← Table of contents
Uit Oost en West

UIT OOST EN WEST. (continued 4)

Reading edition

Naar aanleiding van dit woord pisangboom merk ik hier ten slotte nog op, dat het niet zeer juist is de pisangplant een boom te noemen. De stam is geheel kruidachtig en wordt slechts door de vast om elkander gerolde bladscheeden gevormd.

Anemoon.

Anemoon is de naam van een bekend geslacht van planten, met fraaie bloemen, behoorende tot de familie der Ranunculaceeën, en ook bij de botanici Anemone geheeten.

Omtrent den oorsprong van den naam dezer bloem bestaat eene Arabische legende, die door Caussin de Perceval, „Essai sur l'histoire des Arabes”, II, p. 156, aldus verhaald wordt. „Une prairie voisine de Hira produisait beaucoup d'anemones. Le roi Nòman affectionnait, dit-on, cet endroit; il le prit sous sa protection, c'est à dire, qu'il en interdit l'approche au public. Les fleurs qui y naissaient, furent appellées pour cette raison chakaïk-an-Nòmân, fleurs de Nòmân.” Men gevoelt dat de bedoeling is anemoon van „an-Nòmân” af te leiden, en deze afleiding heeft o. a. bijval gevonden bij Engelmann, „Glossaire des mots Espagnols” enz. Zij is echter ongetwijfeld onjuist, gelijk Prof. Dozy in de tweede zeer vermeerderde uitgave van dit glossaire, p. 373, heeft aangetoond. Anemoon is toch zonder eenigen twijfel het Grieksche anemōné, dat reeds bij Hippocrates voorkomt, terwijl Theophrastus en Dioskorides reeds de soorten onderscheiden die nu nog Anemone coronaria, hortensis, Apennina genoemd worden. Zie Fraas, „Synopsis plantarum Florae classicae”, p. 130.

En toch is het volstrekt niet onmogelijk dat anemoon in den grond van Semietischen oorsprong is, gelijk er in het Grieksch zoovele andere woorden zijn die van de Phoeniciërs en andere volken van het Oosten zijn overgenomen. Movers, „Phönizier,” I, p. 217, heeft reeds gegist dat anemōné het Hebr. of Phenicische han-naäman, d. i. de liefelijke, zou wezen, en met Prof. de Goeje, die daarop in zijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” heeft opmerkzaam gemaakt, acht ik dit verre van onwaarschijnlijk.

Guttegom.

Een bekende gele, harde en blinkende, als verfstof en als geneesmiddel gebruikte soort van gom of hars, die men verkrijgt van verschillende Indische boomen van de familie der Clusiaceeën. Ofschoon de guttegom thans meest van Ceilon wordt aangevoerd, waar ze doorgaans van Stalagmites ovalifolius wordt verkregen, is echter de ware van oudsher bekende guttegomboom de Garcinia Cambogia (Cambogia gutta L.), die mede op Ceilon en, vandaar ingevoerd, op Java voorkomt. Doch de naam Cambogia wijst op het gewest, dat men (waarschijnlijk niet te onrecht) voor het eigenlijk vaderland van dezen boom hield, namelijk Kambodja in Achter-Indië. De Engelsche naam der guttegom, gamboge, laat zich daaruit gereedelijk verklaren.

In het Spaansch en Portugeesch, uit welke talen wij de namen van zoovele Indische handelswaren hebben overgenomen, komen voor de guttegom de volgende namen voor:

1o. Gomma rom. Port. Hier is het tweede lid van den naam het Maleische rong, waarmede in die taal de guttegom wordt aangeduid.

2o. Gomma gambo. Sp. Hier is het tweede lid naar allen schijn een verbasterde of verminkte vorm van Kambodja of Gamboge.

3o. Gomma gutta. Sp. en Port. (ook in 't Fransch gomme gutte). Hier is gutta het gewone Maleische woord voor gom, gĕtah, dat in denzelfden vorm ook in gutta percha voorkomt. Zie het volg. art. Misschien heeft het Latijnsche gutta, droppel (de gom vloeit droppelsgewijs uit de boomen), op de Europeesche schrijfwijze van dezen Maleischen naam invloed gehad. Hoe het zij, gomma gutta beteekent gom-gom. Beide leden van den naam beduiden hetzelfde in verschillende talen. Toch is daaruit door eenvoudige omzetting ons guttegom ontstaan, dat in ieder geval verkieslijk is boven gittegom, zooals soms wordt geschreven en uitgesproken.

Gutta-percha.

Gutta-percha heet het in de lucht tot eene lederachtige stof verharde melksap van zekeren boom, die op het Maleisch Schiereiland, Sumatra, Borneo en andere eilanden van den Ind. Archipel veel voorkomt,—eene stof die, daar ze lucht- en waterdicht is, eene groote plaats in de hedendaagsche industrie inneemt en tot ontelbare doeleinden wordt aangewend. Voor de uitspraak van het woord is het van belang op te merken, dat wij het van de Engelschen hebben overgenomen, en dat dus de ch in percha moet worden uitgesproken als in het Eng. in church of charity. Inderdaad vertegenwoordigt ze de tja van het Maleische Alphabet. Beide bestanddeelen van gutta-percha zijn Maleisch. Gutta is, evenals in guttegom (zie op dat woord) het Maleische gĕtah, gom. Percha, in het Maleisch met een h op het einde en dus naar onze gewone wijze van transscriptie pertjah of pertsjah te schrijven, is de naam van den boom die deze gom oplevert, de Isonandra gutta der botanici, ofschoon deze wel de voornaamste, maar niet de eenige boom is, waarvan de in den handel gebrachte gutta-percha wordt verkregen.

Pertja (doch zonder de h op het einde) is in de verbinding Poelo Pertja ook een Maleische naam van Sumatra of een deel van dat eiland. Wat in dien naam pertja eigenlijk beteekent is onzeker. Ik voer hem hier alleen aan, omdat vele Europeanen pertjah en pertja verward hebben, en daarom gutta-percha door gom van Sumatra verklaren. Zoo b. v. Kramers-Bonte in hun „Kunstwoordentolk”, en van Dale in het „Nieuw Ned. Wdbk.”, welke laatste niet heeft opgemerkt, dat hij met zijne eigen verklaring in strijd is, wanneer hij vervolgens van het verharde melksap van den percha-boom spreekt. Percha moet in gutta-percha òf het eiland Sumatra, òf den pertjaboom, maar kan niet beide te gelijk beteekenen.

Gonje, Goeni.

Het woord gonje las ik op een uithangbord op de Oude Schans te Amsterdam, en bij onderzoek vernam ik dat daaronder verstaan wordt een soort van grove zakken tot verpakking van sommige handelswaren gebezigd. Dit deed mij dadelijk aan goeni-zakken denken. Ik herkende toch in gonje gemakkelijk een vernederlandschten vorm van goni of goeni, op dezelfde wijze gevormd als katje van katti, pitjes van pitis.

De goeni bestaat uit de vezelen der tot de Tiliaceeën behoorende en in Bengalen veelvuldig gekweekte planten Corchorus capsularis en Corchorus olitorius. De uit deze vezelen geweven ruwe stof dient tot vervaardiging van de zoogenaamde goeni-zakken tot verpakking van suiker en koffie, welk laatste product vooral geacht wordt daarin beveiligd te zijn tegen schadelijke invloeden, anders op de zeereis te duchten. Zie de Sturler, „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 151. Daar de Corchorus-planten, ofschoon op sommige eilanden van den Archipel in het wild groeiende, daar niet gekweekt noch tot vervaardiging van goeni aangewend worden, is het nauwlijks te denken dat het woord goeni oorspronkelijk Maleisch zou zijn, en is zijne afkomst eer in Bengalen te zoeken. De Engelschen noemen de zakken gunny of gunney, de vezels jute (vandaar ook bij ons soms jute-vlas) en de plant paat, alles vermoedelijk woorden van inlandschen oorsprong.

