepay, dat volgens Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 121, tolk beteekent. Men werpe niet tegen dat deze verklaring niet met de klankwetten strookt; zulke willekeurige verbasteringen zijn aan geen wetten onderworpen. Canter Visscher bevestigt de meening van Valentijn, dat de Toepassen in hoofdzaak van Portugeesche vaders en inlandsche vrouwen afstammen, en verzekert ons, dat zij, ofschoon met slavenkinderen en vrijgelaten slaven van allerlei natiën vermengd, zich veel op hunne Portugeesche afkomst lieten voorstaan. Allen echter werden door hen afgestooten die niet den Roomschen godsdienst beleden. „Daar wordt”, zegt gemelde schrijver, die een langen brief aan de Toepassen wijdt, „een groote menigte van deze Toepassen gevonden door Mallabaar en bijzonderlijk aan den zeekant en bij Fortressen en Losiën (Loges) der Europeanen; men vindt er ook vele in en rondtom deze stad Couchim, die zich generen met allerlei Ambagten....... ook begeven zich degene welke buiten de stad wonen tot den landbouw. Daarbij worden ze van de E. Maatschappij gebruikt in den oorlog, of tot het bezetten van Posten, daar ze meteen tot briefdragers dienen.”
De Toepassen schijnen dus oorspronkelijk op de kust van Malabar te huis te behooren, en vandaar hun verminkten naam naar Batavia en de Molukken te hebben medegebracht. De weinige naar die gewesten afdwalenden verloren zich onder de Mardijkers, waarvan, om dit in het voorbijgaan te zeggen, ook velen den Christelijken godsdienst beleden.
Bokje, Bokkenees.
Er is misschien geen tweede volksnaam die zoo mishandeld en op velerlei wijzen verminkt is, als die der Boegineezen op Zuid-Celebes.
Hun Maleische naam is Orang Boegis, menschen van Boegis. Maar dit Boegis is reeds door verwisseling der lipletters W en B ontstaan uit Woegi, een dorp aan de rivier Tjenrana, welks bewoners in ouden tijd de rol van tolken vervulden bij de vreemdelingen, die het Hof van den machtigsten Vorst dier streken, Sawêri Gôding, kwamen bezoeken. De naam To Woegi, dien deze volken zich gaven, werd weldra uitgebreid tot allen die hunne taal spraken. (Zie Matthes, „Boegineesche Spraakkunst”, Inleiding). Zooals men van Balineezen, Soendaneezen en Bankaneezen spreekt, maakten de Nederlanders van Boegis soms Boegissen, maar meest Boegineezen, en deze vorm bleef tot heden de gebruikelijke; bij oudere schrijvers echter vindt men ook Boekaneezen (Canter Visscher, „Mallabaarse brieven”, bl. 65 en elders) en Bokaneezen (Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 236: „Bijzonder maken de slaaven die van het eiland Celebes of Macasser komen, en wel voornamelijk de Bokaneezen, zich aan gruwelijke moorden schuldig; ook behooren de meeste amokspuwers tot deze natie”). De Engelschen noemden ze oudtijds gemeenlijk Buggesses of Bugguesses. Maar de zonderlingste verbastering is die tot Bokjes, welke naam te Batavia werd gegeven aan eene kolonie van Boegineezen, na het einde der Makassaarsche oorlogen derwaarts overgebracht. Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, D. III, bl. 35.
In onze volkstaal hoort men een zeer onbeschaafd en ruw mensch, iemand van barbaarsche manieren en voorkomen, wel eens een Bokkenees noemen. Klaarblijkelijk is ook dit eene verbastering van Boeginees. Met de beteekenis van gemelden scheldnaam komt het karakter van wreedheid en teugellooze drift, dat men aan de Boegineezen toekende, goed overeen.
Ik wil hier in het voorbijgaan nog van een verbastering van een anderen op Celebes te huis behoorenden naam spreken. Nabij en op de kusten van dat eiland leeft een aanzienlijk gedeelte van den steeds op het water zwervenden stam der Badjo's of Bayo's (bekend door Vosmaer's „Korte beschrijving van het zuid-oostelijk schiereiland van Celebes” in Deel XVII der „Verhandelingen van het Bat. Gen.”, en van Verschuer's bericht „de Badjo's”, in D. VII van het T. v. h. Aardr. Gen.). Deze Badjo's worden in het Makassaarsch Toe-ri-djêné genoemd, d. i. letterlijk: menschen op het water. Volgens sommige schrijvers zou die naam door de Europeanen te Makasser tot Trojeenders verbasterd zijn. De heer Matthes zegt echter in zijne „Opmerkingen omtrent de Hollander's beschrijving van het Gouvernement van Celebes in zijne „Handleiding bij de L. en Vk. van N.-I.””, bl. 16, dat hij die benaming Trojeenders nooit heeft vernomen.
Laskar, Laskarijn.
Indische, ook Maleische en Javaansche matrozen, op Europeesche schepen varende, worden thans dikwijls ook in Nederland laskars genoemd. De Woordenlijst van de Vries en te Winkel en van Dale's Nieuw Ned. Wdbk. geven den vorm laskaar, mv. laskaren, die echter minder gebruikelijk en naar mijn inzien ook minder juist is; eerder ware dan als vernederlandschte vorm lasker aan te bevelen.
Dit woord is het Perz. lasjkar, dat eigenlijk leger beteekent en in dien zin ook in de Maleische taal is overgegaan, zooals blijkt uit de in Marsden's „Malay Dictionary” aangehaalde voorbeelden. Het tegenwoordig gebruik van laskar voor Indische matrozen hebben wij van de Engelschen overgenomen. In Stocqueler's „Oriental Interpreter” wordt het dus verklaard: „Lascar, a European term for certain descriptions of menials in India. Sailors (shipkeepers), employed in harbour, tent-pitchers, the people employed to do the dirty work of the artillery and the arsenals etc. are called lascars. The term is derived from lushkur, literally an army man.” Lucas, „Engl.-Deutsches Wörterb.”, verklaart lascar door, „der Lasker, der Indische Matrose im Dienste der Englischen Compagnie.”
Bij deze verklaringen moet echter worden opgemerkt:
1o. Dat het Perz. lasjkar nooit iets anders beteekent dan leger, en de beteekenis van krijgsman, soldaat, alleen toekomt aan het denominatieve lasjkari, waarvan onze oude schrijvers zeer juist in het Nederlandsch laskarijn maakten, b. v. van Linschoten, „Itinerario”, bl. 59. En zoo wordt ook bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 66, 71, 80, 90 enz. aan de inlandsche soldaten in dienst der Compagnie de naam van Lascaryns gegeven.
2o. Dat de samenhang en overgang der beteekenissen waarschijnlijk deze is: a. soldaat, b. inlandsch soldaat in dienst der Engelsche of Nederlandsche Compagnie, aan wien, in vergelijking met de Europeanen, mindere diensten werden opgedragen, c. sjouwer, werkman op de werven en kaden, d. inlandsch licht matroos, met het gewone scheepswerk belast.
Neger.
Ik begrijp volstrekt niet, waarom Weiland en Lexer (in Grimm's „Deutsches Wörterbuch”), dit woord van het Fransche nègre afleiden. Nègre is de verfranschte, gelijk het Hoog- en Nederduitsche neger de verduitschte vorm van het Portugeesche (ook in het Spaansch, Italiaansch en, behoudens de wijziging der uitspraak, in het Engelsch onveranderd gebruikte) negro. Niet aan de Franschen, maar aan de Portugeesche zeevaarders, zijn wij onze eerste kennis van West-Afrika verplicht. Negro beteekent zwart, een zwarte en stamt af van het Latijnsche niger. Met neger komt overeen het Arab. aswado, mv. soedân, vanwaar biladoe's Soedân, het land der zwarten of negerland.
