UIT OOST EN WEST. (continued 5)
Reading edition
Dat de tamarindeboom een overvloed van fijn gevederd loof draagt en de prachtigste lanen vormt, en dat de vrucht een heerlijk zuur voor de spijsbereiding oplevert, waarom de boom in het Javaansch wit-asĕm, in het Maleisch pohon-asam, dat beide de zuurboom beteekent, genoemd wordt, zijn bijzonderheden, die geen plaats laten voor de meening, dat hij soms in andere opzichten iets met den dadelpalm kan gemeen hebben.
Kerrie.
Kerrie (Eng. curry) is de algemeen bekende naam eener soort van specerij, uit de gepulveriseerde bladeren van verschillende aromatische planten vervaardigd, die ons uit Oost-Indië wordt aangebracht en doorgaans in flesschen in den handel komt. Onder de planten uit wier bladeren kerrie bereid wordt, noemt men Bergera Königi, Canthium parviflorum en andere. Het woord stamt uit het Tamielsch, luidt in die taal juist gezegd Kari (zooals het ook te Batavia door de inlanders wordt uitgesproken), en beteekent eigenlijk een gerecht, een schotel. Daar nu de inlandsche gerechten der Malabaren doorgaans met geurige kruiden worden toebereid, hebben de Europeanen dien naam niet van het gansche gerecht, maar alleen van die toespijs opgevat.
Bij van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, vindt men den vorm carryl gebezigd: „koken nimmermeer rijs ofte daer moet tamarinio bijwesen, waaruit hunnen compost, die zij carryl noemen, toemaken.” De tegenwoordige vorm kerrie schijnt rechtstreeks van het Engelsche curry af te stammen, evenals wij, naar het mij toeschijnt, herrie, dat een gewoon volkswoord geworden is,(55) ofschoon het nog in geen Nederlandsch woordenboek gevonden wordt, hebben gemaakt van het Engelsche hurry, dat spoed, overhaasting, verwarring, rumoer beteekent.
Benzoë.
Deze, voor zoover mij bekend is, alleen in het Hoog- en Nederduitsch gebruikelijke vorm tot aanduiding der welriekende hars of gom van Styrax Benzoïn (een zeer geacht voortbrengsel van den Ind. Archipel, inzonderheid van Sumatra) is de algemeene bij onze hedendaagsche schrijvers (b. v. Miquel, „Sumatra”, bl. 72; de Sturler, „Handboek v. d. Landb. in N. O. I.”, bl. 997; van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”). Vroeger schreef men benjuin (Baldaeus, „Beschrijv. van Malabar en Chorom.”, bl. 13) en gewoonlijk benzoïn (Valentijn, „Sumatra”, bl. 2; Eschelskroon, „Beschrijving van Sumatra”, bl. 64; ook nog Ritter, „Indische herinneringen” (1843), bl. 265). Radermacher, „Verhh. v. h. Bat. Gen.”, D. III, bl. 44, schrijft benzuin. In de „Hist. Beschr. d. Reizen” D. XXI, bl. 37, leest men benjoïn, den gewonen Franschen vorm, die uit den oorspronkelijken tekst in de vertaling zal zijn overgegaan. In het Engelsch zegt men benzoin of benjamin, het laatste vooral in Indië gebruikelijk en ontstaan uit de zucht, om vreemde woorden naar bekende klanken te verknoeien. De Italiaansche vormen zijn belzuino en belguino, de Spaansche benjui en menjui. De Portugeesche schrijvers eindelijk, die het woord misschien wel het eerst gebezigd hebben, gaven het de vormen benjoïm, beijoim of beijuim.
Onder deze menigvuldige vormen is het moeilijk te bepalen welke de zuiverste is, waardoor ook de nasporing van den oorsprong wordt bezwaard. De vormen in de inlandsche talen van den Archipel zijn niet minder menigvuldig, maar wijzen toch ook op een gemeenschappelijken oorsprong. Daar de echte benzoë vooral in de Bataklanden op Sumatra te huis is, mag de Bataksche vorm kemèndjen (Daïrisch hamindjon) wel het meest als de oorspronkelijke in aanmerking komen. „Dit kemèndjen,” schreef mij de heer Neubronner van der Tuuk, „is in 't Menangkabausch in 't noordelijk dialect koemòjon, in 't zuidelijk koemajan, voorts in 't gewoon Maleisch kemènjan en in 't Javaansch en Bataviaasch-Maleisch menjan geworden.”
Ofschoon beijoin (in 't Portugeesch de meest gebruikte vorm) en kemèndjen zeer ver van elkander schijnen te staan, vertoont zich een sterke toenadering tusschen benjoïn, dat mij de oudste Portugeesche vorm schijnt te zijn, en menjan. Het eerste kan door gewone letterverwisselingen tot het tweede herleid worden, en men vindt dan ook in het Spaansche menjui de m terug. De mogelijkheid schijnt mij hiermede gegeven, om in mendjen den grondvorm van al de verschillende vormen te vinden.
Intusschen heeft men ook eene afleiding van het woord uit het Arabisch voorgesteld, die niet van waarschijnlijkheid ontbloot is. Wij danken haar aan Valentijn, „Groot-Java”, bl. 67. De Arabische naam van de benzoë is loebân djâwi, d. i. Javaansche, of liever, wegens de ruimere beteekenis die Djawa oudtijds bij de Arabieren had (zie mijn „Java”, D. II, bl. 11–13) Indonesische wierook. Hieruit zou, door weglating der eerste lettergreep en samenvatting in één woord, bândjawi, naar Afrikaansche uitspraak beendjâwi, en door verdere verbastering beenzâwi, benzoïn, benzoë ontstaan zijn. Werkelijk komt de volledige naam loebân djâwi voor bij Ibn Bathoetha, IV, bl. 228, ofschoon de Arabieren gewoonlijk òf alleen loebân òf alleen djâwi gebruiken, zooals Dozy, „Glossaire des mots Espagnols,” enz. p. 239, met voorbeelden doet. Ook zegge men niet, dat de vorm benzoïn of benzoë in het Portugeesch onbekend is. Ofschoon hij in de woordenboeken ontbreekt, leest men bij Moraes Silva het daarvan afgeleide bijv. nw. benzoïco.
Deze afleiding uit het Arabisch krijgt, zooals terecht door v. d. Tuuk is opgemerkt, daardoor waarschijnlijkheid, dat de Portugeezen de namen van Oostersche producten doorgaans onmiddellijk van de Arabieren hebben ontvangen. Ik durf echter niet zoover gaan als Prof. Dozy, die in zijn aangehaald „Glossaire” deze verklaring zonder voorbehoud „la véritable étymologie de ce mot” noemt. Indien werkelijk benzoë met de Indonesische namen dezer stof niets te maken heeft, is de klankovereenkomst, die toch ongetwijfeld tusschen de Europeesche en Indonesische namen bestaat, een zonderling toeval.
Guerilla.
Dit woord behoorde eigenlijk guerrilla geschreven te worden, want het is een Spaansch deminutief van guerra, oorlog. De letterlijke beteekenis is dus kleine oorlog, d. i. een oorlog die, althans van ééne zijde, gevoerd wordt door ongeregelde, aan geen militaire tucht onderworpen troepen, die zich in het gebergte of in de bosschen schuil houden, en in kleine partijen hunne tegenstanders overvallen en zooveel mogelijk afbreuk doen, om zich dan weder ten spoedigste voor hen te verbergen. In zulk een oorlog vallen dus geene veldslagen voor en vinden geene geregelde belegeringen plaats. Men heeft echter in Spanje den naam guerrilla ook overgedragen op de ongeregelde benden zelven, die op deze wijze krijg voeren, met dien verstande, dat alsdan doorgaans in het meervoud guerrillas wordt gebezigd.
De Franschen, dit woord overnemende, hebben daarin eene der r's laten vallen, en schrijven dus guerilla, wat bij het gebruik in onze taal wordt nagevolgd. Men spreekt bij ons ook wel van een guerilla-oorlog, eene uitdrukking die natuurlijk onbestaanbaar is, als men guerilla in de oorspronkelijke beteekenis opvat, maar zich zeer goed laat verdedigen als men denkt aan een oorlog, door guerillas of ongeregelde troepen gevoerd.
Tinka.
Zoo wordt dit woord geschreven door den heer J. ten Brink, die er telkens gebruik van maakt in zijne „Oost-Indische dames en heeren”, en wel altijd in de beteekenis van grillen, kuren, nukken; b.v. D. I, bl. 35: „Tinkaas! als ze niet dadelijk stil is, moet Moenah met haar naar binnen”; bl. 72: „We moeten ze wat ontzien, al hadden ze ook de lastigste tinkaas”; bl. 214: „Altemaal tinkaas!”; D. II, bl. 165: „Lucy is een zottin met een massa kuren en tinkaas.” Bij van Rees, „Herinneringen”, vinden wij hetzelfde woord, in dezelfde beteekenis tingka geschreven; b. v. D. I, bl. 124 (3e druk): „Het is geen wonder dat die paarden tingka's hebben.” Inderdaad is tinka voldoende, daar de n vóór de k van zelve als ng wordt uitgesproken.
Het woord, zeer gebruikelijk in de samenleving der Indo-Europeanen te Batavia, is uit de inlandsche talen overgenomen. Het is gemeen aan het Javaansch, Soendaasch en Maleisch, en heeft in die talen niet alleen de ng, maar ook nog een h op het einde (dus tingkah), die echter in de uitspraak niet of nauwelijks gehoord wordt. Het heeft echter oorspronkelijk eene meer algemeene beteekenis, namelijk die van wijze van zijn of van doen, manier. De overgang tot de meer beperkte beteekenis van bijzondere, in het oog loopende manieren, grillen of kuren is nagenoeg dezelfde als die in onze taal, wanneer wij van manier en gemanierdheid in de kunst spreken.
Bendi.
Bendi, soms ook bindi (en in het Tamielsch, waaruit het misschien afkomstig is, wendi) geschreven, is op Java de gewone, ook onder de Europeanen zeer gebruikelijke naam van een licht, tweewielig rijtuig of sjees. Ziehier eenige voorbeelden: Van Hoëvell, „Reis over Java”, I, bl. 128: „De Regent bood mij eene bindi aan om mij verder te brengen”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. I, bl. 123: „Onder een afdak op het smalle plaatsje, tegenover den stal, prijkte een keurige bendy”. Ten Brink, „Oost-Ind. dames en heeren”, I, bl. 250: „soms was een bendi hen voorbijgesneld”. (Zie ook bl. 67, 90, 109, 148, enz. enz.) Van Rees, t. a. p., gebruikt ook het samengestelde bendyjongen. Voor het gebruik der y in dit woord is geen reden.