In Ned.-Indië wordt de naam goeni ook tot andere gelijksoortige vezelstoffen uitgebreid. „Weleer,” zegt de heer de Sturler, t. a. p., bl. 152, „waren wij voor de verpakking der koffie cijnsbaar aan Bengalen, totdat men op het denkbeeld kwam om de vezelen van de uitgebreide familiën der Malvaceae en Tiliaceae(38) daaraan dienstbaar te maken.” Hieruit laat zich verklaren, dat de heer de Hollander, „Land- en Volkenk. van Ned. Indië”, 3e uitg., D. I, bl. 104, opgeeft, dat het goeni-touw en de goeni-zakken vervaardigd worden van de vezelen van den Genitri-boom(39); want deze is eene op Java en in de Molukken veelvuldig voorkomende tiliacee, de Elaeocarpus serratus en de nauw aan deze verwante Elaeocarpus angustifolius der botanici. Doch de heer de Hollander vergist zich geheel als hij t. a. p. de Genitri een palm noemt.

Ook de Crotalaria juncea, eene Papilionacee, door de Engelschen Sun of Sunn genoemd, en zoowel in den Indischen Archipel als in Bengalen gekweekt, levert eene stof op, de Indische hennip, die als surrogaat voor de goeni gebezigd en vaak onder dien naam begrepen wordt.

Het woord gonje wordt in ons land ook veelvuldig gebruikt om eene van grove, sterke vezels vervaardigde, zeer duurzame soort van tapijten aan te duiden. Waarschijnlijk waren die gonje-tapijten oorspronkelijk vervaardigd uit dezelfde stof als de goeni-zakken, d. i. uit de vezelen van den Corchorus of een zijner surrogaten. Het woord gonje moest in de Nederlandsche woordenboeken niet ontbreken.

Krandjang.

Men zegt en schrijft ten onzent gewoonlijk kranjang, maar niets zou nog beletten den waren vorm krandjang (of kĕrandjang) van het Maleisch en Javaansch te herstellen. Van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.” verklaart kranjang: „matwerk of gevlochten riet, waarin suiker uit Oost-Indië verzonden wordt, baal”. In het Jav. Wdbk. van Prof. Roorda wordt krandjang verklaard: „een meer of min groote, grof gevlochtene, lange, ronde mand, gewoonlijk van bamboe, tot verpakking en vervoer van goederen.” Uit de Sturler's „Handboek voor den landbouw in N. O.-I.”, bl. 496, blijkt dat de krandjang ook wel van klapperbladeren (d. z. kokosbladeren) wordt gemaakt. Bij ons zijn de krandjangs het meest bekend door het gebruik om stukken van oude suikerbalen in onze tuinen tot beschutting van teederder gewassen te gebruiken.

Gladakker.

Op Java is galadag of gladag, door de Europeanen gladak uitgesproken, de gewone naam van den dienst der vervoermiddelen en transporten. Zoo heeten b. v. de lastdragers wong gladag, de lastpaarden djaran gladag, enz. De paarden voor de transportdiensten gebruikt hebben veel te lijden en verliezen spoedig alle schoonheid en goede hoedanigheden. Vandaar beteekent onder de Nederlanders op Java een gladakker een slecht, versleten paard, een knol. Maar die naam wordt vervolgens ook overgedragen op alles wat leelijk en gemeen is. Zoo worden b. v. de leelijke honden, die, zonder meester, in de dessa's rondloopen, zoo bekend uit van Rees, „Herinneringen uit de loopbaan van een Ind. officier”, 3e druk, Dl. II, bl. 22, dikwijls gladakshonden genoemd. Maar vooral ook wordt gladakker (bij ten Brink, „O.I. Dames en Heeren,” altijd gladak geschreven) gebezigd voor een gemeen en liederlijk persoon, die door fatsoenlijke lieden geschuwd wordt.

Kĕ, Keh.

De Chineezen die pas uit hun vaderland in den Indischen Archipel komen, worden daar aangeduid door den naam Sin-kĕ, d. i. nieuw-gast, en in het algemeen worden de Chineezen van zuivere afkomst van de in Indië uit de kolonisten geboren bastaard-Chineezen, die den naam van pĕranakan(40) dragen, door den naam Kĕ (of Keh), d. i. gast, onderscheiden. Die naam wordt echter door de Europeanen vaak als een soort van schimpnaam gebezigd. Van Rees, „Herinneringen”, II, bl. 16: „Het kostte ons altijd moeite den groet der Chineezen niet onheusch te beantwoorden, en een „dag, leelijke kee!” was het minste dat zij moesten hooren.”

De massa der Chineezen die in den Indischen Archipel komen, behoort tot het ruwe, maar krachtige ras der bergvolken, die in het gebergte langs de noordelijke grenzen van Koeang-tong (Canton) en Koeang-si wonen. Men vindt er echter ook sommigen van een meer verfijnd ras, dat in Amoy (Hiamen) en de naburige streken te huis behoort. Men geeft aan deze laatsten een bijzonderen naam, die zeer verschillend wordt uitgesproken. De heer van Lynden, „Nat. T. v. N.-I.”, D. II, bl. 602, van de Chineezen op Borneo sprekende, zegt: „De Chineezen te Pontianak, Mandor en in de bovenlanden zijn meestal Keh's en slechts zeer weinigen Ollo's”. De heer Tobias in de „Ned. Hermes”, Jg. III, no. 12, bl. 36, spreekt van twee Chineesche kampongs te Pontianak, waarvan de kleinere alleen door Chineezen uit de provinciën Emoi (Amoy) en Holy bewoond wordt, die, zooals hij er bijvoegt, veel fijner en beschaafder van zeden zijn dan de andere klasse van Chineezen en van dezen een afkeer hebben. Deze onderscheiding wordt ook bevestigd door hetgeen de reizigers omtrent Riouw berichten. Zoo b. v. de Bruyn Kops in „Nat. T. v. N.-I,” D. IV, bl. 69: „De Chineezen (te Riouw) worden naar hunne afkomst onderscheiden in Canton- en Emoyer-Chineezen, welke afzonderlijke kampongs bewonen en afzonderlijke hoofden hebben. Tusschen deze beide afdeelingen bestaat een voortdurende naijver, die somwijlen in twist uitbreekt. De Chineezen van Canton zijn zware, sterke menschen; de Emoyers zijn in het algemeen veel minder gespierd en houden zich meer uitsluitend met den handel bezig.”

Zijn nu de Chineezen, die van Lynden Ollo's noemt, dezelfde als de Chineezen van Amoy, die door de Bruyn Kops op dezelfde wijze tegen die van Canton worden overgesteld? Dat die vraag bevestigend moet beantwoord worden, kan dunkt mij niet twijfelachtig zijn, vooral wanneer men acht geeft op de woorden van den heer Tobias, die de Chineezen van Amoy en Holy bijeenstelt, om ze gezamenlijk aan de Canton-Chineezen over te stellen. Er woont namelijk in de nabijheid van Amoy, op de grenzen tusschen Fokiën en Canton, volgens eene mededeeling die ik van Prof. G. Schlegel ontving, een kleine stam, welks naam deze geleerde Hok-lo schrijft, en hij voegt er uitdrukkelijk bij dat vele Hok-lo Chineezen te Riouw wonen. Ollo en Holy zijn dus andere transscriptiën, of verbasteringen, voor Hok-lo, en Tobias drukt zich ongewoon nauwkeurig uit, wanneer hij de Chineezen van Emoi (Amoy) en Holy (Hok-lo) nog verder van elkander onderscheidt. Zij wonen dicht bij elkander, schijnen in zeden en levenswijze overeen te komen, en worden gewoonlijk als ééne klasse beschouwd, die nu eens Amoy-, dan eens Hok-lo of Ollo-Chineezen genoemd worden.