De geographische bepaling van den naam Negerland is zeer moeilijk. Men gaf langen tijd den naam van Negers aan alle zwarte stammen van Afrika, en velen doen dit nog heden. De ethnologen echter beperken den naam Neger tot de koolzwarte stammen, die ten zuiden der Sahara tot omstreeks den Evenaar wonen. Deze vormt, zeer ruw genomen, de grens tusschen de Neger- en de in vele opzichten van hen verschillende Bantoe-stammen, die zich uitstrekken tot Afrika's zuidspits, behalve dat de zuidwesthoek door de Hottentotten en met hen verwante Boschjesmannen bewoond wordt. Ten noorden der Negers wonen Semietische en Hamietische stammen, verspreid onder hen Nubiërs en Fellatah (Nuba-Fulah-volken). Wenschelijk ware het dat zich het gewone spraakgebruik naar die wetenschappelijke onderscheiding richtte. Vgl. mijne opmerkingen in „Daniel Veth's reizen in Angola”, bl. 335–337.
Heeft ons de Kaapkolonie in betrekking gebracht tot de Zuid-Afrikaansche stammen, onze voormalige bezittingen op de kust van Guinea plaatsten ons te midden van echte negers. Ook daar zij uit de vermenging van blanken en zwarten een zeker aantal kleurlingen gesproten, die eveneens, naar den graad der vermenging, verschillende namen dragen, welke niet geheel met de benamingen in Oost- en West-Indië gebruikelijk overeenstemmen. Ik lees daaromtrent bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust van Guinea”, D. II, bl. 135: „de dochter door eenen Blanke bij eene Negerin verwekt, is eene Tapoeijerin—bij eene Tapoeijerin, Mulattin,(5)—bij eene Mulattin, Castiessin,—en bij eene Castiessin wederom Blanke. De dochter van eenen Tapoeijer of Mulat bij eene Negerin noemt men Caboegerin”. Uit hetgeen voorafgaat blijkt echter dat Mulat, daargelaten de speciale beteekenis hier vermeld, ook de algemeene naam is van afstammelingen van blanken en zwarten.
Caboeger (er staat eigenlijk Cabocger, maar dat zal wel een drukfout zijn) schijnt mij hetzelfde als het in West-Indië gebruikte Karboeger, waarvan ik hierboven in een afzonderlijk artikel gesproken heb. Evenals deze naam moet ook Tapoeier uit Amerika afkomstig zijn. Het is oorspronkelijk de naam van een zeer woesten stam van Indianen, die onze bondgenoot was in onze oorlogen met de Portugeezen in Brazilië. De Portugeezen schrijven hun naam Tapuya. Zie over hen o. a. van Kampen „Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa”, bl. 411, 425, 433, 446, enz. Hoe deze namen naar Afrika gekomen zijn, kan ik evenmin verklaren, als de beteekenis waarin zij gebruikt worden.
De Engelsche populaire vorm nigger voor neger en de omstandigheid dat de duivel gewoonlijk als zwart wordt afgemaald, zouden ons bijna verleiden eenig verband te zoeken tusschen den Neger en den zwarten Nikker. Doch de Germaansche oorsprong van Nikker (bij Vondel „Peter en Pauwels”, II, 135, ook Ikker(6) geschreven), verwant met het Zweedsche năk, nek, het Eng. nick (old nick), het Hoogd. neck, necker, nicker, nixe enz. alles benamingen voor booze geesten, staat te vast om eenigen twijfel toe te laten.
Kafir, Kaffer.
Dit woord is Arabisch en beteekent ongeloovige. In eene noot op zijne vertaling van de Warren's „Engelsch-Indië”, I, bl. 167, zegt de heer van der Maaten: „Kaffer of Kafir is een scheldnaam dien Aziatische en Afrikaansche Muzelmannen aan alle volken geven die met hen van geloof verschillen. Waarschijnlijk afgeleid van het gebergte Kaf, dat volgens hunne mythologie de grenzen van hun halfrond omgeeft.” Deze afleiding is een waarschuwend voorbeeld voor allen die het wagen verklaringen van woorden te beproeven uit talen, waarvan zij niets verstaan. Kafir is in het Arabisch het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord Kafara, dat ondankbaar, goddeloos, ongeloovig zijn beteekent, en wordt inzonderheid gebruikt van allen die den Islam verwerpen. De naam is bij ons het meest in gebruik als geographische naam van twee volken: de bewoners van Kafiristan in het N.-O. van Afghanistan, en die van het Kaffergebied in Zuid-Afrika, dat den zuidoostelijken hoek van dat werelddeel tot aan de Delagoa-baai beslaat. In beide gevallen is de naam ongetwijfeld van de belijders van den Islam afkomstig en misschien alleen door misverstand der Europeanen bepaaldelijk een geographische naam geworden. Zelfs als zoodanig was in vroeger tijd het gebruik in Afrika veel minder beperkt. Zoo zegt b.v. van Linschoten, „Itinerario”, bl. 60, dat over 't geheel naakt loopen „die swarten ofte Caffres van 't land van Mossambique en alle die custe van Aethiopia ende te landwaarts binnen, tot die Cabo de Bona Esperansa.”
Moor, Mooriaan.
Moor komt van het Latijnsche Maurus; de Mauri waren de bewoners van het noordwestelijk gedeelte van Afrika, dat tegenover Spanje ligt en thans door Marokko en Algerië wordt ingenomen. Door de Arabieren onderworpen en tot den Islam bekeerd, smolten de Mooren eenigermate met hunne overheerschers te zamen, maar staken later het hoofd weder meer zelfstandig op, zoodat de strijd dien de Christenen van Spanje en Portugal te voeren hadden om zich van hunne Moslimsche, steeds uit Afrika ondersteunde, overheerschers te bevrijden, veelal als een strijd tegen de Mooren beschouwd wordt.
In hoofdzaak zijn de oude Mauri hetzelfde volk dat later door de Arabieren Berbers werd genoemd, een naam ontleend aan het oude, klassieke barbaren. In eene nadere ontleding der stammen, die onder de namen Mooren en Berbers worden begrepen, kan ik hier niet treden. Men zie het voortreffelijk artikel van Prof. de Goeje over de Berbers, in „de Gids” voor 1867, D. III, bl. 13.
De naam van Mooren kreeg bovendien in tweeërlei richting eene uitbreiding. De donkere huidskleur der Mooren, ofschoon op verre na niet zoo zwart als die der Negers, was oorzaak dat zij in de voorstelling der Europeanen met de overige donkerkleurige en zwarte rassen van Afrika samensmolten en Moor of Mooriaan als synoniem met Zwarte of Neger werd gebruikt. Vandaar in het Engelsch blackamoor; vandaar dat Othello „the Moor of Venice” heet; vandaar onze spreekwijze „den Mooriaan wasschen” of „schuren”, voor vergeefsch werk doen. Speciaal wordt nog in de Statenvertaling des Bijbels de naam van Mooren gegeven aan de Cuschieten of Ethiopiërs, eene van ouds beroemde zwarte of donkerkleurige natie, wier rijk zich over het tegenwoordige Nubië en Abessynië uitstrekte.
De tweede uitbreiding van het gebruik van den naam Moor had haren oorsprong niet zoozeer in overeenkomst van huidskleur, maar in overeenkomst van belijdenis. De Mooren, met wie de bewoners van het Iberische Schiereiland eeuwenlang in oorlog hadden geleefd, waren niet alleen vijanden van hunne vrijheid, maar ook van hunnen godsdienst. De Spanjaarden en Portugeezen streden voor het Kruis tegen de Halve Maan. Toen hunne ontdekkingstochten hen naar Malabar en Koromandel voerden, vonden zij ook daar een groot aantal belijders van den Islam, op wie ze den naam van Moros of Mooren overbrachten, en van de Portugeezen leerden ook de Nederlanders het gebruik om de Indische Mohammedanen Mooren te noemen. Zoo zegt b.v. Valentijn, „Choromandel”, bl. 108: „Behalve de Heydenen heeft men hier te lande ook zeer veel Mooren of Mohammedanen, die mettertijd ook meesters van het land geworden zijn”. Maar dit gebruik werd door ons hoofdzakelijk beperkt tot de Moslemen van het vasteland van Indië. Vgl. Pijnappel, „Geographie van Ned.-Indie”, 2e druk, bl. 59. Zoo is het althans in onze dagen, maar bij vroegere schrijvers werd ook wat op Java Mohammedaansch is niet zelden Moorsch genoemd. Zoo leest men b. v. in „Batavia in derselver gelegenheid”, D. I, bl. 19, van den Moorschen Landvoogd van Japara; bl. 22, van de Moorsche lijfwacht van den Soesoehoenan, in tegenstelling met de Europeesche wacht hem toegevoegd; bl. 23 van den Moorschen tempel (d. i. de moskee) van Toeban, enz. Doch van de Javanen als Mooren te spreken, is thans geheel in onbruik geraakt.