Baboe.
Baboe beteekent in het Javaansch en Maleisch de voedster of minne van een kind, hetzij de moeder zelve of eene andere vrouw die taak vervult, en bij uitbreiding ook de oppasster van een kind of kindermeid. Het gebruik van het woord komt zeer overeen met dat van het Engelsche nurse; de baboe is zoowel dry nurse als wet nurse. Ook in Nederland is dit woord zeer bekend en gebruikelijk. De Javaansche meiden, die vaak de uit Indië terugkeerende familiën tot verzorging der nog jonge kinderen naar Europa vergezellen, zijn algemeen bij den naam van baboe bekend, en in onze dagbladen zijn advertentiën niet zeldzaam, waarbij eene naar Europa overgekomen baboe hare diensten aan naar Indië vertrekkende familiën aanbiedt, of gelegenheid zoekt op andere wijze naar haar vaderland terug te keeren.
Ampas.
Ampas is een Javaansch en Maleisch woord, dat volgens het „Jav. Woordenboek” van Prof. Roorda beteekent: „het vaste overblijfsel van iets, waarvan de waterdeelen uitgeperst zijn, of dat uitgetrokken of uitgekookt is, zooals van uitgeperst suikerriet, koffiedik of teebladeren”. Volgens Klinkert's „Supplement op het Mal. Woordenb. van Pijnappel” beteekent het te Riouw ook uitvaagsel, afschrapsel.
Bij de Europeanen in Indië is dit woord zeer in gebruik voor den afval in de fabrieken van suiker en indigo, bv. de Sturler „Handboek v. d. Landbouw in Ned. O.-I”, bl. 823: „De dessahoofden wier indigo-product verwerkt wordt, moeten zorgen dat er steeds brandstof voorhanden is, wanneer de ampas (in dit geval de takjes der bladeren) ontbreken mocht”.
Bibit.
Bibit is Javaansch en Maleisch en is een zeer gebruikelijk woord bij den landbouw in Ned.-Indië, om de jonge plantjes van rijst, suikerriet, tabak, enz. aan te duiden, die op kweekbeddingen worden geteeld, om later op den akker te worden overgeplant. De Sturler, „Handboek voor den landbouw in Ned.-Indië”, bl. 1108: „Voor bibit neemt men jonge stekken van het boveneinde”. Van Rees, „Herinneringen”, 3e druk, D. II, bl. 17: „Met kinderlijke onnadenkendheid verkoopt de Javaan den oogst van de pas geplante rijst-bibit, de vruchten die nog aan zijne boomen moeten wassen”.
Bij de cochenielje-teelt worden ook de jonge insecten die op nieuwe nopalplanten worden overgebracht, bibit genoemd. De Sturler, t. a. p. bl. 1014: „Gedurende de eerste vijf dagen dat de cochenille aan het baren is, is zij het best geschikt om voor bibit te dienen, teneinde op andere nopals overgebracht te worden.”
Kris.
De kris is het gewone wapen der Javanen, dat zij zelfs in den diepsten vrede altijd bij zich dragen. „Men kan de kris een ponjaard noemen, omdat het lemmer (behoudens de golving) steeds recht en slechts drie à vier palmen lang is; maar het is daarentegen altijd plat, als dat van een zwaard, ofschoon scherp aan beide zijden. De snede, hoewel nooit ver van de rechte lijn afwijkend, volgt in vele der meest voorkomende verscheidenheden eene golflijn met meer of minder, en grooter of kleiner bochten.” In deze korte beschrijving, die ik hier overneem uit mijn „Java”, D. I, bl. 611, heb ik getracht de onnauwkeurigheden te vermijden, die gewoonlijk in de omschrijvingen van het woord worden aangetroffen. De kris heeft niet den vorm eener slang en kan zelfs geheel recht van snede zijn; een kris is dikwijls vergiftigd, maar dit behoort niet tot zijn wezen.
Het is zonderling dat in een zoo eenvoudig woord, dat met de letters onzer taal nauwkeurig kan worden uitgedrukt, zoovele verschillende en verkeerde schrijfwijzen voorkomen, vooral daar men den juisten vorm cris (= kris) reeds vindt in „Begin en Voortgang”, tweede schipvaerd der Hollanders, bl. 12. Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 25, schrijft: „de pongiaerden, die men in Indië heet cryses.” Bij Wouter Schouten vind ik nog in de uitgave van 1780 kritzen gespeld. Vooral vindt men dikwijls krist geschreven.
Van kris heeft men in Indië het werkwoord krissen gevormd, voor met de kris afmaken. Zoo zal men er bijv. zeggen: „de ter dood veroordeelde misdadigers werden vroeger in de Vorstenlanden op Java gekrist.”
Martavaan.
Martavaan, soms martevaan geschreven, is onder de Europeanen in Indië de naam van een soort van groote aarden vaten of potten van oude herkomst en bij de inlandsche bevolking in groot aanzien. Beroemd was van ouds de Martavaan van Soya op Amboina, door Valentijn, III, 1, bl. 9, beschreven als: „een verglaasde, groote Siamsche pot”, die omtrent een half uur van het dorp op eene hoogte stond, waarbij eene godheid haren zetel had, die, als na het offer van een witten haan, met een bamboestokje uit het naburig bosch in den pot geroerd werd, onmiddellijk regen gaf. Wanneer de inlanders boven de hoogte regenwolken zagen, plachten zij te zeggen: „Radja Soya roert zijn pot”. Vgl. nog ald. bl. 30 en Brumund, „Indiana”, II, 73. In het „Tijdschr. v. N.-I.” 1871, D. II, bl. 238 v. wordt gewaagd van merkwaardige overblijfselen der oudheid, voornamelijk bestaande uit een oud stuk geschut, een verminkt beeld en een groote martavaan, gevonden bij den oorsprong der Tjitaroem in de Preanger Regentschappen.
Men leest somtijds van „Japansche Martavanen”, b.v. bij Perelaer, „Ethnologie der Dajaks”, bl. 112, die niet of nauwelijks verschillen van de oude tampajans of koelpotten, door de Dajaks zoo hoog in eere gehouden (zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, D. II, bl. 262). De herkomst dier oude, vaak zoo verbazend duur betaalde potten wordt als onzeker beschouwd. (Zie Sal. Muller's „Reizen en onderzoekingen in den Ind. Archipel”, D. I, bl. 264). Mij schijnt het toe dat zij echte Martavanen zijn, maar dat thans onder dien naam ook Japansche en Chineesche namaaksels in den handel komen, die echter de Dajaks (vgl. Perelaer, bl. 117) zeer wel van de echte weten te onderscheiden.
Doch, daargelaten welke betrekking er tusschen de echte Martavanen en de tampajans der Dajaks bestaat, zeker is het dat de herkomst van eerstgenoemde aan onze oude schrijvers niet onbekend was. Valentijn, zooals ons reeds bleek, noemt ze Siamsche potten, en dit is in zooverre juist, dat hun eigenlijk vaderland Martaban, een landschap van Achter-Indië, dat thans deel uitmaakt van de Britsche provincie Tenasserim, aan Siam grenst en er oudtijds toe behoorde (zie Valentijn, III, 2c, Tonkin enz., bl. 58). Dit Martaban, welks gelijknamige, aan de Golf van Martaban gelegen hoofdstad, in vroeger eeuwen een zeer belangrijke handelsplaats was, maar thans als zoodanig geheel door het naburige Maulmain is in de schaduw gesteld, wordt door Valentijn bestendig Martavan genoemd, eene spelling die wegens de zoo gewone verwisseling van b en v niets bevreemdends heeft. Een nog oudere schrijver, P. v. d. B(roeck), in zijne „Curieuse beschrijving van verscheyde Oost-Indische gewesten” (Rott. 1677), schrijft zelfs herhaaldelijk Martavaan (bl. 112, 117, 121), geheel zooals de naam der potten gewoonlijk geschreven wordt. Maar v. d. Broeck noemt ook uitdrukkelijk, waar hij, bl. 121, de handelswaren dezer landen opsomt: „Potten, groot en kleyn, die men naar het land Martavanen noemt”, en verzekert ons een paar regels verder, dat deze potten alleen van Martavaan en Taway komen. Ook Valentijn, V, 1, bl. 118, spreekt van: „Verglaasde potten, Martavanen, na 't land daar zij eigenlijk vallen, genoemt”, en voegt er ook bij dat zij alleen in 't rijk van Martavan en Taway worden gekocht. Er kan dus omtrent de herkomst der Martavanen en den oorsprong van hun naam geen twijfel bestaan. Die naam is een der vele voorbeelden van waren, die eenvoudig naar de plaats van herkomst genoemd worden.(56)
Diezelfde naam voor dezelfde potten was ook, doch in den vorm Martaban, aan de Arabieren bekend, en kan wellicht door onze voorouders van hen zijn overgenomen, een vermoeden dat voor de hand ligt, daar martaban of martavaan in de talen van den Ind. Archipel niet schijnt bekend te zijn. De Arabieren gebruikten deze potten tot bewaring van confituren, specerijen, geneesmiddelen enz. De Arabische reiziger Ibn Bathoetha verhaalt, dat hij van eene Indische vorstin vier Martabanen ten geschenke kreeg, gevuld met gember, peper, limoenen en andere provisiën. Zie de noot op een fragment van Ibn Bathoetha door Dulaurier, „Journal Asiatique”, 1847, I, bl. 252.
De heer Logan spreekt over de Martavanen in den Jaarg. 1850 van het „Journal of the Indian Archipelago”, p. 336. Hij gewaagt daar van „the fame which Pegu, and especially Martaban, at one time enjoyed for their beautifully glazed and gilded vases, sometimes of enormous size.” Deze woorden zeggen nog iets meer dan de plaatsen van v. d. Broeck, Valentijn en Ibn Bathoetha, van welke Logan de laatste aanhaalt, maar de beide andere waarschijnlijk niet eens kende; hieruit is af te leiden dat de Martavanen en hunne vervaardiging te Martaban hem ook uit andere bronnen bekend waren. Hij voegt er bij dat de vraag naar deze vazen (hij noemt ze „dragon vases” omdat zij met draken versierd zijn) eenmaal zeer groot moet geweest zijn bij de Hindoe-kolonisten op Java, daar op dat eiland dikwijls martavanen met andere overblijfselen van den Hindoe-tijd worden opgegraven. Voor hem is het ook niet twijfelachtig of de tampajans der Dajaks zijn werkelijk als Martavanen te beschouwen. Volgens deze aanduidingen moet er eenmaal tusschen de volken langs de Irawaddi en de bevolking van westelijk Insulinde een druk verkeer hebben plaats gegrepen,—een feit dat de bijzondere aandacht verdient van hen, die zich aan de studie der ethnologie en oude geschiedenis van den Indischen Archipel wijden.