Uit de boven aangehaalde plaats van den heer van Lynden, die de Kĕh's en Ollo's tegenover elkander stelt, zou men opmaken dat alleen de Canton-Chineezen Kĕh worden genoemd. Dit wordt echter door geene andere mij bekende getuigenis bevestigd, en is zelfs eenigermate in strijd met de volgende taalkundige opheldering omtrent het woord Kĕ, mij door wijlen Prof. Hoffman verstrekt: „De Chineezen op Java beschouwen zich zelven als Thang-Kĕ, d. i. gasten (Kĕ) uit Thang, een vroegeren naam van China, dus als gasten uit China, en noemen de nieuwe aankomelingen „nieuwe gasten”, sin kĕ. In China zelf gaan ook reizende kooplieden, marskramers enz. voor gasten (kĕ) door, en men noemt b. v. de reizigers die de tee-districten bezoeken en tee opkoopen „tee-gasten”, tscha-kĕ, terwijl ook de winkelier zijne klanten als kĕ's beschouwt. Het woord kĕ sluit het begrip van vreemdeling in. In het Canton-dialect luidt het hak.”

Hieruit volgt: 1o. dat kĕ soms te onrecht als een verkorting van sin-kĕ wordt beschouwd. Kĕ is een vreemde, d. i. een echte Chinees in het algemeen, en Sin-kĕ een pas aangekomene, een nieuweling, een baar. Dit blijkt ook reeds uit hetgeen over deze benamingen werd opgemerkt door Prof. Hoffmann in „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. van N.-I.”, D. IV, bl. 280, waar hij ten slotte nog opmerkt: „Het Chineesche Kĕ heeft al de schakeeringen van beteekenis, die wij aan ons woord gast hechten, en daar het ook een vreemdeling beteekent, die ter plaatse waar hij zich bevindt niet te huis behoort, is het in den mond van niet-Chineezen geen aangename groet voor een Chinees op Java.”

2o. Dat in het woord kĕ op zichzelf niets ligt, waarom het niet even goed op Amoy- als op Canton-Chineezen zou toepasselijk zijn.

Smous.

Evenmin als Kĕ schijnt ook dit woord naar zijne eigenlijke beteekenis iets beleedigends te bevatten. In de taal der boeren van Zuid-Afrika is nog alle bijgedachte van schimp of smaad aan het woord vreemd. Volgens Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idiotikon”, is een smous een te voet, te paard of per kar voorttrekkende Jood, die zijne waren rondvent. Zie ook Schüssler, „Zuid-Afrika”, bl. 9: „Zij verkoopen hun voorraad aan reizende kooplieden of smousen. Dit woord getuigt volstrekt niet van minachting... Reizend koopman en smous zijn woorden van één beteekenis”. H. P. N. Muller in „de Gids” voor Mei 1888, bl. 225: „Marskramers worden door de Boeren steeds met den liefelijken naam smous betiteld, ook al zijn zij Christenen. Het is geen scheldwoord, maar slechts eene beroepsaanduiding”. Uit deze laatste plaats blijkt, dat smous in Zuid-Afrika eene uitbreiding van beteekenis ondergaan heeft, zoodat het niet enkel bepaaldelijk een Joodschen marskramer, maar een marskramer in het algemeen aanduidt.

De oorsprong van het woord smous is niet zoo duister als gewoonlijk geloofd wordt. In het Hoogduitsch beantwoordt daaraan Mauschel. Heyne, in Grimm's „Deutsches Wörterbuch” in v., zegt over dit woord: „Spottname für einen Juden, weitergebildet aus dem jüdischen Namen Moses, in jüdisch-deutscher Aussprache Mausche oder Môsche, wie denn diese und verwandte Formen als allgemeiner Rufnahme für Juden begegnen”. Hij brengt daarna voorbeelden bij waarin Mausche, Moschi, Moschgen als zoodanig voorkomen. Eerst de vorm Mauschel of Mauschl (een deminutiefvorm) „bezeichnet in verächtlicher Weise den Juden, namentlich den Schacherjuden”. In het Hollandsch is Mausche of Môsche overgegaan in mous of moos, maar met voorklamping van den sis-klank, zoo gewoon vóór de liquidae, als in smoel voor moel of muil, smerlijn voor merlijn (den steenvalk), sneb voor neb, snugger voor nugger, snikken (snokken) voor nokken (nikken), slinker, slinksch voor linker, linksch, slank (voor lang of lank), enz., geheel in den geest der volkstaal(41). Terecht dus heeft reeds Weiland ons smous afgeleid „van den eigennaam Mozes, waarvoor de Joden in de gemeenzame verkeering mous, mousje, bezigen, dat met voorzetting van eene s, smous, smousje geworden is”. Daar nu een gebruikelijke eigennaam op zich zelf geen scheldnaam kan zijn, is smous meer door den minachtenden toon waarop het wordt uitgesproken, dan door zijne beteekenis tot scheldwoord gestempeld. Bij ons volk bestaan niet die bittere vooroordeelen tegen de Joden die hun in andere landen bloedige vervolgingen op den hals halen, maar het is hun geest van schacheren en woekeren, die hen bij de menigte in minachting brengt, zonder dat men bedenkt hoezeer die geest een uitvloeisel is van de verdrukking, waaraan zij zoovele eeuwen waren blootgesteld. De beteekenissen van het woord smous laten zich dunkt mij het best zoo ordenen: 1o. een duitsche Jood, 2o. een joodsche marskramer, 3o. een marskramer in het algemeen (Zuid-Afrika), 4o. een schacheraar, een woekeraar.

Prof. Dozy heeft het woord smous in zijne „Oosterlingen” niet opgenomen. Dit gaf aanleiding dat bij de verschijning van dat werkje twee nieuwe afleidingen beproefd zijn. Prof. de Goeje wilde het in verband brengen met Schammôsj, een kerkedienaar, Prof. Land met Isj-mówet (uitgesproken Schmówĕs), een man des doods, dat dan zooveel zou beteekenen als galgebrok, pendard. Beide verklaringen zijn veel te gezocht en te geleerd, en geen van beide komen met het gebruik van smous overeen.

Ik wensch hier ook nog iets over eenige Joodsche woorden bij te voegen, die van te weinig gewicht zijn om een afzonderlijk artikel te verdienen. Prof. Dozy zegt in de voorrede zijner „Oosterlingen”: „Van Joodsche woorden zijn er misschien in enkele steden, waar veel Joden wonen, vooral te Amsterdam, meer in de volkstaal overgegaan, dan ik heb opgeteekend”. Juister ware het te zeggen, dat daar de Joden, die onder elkander hun eigen, met Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch doorspekt Duitsch spreken, ook in het verkeer met Christenen vaak Joodsche woorden in hun taal mengen, die door hen met wie ze spreken dikwijls niet of slechts ten halve verstaan worden. Wanneer nu zulke woorden kunnen gezegd worden in de volkstaal te zijn overgegaan, is moeilijk te bepalen. Waar van Maurik, die Amsterdam kent zooals Dickens Londen kende, in zijne schetsen en novellen Joden ten tooneele voert, legt hij hun niet zelden woorden in den mond die stellig niet algemeen verstaan worden, en toch in den mond van een Jood zeer gepast zijn, b. v. waar in „Uit één pen”, bl. 181, David de loterijman tôf (het Hebr. tôb, volgens de uitspraak der Duitsche Joden) voor goed(42) en gammor (verbastering van het Hebr. chămoor) voor ezel bezigt. Maar deze woorden kunnen geen aanspraak maken om zelfs als vreemde gasten in de Nederlandsche taal beschouwd te worden. Meer aanspraak daarop heeft sikker, dat, zoo ik geloof, vrij algemeen, althans in Amsterdam, verstaan wordt, en dan ook door van Maurik, „Uit één pen”, bl. 142, 148, aan een Amsterdamschen nachtwacht in den mond wordt gelegd. Het is het Hebr. sjikkôr, dat dronken beteekent.

Saraceen.