Razzia.
Dit woord is niet opgenomen in Prof. Dozy's „Oosterlingen”, maar dat het wel had mogen opgenomen worden, is reeds opgemerkt door Prof. de Goeje, in zijne aankondiging van genoemd werk in „de Ned. Spectator”, 1867. Dozy geeft echter de verklaring van razzia in zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, art. Gazua. In de eerste uitgave van het Glossaire had de heer Engelmann alleen geschreven: „Gazua portug. (expédition militaire), de gazât ou gazâwa, qui signifie: une expédition militaire contre les infidèles. De ce mot Arabe les Français ont fait leur razzia.” Dozy doet hierbij nog opmerken, dat ook de vorm gazwa, schoon ontbrekende in het Woordenboek van Freytag, in het Arabisch menigmaal voorkomt; dat dit eigenlijk de vorm is waarvan gazua afstamt, en dat men in het Port. ook gazia en gaziva aantreft. Dit gazia nu, dat het meest overeenkomt met het Fransche razzia, heeft ook zijn voorbeeld in het Arabisch, zooals blijkt uit Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, T. II, p. 212, nam. in gâzia, attaque, coup de main, prise. Om te doen begrijpen hoe uit dit gâzia razzia kon ontstaan, heb ik alleen nog te doen opmerken, dat de Arabische letter gain of ghain, die noch aan onze g, noch aan onze r beantwoordt, maar beider klank eenigermate in zich vereenigt, evengoed door r in razzia, als door g in gazua kon worden uitgedrukt.
Dit woord razzia kwam bij de Franschen in gebruik in Algiers, voor de menigvuldige strooptochten op het gebied van vijandige stammen, om hen van hun vee en leeftocht te berooven. Maar men gebruikt het ook voor de slavenjachten, die nog zoo vaak door de Moslemen in Afrika gehouden worden, als een ontaard overblijfsel van den heiligen oorlog tegen de ongeloovigen, dien de Islam zijnen belijders tot plicht heeft gemaakt.
Een paar voorbeelden van het gebruik van razzia in onze taal mogen hier niet ontbreken. In het Tijdschr. v. N.-I., Jg. 1863, D. I, bl. 61, vindt men een artikel, getiteld: „Razzia's in Ned. Indië”, waarin o. a. gelezen wordt: „Razzia's, zooals er eene tegen de Alfoeren van Mani heeft plaats gehad, zijn voorzeker niet het middel om tot verwezenlijking dezer inzichten te geraken.” D. Veth's „Reizen in Angola”, bl. 387: „Portugal kan door geene dekreten de vormen veranderen die eenmaal het Afrikaansche leven heeft aangenomen, den stempel uitwisschen dien de razzia en de slavenhandel er sedert eeuwen diep hebben ingedrukt.”
Azagai, Assegaai.
De Mooren waren van oudsher beroemd om hunne werpspiesen en de behendigheid waarmede zij die wisten te hanteeren. Wie herinnert zich niet de regels van Horatius:
„Integer vitae scelerisque purus Non eget Mauris jaculis, nec arcu” etc.?
De werpspies der Mooren schijnt zich als wapen over geheel Afrika te hebben verspreid. De schrijvers over de meest verschillende streken van dat werelddeel maken van haar gewag en noemen haar Azagai of Assegaai, een naam die, met het wapen zelf, van de Berbers afkomstig is, maar waarschijnlijk uit het Spaansch tot de overige volken van Europa is gekomen. Ziehier eenige voorbeelden bij Nederlandsche schrijvers. G. v. Broekhuizen in zijne Vertaling van Dan's „Historie van Barbaryen” (Amsterdam 1684), bl. 286: „Hun wapenen zijn een halve-piek of een werpspies, welke zij een Agay of een Azegay noemen, daar ze zich met zulk een behendigheid en kracht af dienen, dat ze er iemand op vijftig treden ver mee doorschieten.” De Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust”, I, 235: „Eer hij nog de sabel konde vatten, kreeg hij van achteren eenen worp met een Azagai (werp-pijl), van welke de Negers in vroegere tijden zich bedienden”. Th. Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 171: „De oorspronkelijke wapenen van den Kaffer zijn assegaai, knopkiri's (stokken, in den regel van assegaaihout, die van een knop zijn voorzien), boog en lans”. Idem, „de stam der Amazoeloe”, bl. 90: „Ketchwayo begon over te hellen tot den onstuimigen wensch van zijn eer- en huwelijkszuchtige jongelieden, om de assegaaien eens te gaan wasschen.” Hendrik P. N. Muller, „Herinneringen uit de Transvaal” (Gids 1888, D. II, bl. 242): „Alleen verstaan de negers [d. z. hier de Kaffers] het smeden van assegaai-spitsen uit het ijzer, dat in het noordelijk deel der Republiek bijna allerwegen wordt gevonden.” De opmerking schijnt mij hier niet overbodig, dat de azagai en andere oorspronkelijke wapenen in vele streken van Afrika meer en meer door het schietgeweer verdrongen worden.
Het woord Azagai (onder de verschillende schrijfwijzen schijnt mij deze de beste) is dikwijls ten onrechte voor Arabisch gehouden. Het woord is wel-is-waar vermeerderd met het Arabische lidwoord (en luidt dus eigenlijk az-zagâja); maar wanneer wij dit afscheiden blijft zagâja over, dat nog in de taal der Berbers de voorvaderlijke werpspies aanduidt. Van daar in het Fransch gewoonlijk zagaie. De aanwezigheid van het Arabisch lidwoord in den Spaanschen vorm Azagaya, waaraan ons Azagai onmiddellijk is ontleend, moet ons niet verwonderen, daar de Berbertaal, ofschoon eigenlijk niets met het Arabisch gemeen hebbende, thans met allerlei Arabische woorden en woordvormen vermengd is.
Vgl. over dit woord vooral Engelmann en Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” etc.; op Azagaya.
Palabber.
Palabber beteekent eigenlijk niets dan een woord, en is het Spaansche Palabra, dat ook Palavra kan geschreven worden (omdat b en v conson. in het Spaansch niet verschillen) en steeds dien laatsten vorm heeft in het Portugeesch. Het woord is door de Spanjaarden en Portugeezen in zwang gebracht bij de Negers, en van dezen tot ons gekomen, gelijk het dan ook alleen in gebruik is onder de Nederlanders op Afrika's Westkust, of waar door onze schrijvers van de bevolking dier kust wordt gewaagd. Palabber is waarschijnlijk de gewone negeruitspraak en daarom ook de meest gebruikelijke vorm. Somtijds leest men palaber en enkele schrijvers geven de voorkeur aan den vorm palaver. Zie Tengbergen, „Reistocht en Expeditie naar de Ned. Bez. ter Westkust van Afrika”, bl. 37, noot.