Benting.
Benting, ook benteng en binting uitgesproken, is een Javaansch en Maleisch, misschien van het Sanskritsche bhitti, wal, gevormd woord, dat een schans of bolwerk beteekent. Het woord is iederen Nederlander gemeenzaam, die niet geheel vreemdeling is in de krijgsgeschiedenis van Ned.-Indië, en de werken van Weitzel, de Stuers, Lange, van Rees, Perelaer over onze oorlogen op Java, Sumatra, Borneo en Celebes heeft gelezen. Voorbeelden komen in die werken bij honderden voor en het is bevreemdend, dat benting noch in het „Nieuw Ned. Wdbk.” van van Dale, noch in den „Kunstwoordentolk” van Kramers en Bonte is opgenomen. Vooral in den Javaanschen oorlog met Dipå Negårå spelen de bentings een groote rol. Er werden toen door het Nederlandsche leger een verbazend aantal van die kleine schansen op de wijze der inlandsche versterkingen opgericht. De vijand was er langen tijd in geslaagd, door de taktiek om ernstige gevechten te vermijden, maar zich in kleine afdeelingen over een groot terrein verspreidende, onze troepen aanhoudend te verontrusten, van tijd tot tijd belangrijke voordeelen te bevechten. De Generaal de Kock besloot nu elken voet gronds, op den vijand veroverd, door de oprichting eener kleine benting met blijvende bezetting tegen zijn terugkeer te waarborgen. Die bentings werden door wegen met elkander verbonden, waarop aanhoudend kleine mobiele kolonnes heen en weder trokken, om de gemeenschap tusschen de versterkingen te onderhouden en het doordringen van den vijand tusschen de posten te beletten. In onze Indische krijgsgeschiedenis is deze wijze van oorlogen, die later door den Maarschalk Bugeaud in Algerië tegen Abd-el-Kader werd nagevolgd,(57) bij den naam van bentingstelsel bekend. Dit stelsel wordt door den Generaal Weitzel, „de oorlog op Java”, D. II, bl. 34–42, uitvoerig beschreven en door de afbeelding eener benting toegelicht.
Sago.
Sago, eigenlijk Sagoe, ofschoon de eerstgemelde uitspraak in onze taal alleen gebruikt wordt, is de Maleisch-Javaansche naam van een soort van zetmeel of meelachtig merg, dat in de stammen der Cycadeeën en van vele soorten van palmen, zooals de Arengpalm, de Gebangpalm, eenige soorten van het geslacht Caryota, maar bovenal in de palmen van het geslacht Metroxylon, bij uitnemendheid sagoboomen genoemd, wordt aangetroffen. De sagoboomen zijn over den geheelen Archipel verspreid, ook op Java, waar zij in het Javaansch boeloe, in het Soendaasch kirai heeten en in de administratieve taal bij den naam van zoetwater-nipah bekend zijn. Zij worden daar in sommige streken veel aangeplant, omdat de bladeren een goede dakbedekking (atap) opleveren en uit de bladstelen sterke matten gevlochten worden; maar het meel is er in geen tel, en wordt slechts door zeer arme lieden of bij groote schaarschte van rijst als voedsel gebruikt. Van de sago en hare aanwending op de overige groote Soenda-eilanden schijnt weinig bekend te zijn, behalve dat met Maleische vaartuigen groote hoeveelheden ruwe sago van Borneo's Noordwestkust en Sumatra's Oostkust te Singapore worden aangebracht, om daar in fabrieken, die bijna allen aan Chineezen behooren, tot korrel- of parel-sago, den vorm waarin de sago in Europa in den handel komt, te worden verwerkt. Maar het eigenlijke gebied der sago, waar met geringe moeite uitgestrekte sagotuinen worden aangeplant en onderhouden, waar het merg uit de gevelde en doorgezaagde stammen losgeklopt en uitgelicht en vervolgens gewasschen en van houtvezels gereinigd wordt, en waar het dus verkregen meel, op verschillende wijzen bereid, nam. als pap (papéda), broodjes (lempeng) en als koekjes en gebakjes van velerlei soort, het hoofdvoedsel der bevolking uitmaakt, zijn de Moluksche en Papoesche eilanden in het algemeen en Amboina met de omliggende eilanden bovenal.
Alang-alang.
Alang-alang is de, bij de Europeanen in Indië algemeen gebruikelijke, laag-Javaansche naam van eene soort van lang rietgras, (Imperata arundinacea of Imperata Königii), die in hoog-Javaansch kambĕng, in het Soendaneesch eurih, in het Maleisch lalang heet. Dit gras, tot eene hoogte van drie à vier voet opschietende en dicht bijeen groeiende, vormt op Sumatra, Java en elders uitgestrekte, door vele tijgers bewoonde wildernissen, daar het mijlen ver de vlakten en zachtglooiende berghellingen met een eentonig, vaalgroen kleed bedekt. Het vertoont zich spoedig overal, waar vroeger voor den landbouw ontgonnen velden weder verlaten en der woeste natuur prijsgegeven worden. Men bedient zich van het alang-alang veelvuldig tot dekriet voor inlandsche woningen. Vgl. op Atap.
Atap.
Atap Mal., atĕp Jav. en Soend., schijnt oorspronkelijk in het algemeen dak of dakbedekking te beteekenen; men spreekt daarom ook van de atap, of het dak, eener Javaansche kar (pedati). Wanneer men dus, gelijk dikwijls gebeurt, het alang-alang-gras of de nipah-bladeren atap noemt, heeft dit geen betrekking op de planten; maar op het materiaal voor dakbedekking dat zij opleveren. Atap is nooit een plantennaam. De uitdrukking „een dak van atap” of „een atappen dak”, dikwijls door Europeanen gebezigd, is daarom ook eigenlijk niet juist; want wie zal van „een dak van dakbedekking” spreken. Zij is echter eenigszins verschoonbaar en brengt althans geen misverstand teweeg, omdat het gebruik gewild heeft dat atap, ook door de inlanders, gebruikt werd van het gewone dakmateriaal, dat in sommige streken het nipah-blad, in andere het alang-alang-gras is, en zulks in tegenstelling met de daken vervaardigd van sirap, kleine houten plankjes of platte stukjes bamboes, op de wijze onzer dakleien geplaatst, en van talahab of gekloofde bamboeleden, waarvan eerst eene laag met de holle en dan eene met de bolle zijde naar boven op het dakgeraamte gelegd wordt.
Bandjer.
Bandjer of Banjer, een zeer gewoon woord bij de Europeanen in Indië en in geschriften die over Indië handelen, is het Mal. en Jav. bandjir, d. i. overstrooming, watervloed, zooals die op Java, ten gevolge van het plotseling zwellen der rivieren, in den regentijd voorkomt. Men kan in dien tijd nauwelijks berichten over Java opslaan, zonder van bandjirs gewag te vinden. Van de vreeselijke uitwerkingen van zulk een bandjir gaf eenmaal Douwes Dekker, ik meen in zijn boekje: „Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb”, eene aangrijpende beschrijving.
Het zeer algemeene woord is terecht opgenomen in het „Nieuw Ned. Wdbk.” van van Dale; maar zijne verklaring: stortvloed, zware regenbui, is niet geheel nauwkeurig; want bandjir duidt nooit den zwaren regen zelven aan, maar steeds zijn gevolg: den stortvloed.
Djaksa.
Djaksa, Mal. en Soend. (de Javaansche vorm is djĕksô), heet ook bij Europeanen, en zelfs in officieele stukken, de openbare aanklager, fiskaal, of, zooals men thans meestal zegt, officier van justitie bij de inlandsche rechtbanken. Zie b. v. van der Lith en Spanjaard, „Staatsinstellingen van Ned.-Indië”, bl. 144: De titel van de inlandsche officieren van justitie is die van hoofd-djaksa op de hoofdplaatsen der gewesten, elders die van djaksa. Adjunct-djaksa's staan hun gewoonlijk ter zijde.
Balé-balé.
In het Javaansch beteekent balé in de eerste plaats ongeveer hetzelfde als ambèn, d. i. eene bank, zit- of ligplaats, doorgaans van bamboe vervaardigd, en die het voornaamste stuk huisraad in eene Javaansche woning uitmaakt. Op zulk eene bank strekt de Javaan gaarne op het warmste van den dag de van den arbeid vermoeide leden uit, om zich over te geven aan eene droomerige rust. Gelijk vele andere woorden wordt ook balé, althans in de hier vermelde beteekenis, dikwijls verdubbeld, en bij de Indo-Europeanen op Java is het bepaaldelijk de gewoonte geworden, altijd dien geredupliceerden vorm te bezigen. Zoo lezen wij b. v. bij van Hoëvell, „Reis over Java”, D. I, bl. 127: „Menigmaal kon ik de verzoeking niet weerstaan, mij op een oogenblik op een balé-balé voor een der woningen neder te zetten.”
Door eene uitbreiding van het gebruik beteekent het Jav. balé ten tweede ook een pandôpô of paviljoen, dat bij bijzondere gelegenheden tot zitplaats dient, en hieraan sluit zich de beteekenis van het Maleische balei, dat ongetwijfeld hetzelfde woord is, dus omschreven in het „Mal. Woordenboek” van Pijnappel: „een aan de vier kanten open gebouw, dat voor vergaderingen, het huisvesten van vreemdelingen enz. dient, het raadhuis.” Zulk een gebouw is inderdaad te vergelijken met eene groote overdekte rustbank. Vgl. Klinkert's „Supplement”. Ook in dezen zin komt balei wel eens in Nederlandsche geschriften voor, b. v. van Hasselt, „Volksbeschrijving van Midden-Sumatra”, bl. 142; Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche bovenlanden”, bl. 9. Laatstgenoemde schrijft ook dit woord balei-balei, waarschijnlijk omdat hem die vaak, schoon in andere beteekenis, op Java gehoorde klank voor den geest zweefde.