Dat dit woord niet voorkomt in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en, ofschoon het ook aan de Spanjaarden en Portugeezen bekend is, evenmin in zijn „Glossaire des mots Espagnols et Portugais dérives de l'Arabe”, kan nauwlijks daaraan worden toegeschreven, dat het vergeten is. Ik vermoed dat hij het als een eigennaam van onzekere afkomst beschouwde, waarvan alleen bekend is dat hij van de Grieken en Romeinen tot ons is gekomen. Onder de verschillende afleidingen van het woord, die men heeft voorgesteld en kan nalezen bij Pococke, „Specimen Hist.-Arab.”, ed. White, p. 33, en in Gibbon's „Decline and Fall of the Roman Empire”, in eene noot op Ch. I, is er ééne, die bij den eersten oogopslag groote waarschijnlijkheid heeft: deze namelijk, dat Saracenen, het Grieksche Sarakénoi, afstamt van het Arab. Sjarq, het Oosten, dus overeenkomt met Sjarqioena, Oosterlingen, en overstaat tegen Maghrebioena, Westerlingen (Magrebynen), zooals de latere Arabieren de Mauretaniërs noemden. Men denke daarbij dan ook aan den naam Bené Qèdem, zonen van het Oosten, in het Oude Testament aan de Arabische stammen ten O. van Syrië en Palestina gegeven. De vorm biedt hoegenaamd geen zwarigheid; want de sjîn gaat in het Grieksch vanzelf in sigma (onze s) over, en aan de lange i beantwoordt in het Grieksch de èta.

Er bestaan echter tegen deze afleiding twee zwarigheden. De Arabieren konden zich zelven niet wel Oosterlingen noemen, en hoe kan men zich voorstellen, dat de Grieken, die hen zeer natuurlijk zoo noemden, dit deden met een aan de Arabieren zelven ontleenden naam. Het is vooral deze zwarigheid die mij doet twijfelen.

De andere is van minder gewicht. Zij bestaat daarin, dat bij Ptolemaeus, „Geographia”, V, 17, § 6, Sarakéné als een landschap van Arabia Petraea, en VI, 7, § 21, Sarakénoi als een stam in Arabia Felix voorkomen. Hieruit maakt men op dat Saracenen oorspronkelijk de eigennaam was van een klein deel des Arabischen volks, die later, waarom blijkt niet, bij de Grieken de algemeene naam des ganschen volks is geworden. Aan analoge voorbeelden ontbreekt het niet. De naam van den stam Tai is bij de Syriërs de naam van alle Arabieren geworden (Tajôjé); bij de Franschen werd de naam der Alamanen de algemeene naam van alle Duitschers (Allemands); wij Nederlanders zelven worden in den vreemde naar een deel van ons volk algemeen Hollanders genoemd. Maar daaruit volgt volstrekt niet met eenige zekerheid, dat de naam Saracenen, zoo al Ptolemaeus terecht van een kleine bevolking dus geheeten in Arabië gewaagt, oorspronkelijk alleen aan dien kleinen stam toekomt, en daar men, wat de landen van het Oosten betreft, bij de oude geographen op velerlei verwarring en misverstand kan rekenen, mis ik zelfs de overtuiging dat werkelijk Saracenen ooit de naam van een bijzonderen stam geweest is. Indien dus slechts een aannemelijke reden kon worden opgegeven, waarom de Grieken een oostersch volk noemden met een woord dat in zijne eigen taal Oosterlingen beteekent, zou ik aan de afleiding van sjarq de voorkeur blijven geven.

Dajak.

Met dezen naam, waarvan de oorsprong zeer onzeker en betwist is, wordt de inheemsche bevolking van Borneo, in tegenstelling met de Maleische kolonisten aan de kusten, niet slechts door de Europeanen, maar ook door de Maleiers aangeduid. Crawfurd, „Dict. of the Indian islands”, in v. Dyak zegt: „It is a word used by the Malays as a generic term for all the wild races of Sumatra and Celebes, but more especially of Borneo, and seems to be equivalent with them to the European word savage.” Doch dat het woord zich ook tot bevolkingen buiten Borneo zou uitstrekken wordt, voor zoover ik weet, door geen andere getuigenissen bevestigd, en is zelfs moeilijk vereenigbaar met hetgeen Crawfurd zelf laat volgen, dat hem door Maleische kooplieden Dajak als de naam van een stam van N. W. Borneo is opgegeven. Iets dergelijks komt voor in een nog onuitgegeven journaal van den heer von de Wall, die door zijne vele tochten en onderzoekingen op Borneo bekend is. De heer Robidé van der Aa deelt in zijne uitgave van Carl Bock's „Reis in Oost- en Zuid-Borneo”, (bl. 177) mede, dat, volgens von de Wall, „de Bonoa's, een Dajaksche stam aan den Boengan, zijtak van den Mohakkam, die van de zuidgrens van Pasir naar het meer Sembajan loopt, de bewoners van het grensgebergte Dajaks noemen, hetgeen bovenlander, bergbewoner beteekent, dus hetzelfde als Beadjoe of Ngadjoe, van adjoe, Poelopetaksch boven, hooger op de rivier.” Het zou zeker niet vreemd zijn (vergelijk de gelijksoortige gevallen, vermeld in het artikel Saraceen), dat zulk een naam allengs een uitgebreidere beteekenis had erlangd, wat dan ook ten slotte het gevoelen van Crawfurd ten opzichte van Dajak schijnt te wezen.

Nadat de etymologen lange jaren omtrent den naam Dajak in het onzekere hadden verkeerd, zonder het verder te kunnen brengen dan de hier vermelde gissing, komt eensklaps de heer Perelaer in een soort van ethnographischen roman, dien hij onder den naam: „Borneo van Noord naar Zuid” (Rotterdam, 1881) heeft uitgegeven, D. I, bl. 149, het Nederlandsch publiek met eene nieuwe verklaring van den naam Dajak verrassen, die zoo eenvoudig en natuurlijk schijnt, dat men er nauwlijks eenige andere tegenwerping tegen maken kan, dan de onwaarschijnlijkheid dat iets zoo eenvoudigs en natuurlijks zoo lang is onbekend gebleven. Vooral is het bevreemdend, dat zij den heer Perelaer zelven gedurende zijn lang verblijf op Borneo ontgaan was, zooals blijkt uit een vroeger werk van zijne hand: „Ethnographische beschrijving der Dajaks” (Zalt-Bommel, 1870), bl. 2, waar hij zegt: „Hoe wij Europeanen aan het woord Dajak komen, is mij niet mogelijk geweest op te sporen. Nergens op Borneo, althans in dat gedeelte van het eiland hetwelk tot onze bezittingen behoort, is dat woord te huis; het is alleen bekend in die streken, welke met ons Europeanen in aanraking gekomen zijn”. Maar hoe is dan den heer Perelaer in 1881 het licht opgegaan, dat hem in 1870 nog ontbrak? Zeker niet, zoover ik kan nagaan, door een nieuw bezoek aan Borneo, maar waarschijnlijk, zooals ook de heer v. d. Aa t. a. p. aanneemt, door een artikel in Hardeland's „Dajacks-deutsches Wörterbuch”, dat aldus luidt: „Dadajak, dajadajak, hadajak, wackelnd gehen.—Kadajadajak, immer, noch immer wackelnd gehen.—Baradajak, alle wackelnd gehen”. Het verdient opmerking, dat het den heer Hardeland niet in de gedachten schijnt gekomen te zijn, den naam Dajak hieruit te verklaren.

De heer Perelaer, dit artikel uit Hardelands woordenboek, dat hij blijkbaar tot vermeerdering der ethnologische kennis, die hij gedurende zijn vierjarig verblijf op Borneo (1859–1863) verkregen had, ijverig doorzocht en bestudeerd heeft, met zijne eigen herinneringen in verband brengend, heeft op de aangehaalde plaats van zijn „Borneo van Zuid naar Noord”, misschien met wat al te veel verzekerdheid, de bij hem opgekomen gissing omtrent den oorsprong van den naam Dajak in deze woorden uitgesproken: „Dajak is een verkorting van het woord „dadajak”, dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kon dienen”.