Daar het woord van Europeesche afkomst is, mag men vermoeden dat het oorspronkelijk gebruikt werd om een woordenwisseling, mondgesprek of onderhandeling met Europeesche handelaars of autoriteiten aan te duiden. Ziehier een paar voorbeelden van dit gebruik. H. Muller Szn., „de afstand der Kust van Guinea aan Engeland”, bl. 6: „In de te Cape Coast verschijnende West-African Herald komt een uitvoerig verslag voor van een onlangs op het kasteel van Elmina gehouden palabber of vergadering, waaruit zoowel de ijverige pogingen van de daar aanwezige Engelsche autoriteiten en onderhandelaars blijken om de Negers over te halen zich onder Engelsche vlag te stellen, als de onveranderlijke weigering der laatsten om daaraan te voldoen”. Roëll, in „Jaarboek van de Ned. Zeemacht, 1875–76”, bl. 302: „De Koningen eischten, dat wij zouden gaan naar dezelfde plaats, waar het vorige jaar de Commodore Hewitt was geweest tot het houden van een palaver”; bl. 307: „De heer Pape begon dit palaver met de mededeeling van het gebeurde acht maanden geleden”.
De Negers gebruiken echter het woord palabber ook van hunne onderhandelingen onder elkander, inzonderheid van hunne rechtsgedingen. Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 65: „De rechtsgedingen, palabers genoemd, die voor de vergadering [der Kromsgrooten(7)] worden gebracht, beginnen met het drinken van rum; want zoowel de eischer als de beklaagde is verplicht twee flesschen vooruit te betalen. Zulke rechtsgedingen zijn uiterst langwijlig en luidruchtig; de Neger, die zijne zaak voordraagt, houdt er van om veel over zijne familie uit te weiden, en begint gewoonlijk met zijn grootvader of overgrootvader”, enz. De Marrée, „Reizen op en Beschrijving van de Goudkust”, II, bl. 53: „De algemeene Elminasche Regeering bestaat uit den Koning, een tweeden Koning, een Onderkoning, die eigenlijk eerste Secretaris is, en nog eenen anderen Secretaris, welke tevens in alle palabbers(8) het woord voert.”
In de derde plaats worden, bij overdracht, ook de geschillen, de rechtsquaesties zelve, palabbers genoemd. De Marrée, a. w., I. 25: „Het recht van den sterkste heerscht hier, en waar dit niet geldt vormen zij [de Negers] een allerwanvoegelijkst denkbeeld van het recht van eigendom, en de uitspraken over verschillen (palabbers) van dien aard zijn allerellendigst.” Ald. bl. 28: „Het ellendige denkbeeld dat zij vormen van het recht van eigendom, geeft aan hunne twistzucht oneindige stof van verschillen (palabbers)”. Ald. bl. 159: „Een Neger had, bij zekere afdoening van zijn palabber of geschil te Elmina, kennis gemaakt met een der Elminasche.”
Paan.
Paan, ook dikwijls, door de gewone zucht der Hollanders om zich van verkleinvormen te bedienen, paantje, is ter Westkust van Afrika een zeer gewoon woord voor een doek of lap van wollen, katoenen of linnen stof, die als kleedingstuk wordt gebruikt. Het is alweder een Portugeesch woord pano of panno, afkomstig van het Lat. pannus, in het Spaansch pano uitgesproken, in het Fransch pagne, ofschoon ook pan tot dezelfde familie behoort. Treffend juist is de omschrijving bij Littré (in v. Pagne): „Morceau de toile de coton ou d'autre étoffe, dont tous les nègres d'Afrique qui ne vont pas tout-à-fait nus, s'enveloppent le corps, depuis la ceinture jusqu'aux genoux, et quelquefois jusqu'au milieu des jambes”. Van Dale, art. Paan, verklaart het door: „Schaamteschort der negerinnen”, en de Kunstwoordentolk van Kramers en Bonte door: „een stuk stof dat de negerinnen om haar onderlijf slaan en dat de plaats van een rok vervangt”. Hoe komt men er toch toe om den paan alleen door de zwarte dames te laten dragen? Ik sla een paar Afrikaansche reisverhalen op die mij het eerst in handen komen, en lees bij de Marrée, „Reizen op en beschrijving van de Goudkust”, I, bl. 28: „De linnen of katoenen lap, paantje genaamd, mag [bij de meer vermogenden] wat fijner stoffaadje en grooter zijn, teneinde dien over den linkerschouder te kunnen slaan; doch overigens zijn zij allen aan elkander gelijk”. Ald., bl. 31: „De eilanders hebben de gewoonte, dat zij, zoo lang zij op hun eiland zijn, geen handbreed goed (of paantje) op hun ligchaam dragen,... de vrouwlieden zoowel als de manspersonen;... wanneer echter deze lieden van hun eiland naar een ander dorp gaan, dan kleeden zij zich gelijk alle andere Negers met eenen paan, bestaande uit eenig stuk lijnwaad.” Ald. II, bl. 57: „De Koning zelf gaat in een op zijn manier kostbaren paan.” H. J. Pel, „Aanteekeningen op eene reis van St. George Delmina naar Comassie”, bl. 12:(9) „Het voedsel en de kleeding der Caboceërs [dorpsgrooten] zijn dezelfde als van den geringsten Neger; het paantje is somtijds iets beter, doch bij lange na niet van allen.”
Het katoen voor de paantjes aan het stuk, zooals het in den handel voorkomt, wordt soms panen-goed geheeten (de Marrée, I, bl. 109). Veel fraai panen-goed wordt geweven te Accra, en de fraaiste soorten worden aan de Europeanen verkocht, die daarvan dekens en spreien voor bedden en rustbanken maken. (Ald., II, bl. 129.)
Krom.
Dit woord komt bij onze schrijvers over de Kust van Guinea ontelbare malen voor, maar hoe Hollandsch het er ook uitziet, het schijnt een echt negerwoord te zijn. Het is op de Goudkust de naam der dorpen. Gramberg, „Schetsen van Afrika's Westkust”, bl. 31: „Alleen bij de inlandsche dorpen of krommen vertoonen zich eenige kokosboomen.” De Regeering van zulk een dorp bestaat uit den Koning en zijne caboceërs [van het Portug. cabeceira] of edellieden, d. z. degenen die in de krommen, of in de wijken waarin de voornaamste dorpen verdeeld zijn, de meeste slaven en het meeste goud bezitten (zie de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 122.). Zij worden door de Nederlandsche schrijvers dikwijls de Kromsgrooten genoemd (b. v. Gramberg, t. a. p., bl. 65.) De Raadsvergaderingen van den Vorst en de edelen worden in de open lucht gehouden. Gramberg, t. a. p., bl. 64: „Zelfs de kleinste krommen hebben hunne opene vergaderzalen; deze bestaan eenvoudig uit eene schoon geveegde plaats, afgesloten door vier boomen in carré gelegd.” De Marrée, „de Goudkust”, II, bl. 5, verwisselt krom met negerij (zie op dat woord), en Kan, „Nederland en de Kust van Guinea”, spreekt van negerkrommen.
Baar.
Baar is volgens van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” „een nieuweling aan boord, een nog onervaren, matroos; een Europeër die voor het eerst in Oost-Indië komt, aldus genoemd in tegenstelling met een oudgast. 't Woord is ontleend aan het Maleisch.” Volkomen juist, slechts had de beteekenis in de tweede plaats vermeld, moeten voorafgaan; want natuurlijk is de Maleische naam baar het eerst in O.-Indië aan de nieuwelingen gegeven, en daarna door de schepelingen op de nieuwe matrozen toegepast. De Oostindische baar is zeer goed geschetst in Weitzel's „Batavia”, bl. 153–161. Het blijkt uit dat stuk dat men van baar ook het adjectief baarsch en het afgetrokken naamw. baarschap heeft gevormd. „Heeft Mijnheer de baarsche stoot reeds gehad?”—„Er bestaat een natuurlijk en een conventioneel baarschap.”—„Ieder is in Indië genegen baarsche hoedanigheden op te merken in anderen, die er korter dan hij hun verblijf hielden.”