Er ligt iets verleidelijks in om ons balie, in den zin van rechtbank, van dit Maleische balei af te leiden; want in beide heeft het woord bank eene gelijksoortige uitbreiding erlangd. Het denkbeeld is dan ook werkelijk geopperd; maar het woord behoort volstrekt niet tot die klasse van woorden, die ons Nederlandsch aan het Maleisch verschuldigd is. Maar bovendien is het niet twijfelachtig of de ware beteekenis van balie is afpaling, afschutting, hek, slagboom, het Latijnsche cancelli (waarom het ook voor het afschutsel eener stoep, de leuning eener trap enz. gebezigd wordt), en dus ook de afschutting tusschen de rechters en advokaten. De advokaat spreekt dus vóór de balie. Misverstand dier uitdrukking zal aanleiding gegeven hebben dat het woord op de rechtbank zelve werd overgebracht.
Moksa.
Ik verkies deze schrijfwijze boven de gewone moxa, niet alleen omdat het Nederlandsch het gebruik der letter x verwerpt, maar ook omdat, zooals zoo aanstonds blijken zal, in het Japansch, waaraan dit woord ontleend is, de k en s afzonderlijke letters zijn, zelfs door een korte vokaal gescheiden. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”, art. Moxa, omschrijft de beteekenis dus: „bijvoetwol, uitwendig als brandmiddel gebruikt ter genezing van jicht en podagra.” Inderdaad is het niet de bewerking, maar de stof, die moxa genoemd wordt, zoodat die naam ten onrechte door de Europeanen gebezigd wordt, wanneer men eene andere stof dan de bijvoet voor de brandwonde bezigt. Wijlen Prof. Hoffmann gaf mij omtrent dit woord op mijn verzoek de volgende opheldering: „Moksa is de vulgaire Japansche naam van Artemisia vulgaris L. (bij ons bijvoet). Het woord wordt ook Mo-kusa (Mo-ksa) en Mo-gusa geschreven, en beteekent naar mijne opvatting brandkruid, van Mo, Moye = branden (intransit.) en Kusa, kruid. De wetenschappelijke Japansche naam is Yo-mogi, de Chineesche Gai of Ngai. Men bezigt de stelen tot pitten van waskaarsen en de gedroogde bladeren tot het zoogenaamde moksa-branden, waarvoor de Europeesche kliniek thans schietkatoen bezigt. De Japaneezen hebben het moksa-branden van de Chineezen geleerd, en de Europeanen (Kaempfer, Thunberg enz.) zijn het eerst door de Japaneezen hiermede bekend geworden.” Uitvoerige mededeelingen over het moksa-branden, de bereiding der stof, de wijze en het doel der aanwending vindt men in Kaempfer's „Japan” (Ned. tekst), bl. 463–472. In de hedendaagsche geneeskunde is het moksa-branden nauwlijks meer bekend.
Soja.
Gewoonlijk schrijft men Soya; doch ik zie geene reden waarom wij eene lettergreep volkomen gelijkluidend met ja in jagen en Java, in andere woorden ya zouden schrijven. In het Engelsch heeft de y de waarde onzer j, en de j de waarde die wij in vreemde woorden door dj (of dsj) uitdrukken, omdat geene letter in onze taal aan dien klank beantwoordt. Iedere taal houde zich in de spelling aan haar eigen klankstelsel; anders geraakt men in onoplosbare verwarring en bevordert verkeerde uitspraak. Dus ook geen u (als in het Duitsch en Italiaansch) of ou (als in het Fransch) voor den klank dien wij met oe uitdrukken. Alleen in vreemde eigennamen, waarvan geen Nederlandsche vormen bestaan en die in het oorspronkelijk met dezelfde letterteekens (ofschoon niet altijd met dezelfde waarde) als in de onze geschreven worden, behoude men de vreemde spelling. Het spreekt echter van zelf dat deze regelen niet toepasselijk zijn op wetenschappelijke werken, waarin een vast stelsel van transscriptie gevolgd wordt, zooveel mogelijk alle talen omvattend. De lezer behoort dan echter gewaarschuwd te worden, dat hij met eene algemeene, niet met eene Nederlandsche spelling te doen heeft.
Soja is de naam eener Japansche saus, die ook bij ons door velen als een aangenaam toevoegsel bij vele spijzen beschouwd wordt. In het Japansch luidt het woord soo-joe of sjoo-joe en beteekent uitstekende saus.
Het hoofdbestanddeel dezer saus is een soort van boon, die door Linnaeus Dolichos soya, door Mönch Soya hespida genoemd werd. De plant is, zoo het schijnt, oorspronkelijk in Japan te huis, waar men zomer- en herfstboonen onderscheidt. De late soort komt in Europa, zooals uit proeven in den Leidschen hortus gebleken is, zelfs na een gunstigen zomer niet tot rijpheid. Daarentegen is de plant met goeden uitslag naar de tropische deelen van Azië overgebracht. Op Java noemt men ze soms katjang djĕpoen, d. i. Japansche boon, maar gewoonlijk kadĕlé of kĕdĕlé. De Javanen bereiden daaruit, behalve de soja, ook de témpé, die, tot platte koekjes gevormd en gebakken of gebraden, een zeer geliefde toespijs is bij de rijst.
In de Soja onderscheiden de Japanners twee soorten, naarmate ze met gerst of met tarwe is vermengd. De met tarwe bereide wordt smakelijker geacht.
In een stukje over de „bereiding van de Japansche Soja”, medegedeeld door Prof. Hoffmann, in de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I”., 3e Volgreeks, D. V, bl. 192, wordt de bereiding der Soja nauwkeurig beschreven volgens de Japansche Encyclopaedie Wa-kan san-sai dzu-e, en ter vergelijking ook de beschrijving opgegeven die in Kaempfer's Amoenitates exoticae wordt aangetroffen.
Saki.
Sake, meestal als saki uitgesproken, is de algemeen bekende naam van een bierachtigen drank dien de Japanneezen uit rijst bereiden. Prof. Hoffmann schreef in de „Bijdragen voor Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, 3e Volgr., D. V, bl. 179, een uitvoerig opstel over de „rijstbier- of sakibrouwerij in Japan” naar Japansche bronnen, waarin de volgende verklaring van het woord voorkomt. „De uit rijst of andere granen bereide gistende drank, die in het Chineesch Tsieu(58) genoemd wordt, heet in het oud-Japansch Ki, hetgeen de Japanneezen zelven voor identisch honden met het Chineesche Ki, geest, essence. Vandaar de Japansche woorden Sira-ki en Kuro-ki, d. i. wit of klaar en donker of troebel rijstebier, en Mi-ki, de eerewijn, die aan de goden en vorstelijke personen wordt voorgezet. De naam sàke (saki) later aan deze aftreksels gegeven, wordt verschillend uitgelegd; de meeste waarschijnlijkheid heeft die uitlegging voor zich, welke in Ke eene variant van het oude Ki, essence, ziet, en het woord Sake terugbrengt op Masa-ke, echte geest.”
Tjoe.
Tjoe is in Nederlandsch-Indië een ook bij de Europeanen algemeen bekende Chineesche naam voor een soort van sterken drank, dien de heer Lange, „het eiland Banka”, bl. 105, Chineesche arak noemt. Het is het Chineesche tsioe, dat in het Cantonsch dialekt als tsau, maar in andere dialekten ook als tsieu, tsjoe of tjoe wordt uitgesproken. Volgens de woordenboeken beteekent het een drank uit rijst gedistilleerd, en is dus het Chineesche aequivalent voor het Japansche saki; maar het wordt ook op andere sterke dranken en zelfs op wijn toegepast. Het behoeft ons dus niet te verwonderen, indien wij bij den heer de Sturler, „Handboek v. d. Landbouw in N. O.-I.” op bl. 162 lezen, dat de Chineezen op Java ook aan de saguweer den naam van tjoe geven.
Saguweer, om dit hier even in het voorbijgaan op te merken, is een der meest gebruikelijke namen voor den palmwijn of het gegiste sap dat van den arèn- of suikerpalm verkregen wordt. Men schrijft ook wel sagoweer. De oorsprong van den naam is onbekend, doch het schijnt dat wij dien hebben overgenomen van de Portugeezen, die zoowel het sap als den boom sagueiro noemen. Misschien is die naam afkomstig uit dezelfde Moluksche taal, waaruit ook tifar, ons tijferen (zie op dat woord) afkomstig is. Zie Rumphius, „Amboinsch Kruydboek”, D. I, bl. 59, en de Sturler, t. a. p. bl. 157, 161 v.
Boha.
Een volkswoord waarvan de ware vorm en de juiste beteekenis even onzeker zijn als de oorsprong. Ik zou het hier niet vermelden, indien niet van Lennep in zijn „Zeemans Woordenboek” het stellig als een woord van Maleischen oorsprong had opgegeven. „Wanneer”, zegt hij, „men met de sloep over de modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit om te sleepen, 't welk uit hoofde der menigvuldige kaaimannen, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, die op de modderbank visschen, eene sloep zien vast zitten, roepen zij aan de Equipage toe bohaya, 't welk in 't Maleisch kaaiman beteekent, ten einde men hen de sloep doe sleepen en zij er wat aan verdienen. Uit dit herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, een rumoermaker, een bohamaker noemen.” Deze verklaring schijnt mij niets meer dan een vernuftige inval, waarvan men zeggen kan: se non é vero, é ben trovato.
De gissing van van Lennep is in strijd met de zekerheid die wij bezitten, dat de phrase „de bohay maken” reeds vóór 1573 in het Nederlandsch bekend was. Zij komt namelijk voor in den in genoemd jaar uitgegeven „Schat der Nederduytscher spraken” van Plantin. Zie daarover van Dale's „Nw. Ned. Wdbk.” in voce.
Ik noemde den vorm van het woord onzeker. Plantin schreef, zooals wij zagen, bohay, van Lennep schrijft bohei of boha, Franck, „Etym. Wdbk. der Ned. taal” boeha of boha, waarnevens hij ook de Nederduitsche en nieuw-Hoogduitsche vormen buhé, buhai, bruhé, bruhai vermeldt. Van Dale zegt, dat men in de volkstaal ook boeha, boehaai, enz. hoort. In gedrukte stukken, de woordenboeken uitgezonderd, heb ik het woord slechts eenmaal aangetroffen, nam. in een schrijven van den Gouv.-Gen. Camphuys, dd. 27 Oct. 1688, bij de Jonge „Opkomst v. h. Ned. gezag in O.-I”, VIII, bl. 53. „Met het bohay van 't groot Javaansch leger... is het gansch in rook verdwenen”. Daarentegen hoorde ik het dikwijls uit den mond des volks, vooral in mijn geboorteplaats Dordrecht, maar dan gemeenlijk poeha uitgesproken. Voor het geslacht wordt gewoonlijk mannelijk opgegeven; door Camphuys wordt het woord als onzijdig gebruikt.