De heer van der Aa, die eenigszins spottenderwijze over deze verklaring spreekt, en, niet zonder eenige ironie, zegt: „Prof. Veth vond deze afleiding zoo waarschijnlijk, dat hij de schoone vondst onmiddellijk aan het wetenschappelijk publiek mededeelde (Tijdschr. v. h. Aardr. Gen., D. V, Meded., bl. 182), daar dit niet licht zoo iets in een roman zou zoeken”, kon toch niet ontkennen dat ook in zijne oogen deze afleiding veel voor zich heeft. Doch er blijven eenige zwarigheden. Is zij juist, waar blijven dan de beweringen, dat ook de Maleiers den naam Dajak kennen en gebruiken; dat zij dien zelfs tot wilde bevolkingen buiten Borneo uitstrekken; dat de naam bovenlander of wilde beteekent; dat hij oorspronkelijk aan bijzondere stammen, nu eens in N. W. Borneo, dan eens in het grensgebergte van Pasir geplaatst, eigen was? Hoe is het ontstaan van al die beweringen te verklaren, indien Perelaer's meening de ware is? En is het niet wat vreemd dat de Europeanen den spotnaam waarmede zij de Dajaks aanduiden, ontleend hebben aan de, zeer zelden door hen beoefende taal van het volk zelf, dat er mede genoemd wordt?

Alfoer.

Dit woord, dat, toen het eenmaal niet meer verstaan werd, allerlei zeer uiteenloopende vormen heeft gekregen (b. v. Alifoeren, Arafoeren, Halfoeren, Harafoeren, Alforen, Alfores, Alforias), duidt in het Oosten van den Indischen Archipel de oorspronkelijke heidensche bevolking aan, in tegenstelling van de Mohammedaansche of Christelijke. Wie tegenwoordig in de Minahassa tot het Christendom overgaan, worden niet langer tot de Alfoeren gerekend. Hieruit blijkt reeds, dat de naam geene ethnologische beteekenis heeft, en dit wordt ook daardoor bevestigd, dat de Alfoeren van de Molukken en van Celebes klaarblijkelijk tot geheel verschillende stammen behooren.

Het gebruik van het woord schijnt op te klimmen tot het tijdperk der Portugeesche heerschappij in deze streken, en Crawfurd gist daarom dat het gevormd is uit het Arabische lidwoord al en het Portugeesche fora, buiten, zoodat het beteekende: „zij die buiten het Portugeesche gezag leefden”. Deze verklaring voldoet vrijwel wat de uitkomst (ik meen de beteekenis aan het woord Alfoer toegekend) betreft, maar verkrijgt die langs een onmogelijken weg. Tegen de verbinding van een zuiver Portugeesch, uit het Latijn stammend woord, met het Arabische lidwoord, bestaat een onoverkomelijke zwarigheid, en om aan de uitdrukking een man die buiten is, een buitenman, de speciale beteekenis te geven van een man die buiten het Portugeesch gezag leeft, is een vervaarlijke sprong noodig. Ik zal dus beproeven tot dezelfde uitkomst langs een veiliger weg te geraken.

Het is geenszins onwaarschijnlijk dat de Portugeezen den naam Alfoer reeds hebben overgenomen van de aan de kusten gevestigde Mohammedanen, en dat dezen, door Arabische zendelingen bekeerd, een Arabischen naam hebben gegeven aan de bevolkingen die aan het Heidendom trouw bleven, en zich juist daarom ook niet aan hun gezag wilden onderwerpen. Het woord Alfoer heeft reeds bij oppervlakkige beschouwing een eenigszins Arabisch voorkomen, wegens de lettergreep al, waarmede het aanvangt, en die hier, gelijk in zoovele andere in de Europeesche talen overgenomen Arabische woorden (b. v. almanak, alchymie, aldebaran, alkoran, alizari, alkanna enz.), het Arabische lidwoord schijnt te wezen. Maar is deze opvatting van de eerste lettergreep juist, dan zal men ook voor de tweede een Arabischen oorsprong moeten zoeken. Nu herinnere men zich dat in het Spaansch en Portugeesch de letters f en h in de spelling gedurig met elkander verwisseld worden, zonder dat de uitspraak verandert (zie art. Hidalgo en Dozy's „Oosterlingen”, art. Feloek). Zoo is dus ook het Portugeesche woord alforria hetzelfde als het Arabische alhorria, waarmede het ook geheel in beteekenis overeenkomt. Beide beteekenen de vrijheid, de staat van den vrije, het bevrijd zijn van de slavernij. Het Arabische alhorro, d. i. de vrije, de aan geen meester onderworpene, zal op gelijke wijze in het Portugeesch alforro worden. Nu is forro inderdaad nog een gewoon woord in het hedendaagsche Portugeesch, om een vrijgemaakte, b. v. van de slavernij of van schulden of hypotheken aan te duiden, en dat dit woord niets anders is dan het Arabische horro zal wel algemeen erkend worden. Duidelijk is het ook, dat in dit woord, evenals in zoovele andere, het Arabische lidwoord als een soort van voorslag kon behouden worden, met verlies zijner eigenlijke beteekenis. De oorspronkelijke vorm van Alfoer zal dus Alforro geweest zijn, en de oorspronkelijke beteekenis, de vrije, de niet onderworpene.

Met deze, zoo het schijnt, afdoende verklaring, die ik aan de wenken van wijlen den heer van Musschenbroek verschuldigd ben (zie mijne biographie van van Musschenbroek in het „Tijdschr. v. h. Aardr. Gen.”, Jg. 1887, afd. meer uitg. artt., bl. 200), worden de gissingen overbodig, die ik, op bl. 404 mijner vertaling van Wallace, „Insulinde”, D. II, heb medegedeeld. Echter verdient nog vermelding eene zeer scherpzinnige gissing van dr. G. A. Wilken, die ik ook reeds op de aangehaalde plaats van v. Musschenbroek's biographie vermeld heb. Daar Alfoeren vaak ook Halfoeren wordt uitgesproken, is door hem de vraag geopperd, of het woord niet zou kunnen ontstaan zijn uit eene uit misverstand geboren verminking van de uitdrukking „dalam hâl foeroe”, d. i. in den wilden staat verkeerende. Foeroe is, hetzij al of niet uit het Portugeesch afkomstig, in het Maleisch van Ternate en Menado een gewoon woord voor wild, ontembaar.

Kondé.

Van de in Indië uit Europeesche ouders geboren vrouwen (Creoolsche dames) te Batavia sprekende, zegt Stavorinus: „Reize van Zeeland naar Batavia”, D. I, bl. 265: „zij gaan alle blootshoofds; het hair, dat gitzwart is, dragen zij in een wrong, met gouden en juweelen spelden vastgemaakt; dit noemen zij een condé.... Diegeene van haare slavinnen, die het best haar condé opmaakt, is haare voornaamste gunsteling”.

Dat nog heden dit kapsel de gewone haardracht der Creoolsche dames in Indië is, blijkt uit de „Herinneringen” van van Rees, waar hij spreekt van „open rijtuigen met schoone dames in een licht wit morgen-toilet; het zware haar eenvoudig tot een kondeh gedraaid(43)”. Doch niet de Europeesche vrouwen alleen dragen de kondé; zij is evenzeer in gebruik bij de Chineesche, zooals men zien kan uit de volgende aanteekening van Aquasi Boachi, bij zijne „Mededeelingen over de Chineezen op Java”, in „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van N.-I.”, Dl. IV, bl. 281: „Kondeh noemen de Chineezen eigenlijk dat vrouwelijke kapsel, hetwelk ook in Europa onder den naam coiffure à la chinoise bekend is, en hetwelk daarin bestaat, dat men de haren van alle kanten opstrijkt, in het midden te zamen bindt en met 2, 3, 4 of 5 haarspelden bevestigt. Met deze haarnaalden, die òf van zilver òf ook wel van goud en met diamanten en brillanten bezet zijn, wordt groote luxe gedreven”. Uit dezelfde aanteekening zien wij nog, dat kondé ook wordt toegepast op den wrong gevormd van den langen haarstaart die de onderscheidende dracht is der Chineesche mannen. Men noemde oudtijds het van de Chineezen geheven hoofdgeld staartgeld. Tijdens de Compagnie moest, volgens „Batavia in hare gelegenheid”, D. III, bl. 23, „ieder Chinees die een Conde draagt—dus noemt men 't haar in tuiten rondom het hoofd gelegd—38 stuivers hoofdgeld geeven.” Het schriftelijk bewijs dat deze belasting, die eerst voor weinige jaren met de bedrijfsbelasting werd samengesmolten, betaald was, werd, volgens Aquasi Boachi, t. a. p., Soerat Kondeh genoemd.