Men ziet uit het gezegde dat in Indië baar beantwoordt aan hetgeen onze studenten groen noemen; aan de Militaire Akademie te Breda worden dan ook de nieuw aangekomen studenten baren geheeten. In het algemeen is baar ieder die zich nog vreemd voelt in een kring waarin hij pas geplaatst is, en, de daarin bestaande gebruiken niet kennend of er althans niet in geoefend, zich telkens vergist, of er inloopt, zooals men zegt. Vandaar heeft baar ook de beteekenis gekregen van ongeleerd, ongeoefend. In Zuid-Afrika, waar in de taal der boeren veel Maleische woorden zijn ingedrongen (zie op Amper), heeft baar dikwijls deze beteekenis, niet alleen waar men van menschen, maar ook waar men van trekbeesten spreekt. Zie Mansvelt, „Proeve van een Kaapsch-Hollandsch Idioticon” (Kaapstad, 1884), op Baar. In dien zin spreekt men er ook van baar-Kaffers, d. z. Kaffers die nog vreemd zijn aan alle beschaving, nog niet gewoon zijn aan den omgang met Europeanen. Zie Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 77, 104. Een eigenaardig gebruik van baarsch vond ik vermeld bij de Marrée, „de Goudkust”, I, bl. 20. De klimaatziekte der nieuwelingen, die de Engelschen seasoning noemen, wordt daar, volgens dien schrijver, door de Nederlanders de baarsche ziekte geheeten.
Baar is het Maleische beharoe of baroe, d. i. nieuw, of als bijw. nieuwelings, pas; maar wordt vooral gebruikt als verkorte spreekwijs voor orang baroe datang, iemand die pas is aangekomen. Het staat over tegen orang lama datang, of bij verkorting orang lama of oorlam, een oudgast. Zie op Oorlam.
Orang oetan.
Orang oetan, veelal (ook door van Dale en Kramers en Bonte) orang oetang, en vroeger,—tengevolge der zonderlinge voorkeur die ons volk in vreemde namen aan de Fransche spelling geeft, (als ware al wat vreemd is, Fransch)—orang outang geschreven, is de naam dien wij, met het geheele beschaafde Europa, aan eene bekende soort van anthropomorphische apen geven, die alleen op Borneo en Sumatra voorkomen. De naam is volkomen duidelijk en bestaat uit twee zeer bekende Maleische woorden: orang, mensch, en oetan, bosch, die, dus samengevoegd, aan ons boschmensch beantwoorden. Wegens de groote overeenkomst van den in de bosschen levenden orang-oetan met den mensch, is deze naam niet ongepast; maar de oorsprong daarvan schuilt nochtans in het duister, daar de Maleiers zelven dien naam wel aan wilde, in de bosschen levende menschen, maar, zooveel wij weten, nooit aan eene soort van apen geven. Zij noemen den orang-oetan mawas, waarvoor men op Borneo majas zegt. Het verdient echter opmerking dat, volgens Burns, „Vocabulary of the Kayan language”, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1849, bl. 134, de majas in de taal van den stam der Kajans op Borneo orang tuan heet, terwijl bl. 182 tuan door wood, jungle, verklaard wordt, zoodat dit woord geheel aan het Maleische oetan beantwoordt. Misschien is orang oetan eene bij de Maleiers op Borneo wel eens gebruikte vertaling van dezen naam, en hebben oude reizigers die uit hunnen mond opgevangen.
Daar orang oetan, voor den majas gebezigd, geen Maleisch is, maar alleen de Europeanen deze verbinding van twee Maleische woorden tot aanduiding van den majas gebruiken, zijn sommigen van oordeel, dat men ook de gewone Europeesche schrijfwijze orang-oetang moet behouden. De nasale n (ng) op het einde der woorden is een gewone verminking der op eene zuiver dentale n eindigende Maleische woorden, in het bij de Europeanen in zwang zijnde zoogenaamde laag-Maleisch of brabbel-Maleisch. Daar het woord in de beteekenis van majas inderdaad tot dit brabbel-maleisch behoort, wil men het dan ook de in die ontaal(10) te huis behoorende uitspraak en spelling laten. Het is een zaak van zeer weinig gewicht; maar daar de samenstellende woorden beide zuiver Maleisch zijn, kan men ze, dunkt mij, ook den zuiver Maleischen vorm doen behouden.
Wouwouw.
Wouwouw is de naam van eene soort, of juister misschien van een geslacht, van in Insulinde levende apen, en is door de Europeanen gevormd van de klanken oea-oea of oa-oa, door de inlanders gebezigd als nabootsing van den onwelluidenden kreet, dien deze apen telkens doen hooren. (Zie Sal. Müller in „Verhh. over de Nat. Gesch. der Ned. overzeesche bezittingen”, afd. Zoölogie, bl. 48).
De vermelde inlandsche benamingen zijn lokaal. Oea-oea (door Mohnike, „Blicke auf das Pflanzen- und Thierleben in den Niederl. Malaien-ländern”, bl. 356, wau-wau geschreven) behoort volgens Müller bij de Maleiers op Borneo, oa-oa bij de Soendaneezen op Java te huis. Het geslacht Hylobates telt vier op de groote Soenda-eilanden wonende soorten, maar alleen op Java leeft Hylobates leuciscus, alleen op Borneo Hylobates concolor, terwijl Hylobates syndactylus (de Siamang) en Hylobates variegatus of agilis (de Oengko) tot Sumatra bepaald zijn. De bewoners van Borneo bedoelen dus met hun oea-oea Hylobates concolor, die van de Soendalanden met hun oa-oa Hylobates leuciscus; maar ook de soorten van Sumatra uiten kreten die, schoon eenigszins verschillend, met die der andere in hoofdzaak overeenkomen, zooals o. a. blijkt uit de mededeelingen van de leden der Sumatra-expeditie in het groote werk „Midden-Sumatra” (I. Reisverhaal, 1, bl. 118, II. Aardr. beschr., bl. 158, IV. Nat. Hist., Fauna, 1, bl. 5 en 8; vgl. ook D. Veth's „Reizen in Angola”, bl. 89). Het gansche geslacht Hylobates, althans zoover het op de Soenda-eilanden voorkomt, heeft dus eigenlijk aanspraak op den klanknabootsenden naam wouwouw, en toen de heeren J. van Iperen en Fr. Schouwman in de „Verhandelingen van het Bat. Gen.” D. II, hunne „Beschrijving der wouwouwen” leverden, sloten zij ook de verdere soorten geenszins buiten, al moest hunne beschrijving zich, bij gebrek van bekendheid met de andere soorten, tot de Javaansche soort bepalen. Met betrekking tot het gebruik van het woord verdient nog opmerking, dat in genoemde verhandeling het wijfje wouwouwin genoemd wordt.
Het is zeer vreemd, dat men het woord wouwouw, zoo dikwijls in geschriften over Indië voorkomend, in geen enkel Ned. Woordenboek, zelfs niet in Kramer's „Kunstwoordentolk”, vindt opgenomen. Het is evenwel een echt Nederlandsch woord, omdat het natuurlijke klanken, geuit door eene in Insulinde levende klasse van dieren, nabootst op eene wijze, die alleen in onze taal bestaanbaar is. Ook was het, schoon thans vergeten, eenmaal in onze volkstaal lang niet zeldzaam. Ik herinner mij zeer goed het ± 60 jaren geleden dikwijls in mijne geboortestad Dordrecht gehoord te hebben; ik meen zelfs dat het een gewone spreekwijs was een knaap, dien men als vlug en vlijtig prijzen wilde, „een koninkje van de wouwouwen”(11) te noemen. Misschien dacht men, bij deze uitdrukking, aan de bekende en niet geheel ongegronde verhalen omtrent de in Indië voorkomende apenkoloniën, die een ouden aap tot leidsman, koning of, zooals men op Java zegt, tot koewoe hebben; doch in dat geval heeft men zich bedrogen, daar zulke koloniën altijd uit apen van eene geheel andere soort, nam. Macacus of Cercocebus cynomolgus, den grijzen aap of meerkat, bestaan.