De eigenlijke beteekenis van het woord is ook bezwaarlijk vast te stellen. Plantin verklaart de bohay maken door „faire beau semblant, dissimuler ou feindre”; Waesberge, „Grand Dictionnaire Français-Flamen” (eveneens door v. Dale aangehaald) den boha maken door „faindre et faire semblant d'avoir beaucoup a faire”. Volgens van Lennep is boha geschreeuw, geweld, rumoer. In de plaats van Camphuys zou men er ophef, bluf voor in de plaats kunnen stellen.
De waarschijnlijkste verklaring van het woord is, dunkt mij, dat het slechts een natuurkreet is, een nabootsing van de natuurgeluiden, die bij een alarm, een getier, een uitkraaien van de beteekenis eener zaak worden vernomen. Daaruit laat zich dan ook het best verklaren, waarom er zooveel verscheidenheid in den vorm wordt waargenomen, en geene stellige beteekenis kan worden opgegeven.
Padrie.
Dit woord, sedert lang in de Maleische taal opgenomen om een priester aan te duiden, is het Portugeesche padre, vader. Marsden voert het aan in zijn „Maleisch Woordenboek” en verklaart het: „een priester, een Europeesch geestelijke”. Men moet zich daardoor niet laten misleiden om te gelooven, dat padre alleen van Europeesche geestelijken gebruikt wordt. Het beste bewijs van het tegendeel is het door Marsden zelven uit een Maleisch geschrift aangehaald voorbeeld: „Wij hebben eenen padri, Hadji Kasim genaamd.” Want Hadji Kasim is een Arabische naam.
Aan de hadji's en priesters, die zich in de Menangkabausche landen op Sumatra in 1803 aan het hoofd stelden der beweging, om den godsdienst te zuiveren en te hervormen, is door de Maleiers zelven den naam van Padries gegeven (zie de Stuers, „De vestiging en uitbreiding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra,” D. I, bl. 33), en deze naam is later, ik denk vooral door ons Europeanen, tot al de aanhangers der hervorming uitgebreid. In de Nederlandsche geschriften over Indië, beteekent dus Padries de ons vijandige partij op Sumatra, waarmede wij van 1821 tot 1838 in oorlog waren, en die, vooral door de heldhaftige verdediging van Bondjol in de geschiedenis van Ned.-Indië beroemd is.
Cipay, Sipoy.
De inlandsche soldaten in dienst der Engelsche regeering in Hindostan, worden door de Engelschen gewoonlijk Seapoy of Sepoy genoemd; de Fransche vorm daarvan is cipaye. In navolging van dit laatste en tengevolge, zoo het schijnt, van de zonderlinge neiging bij ons volk om alle woorden, die het niet kent voor Fransch te houden en op Fransche wijze te spellen, schrijven sommige Nederlandsche schrijvers Cipay, b. v. de Boer, „Krijgs- en geschiedkundig overzicht van den Punjab”, bl. 260, 261. Anderen houden zich meer aan den Engelschen vorm, maar toch dikwijls met eenige afwijking. Zoo nemen b. v. van Dale, „Nw. Ned. Wdbk.” en de „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte den vorm Sipoys (meervoud) op, en de heer Steyn Parvé, „de Bijbel, de Koran en de Veda's”, D. I, bl. 12, 14 schrijft Sepay op. De beste schrijfwijze is sipahi, zooals geschreven wordt door Prof. Pijnappel in de „Bijdragen voor Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde”, D. II, bl. 130, in de vertaling van een Maleisch stuk, welks schrijver in den vorm Soepei eene andere verbastering van het woord te aanschouwen gaf. De schrijfwijze sipahi heb ik ook nagevolgd o. a. in mijn „Java”, D. II, bl. 589. Zij houdt zich nauwkeurig aan den oorspronkelijken Perzischen vorm. In die taal is sipahi een adjectief gevormd van sipah leger, evenals lasjkari van lasjkar (zie op Laskar). Uit dit sipahi is bij samentrekking ook spahi ontstaan, een naam der Turksche ruiters, waarover men Dozy's „Oosterlingen” in v. raadplege.
Gamĕlan.
Velen schrijven gamĕlang (vgl. het gezegde op orang oetan en tang), welke schrijfwijze in de volgende woorden gegispt wordt door Dr. Groneman „In den Kedaton”, bl. 4: „Waarom schrijven velen, die 't beter kunnen weten, nog altijd gamĕlang? 't Is 't werkwoord gamĕl (muziek maken, begeleiden met muziek) met het achtervoegsel an, en de g is dus geheel overtollig”. Men zou ook evenzoo kunnen vragen: „Waarom doen sommige schrijvers, die 't beter kunnen weten, het ten onrechte voorkomen als ware de gamĕlan een enkel instrument, terwijl het inderdaad een Javaansch orkest, een stel van Javaansche muziekinstrumenten vordert.” 't Is waar dat een gamĕlan voor verschillende gelegenheden verschillend is samengesteld, maar dat is ook met onze orkesten het geval. Alleen is bij de Javaan de samenstelling zoowel wat het aantal spelers, en de keus der instrumenten betreft, voor verschillende gelegenheden aan vaste regelen onderworpen, en voeren de verschillende samenstellingen verschillende namen, waaraan de kenner ze dadelijk herkent. Verkeerd is het dus, wanneer de heer Gevers Deynoot, in zijne „Reis naar Oost-Indië”, bl. 79, van den Javaan zegt „de gamĕlang, die het best met een zeer zacht klokkenspel kan vergeleken worden, is zijn meest geliefd instrument”.
Tegenwoordig zijn zulke verkeerde voorstellingen niet meer te vreezen: de gamĕlan is te dikwijls beschreven, de instrumenten waaruit zij bestaat zijn te zeer in onze ethnologische verzamelingen vertegenwoordigd, en te vaak op tentoonstellingen vertoond en bespeeld. Men zie b. v. den Catalogus der Nederlandsche koloniale afdeeling van de Tentoonstelling te Amsterdam van 1883, 2e groep, bl. 296. Eene uitvoerige, maar niet geheel van misstellingen vrije beschrijving der gamĕlans en daartoe behoorende instrumenten, gaf ik in mijn „Java”, D. I, bl. 468–480.
Passer.
Zeer gebruikelijke vernederlandschte vorm (zie op Rotting, bl. 239) van het Mal.-Javaansche pasar, markt of bazaar. Dit laatste woord, dat eigenlijk Perzisch is, maar ook door de Arabieren wordt gebruikt (zie Dozy's „Supplément aux Dictionnaires Arabes” in v.), heeft met pasar eene overeenkomst die waarschijnlijk bloot toevallig is. Marsden in zijn „Mal. Woordenbk.” en Roorda in zijn „Jav. Handwoordenboek” schijnen pasar en bazár voor identisch te honden; doch hier is veel tegen te zeggen. Vooreerst schijnt de beteekenis niet geheel dezelfde te zijn, daar bazaar eigenlijk het overdekte marktgebouw (zie Dozy, „Oosterlingen” in v.), pasar, evenals ons markt, in het algemeen tijd en plaats voor de samenkomst ten handel schijnt te beduiden. Ten andere doet het gebruik van pasar in het Javaansch, in verband met de overoude instelling der pasarweek (zie mijn „Java”, D. I, bl. 502), een ouderdom van dit woord vooronderstellen, die veel hooger opklimt dan de Perzisch-Arabische invloed. Ten derde is de overgang van den vorm geheel onaannemelijk. Bazaar zou in het Jav. en Mal. eenvoudig badjar zijn geworden (zie van der Tuuk, „Bataksch leesboek” D. IV, bl. 211); want voor de verwisseling van b met p bestond hier geen reden, en de zā van het Arab.-Perz. alfabet gaat in het Maleisch en Javaansch steeds in dj over, zooals in tradjoe (het Perz. trazoe), djakat (het Arab. zakáh), djimat (het Arab. ʾazîmah) enz.
Er bestaat in het Maleisch voor markt nog een tweede woord pekan, dat in het Javaansch pĕkĕn wordt uitgesproken en in de hooge taal pasar vervangt.
Pagger.
Pagger is gevormd van het Maleische pagar (Jav. pager), zooals passer van pasar, dammer van damar enz. Het woord beteekent heining, heg, haag, wand, schutting, scheidsmuur, omtuining. Hoezeer het woord in Indië is vernederlandscht, blijkt uit het samengestelde paggerkoffie zooals, in tegenstelling met de tuin- en boschkoffie, die koffie genoemd wordt, die, meestal onder de schaduw van pisangboomen, binnen de omheining der inlandsche kampongs groeit. Een in Indië zeer gebruikelijk en zuiver Nederlandsch maar toch nauwlijks in het moederland bekend woord, omwanding, omgeving door een wand(59), heeft waarschijnlijk het voorbeeld gegeven voor ompaggering, omgeving door een pagger, dat evenzeer in algemeen gebruik is.
Fettor.
De langdurige en tot heden over het oostelijk deel des eilands gehandhaafde heerschappij van Portugal op Timor heeft natuurlijk aanleiding gegeven, dat op dat eiland onderscheidene Portugeesche woorden in zwang en zelfs in de taal der inlanders overgegaan zijn, die elders niet worden gebruikt. Zoo wordt het opperhoofd der zoogenaamde zwarte Portugeezen Tenente- (verkorting van Locotenente of Lugartenente) general, d. i. Luitenant-generaal, genaamd, en de leden der ongeregelde troepen-korpsen, die te Delli, Batoe gedeh en Manatoetoe dienst doen, Moradores, dat letterlijk inwoners, ingezetenen beduidt. Ook voeren vele hoofden en regenten in het Portugeesch gedeelte van Timor, zelfs in officieele stukken, den titel Dom (= het Spaansche Don, en ook in het Port. in het meervoud Dons), waarvan het vrouwelijk Dona misschien de grondvorm is, waaruit door verbastering de Maleische woorden nona of nonna (zie op Liplap) en nonja ontstaan zijn.(60) De vorsten op Timor hebben veelal als districtshoofden rijksgrooten onder zich, die in het Timoreesch Siko heeten, maar meer algemeen onder den Portugeeschen naam van fettor bekend zijn. Ook in Nederlandsche stukken over Timor komt dit woord telkens voor. Maar het heeft ook een meer algemeen gebruik; want op sommige eilanden worden ook de Europeesche ambtenaren bij het gewestelijk bestuur aldus genoemd. Dit laatste is een overblijfsel uit den tijd der Compagnie, toen fettor (in plaats van het in Europa gebruikelijke factoor) dikwijls gebezigd werd van een opziener van den handel, het hoofd eener factorie. Het woord is toen ook in het Maleisch overgegaan in den vorm pétor, daar de Maleier de f niet kan uitspreken.