Maar ook door de inlandsche vrouwen, Javaansche en Maleische, werd de kondé als haardracht aangenomen. Het woord, ofschoon het van vreemden oorsprong schijnt, is in de taal van beide volken opgenomen. Niet alle Maleische vrouwen dragen het haar in eene knoop; maar dragen zij dien wèl, dan schijnt kondé het eenige, althans het gewone, woord daarvoor te zijn (zie „Midden-Sumatra”, Volkenkunde, bl. 11). Het Javaansch (zoowel de hooge als lage taal) en het Soendaasch hebben daarnevens het woord gĕloeng. Het zou echter niet juist zijn kondé geheel als een synoniem van gĕloeng op te vatten. Onder den naam gĕloeng zijn verschillende vormen van haarwrongen samengevat, die door de toevoeging van verschillende soortnamen worden onderscheiden. Zie daarover Poensen in de „Mededeelingen van wege het Ned. Zendelinggenootschap”, D. XX, bl. 418, D. XXI, bl. 18. Een dier soorten, en wel eene soort van waarschijnlijk vreemden oorsprong, is nu de kondé. 't Is waar dat Poensen de gĕloeng kondé niet vermeldt, die misschien in de streken waar hij als zendeling werkzaam is, onbekend bleef; maar zij wordt als bijzondere vorm van gĕloeng uitdrukkelijk genoemd in het Soendasch Woordenb. van den heer Oosting, bl. 762, kol. 1.(44)

Crawfurd houdt in zijn „Malay Dictionary”, op Kundai, dit woord voor Telingasch (= Teloegoe). Daar mij die taal volstrekt onbekend is, durf ik dit niet tegenspreken: maar daar in het hierboven over kondé bijeengebrachte, wel het een en ander voorkomt dat op een Chineeschen oorsprong schijnt te wijzen, wilde ik mij althans omtrent de mogelijkheid daarvan zekerheid verschaffen. Ik raadpleegde daarom onze Sinologen, de heeren J. Hoffmann en G. Schlegel. Aan beide was echter kondé als Chineesch woord onbekend; maar laatstgemelde meende dat het woord van Europeesche afkomst was, en wel van de „Coiffure à la Condé”, die, zegt hij, in de vorige eeuw in Frankrijk in den smaak was.(45) Het woord zou dus niet alleen door de inlanders, maar ook door de Chineezen van de Europeanen zijn overgenomen, ofschoon het thans, in Europa vergeten, in Indië als een woord aan de inlandsche talen ontleend wordt aangemerkt.

Is de meening van Prof. Schlegel de ware, dan zou condé de beste schrijfwijze zijn. Zoolang dit niet vaststaat doet men beter kondé te schrijven, als beantwoordende aan de gewone transscriptie in onze taal van Jav. en Mal. woorden. Schrijft men met sommigen kondeh, dan is de h op het einde slechts als het teeken der lange e te beschouwen, maar deze schrijfwijze is bepaald onnederlandsch.

Kraak, Korakora.

Een kraak of karaak is volgens Weiland „zeker oud Spaansch of Portugeesch schip, zoowel tot den oorlog als tot den koophandel geschikt.” Het woord komt, ofschoon niet dikwijls, toch van tijd tot tijd voor, zoowel bij nieuwe als bij oude schrijvers. Zoo bij Baldaeus, „Beschrijvinge van Ceylon”, bl. 98: „Korts na het overlijden van den Onderkoningh, hadden die van Goa.... een carake langzaam met koopmanschappen beginnen te laaden”, en bij Meijer, „Heemskerk”, bl. 33:

„Dat vrij uw oog van fierheid blaak, „Bij d'aanblik van die reuzenkraak, „Die uit den vloed rijst als een eiland”.

Den vorm karaak vindt men bij de Brune:

„Geen hulcken, of karaken groot ghenoegh”.

Het woord karaak of kraak is rechtstreeks ontleend aan het Spaansche en Portugeesche carraca, maar behoort met dit tot eene talrijke familie van woorden, in verschillende talen van Europa, die allen tot het Arabische qorqôr of qorqôra en zijn meervoud qarâqir zijn terug te brengen. Zie Dozy, „Glossaire des mots Espagnols” enz., p. 248, die terecht opmerkt, dat carraca, zooals vele andere Spaansche en Portugeesche woorden aan 't Arabisch ontleend, van den meervoudigen vorm afstamt, wat hier te eerder kon gebeuren, daar vaak meerdere qorqôrs tot een vloot waren vereenigd, en men dan, het woord qarâqîr hoorende, dit licht ook op de enkele schepen kon toepassen. Hetzelfde gebruik van Arabische meervouden (nam. van de zoogenaamde pluralia fracta) met de beteekenis van enkelvoud komt ook dikmaals voor in de talen van den Archipel, b. v. in ngoelåmå (meerv. van ngalîm of liever ʾalîm; zie op Ulema), en laat zich te eerder begrijpen, daar de Maleiers en Javanen, evenals de Spanjaarden en Portugeezen, van de eigenaardige vorming der zoo talrijke pluralia fracta geen denkbeeld hebben. In het Maleisch heeft zich van het Spaansch-Portugeesche carraca het woord kĕrakah gevormd, dat o. a. gelezen wordt in de „Sjadjara Melajoe” (zie Klinkert's „Supplement”), en onmogelijk is het niet, dat karaak of kraak eigenlijk door tusschenkomst van het Maleisch tot ons is gekomen. Voor 't overige behooren tot dezelfde familie als carraca niet alleen nog het It. caracca, het Fr. caraque (vgl. Defrémery in „Journal Asiatique”, Aug. 1867, bl. 185) en het middeleeuwsch Latijnsche caraca, maar ook nog eenige andere woorden die eene wat sterkere verandering ondergaan hebben, en waarop ik zoo aanstonds terugkom.

Het woord karaak of kraak had aanspraak mogen maken op eene plaats in Dozy's „Oosterlingen”, te meer dewijl daarvan vermoedelijk afstamt het bekende kraakporselein, reeds door Weiland verklaard als: „fijn porselein, dat met Spaansche karaken of kraken [uit China en Japan] werd overgevoerd.”

De hierboven bedoelde wat meer verwijderde afstammelingen van carraca zijn het Spaansche caracoa of carcoa (d'Argeosola, „Conquista de los Islas Molluccas”, p. 279: „doze carcoas”), het Fransche caracore, het middeleeuwsch-Latijnsche caracora en het Portugeesche caracora of corocora. (Vgl. bij de Jonge, „Opkomst van het Ned. gezag in Indië”, D. III, de uittreksels uit het dagboek van Craen, waar, bl. 186, de vormen karacore en karacolen—dit laatste denkelijk een schrijf- of drukfout—voorkomen.) Het Portugeesche coracora heeft weder een ander woord voortgebracht, dat dikwijls bij Nederlandsche schrijvers over de Molukken voorkomt, t. w. Korakora of Korrakorra. De schijnbaar geredupliceerde vorm, die aan Korakora het aanzien geeft van een inlandsch woord, heeft niet alleen tot een verkeerde schrijfwijze (kora-kora of korra-korra) maar ook tot een verkeerde verklaring geleid. Korakora is de naam van zekere groote, overdekte en met bamboezen vlerken voor de roeiers toegeruste staatsie-prauwen der Moluksche vorsten. Valentijn, II, 1, bl. 183, misleid door den schijnbaar Polynesischen vorm, behandelt dit woord geheel als een inlandsch, wanneer hij, denkende aan het Maleische kakoera of koera-koera, het verklaart door „een waterschildpad”, en er bijvoegt: „met reden zoo genaamt, alzo zij gemeenlijk zeer traag van voortgang is.” Korakora is klaarblijkelijk niets dan het reeds genoemde Portugeesche coracora, welks afstamming van het Arab. qorqora en verwantschap met carraca en ons kraak reeds in het licht werd gesteld. Woorden van Portugeeschen oorsprong zijn in de Molukken en den geheelen Indischen Archipel niet zeldzaam, maar slechts weinige worden, zooals korakora, ook telkens door Nederlandsche schrijvers gebruikt.