Voor vreemde dieren, in afgelegen landen vertoevende, heeft onze taal slechts een zeer beperkt aantal eigen woorden. De taal wordt in die richting, gelijk op zoo menig ander wetenschappelijk gebied, niet ontwikkeld, omdat onze geleerden meer en meer het gebruik der moedertaal versmaden. Men moet zich dan ook in onze museën en diergaarden veelal met Latijnsche of Fransche namen behelpen, die den beschouwer zoo vreemd zijn, dat hij ze dadelijk weder vergeten is. Een naam als wouwouw, die op een duidelijk kenmerk van het dier, nam. de vreemde klanken die het voortbrengt, berust, wordt daarentegen dadelijk in het geheugen gegrift. Wenschende dat deze naam, gelijk andere dergelijke, in onze taal zou herleven, heb ik daarvan ook reeds in mijn „Java”, D. I, bl. 258, gebruik gemaakt, na in mijne vertaling van Wallace's „Insulinde”, I, bl. 107, het minder Hollandsche wauwau te hebben gebezigd.
Kazuaris.
Kazuaris is een bekende vogel uit Nieuw-Guinea en de Molukken, in gestalte op den struis gelijkende, maar geheel vleugelloos en bedekt met lange, grove, op haar gelijkende vederen. Valentijn, III, 1, bl. 298: „De naam van dezen vogel is door gansch Indië de Kasuwaris.” Hij is van Papoeschen oorsprong en luidt, volgens Sal. Müller, „Reizen in den Indischen Archipel”, I, bl. 120, volgens de uitspraak der westelijke Papoea's Kasoewari.
Met den naam van den Kazuaris hangt die van de Casuarinen samen, Oostindische boomen, zoo genoemd, omdat de naaldvormige takjes, die, oppervlakkig beschouwd, de bladeren schijnen te vervangen, door onze voorouders met de haarachtige vederen van den kazuaris vergeleken werden (Jav. tjemôrô, Mal. tjemara, wij zouden zeggen paardestaartboom). Zie Val. III, 1, bl. 222; Pijnappel, „Geogr. van Ned.-Indië”, bl. 25. In 't Nederlandsch schrijft men echter beter kazuaris-boom, zooals bestendig geschiedt in 't „Amboyns Kruydboek” van Rumphius, b. v. D. III, bl. 87: „naam in 't Lat. Casuarina.... op 't Duytsch Casuaris-boom van de gedaante der bladeren.”
Papegaai.
Papegaai, Duitsch Papagei, Eng. Popinjay, oud-Fransch Papegai, Papegaut, Ital. Pappagallo, Sp. en Port. Papagayo, stammen zonder twijfel af van het Arabische babagâ of het Perz. bapgâ; maar daar deze woorden in hun oorsprong noch Arabisch, noch Perzisch kunnen zijn, blijft de vraag over in welke taal zij oorspronkelijk te huis behooren. Prof. Dozy, die Papegaai niet in zijne „Oosterlingen” opnam, zegt in zijn „Glossaire des mots Espagnols” etc., p. 326: „M. de Slane, dans une note sur la traduction d'Ibn Khallicân (II, 149) a soupçonné qu'il appartient à quelque dialecte Indien. Notre savant indianiste, M. Kern, m'assure, qu'il n'est pas ainsi. Je suppose donc que c'est un terme Africain.” Onmogelijk is dit zeker niet; maar de ondergeschikte rol die de papegaaien in Afrika vervullen, maakt het minder waarschijnlijk. Doch er is ook nog eene andere onderstelling mogelijk: het woord kan ook van Papoeschen oorsprong zijn, evenals Kazuaris, of ook aan eene der Moluksche landtalen behooren. Nieuw-Guinea en de Molukken zijn vanouds wegens de veelsoortigheid en schoonheid hunner papegaaien beroemd geweest. Vgl. het aangeteekende op Kakatoe en Lori.
Kakatoe.
Deze schrijfwijze is geloof ik de meest gebruikelijke en bewaart beter den oorspronkelijken vorm dan kakketoe, dat door de Vries en te Winkel en ook door van Dale is aangenomen. In het Engelsch zegt men cockatoo.
Ieder weet dat kakatoe een geslacht van papegaaien is, zich onderscheidende door een kuif op den kop, een grooten, gekromden, scherpgepunten en krachtigen snavel, en in witte en zwarte soorten voorkomende. Het vaderland dezer vogels zijn de Moluksche of Papoesche eilanden en hun naam, evenals die van den kazuaris, behoort dan ook, naar allen schijn, oorspronkelijk in de talen dier eilanden te huis. Die naam is tot de Maleiers gekomen en luidt bij hen kakatoewa. Uit het Maleisch is deze in de talen van Europa overgegaan; maar dat hij oorspronkelijk Maleisch zou zijn, is hoogst onwaarschijnlijk. In die taal zou hij een samengesteld woord moeten zijn; maar de verbinding van kaka met toewa geeft geen zin, en in de Maleische landen geldt even goed als bij ons de regel, dat dieren uit vreemde landen komende, doorgaans hunne uitheemsche namen behouden.
Kakatoewa heeft intusschen in het Maleisch nog twee wel niet algemeen bekende, maar toch genoegzaam vaststaande beteekenissen. Volgens Crawfurd, in „Journal of the Indian Archipelago”, 1850, p. 183, beteekent het a vice, a gripe, d. i. een nijptang. Het is zeker meer waarschijnlijk, dat men dit werktuig kakatoewa heeft genoemd, omdat zijn vorm en gebruik aan den snavel van dien vogel herinnerden, dan dat de vogel naar de nijptang is genoemd, zooals Crawfurd schijnt te meenen. Ook Klinkert, in zijn Supplement op het „Maleisch-Ned. Wdbk.” van Pijnappel, kent die beteekenis van nijptang, maar bovendien ook die van een soort van pagaai of schepriem. Dit laatste voorwerp wordt niet nader beschreven, maar moet toch ook, dunkt mij, gekenmerkt zijn door iets in zijn vorm dat aan een kakatoe doet denken. Pijnappel heeft in de tweede uitgave van zijn Woordenboek ook de beteekenissen van nijptang en een soort van pagaai opgenomen.
Lorre.
Lorre, of de verkleinvorm Lorretje, is de gewone naam waarmede bij ons een papegaai, als huisdier in een kooi gehouden, wordt aangesproken. Dus b. v. in Potgieter's „Liedekens van Bontekoe” (Verspreide en nagelaten werken, Poëzy, D. II, bl. 28):
Ai! Lorretjen, Kaporretjen, Kapoe, kapoe, kapoe, Houd mij je bekjen toe!
Ook bestaat er in onze taal een spreekwijs: „Hij is van lorretje [in zijn hersens?] gepikt”, d. i. hij is onnoozel.
Men heeft dit woord afgeleid van het Spaansche loro (volgens den „Diccionario de la real Academia Esp.”: lo mismo que papegayo); zie M. J. Koenen, „Sprokkelingen” (Tiel 1888). Dat loro (of louro, wat ik als Portug. vind opgegeven) in Indië reeds vóór onze komst door onze Spaansche en Portugeesche voorgangers gebruikt werd, is zeker mogelijk; maar de oorsprong van dit woord is stellig, evenals kazuaris, kakatoe en andere namen van alleen in het Oosten van den Archipel voorkomende dieren, in de talen van de Moluksche en Papoesche eilanden te zoeken. Die fraaie, borsteltongige, driekleurige papegaaien, de meest gezochte en geliefde als huisvogels, die aan de zoölogen onder den naam van lori (lorius) bekend zijn, komen in al hunne soorten bijna uitsluitend op genoemde eilanden voor. Hun inlandsche naam luidt noeri of, door de gewone verwisseling der liquidae, loeri, is ook in het Maleisch overgenomen en is het eigenlijke grondwoord van lori, loro, louro en lorre te achten.
Salanganen.