In het Portugeesch luidt dit woord eigenlijk feitor, eene verweeking van het Lat. factor, waarvan ook ons factoor. Het beteekent in het algemeen dader, bedrijver, maar heeft de bijzondere beteekenis erlangd van zaakwaarnemer of administrateur van een handelszaak, een fabriek of een landgoed (o administrador e negociador de fazenda alheya).
Dammer.
Dammer is in de omgangstaal der Europeanen in Indië en in de werken over de Indische eilanden, de gewone, op de wijze van passer, pagger en vele andere dergelijke (zie op Rotting) vernederlandschte vorm van het Maleische en Javaansche damar, waardoor de tot fakkels gebruikte en ook voor het batikken (zie dat art.) onmisbare hars van de damar-den (Dammara alba) en andere boomen wordt aangeduid. Men schrijft ook wel dammar, b. v. Perelaer, „Ethnologische beschrijving der Dajaks”, bl. 189, waar de inzameling van de dammer (njating bij de Dajaks) op Borneo wordt beschreven.
Tjambok, Sambok.
Dit woord behoort tot het Hollandsch dialect van Zuid-Afrika, of de zoogenaamde Afrikaander taal, en is waarschijnlijk daarin overgenomen uit het Maleisch, waaraan ook de woorden amper, baar, bakklei voor bakkeleien, banjak, veelal afgekort tot banje of baing(61), oorlam, sambal en andere ontleend zijn. Ik heb die woorden niet behandeld, tenzij ze ook in Nederland in gebruik zijn, maar wensch een paar opmerkingen te maken over tjambok, omdat het, ofschoon in het moederland niet gebruikelijk, dikwijls, zij het ook in zeer verschillende vormen in Nederlandsche geschriften over Zuid-Afrika voorkomt. Ziehier eerst enkele voorbeelden. Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 128: „Wij voorzagen ons van den noodigen voorraad zweepen en tjambokken”. Ald. bl. 129: „Bij het uittrekken van zware vrachten uit rivieren of tegen hoogten, bezigt men, buiten de zweep, ook stokken met ijzeren punten of tanden voorzien, om door prikken of steken de ossen tot meerdere krachtsinspanning aan te sporen. Ook gebruikt men tot dit doel lange of korte karwatsen—tjambokken—van rhinoceros-huid vervaardigd, welke bijna onverslijtbaar is”. H. P. N. Mulder „Herinneringen uit Afrika”, bl. 69 v.: „De koetsier pakt zijne zweep, die verscheidene meters lang is,.... en weet dan behendig de voorste dieren te treffen, terwijl de tweede reiziger met een kort karwatsje van nijlpaardenvel vervaardigd, een zoogenaamde sjambok, de achterste ezels aandrijft”. Daniël Veth's „Reizen in Angola”, bl. 306: „De huid van den hippopotamus verschaft hun de grondstof voor een soort van zweepen, die zij achterossimbok noemen, en die bij het drijven der ossenwagens worden gebezigd”. Nog andere vormen van het woord leeren wij kennen uit Mansvelt's „Kaapsch Hollandsch Idioticon”, die het behandelt op sambok, bij verkorting smok, en omschrijft als „een soort van karwats, bestaande uit een lange, dunne reep van de huid van een zeekoe (rivierpaard)(62), ook aapstert(63) genoemd. Om de achterossen van een span aan te sporen, bezigt men den achteros- of handsambok”. Dat op al deze plaatsen hetzelfde werktuig bedoeld wordt, al is nu eens de huid van een rhinoceros, dan eens die van een hippopotamus genoemd als de stof waaruit het vervaardigd is, kan, dunkt mij, aan geen twijfel onderhevig zijn. Het materiaal wordt waarschijnlijk nu eens van den een, dan eens van den ander dezer pachydermen verkregen.
In de Maleische woordenboeken vinden wij het woord in de volgende vormen en met de daarachter gevoegde beteekenissen vermeld: bij Marsden (vert. van Elout) tjaboek, een zweep; bij Roorda v. Eysinga tjabokh, zweep, geesel; bij Crawfurd: chabuk, a whip; bij Pijnappel tjaboek, tjamboek, zweep, en tjĕmoek, geeselroede (met een vraagteeken). Het „Javaansch Wdbk.” van Prof. Roorda, vermeldt de vormen tjaboek, tjamboek en samboek, met de beteekenis zweep, en het „Soendaasch Wdbk.” van den heer Oosting tjamboek en tjamoek, met de beteekenis karwats, soms ook rijtuigzweep.
Pijnappel, Roorda, Oosting, Crawfurd en ook v. d. Tuuk, en Homan's „Handleiding voor 't Batav. Maleisch”, bl. 88, zijn allen van meening, dat het woord uit het Perzisch stamt, maar verschillen ook ten opzichte van den Perzischen vorm, dien de drie eerstgenoemden tjamboek, de beide laatsten tjaboek (chabuk) schreven. Mansvelt vergelijkt ook een paar vermeende Perzische vormen, t. w. tsjoembah of tsjambah. In het Lexicon Persicum van Vullers vind ik alleen den vorm tjaboek (scutica, flagellum) en wel als een zeldzaam, slechts bij enkele schrijvers voorkomend en waarschijnlijk uit Hindostan stammend woord voor het gewone tâzijânah of tâzânah. Het schijnt mij derhalve nog lang zoo zeker niet dat de talen van Maleischen stam werkelijk dit woord uit Perzië hebben ontvangen.
De verschillende vormen, wanneer wij het waarschijnlijk foutieve of enkel lokale sjimbok ter zijde stellen, laten zich gemakkelijk verklaren en worden dadelijk erkend als door gewone letterverwisselingen benevens de insertie der liquida m (zie de artt. Amfioen, Pampoesjes en Banaan), wanneer men ze in de volgende orde plaatst: tjabok, tjambok, sjambok, sambok, tjámok, tjĕmok, smok. Het verschil tusschen tjabok en tjaboek enz. is onwezenlijk.
De beteekenis is kennelijk noch bepaaldelijk een zweep, noch bepaaldelijk een karwats, maar in het algemeen een werktuig om trekdieren aan te drijven en omvat dus beide. De Afrikaansche boeren hebben een lange zweep met een verbazend langen riem, waarmede zij zeer behendig elken os, van het uit veertien tot twintig bestaande span, die eene vermaning behoeft, weten te treffen, en bovendien een kort karwatsje dat alleen voor het aanzetten der achterste ossen bestemd is. Dit laatste noemen zij achterssambok of achterossambok, soms ook handsambok, en daar voor de lange zweep het woord sambok eenigszins in onbruik schijnt geraakt te zijn, ook dikwijls enkel sambok.
Sambal.
Het Maleische sambal, in het Jav. sambĕl uitgesproken, heeft sedert lang een soort van burgerrecht in onze taal gekregen, en is toch door van Dale niet opgenomen. Ik hoorde het als kind in de ouderlijke woning gebruiken van een toespijs bij vleesch, hoofdzakelijk bestaande uit komkommers die door middel van een daartoe ingericht mesje in zeer fijne reepjes worden gesneden of geschaafd. Volgens een oud recept werden zij daarna 24 uren in de pekel gelegd en vervolgens met bijvoeging van peperwortel en laurierbladen in een flesch gedaan, die verder met besten azijn werd gevuld.
In het Kaapsch-Hollandsch beteekent sambal, volgens Mansvelt's „Idioticon”: „een bij vleesch gebruikte toespijs, uit fijn gesneden uien, kweeperen, komkommers enz. bestaande en met azijn toebereid.” In het Maleisch en Javaansch heeft echter sambal geene zoo tot eene enkele toespijs beperkte beteekenis. Het is een algemeene naam voor allerlei als toespijs bij de rijst gebruikte bereidselen, die onder een groote verscheidenheid van namen voorkomen. Gemalen Spaansche peper is meestal een hoofdbestanddeel. De sambals, die gebakken of gefruit worden, heeten sambal goring. Bij de familiën uit Indië in Europa weergekeerd wordt vaak nog de rijsttafel aangerecht en de benoodigdheden voor de toespijzen, die echter niet altijd in gelijke volledigheid worden aangeboden, zijn in de voornaamste magazijnen van comestibles in onze groote koopsteden geregeld voorhanden. Wanneer men in deze familiën het woord sambal zonder specificatie hoort gebruiken, denkt men daarbij aan de Maleische beteekenis, die al de eindelooze verscheidenheden der toespijs bij de rijst omvat.
Padi.
Padi (soms paddi geschreven) is de Maleische naam voor rijst in de aard, zooals zij halm voor halm met de padi-sikkel (ani-ani) gesneden, opgeschaard en ter markt gebracht wordt. De Javaansche vorm is pari. De samengestelde woorden padi-sikkel, padi-oogst, padi-schuur, zaai-padi en vele andere bewijzen, hoezeer dit woord in de taal der Nederlanders in Indië het burgerrecht heeft erlangd. De rijst komt echter ook gepeld en gereinigd in den handel en wordt dan in het Maleisch bras genoemd. Dit woord is echter minder in gebruik bij de Europeanen, en vandaar het voor een met Indische eigenaardigheden minder vertrouwden Europeaan eenigszins vreemd verschijnsel, dat in handels-staten dikwijls naast eene zekere hoeveelheid padi, ook eene zekere hoeveelheid rijst genoemd wordt. De rijst heeft in de inlandsche talen, naar gelang der omstandigheden, verschillende namen. Zij heet padi zooals ze gesneden wordt, gabah, als ze van het stroo ontdaan, maar nog in den bolster is, gelijk zij gezaaid wordt, bras, wanneer ze ontbolsterd is, zooals zij gekookt wordt, en nasi (nassi), als zij gekookt is, zooals zij gegeten wordt.
Men onderscheidt van de rijst vier hoofdsoorten en tallooze verscheidenheden. Van de hoofdsoorten worden oryza sativa en oryza praecox gekweekt op velden die een groot deel van het jaar onder water worden gehouden, de algemeen bekende sawah's. Dit woord is Maleisch, Javaansch en Soendaasch en ook bij de Nederlanders in Indië algemeen in gebruik. De namen voor de droge en hooggelegen gronden, waarop de derde soort, oryza montana of bergrijst gekweekt wordt, Jav. tĕgal, Soend. tipar, Mal. ladang, worden niet zoo dikwijls van Europeanen gehoord. De vierde soort, oryza glutinosa of kleefrijst, Jav. kĕtan, heeft vele verscheidenheden, deels voor natte, deels voor droge kultuur geschikt, en wordt voornamelijk gebruikt tot bereiding van kwee-kwee (van het Soend. koewèh), zooals de Europeanen doorgaans het inlandsche gebak noemen.