Nevens korakora vindt men ook wel karakor, welke vorm eene plaats heeft gevonden in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.” Deze vorm is bijna geheel die van het middeleeuwsche caracor en van het Arab. mv. qâraqîr. Caracora komt voor in „Begin en Voortgang, 2de schipvaerd der Hollanders”, bl. 17, waar wij lezen, dat die van Amboina den admiraal tegemoet kwamen „met drie seer kostelijcke ende cierlijk toeghemaeckte galeijen, die sij caracora's noemen.”

Ulema.

Dit woord, dikwijls gebruikt waar van het Turksche Rijk sprake is, zou schijnen uit Duitsche schrijvers te zijn overgenomen, daar aan de u hier de klank moet worden toegekend dien wij uitdrukken door oe. 't Is echter waarschijnlijker dat het uit Frankrijk tot ons kwam, want de Franschen schrijven het evenzoo (schoon het naar hun klankstelsel Oulema moest geschreven worden), en wij volgen hen dikwijls na in de fout van het als een enkelvoud te beschouwen en in het meervoud Ulemas of Ulema's te schrijven. Het woord is inderdaad een Arabisch meervoud en hetzelfde dat wij in het art. Kraak hebben leeren kennen in den Javaanschen vorm ngoelåmå, die ook als enkelvoud gebruikt wordt. Het enkelvoud is in het Arabisch ʾalîm, en beteekent letterlijk een wetende, en vandaar, evenals het Fransche savant, een geleerde. In het Turksche Rijk beteekent Oelema den stand der wetgeleerden, samengesteld uit de imams of voorgangers bij de godsdienstoefeningen, de mufti's of verklaarders der wet, de rechtsgeleerden, en de kadi's of rechters. Dozy nam het woord niet op in zijne „Oosterlingen”, maar het komt voor in van Dale's „Nieuw Ned. Wdbk.”

Bodega.

Eerst sinds weinige jaren is dit woord bij ons algemeen bekend geworden; men vindt thans bodega's in al onze grootere steden en leest dagelijks in de dagbladen de aankondiging van wat zij te koop bieden. Het woord is Spaansch en Portugeesch en beteekent in het algemeen een magazijn van koopwaren, een winkel. Het heeft in beide talen ook nog den bijvorm botica, die meer in het bijzonder gebruikt wordt voor een winkel van geneesmiddelen, een apotheek. Een derde vorm, botiga, schijnt alleen in het Spaansch voor te komen, en behoudt doorgaans de beteekenis van winkel, het Fransche boutique, het Italiaansche bottega. Daarentegen wordt aan bodega meestal de speciale beteekenis gegeven van een magazijn en verkoopplaats van wijn, een wijnkelder, een wijnhuis; en het is alleen in dien zin dat het woord bij ons in gebruik is, met dien verstande dat in de bodega alleen of hoofdzakelijk Spaansche wijnen verkocht worden.

De woorden bodega, botiga, botica, bottega, boutique hebben allen een gemeenschappelijken oorsprong. Zij stammen allen af van het Latijnsche apotheca, dat weder afkomstig is van het Grieksche apothéké, plaats voor terzijdestelling en bewaring, voorraadschuur, en zijn gevormd door weglating der a en verzachting der p tot b. De p is nog over in sommige dialectische vormen zooals het Napolitaansche potega en het Sicilische putiga. Men ziet dus dat bodega in den grond hetzelfde woord is als ons apotheek.

Attar goel.

De echte of voorgewende Turksche kooplieden die zich op kermissen en badplaatsen met hunne kramen van Oostersche snuisterijen en toiletartikelen vertoonen, hebben doorgaans ook eene fijne Oostersche reukstof te koop, die zij in zeer kleine fleschjes voor hoogen prijs aanbieden, onder den naam van Attar goel, een naam die ook niet zelden op de aanplakbiljetten en in de advertentiën van kappers en parfumeurs gelezen wordt. Deze naam beteekent reukstof van rozen en bestaat uit twee Perzische woorden, waarvan het tweede volstrekt geene zwarigheid oplevert. Het is het woord gol of goel, de Perzische naam der roos, en vandaar ook het eerste lid van „Goelistan”, d. i. Rozengaard, de titel van een beroemd zedekundig werk, uit proza en verzen gemengd, van den Perzischen dichter Saadi. Het andere woord, attar, is in den grond niet onderscheiden van het Arabische ʾitr onzer woordenboeken, dat in onveranderde schrijfwijze ook in het Perzisch is overgegaan. Daarnevens kent Dozy, „Supplément aux Dictionnaires Arabes”, V. II, p. 137, ook den vorm ʾotr, waarvan hij den Engelschen naam van de bedoelde reukstof Otto of roses afleidt. Hij had daarnevens ook Ottar als in dezelfde taal gebruikelijk kunnen noemen („Treasury of Botany,” p. 829: „Otto or Ottar of roses; a fragrant oil obtained from Rosa centifolia and Rosa damascena.”) Maar dat ook de evenzeer bestaanbare vorm ʾatr in het Oosten gebruikt wordt, blijkt genoeg uit het hier behandelde attar. Dat die vormen als attăr, ittăr, ottăr worden uitgesproken, is uit den natuurlijken drang tot verzachting van atr, itr, otr te verklaren. De verdubbeling der t in onze spelling dient om te verhoeden, dat de eerste vokaal als open en lang wordt uitgesproken. Had zij in attar de grammatische waarde die haar in het Arabisch toekomt, dan zou tevens de tweede a moeten verlengd worden, en het dus ontstane ʾattâr zou niet een reukstof, maar een fabrikant van reukwaren of een handelaar in reukwaren beteekenen.

Perzië, inzonderheid de provincie Sjiraz, is van oudsher door de schoonheid en den heerlijken geur zijner rozen vermaard geweest. In de tuinen van Java worden de Perzische rozen nog veelvuldig nevens de Europeesche gekweekt. Men zou echter kunnen vragen, of zij thans nog haar roem kunnen staande houden tegenover de prachtige hybriden, die door de hedendaagsche bloemkweekers van jaar tot jaar in telkens grootere volkomenheid gewonnen worden. Maar de attar goel zou misschien door haren geur den roem der rozen van Azië nog kunnen handhaven, indien zij werkelijk was wat zij voorgeeft te zijn. Het is echter bekend dat de Oostersche rozenolie, thans vooral in Turkije vervaardigd, doorgaans schromelijk vervalscht in den handel komt, en dat in onze dagen de fijnste en geurigste te Leipzig in de fabriek van Schimmel en Co. wordt vervaardigd.

Soesah.

In een oppervlakkig maar niet onaardig stukje over de Maleische taal in het tijdschrift „Vreemd en Eigen”, 2e Jg., aflev. 8, bl. 107, wordt de volgende opmerking gemaakt: „De woorden soesah en senang, die een tegenstelling vormen, spelen een groote rol in het Maleisch. Met soesah bestempelt de Maleier alles wat hem onaangenaam aandoet, wat hem zorg of vrees inboezemt, hem benadeelt of in zijn plannen dwarsboomt. Slecht weer, veel muskieten, honger, geldverlies enz. is soesah; een onwelkome gast maakt soesah, en de laatste en grootste soesah is de dood. Als de Maleier geen soesah heeft, dan voelt hij zich senang. Senang is bijgevolg alles wat aangenaam aandoet: een flink en mak paard vindt hij senang, gemakkelijke schoenen en goed passende kleederen zijn senang, ook een mensch kan in den omgang senang zijn.”

Aan het begrip door senang uitgedrukt beantwoordt in de taal der Indo-Europeanen in de meeste gevallen het woord lekker: maar het woord soesah, ook in het Javaansch en Soendaasch gebruikelijk, is bij hen even algemeen als bij de inlanders zelven, en is door hen ook naar Europa overgebracht, waar het zelfs niet meer tot de Indische familiën beperkt bleef, maar een gewoon woord van het dagelijksch leven is geworden, inzonderheid om de kleine zorgen en beslommeringen in de huishouding aan te duiden. Met ons soezen en soes heeft het woord natuurlijk niets te maken.