„De tot de gierzwaluwen behoorende Salanganen (Colocallia esculenta en C. fuciphaga) bouwen tegen den wand van de holen der kalkrotsen, uit eene kleverige zelfstandigheid, die in den krop wordt afgescheiden, de bekende eetbare nesten, die zulk een geliefd artikel voor de tafel der Chineezen zijn, dat de exploitatie voor Gouvernements-rekening eene niet onbelangrijke bijdrage aan de schatkist levert.” (Zie mijn „Java”, D. I, bl. 213). In het Javaansch heeten deze vogeltjes manoek walet, in het Maleisch lajang boehi; doch vanwaar komt de naam salangane, die voor deze vogeltjes bij Franschen, Duitschers en Nederlanders algemeen is? (Zie Littré's „Dictionnaire”, Brockhaus' „Conversations Lexicon”, Pijnappel's „Geogr. v. Ned.-Indië”, 2e druk, bl. 4). Sommigen leiden dien af van Salanga bij de Westkust van het Maleisch Schiereiland (bij Valentijn Oedjang Salang, en op zijne kaart Junsalan, bij Engelsche schrijvers Junk Ceylon met allerlei verscheidenheden in de schrijfwijze); maar ik heb geene bewijzen kunnen vinden, dat dit tinrijke eiland ook door zijne vogelnesten beroemd was. Eene andere verklaring, die ik niet geloof aan een eigen inval verschuldigd te zijn, maar meen ergens gelezen te hebben, is dat salangane (door een verwisseling der liquidae l en r, waarvan wellicht de sporen in sommige Maleische taaltakken zijn weer te vinden) gevormd is van het Maleische sarang, nest(12). Gelijk bij ons in den handel de eetbare vogelnestjes doorgaans alleen vogelnestjes heeten, noemen ook de Maleiers ze enkel sarang boeroeng, dat hetzelfde beteekent, en die uitdrukking is ook door de Javanen onveranderd overgenomen. Dit sarang zou dan, als salang uitgesproken, en met een Europeeschen uitgang vermeerderd zijn, zoodat salangane zooveel als nestvogel zou beteekenen, nest in de speciale beteekenis van de bekende eetbare vogelnestjes genomen.
Kaalkop.
Ik heb reeds bij het woord Toepassen gewezen op de zonderlinge liefhebberij onzer voorvaderen, om namen voor Indische zaken, die een zweem van overeenkomst met bekende Europeesche woorden hadden, zoodanig te verknoeien, dat zij geheel den vorm dier Europeesche woorden kregen, zonder dat de beteekenis daartoe eenige aanleiding gaf. Dat de gewone Jav. rijstmaat in plaats van Amĕt of Angmĕt door den naam hangmat werd aangeduid; dat eene vrucht, in sommige Indische talen soorsak geheeten, den naam van zuurzak ontving; dat de paséban, de plaats waar de Jav. ambtenaren zitting houden, passeerbaan werd geheeten; dat men kati, een gewicht van 1¼ Amst. pond, als katje uitsprak; dat men het eiland Bawéan verdoopte tot Baviaan, het Panditô-eiland tot Bandieten-eiland, het district Païton tot Phaëton, de bekende koopstad Djewônô of Djoewônô tot Joanna, den Banian-boom (een soort van Weringin) tot Benjamin (vanwaar bij Linnaeus Ficus Benjamina),—dit alles heeft niets met de beteekenis dier woorden te maken. Geheel onafhankelijk van deze, verminkte men al die namen, omdat zij zoo den Europeanen meer naar den mond stonden. Ik merk dit hier op, omdat sommigen gepoogd hebben den naam kaalkop, dien de Nederlanders aan de bekende vischsoort kakap gegeven hebben, te verklaren uit de omstandigheid dat de schubben op den kop en den nek van dezen visch zoo klein en met elkander verwassen zijn, dat deze deelen geheel kaal schijnen. (Zie „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 94). Mogelijk is het dat deze omstandigheid tot verbreiding en instandhouding van dien naam heeft medegewerkt, maar de aangehaalde voorbeelden geven ons genoegzamen waarborg, dat hij oorspronkelijk uit de corruptie van een inlandsch woord is ontstaan.
Bij de toegenomen kennis van de talen en de geographie van Ned.-Indië zijn die verbasterde woorden allengs in onbruik geraakt en worden ze thans zelden meer vernomen. Dit is ook reeds eenigermate met kaalkop het geval; althans Dr. van der Burg, „de Geneesheer in Indië”, D. I, bl. 156, verzekert: „Slechts zelden hoort men den verbasterden naam kaalkop voor dien visch bezigen”.
Hoe algemeen hij vroeger was blijkt b. v. uit Stavorinus „Reize naar Batavia”, I, 48, en zelfs uit Bleeker's „Geneeskundige topographie van Batavia” (Tijdschr. van N.-Ind. Jg. VII, D. III, bl. 408), die de woorden: „de vermaarde kaalkop van de Europeanen dezer Indiën” daarvan bezigt.
De kakap of ikan kakap (ikan beteekent visch) is eene soort van zeebaars, ongeveer zoo groot als een schelvisch, en heet bij de zoölogen Lates calcarifer (vroeger Lates nobilis). Hij is van alle zeevisschen te Batavia de meest geachte, en is voortreffelijk als hij versch gekookt kan gegeten worden, maar dieper in 't binnenland moeilijk goed te krijgen, daar het vleesch bij het vervoer bijna altijd eenigszins week en melig wordt.
Ik vermeld hier in het voorbijgaan nog even een nog zonderlinger naam van een visch, welke naam wel-is-waar ook in Indië te huis behoort, maar zuiver Nederlandsch in oorsprong en vorm is, en dus niet onder de vreemde woorden in de Nederlandsche taal kan gerangschikt worden. De bedoelde visch behoort mede tot de Percidae of baarzen en wel tot het geslacht Serranus, ondergeslacht Epinephelus. De inlanders noemen deze vaak zeer kolossale visschen gewoonlijk Ikan krapoe, maar volgen ook niet zelden het gebruik der Europeanen, die ze van oudsher Jakob Evertsen noemden. De oorsprong dezer zonderlinge benaming is vermeld door Bontius, „Historia naturalis et medica Indiae Orient.”, p. 77: „Piscis hic cute est flava, nigrioribus maculis per totum corpus distincta, unde nostri navales socii, cum primum in Indiam navigantes, circa insulam Mauritii eum cepissent, Jacob Evertsen vocabant, qui ipsorum Nauarchus, et homo parva et compressa statura, flava cute, plurimas similes maculas in facie gerebat, unde et per totam Indiam adhuc idem nomen retinet”. D. i.: „Deze visch heeft een gele huid, over het geheele lichaam met zwartachtige vlekken geteekend, waarom onze zeelieden, toen zij, op de eerste reizen naar Indië, zulk een visch nabij het eiland Mauritius gevangen hadden, dien Jakob Evertsen noemden, omdat deze hun vlootvoogd, een man van kleine en gedrongen gestalte en taankleurige huid, vele dergelijke vlekken in het aangezicht had. Dien naam heeft sedert deze visch in geheel Indië behouden”. Zie verder „Batavia in derzelver gelegenheid”, IV, bl. 26; Bleeker in T. v. N.-I. Jg. VII, D. III, bl. 409; van der Burg „de Geneesheer in Indië”, I, bl. 156 enz.
Kaaiman.
Kaaiman is volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” een soort van krokodil die de rivieren van Amerika, inzonderheid van Guiana, bewoont. Dit is volkomen juist en in overeenstemming met het oude en echte spraakgebruik. Piso, „de Indiae utriusque re naturali et medica”, p. 282, spreekt van den Crocodilus vulgo Cayman dictus als van een dier in West-Indië, gelijkende op de krokodillen van Afrika en Azië, maar kleiner. Bij S. de Vries „Curieuse Aenmerkinghen”, D. II, bl. 576, waar hij van Nieuw-Granada spreekt, leest men: „de rivieren herberghen ook 't verslindende dier, van de Indianen genoemd Caymans, van de Spanjaarden Lagartos, zijnde een slagh van crocodillen”. Wij zien hieruit dat de ware Kaaiman noch een Gaviaal, noch een echte Krokodil is, maar een Alligator. In het voorbijgaan zij hier opgemerkt, dat Alligator slechts in schijn een Latijnsch woord is, maar inderdaad een Spaansch, nam. Lagarto, vermeerderd met het lidwoord el, en waarin oorspronkelijk het Latijnsche lacerta, d. i. hagedis, schuilt. De naam waarvan wij kaaiman gemaakt hebben, is door de Indianen van Amerika zelven aan de hun bekende soort van krokodillen gegeven.