Ritsje.
Ritsje, veelal, in het meervoud, ritsjes, was eertijds in Ned.-Indië onder de Nederlanders de gewone naam der Spaansche peper of capsicum, die in het Jav. en Soend. lombok en tjabé, in het Mal. ook tjili heet(64). Over den oorsprong van ritsje zegt Rumphius, „Amb. Kruydb.”, D. V, bl. 249: „De Portugeesche naam is in Indiën Recche, of gelijk wij lezen Retsje, waarvan komt rechear en rechead, d. i. allerhande vruchten in azijn en peekel ingeleid, 't welk nooit geschied zonder deze houwen. In 't Duits noemen wij ze Ritsje, en de Ternatanen en Amboinezen Ritsja”. Volgens de Clercq, „het Maleisch der Molukken”, zou Ritjà in gebruik zijn in Menado en Banda, en zou men op Ternate Koeroes, op Ambon tjili gebruiken. Ten onrechte zeker beschouwt hij op het art. Ritjà dit woord als een soortnaam voor Capsicum pyramidale, terwijl hij toch het art. Koeroes, als een synoniem aanmerkt van dit laatste, ofschoon hij daaraan de beteekenis van capsicum in het algemeen geeft.
Ik vind het woord recche niet in de Portugeesche Woordenboeken, die ik op dit oogenblik kan raadplegen(65). Misschien is het een woord van Amerikaansche afkomst, door de Portugeezen naar de Molukken overgebracht. Miquel, „Flora van Ned.-Indië”, D. II, bl. 661, zegt, dat waarschijnlijk alle capsicum-soorten van Amerikaanschen oorsprong zijn. Maar, zoo laat hij volgen: „in Oost-Indië en den Sunda-Archipel zijn deze gewassen reeds sedert aloude tijden ingevoerd, zoodat Rumphius tot de meening overhelt, dat zij aldaar inlandsch zijn.” Als men de plaats bij Rumphius inziet, bemerkt men, dat hij niet slechts tot die meening overhelt, maar ze geheel omhelst. „Ik houd het,” zegt hij, „voor een inlands gewas, al van oude tijden door geheel Oost-Indiën bekend, en daar is niet een huisje of erfje zoo klein en niet een huisvader zoo arm, die maar een klein hoekje land bij zijn hutje heeft, of hij gund den Tchili-boom een plaats, omdat het een zoo algemeene specerij is, en in de dagelijkse kost noodig.” Dit neemt echter niet weg, dat Rumphius een Capsicum occidentale kent, dat bij de Portugeezen pimenta of pimentâo heet en de eigenlijke Spaansche peper van ons Nederlanders is, „omdat het uit de nieuwe Spaansche landen is aangebracht.” Al nemen wij nu aan, dat slechts deze ééne soort door de Portugeezen naar de Molukken is overgebracht, dan zou daarmede toch de verbreiding van haren Amerikaanschen naam verbonden kunnen geweest zijn.
Dat recche in eenig verband zou staan met de Portugeesche woorden rechear en recheado, zooals Rumphius' meening was, komt mij in ieder geval zeer onwaarschijnlijk voor. Rechear beteekent niet inleggen, maar opvallen, volstoppen, het fransche farcir, of zooals het Port. woordenboek van Da Costa e Sá het verklaart: „Encher de carne picado, de peine picada”. Voor rechead, dat geen woord is, moet men bij Rumphius waarschijnlijk recheâo lezen, dat vermoedelijk de beteekenis vulsel had. Echter heeft de tegenwoordige taal daarvoor rechêo of recheio, door Da Costa e Sá verklaard: „Carne, peixe ou outro monjar picado com hervas, ovos e especes, com que se enchem aves, alcachofras etc.”, d. i. vleesch, visch of andere spijs bereid met kruiden, eieren en specerijen, waarmede vogels, artisjokken, enz. gevuld worden.
Ritsjes is thans niet alleen in Nederland onbekend, en ook in Ned.-Indië, zoo het schijnt, in onbruik geraakt, maar het heeft zijn weg gevonden naar de Kaapkolonie, waar nog, volgens Mansvelt's „Idioticon” Rissies, verbasterd uit ritjes, voor Spaansche peper in gebruik is.
Massa.
Massa komt bij van Linschoten voor als naam van de foelie, die in het Fransch, Spaansch, Duitsch en nieuw-Latijn macis, in het Engelsch mace, in het Italiaansch gewoonlijk mace, doch in d'Ulloa's vertaling van de Barros, Decel. II, lib. 6, c. 7, mazza, en in het Portugeesch maça. Van dit laatste is massa bij van Linschoten ongetwijfeld afkomstig. De plaats, „Itinerario”, bl. 90, luidt als volgt: „De notemuscaet heeft omheen een harde schulp gelijc hout, so dat die noot daer los in leyt, ende deze houte schille ofte schulpe is bedect ende becleet met muscaten bloemen, die men massa heet.... Somtijds soo berst die foelie ofte massa; welcke is de oorsake dat altemet die noten sonder massa komen, ende wanneer men die note muscaten drooght, so gaeter die massa af, ende die coleur van root verandert in orangien coleur, gelijc men mach sien aan de massa die herwaerts overgebracht wort.” Dat ook de andere genoemde natiën dit woord aan de Portugeezen verschuldigd zijn, acht ik zeer waarschijnlijk, ofschoon de overgang tot den vorm macis moeilijk te verklaren is.
Maar nog moeilijker is het van den oorsprong van maça zelf rekenschap te geven. Eertijds hield men het voor identisch met het Grieksche maker, bij Plinius, H. N. XII: 16 macir („Et macir ex India advehitur, cortex rubens radicis magnae, nomine arboris suae; qualis sit ea, incompertum habeo”). Uit die plaats volgt echter dat macir iets geheel anders moet zijn dan de foelie, zooals ook door Piso in „Mantissa aromatica” en Rumphius, „Amb. Kruydboek”, II, bl. 16, zeer wordt op den voorgrond gesteld. Echter moet men erkennen, dat eene verwarring van beide, in voorkomen, zoo het schijnt, wel eenigszins overeenkomende zaken niet zoo geheel ondenkbaar is.
Het is echter ook niet ondenkbaar, dat het woord massa afstamt uit de taal der Bandaneezen, op wier eilanden de muskaatnoten het meest voorkomen. Van deze taal is ons zeer weinig bekend en de bevolking werd reeds door Koen verdreven en verstrooid. In de „Curieuse Aenmerckingen” van S. de Vries, I, bl. 125, leest men, dat de muskaatnooten op Banda door de inwoners pala di massa genoemd werden, en de bloemen, d. i. de foelie, buna pala. Volgens Rumphius t. a. p. heet de muskaatnoot op Banda en bij alle Maleiers pela. „Het roode netjen”, dus gaat hij voort, „dat op de houten schaalen ligt, werd in 't nieuw-Latijn genaamd macis” [over welks verschil van macer hij dan verder uitweidt], „maar 't woord macis schijnt afkomstig te wezen van 't Javaanse woord massa, gelijk ze noch op het Portugeesch heet. Hedendaags noemt men ze in 't Maleyts Bonga-pala... op 't Nederduits foely en muschaaten-bloemen... De regte Maleiers verstaan door Bonga-pala de kleine bloempjes, ofte eigentlyke bloeizel van de Noteboom, dewelke zij gedroogt tot eenige medicyne bewaaren, en men kan ze genoegzaam bekoomen aan de zoorte, die men Pola-Boy noemt en voor 't manneken van de tamme nooteboom gehouden wert; daarentegen de foely noemen ze sarony of boncus-pala, d. i. scheede of zak van de Noot, en zeker dat met beter reden, want wat gelykenis heeft de foely met een bloem?”
In de aangehaalde plaatsen, zoo van de Vries als van Rumphius, zijn de namen uit de inlandsche talen aangehaald eenigszins misspeld of verbasterd(66), maar zij zijn gemakkelijk te verbeteren.
De muskaatnoot heet in het Maleisch niet pela, maar pala; in plaats van buna pala en bonga pala, moet men boenga pala lezen, van boenga, bloem en pala, muskaatnoot; in plaats van sarony, het bekende sarong of saroeng, d. i. scheede of koker; in plaats van boncus schrijve men boengkoes, omhulsel. Dat boenga-pala en het nog in het Duitsch gebruikelijke Muskatblüthe geheel verwerpelijke namen voor de foelie zijn en niets anders dan den bloesem der muskaatboomen kan aanduiden is ook, zooals wij zagen, reeds door Rumphius aangeduid. De foelie heeft niets met den bloesem te maken, maar is wat men thans gewoonlijk een zaadmantel of zaaddek (arillus) noemt.
Wat nu de meening van Rumphius betreft, dat de naam massa Javaansch zou zijn, deze wordt geenszins door onze woordenboeken bevestigd. Deze zijn intusschen nog verre van volledig. Maar daar de muskaatboom op Java niet groeit, kunnen zijne producten ook niet wel oorspronkelijke Javaansche namen hebben; maar zullen ze wel door de Javanen genoemd zijn met de namen, die er in het land van herkomst aan gegeven worden. Behoort het woord massa werkelijk in de inheemsche talen van den Archipel te huis, dan zullen wij het wel in de eerste plaats op Banda moeten zoeken. Ik acht het daarom zeer opmerkelijk dat bij de Vries pala di massa als de Bandaneesche naam van den muskaatboom wordt opgegeven. Sommige lexicografen (b. v. Crawfurd) geven aan pala in de eerste plaats de algemeene beteekenis van vrucht. Mocht dus massa de naam van de foelie zijn, dan zou men misschien pala di massa, door de vrucht of noot in de foelie kunnen vertalen.
Ik wensch hier nog een woord bij te voegen over het Nederlandsche foelie, waarvan de oorsprong ook niet zoo dadelijk klaar is. Hetzelfde woord komt ook voor in de beteekenis van een dun blaadje of laagje metaal achter edelgesteenten en spiegels. (Hoogd. Folie). Ook de foelie van de muskaatnoot is een blaadje, zij het ook in geheel anderen vorm. Het woord stamt ongetwijfeld af van het Latijnsche Folium, niet rechtstreeks echter, maar door tusschenkomst van het midden-Latijnsche folia, Ital. foglia, en vooral van het Fransche feuille, waarmede foelie in vorm overeenkomt. Volgens Franck, „Etym. woordenboek”, moeten eenmaal foglia di noci moscate en feuille de macis in het Italiaansch en Fransch gebruikelijke uitdrukkingen zijn geweest.