Intusschen wordt thans door de Nederlanders in den Indischen Archipel de naam kaaiman algemeen toegepast op den daar menigvuldig voorkomenden Crocodilus biporcatus, eene soort van echten krokodil, en men schijnt er zich zoozeer overtuigd te houden dat kaaiman van echt Nederlandschen oorsprong en met man samengesteld is, dat men, evenals man van timmerman in het meervoud timmerlieden, of in de volksspraak timmerlui maakt, zoo ook gewoon is van kaailieden en kaailui te spreken. Dat het gebruik van kaaiman voor den Oostindischen krokodil reeds zeer oud is, blijkt daaruit, dat Bontius, wiens aanteekeningen over de natuurlijke historie van Indië Piso als een aanhangsel op zijn zoo evengenoemd werk heeft uitgegeven, bl. 55 schrijft, dat de krokodil, zooals hij te Batavia voorkomt, „per totam Indiam Cayman audit.” Bontius was een tijdgenoot van Koen. Het blijkt dus dat de naam kaaiman reeds zeer vroeg, òf door onze landgenooten, òf door de Portugeezen, uit West-Indië naar Oost-Indië moet zijn overgebracht. Die vroege verbreiding van het woord in Insulinde doet mij echter bij voorkeur aan de Portugeezen als overbrengers denken, vooral in verband met zijn vorm. De Portugeezen schrijven het woord Caimâo of Caimam, vormen die, zooals bekend is, in uitspraak schier geheel met ons kaaiman overeenkomen. Wij zullen dus het woord door hunne tusschenkomst van de Indianen ontvangen hebben.
Het woord Caiman wordt ook in het Fransch gebruikt. Ik voeg hierbij wat Littré over den oorsprong van dit woord aanteekent, omdat het mijn gevoelen bevestigt: „Etym. Acayouman, nom du crocodile en langue caraïbe. Dict. fr. caraïbe du Père Raymond Breton, Auxerre, 1664. Indi Aquelzoallin, alii Caymanem vocant. Nieremberg, Hist. Nat. XII: 5. De los lagartos o Caymanes qua llaman (des lézards, ou, comme on dit, caimans). Acosta, Hist. nat. de Indias, III, 17.”
Leguaan.
Leguaan is de naam van de Kamhagedis, Iguana tuberculata, die Midden- en Zuid-Amerika bewoont. Het woord is stellig uit Amerika afkomstig en luidt in het Spaansch, waarin het vermoedelijk het eerst is opgenomen, Iguana. Het Woordenboek der Spaansche Akademie zegt uitdrukkelijk, dat Iguana de naam eener Amerikaansche hagedissensoort is, en Littré teekent aan op Iguane, „Etym. Yuana, mot caraïbe, cité par Oviedo en 1525”.
Maar evenals het woord Caimâo of Kaaiman, is ook Iguana of Leguaan reeds zeer vroeg naar Oost-Indië overgebracht en op de daar voorkomende hagedissensoorten toegepast. Bontius, in het aanhangsel op Piso, „de Indiae utriusque re nat. et med.”, p. 56, gelooft zelfs dat leguaan de inlandsche naam eener hagedis op Java is, en nog worden de hagedissen van het geslacht Monitor in Ned.-Indië algemeen leguanen genoemd, ofschoon wij thans genoeg van de talen van onzen Archipel weten, om in te zien dat die naam er niet inheemsch kan zijn. Zie Sal. Müller in de „Verhandelingen over de Nat. Gesch. d. Ned. overz. bezittingen, Afd. Zoölogie, Reptiliën”, bl. 37. Nochtans zijn wij Nederlanders waarschijnlijk niet de eersten geweest, die den Amerikaanschen naam op Oostindische hagedissen hebben toegepast. Vermoedelijk zijn de Spanjaarden ons daarin voorgegaan. In het „Vocabulario de la lengua Tegala” van Fray Domingo de los Santos wordt op bl. 515 het Spaansche lagarto (lacerta) verklaard door Yguana, als ware dit een Tagaleesch woord, en door Bayauvac, het Biawak der Maleiers.
Wat den vorm betreft schijnt leguaan, waar voor men bij onze oude schrijvers (b. v. S. de Vries, „Curieuse Aenmerkinghen”, I, bl. 82) ook legaan leest, eene verbastering te zijn van het Sp. Iguana, dat de Engelschen onveranderd hebben overgenomen, terwijl men in het Fransch Iguan of Iguane gebruikt. Geene andere Europeesche natie schijnt het woord te kennen in den door ons gebruikten vorm, met uitzondering van de Duitschers, die hun Leguan vermoedelijk van ons hebben overgenomen.
Tor.
Dit bekende synoniem van Kever (Hoogd. Käfer, Eng., ofschoon slechts plaatselijk, chafer) schijnt in het Nederd. alleen te staan; men wil het afleiden van tieren, wegens het snorrend of gonzend geluid dat sommige torren maken. Dit is echter slechts eigen aan eenige weinige onder de vele duizenden soorten van deze insecten. Men zou dus moeten aannemen dat het woord oorspronkelijk tot een of meer der meest geraasmakende soorten beperkt was, en bij uitbreiding een algemeene naam der schildvleugelige insecten geworden is. In ieder geval is kever, wanneer daarin, zooals men meent, het begrip van knagen ligt, een veel gepaster naam voor de geheele groep. Merkwaardig is het dat van tor noch in het Duitsch, noch in het Engelsch, ook zelfs in de dialecten, eenig spoor schijnt voor te komen.
Die sporen ontbreken echter niet in het Zweedsch en Deensch en wijzen in die talen op een geheel anderen oorsprong van Tor dan hierboven werd aangegeven. In het Zweedsch heet een kever Torbagge, Tordyfvel en Skalbagge. In het laatste schijnt skal de schaal, het vleugelschild, het eigenaardig kenmerk der kevers of schildvleugelige insecten, te beteekenen. Bagge houd ik voor hetzelfde woord als het Engelsche bug, dat thans wel-is-waar bijzonder de wantsen of halfvleugelige insecten aanduidt, maar vroeger wel niet zoo scherp begrensde beteekenis zal gehad hebben, daar vele hemiptera, met hunne halve dekschilden, niet in 't oog loopend van de torren verschillen.(13) Men moet zich altijd herinneren, dat dergelijke namen eeuwen lang gebruikt zijn, eer er entomologen opstonden die de klassen, geslachten en soorten nauwkeurig onderscheidden. Van dit bagge en bug schijnt mij ook het Nederlandsche bok in torbok niet wezenlijk te verschillen. Ik ken dit torbok slechts uit de woordenboeken van Weiland en van Dale, en zag nooit een voorbeeld van het gebruik, maar het is mij onmogelijk met Weiland aan te nemen, dat het hetzelfde is als boktor. Boktorren zijn de Cerambycidae of Longicornia, die zich door lange gebogen horens, als die van een bok, onderscheiden. Hoe onmogelijk het volgens ons taaleigen is, dat torbok, tenzij door later misverstand, hetzelfde zou beteekenen, daarvan kan men zich zonder geleerde beschouwingen gemakkelijk door een proef overtuigen. Geen Nederlander zal zich laten diets maken, dat een snuitkever ook een keversnuit of een loopkever ook een keverloop kan genoemd worden. In het Deensch heet een tor Torbist, Skarnbasse of, met een vage benaming, zooals ons worm, ook somtijds Bille. In Skarnbasse beteekent de eerste lettergreep mest, en bewijst dus dat die naam eigenlijk aan de mestkevers (Geotrupes) behoort. Bist en basse zullen wel met bagge, bug en bok verwant zijn.