Dessa.
Gewone uitspraak der Europeanen van het Javaansche désô, dorp, dat afkomstig schijnt van het Sanskrietsche désja, oord, streek. In het hoog-Javaansch gebruikt men voor désô den vorm doesoen, die overigens eigen is aan het Maleisch. De naam dessa kan niet op de dorpen van andere eilanden van den Archipel worden overgedragen, daar de Javaansche dessa een bijzonder karakter heeft, samenhangend met haren Hindoeschen oorsprong. Zij is steeds de hoofdplaats en het middelpunt van eene padésan of mark, deels uit bebouwde en duurzaam of tijdelijk tusschen de bewoners verdeelde, deels uit gemeenschappelijke, voor gemeene weide en inzameling van boschproducten bestemde gronden bestaande, en bestuurd door een dorpshoofd, dat met zijne assessoren, door de bevolking wordt gekozen. Strikt genomen mag men zelfs de dorpen der Soenda-landen geen dessa's noemen. Zij heeten lemboers en zijn in verschillende opzichten anders ingericht. Echter zijn de dorpsinstellingen in vele gedeelten van Java door den tijd en den invloed van het Europeesch gezag verbasterd, zoodat ook het genoemde verschil niet meer streng is vast te houden, en ook in West-Java van dessa's gesproken wordt.
Het woord dessa is zoozeer Nederlandsch geworden, dat het met tal van Nederlandsche woorden is samengesteld. Men vindt dit b. v. in dessabestuur, dessahoofd, dessapriester, dessagrond, dessagebied en vele andere.
Kampong.
Kampong of Kampoeng is Javaansch, Soendaasch en Maleisch en beteekent een omheind erf, een kleine verzameling van inlandsche woningen door paalwerk of heggen omgeven, een gehucht, buurt of wijk. In de groote steden, die de middelpunten der Europeesche kolonisten zijn, zooals Batavia, Samarang, Soerabaja, Pasoeroean vindt men tusschen of naast de Europeesche gedeelten een groot aantal inlandsche kampongs verspreid; ook de voornamere inlandsche plaatsen, zetels van regenten, districtshoofden en andere groote dessa's zijn in verschillende kampongs gesplitst; maar als het geheele dorp uit eene enkele kampong bestaat, verdwijnt het onderscheid tusschen kampong en dorp en worden die uitdrukkingen synoniem. Inzonderheid is dit vaak het geval in de Soendalanden, waar de lemboers gewoonlijk zeer klein zijn, en meestal een aantal lemboers onder het bestuur van een enkelen loerah vereenigd zijn tot de grootere eenheid van een kaloerahan, die veel overeenkomst heeft met die vereeniging van een aantal dorpen, welke men in de provincie Friesland grietenij placht te noemen, en die werkelijk niet is opgeheven, schoon men thans den grietman burgemeester noemt.
Volgens oude, reeds lang voor de komst der Europeanen ingevoerde bepalingen, moesten de Chineezen en andere vreemde Oosterlingen steeds in afzonderlijke wijken en onder hoofden hunner eigen natie bijeenwonen. Deze bepalingen zijn nu eens met meer, dan met minder gestrengheid tot heden gehandhaafd, en de Indische Regeeringsalmanak bevat in de laatste jaren eene lange lijst der plaatsen waar wijken voor Chineezen en andere vreemde Oosterlingen zijn aangewezen. Men vindt die wijken doorgaans aangeduid door de namen: het Chineesche kamp, het Arabische kamp en zou daardoor, als men niet beter wist, den indruk krijgen alsof die vreemde Oosterlingen daar geene vaste woningen houden, maar in tenten als gekampeerd waren. Die voorstelling zou echter zeer verkeerd zijn, en kamp zal hier wel eenvoudig een Europeesche afkorting van kampong wezen. Men zou dus, naar het schijnt, beter doen, althans de Chineesche kamp, in plaats van het Chineesche kamp te schrijven; doch de kwade gewoonte is zoo diep ingeworteld, dat zij moeielijk zal zijn uit te roeien.
Kraton.
Het getal der Javaansche, Maleische en andere inlandsche woorden, dat door de Europeanen in Indië in het dagelijksch gesprek wordt ingevlochten, is uit den aard der zaak onbegrensd en het zou een ijdel pogen zijn eene lijst te willen geven, waarin men nooit te vergeefs zou zoeken, terwijl zij met den dag vermeerderen. Zulk eene volledigheid is dan ook in deze lijst noch ten opzichte van deze, noch ten aanzien van eenige andere klasse van vreemde woorden beoogd. Eene scherpe grenslijn te trekken tusschen hetgeen al en hetgeen niet moest worden opgenomen, was ook in strijd met den aard dezer verzameling, die met geen bepaald plan is aangelegd, maar uit ware adversaria bestaat, zaken die mij ongezocht en als van zelf tegemoettraden. Ik maak dus geene verontschuldiging over iets, dat ik mocht verzuimd hebben; maar eindig deze lange lijst met een woord, dat in de laatste jaren zoo algemeen onder ons gebruikt en toch door de meesten zoo weinig verstaan wordt, dat eene korte opheldering er wel aan besteed schijnt te zijn.
Kraton, samengetrokken uit Karaton, is een Javaansch woord, volkomen regelmatig gevormd van Ratoe, d. i. Vorst, en beteekent vorstenverblijf. Het woord wordt behalve van verschillende andere vorstenverblijven op Java, waarvan de plaats veelal nog aan eenige ruïnes kenbaar is, gebruikt van de verblijven van den Soesoehoenan van Soerakarta, van den Sultan van Jogjakarta, van de onafhankelijke prinsen Mangkoe Negara en Pakoe alam. Ook de vorstenverblijven te Bangkalan en Soemenep op Madoera worden kratons genoemd. In het Maleisch is het woord uit den vreemde ingedrongen, en wellicht is het alleen aan de Europeanen toe te schrijven, dat het voormalig verblijf der vorsten van Atjeh gewoonlijk de Kraton genoemd wordt. Nevens Kraton of Karaton bestaat er in het Javaansch nog een tweede woord van denzelfden grammaticalen vorm en ongeveer gelijke beteekenis, t. w. Kedaton of Kadaton, afgeleid van Datoe, dat in beteekenis niet kennelijk van Ratoe verschilt. Het spraakgebruik heeft echter gewild, dat Kadaton gewoonlijk gebruikt wordt van dat deel van den Kraton, waarin de vorst zelf met zijne vrouwen en kinderen verblijf houdt. Men vertaalt het gevoegelijk door binnenhof. De Kraton in zijn geheel is eene aanzienlijke ruimte omringd door muren, voorzien van poorten, en bedekt door een groot aantal gebouwen en pleinen, straten en wegen, kanalen en vijvers, kampongs en lusthoven; want schier allen wonen in den Kraton die, al is het ook slechts als werklieden, tot het hof in eenige betrekking staan. De Kraton van den Sultan van Jogjakarta heeft meer dan een uur in omtrek en zijne bevolking wordt op wel 15000 zielen geschat. De Kraton van Soerakarta, ons minder nauwkeurig bekend, zal voor dien van het kleinere rijk wel niet onderdoen.
Voor den hoofdingang van den kraton ligt altijd een uitgestrekt plein, bestemd voor openbare plechtigheden en feesten, aloen-aloen genoemd. Een tweede, maar veel kleinere aloen-aloen vindt men ook aan de achterzijde der kratons van de Javaansche hoofdsteden. Het woord aloen-aloen is echter niet tot de voorhoven der kratons beperkt. Het wordt ook gebruikt van de dorpspleinen, die in eigenlijk Java worden aangetroffen op alle plaatsen waar regenten hun zetel hebben, en nog algemeener zijn in de Soendalanden, waar ze in iedere hoofdplaats eener kaloerahan (zie op Kampong) worden aangetroffen. De aloen-aloen bevindt zich altijd vóór de woning des vertegenwoordigers van het gezag, en het teeken van het gezag is de daarop geplante waringin-boom, waarvoor op de aloen van een Vorst, vaak ook op die van een Regent, een tweetal dezer boomen, ieder afzonderlijk door een sierlijk hek omsloten, in de plaats komt.
Oudere schrijvers verwarden de aloen-aloen wel eens met de daarop voorkomende open gehoorzaal, paseiban genoemd, waar de Javaansche ambtenaren ambtshalve met hunne hoofden samenkomen en waar de terechtzittingen gehouden worden. Dat woord stamt van séwa of séba, waarvan de beteekenis is zijn opwachting maken aan een vorst of hooger ambtenaar tot behandeling van dienstzaken. De verbastering van dit woord tot Passeerbaan, waarvan reeds in het art. Kaalkop gewag werd gemaakt, hangt waarschijnlijk met die verwarring samen; want de aloen-aloen was dikwijls het tooneel van tornooien of steekspelen en werd daarom als eene renbaan beschouwd. In „Batavia en derzelver gelegenheid”, D. I, bl. 22, wordt de aloen-aloen van 't Keizerlijk Hof te Kartasoera beschreven als: eene zeer groote Renbaan, in welke alle Maandagen door de rijksgrooten en den Keizer zelven, met de lancie, vermaakshalve wordt gestreden, om elkander uit den zadel te ligten, of voorbij te rennen.
De waringin- of tjaringin-boom is de baniaanboom, de beroemde heilige boom der Hindoes, welks naam, tot benjamin verbasterd (zie wederom art. Kaalkop) het Ficus Benjamina van Linnaeus, het Urostigma Benjaminum der hedendaagsche botanici heeft voortgebracht. Intusschen worden ook andere nauw verwante Urostigma-soorten (Microcarpum, nitidum enz.) vaak onder den naam van waringin begrepen. De waringin is de schoonste en reusachtigste boom van Java en krijgt door het uitschieten van luchtwortels, die weder in den grond dringen, bijstammen welke hem in staat stellen een loofkroon te dragen van verbazenden omvang, zoodat hij zich als een berg van groen vertoont. Het is deze boom van wien Milton zingt:
„Branching so broad and long that in the ground, „The bending twigs take root, and daughters grow, „About the mother-tree, a pillared shade— „High overarched with echoing walks between”
welke verzen ik elders(67) gewaagd heb dus te vertalen:
„Zoo lang en breed strekt hij zijn takken uit „Tot 't nederhangend twijgje wortel schiet, „En rond den moederboom de dochters groeien, „Tot de echo van des wandlaars stap weerklinkt „In de gewelfde schaûw, die pijlers dragen.”