Barissan.

Van het Javaansch-Maleische baris, dat streep, lijn, regel, rij, gelid beteekent, komt barisan, of, naar de gewone uitspraak, barissan, dat veelvuldig, ook door de Europeanen, van een troep inlandsch krijgsvolk gebruikt wordt, zooals wij ook in onze taal de gelederen voor het krijgsvolk gebruiken. Zie het „Woordenboek der Ned. Taal” van de Vries en te Winkel, 3e reeks, kol. 1149 v. Barissan vinden wij van inlandsche korpsen gebruikt in de volgende gevallen: 1o. Van de ongeregelde korpsen die in den oorlog op Java met Dipô Negôrô in verschillende deelen des eilands werden opgericht. Voorbeelden: „In de verschillende districten van Kadoe werden onder inlandsche hoofden, op wie men vertrouwen stelde, ongeregelde troepen of barissans opgericht.” Weitzel, „de Oorlog op Java”, I, bl. 97. „In die bijeenkomst werd onder anderen bepaald, dat eenige barissans zouden te velde gebracht worden.” Ibid. bl. 296.—2o. Eene soort van inlandsche schutterij, uit de familieleden en afhangelingen der Regenten samengesteld, onder hunne bevelen geplaatst, maar door het Gouvernement bezoldigd, die v. d. Bosch instelde met het oog op het cultuurstelsel, ten einde de macht en den invloed van de inlandsche aristocratie te vermeerderen. Zie van Deventer, „Landelijk stelsel”, II, bl. 202, 214. Vgl. mijn „Java”, II, 685.—3o. De inlandsche troepen onderhouden door de Vorsten van Madoera, om steeds ter beschikking te blijven van het Gouvernement. De Louter, „Handleiding tot de kennis van het Staats- en Administratief Recht van N.-I.”, bl. 335. Vgl. mijn „Java”, III, bl. 896.

Overdrachtelijk wordt de naam barissan ook gebruikt van bergen die een gesloten keten vormen en als het ware in het gelid staan. Vooral het gebergte dat zich in schier onafgebroken lijn langs de Westkust van Sumatra uitstrekt, wordt het Barissan-gebergte genoemd.

Prauw.

Prauw, vernederlandscht uit het Jav. en Mal. prahoe, pĕrahoe of praoe, is zeker een der meest bekende en gebruikte onder de inlandsche woorden, die eerst in Indië, later ook, waar over Indië gehandeld wordt, in Nederland, in onze taal zijn opgenomen; maar dat het woord niet altijd juist wordt opgevat, blijkt uit de omschrijving in het „Nieuw Nederl. Wdbk.” van van Dale: „plat vaartuig der Indianen, waarmede de lading wordt gelost of aan boord gebracht.” Vooreerst is hier Indiaan, geheel in strijd met het spraakgebruik, toegepast op Javanen en Maleiers, terwijl het, tegenwoordig althans, bij ons uitsluitend pleegt gebruikt te worden van de wilde stammen van Noord- en Zuid-Amerika, zooals van Dale zelf op het woord Indiaan te kennen geeft. Men zou hierdoor in den waan kunnen gebracht worden dat de prauw in Amerika, in stede van Insulinde, te huis behoort. Ten andere is praoe inderdaad een woord van veel algemeener beteekenis. Terecht zegt Marsden in zijn „Maleisch Woordenboek” (Ned. vert. van Elout): „algemeene benaming voor alle vaartuigen, van de sampan of boot af tot de kapal of het schip met een vierkant zeil toe.” Verschillende soorten worden door toevoegsels onderscheiden, zooals praoe majang, de gewone visscherspink der Javanen; praoe tôp, een soort van handelsprauw, in hoofdzaak op Europeesche wijze getuigd; praoe kroewis,(46) de kruisprauw voor de handhaving der zeepolitie; praoe koenting, een groot vaartuig met een schuinsch zeil (lajer tandjak of tandja'), dikwijls alleen koenting en door de Europeanen bij uitnemendheid prauw genoemd, enz. Bij de namen der kleinste bootjes of kano's, zooals de sampan (van Chineeschen oorsprong zoo het schijnt) en de djoekoeng of djoengkoeng (een Javaansche kano, vooral voor de vischvangst gebezigd), wordt het woord praoe zelden gevoegd.(47)

Van Dale schijnt alleen gedacht te hebben aan de Praoe tambangan, de veer- en laadprauwen, die in de verschillende havens voor het vervoer van personen en goederen, het laden en lossen van schepen werkzaam zijn. Daarvoor bestaan verschillende Vereenigingen of Vennootschappen, zooals het Bataviaasch Prauwenveer, het Nieuw Prauwenveer te Batavia, het Tagalsch Prauwenveer, het Semarangsch en Nieuw Semarangsch Prauwenveer, het Particulier Prauwenveer en Nieuw Prauwenveer te Soerabaja, de Oost-Java Prauwmaatschappij en het Padangsch Prauwenveer. Deze vereenigingen, waarin de belangen van vele in Nederland vertoevende oud-kolonisten betrokken zijn, en waarvan verslagen en mededeelingen omtrent de geldelijke resultaten van tijd tot tijd in de dagbladen zijn te lezen, zijn in Nederland beter bekend, dan de prauwvaart voor handel en militaire doeleinden, die geheel Insulinde omvat.

Jonk.

Jonk beteekent volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdb.”: „een Chineesch koopvaardij- en oorlogschip van eenigszins plomp maaksel, gemeenlijk met drie masten en zeilen van biezen matten of vrij dik katoen.” Men vindt dit woord terug in de meeste hedendaagsche talen van Europa, b. v. Sp. en Port. junco, Ital. ionco, zonco, Fr. jonque, Eng. junk enz. Algemeen wordt aangenomen dat het van Chineeschen oorsprong is. Zoo zegt b. v. Littré: „du Chinois Tschouen, bateau, vaisseau, prononcé à Canton chune, suivant l'orthographie Anglaise, c'est à dire en Français tchoun.” Het bedoelde Chineesche woord is, naar Prof. Hoffman mij zeide, tschuen.

Ofschoon ik den Chineeschen oorsprong van dit woord niet betwisten wil, houd ik mij echter overtuigd dat het niet rechtstreeks uit het Chineesch, maar uit het Arabisch of Perzisch in de talen van Europa is gekomen, en daarom niet misplaatst ware geweest in Dozy's „Oosterlingen” en „Glossaire”. De vormen in die talen komen veel meer dan de Chineesche met onze Europeesche overeen. De Arabische is djonk, door Freytag, „Lex. Arab.”, I, p. 315 verklaard: „navis maximae molis in China”(48): de Perzische is djong of tjong, door Vullers, „Lex. Pers.”, I, p. 533, verklaard door navis magna. Dat hiervan ook het Javaansche djong, het Maleische djoeng of ĕdjoeng afstammen, springt in het oog. Dat het woord tot in de Aroe-eilanden is doorgedrongen, leert ons Wallace, „Insulinde”, I, bl. 269.

Het woord jonk heeft voor het overige in Ned.-Indië nog eene tweede, geheel verschillende beteekenis. Het is namelijk ook de naam eener Javaansche landmaat, die gelijk is aan vier bouws. In dezen zin is jonk het Javaansche djoeng, dat anders ook been beteekent, evenals bahoe, waaruit ons bouw is ontstaan, schouder.

Wangkang.

Waar van de scheepvaart der Chineezen sprake is, worden de benamingen jonk en wangkang meestal door elkander gebruikt, zooals ik ook zelf gedaan heb in mijn Borneo's „Wester-Afdeeling”, I, bl. 313. Strikt genomen behoort men echter de jonken, als de grootere vaartuigen, van de wangkangs, als de kleinere, te onderscheiden. Zoo b. v. „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 24: „Wegens de groote vaart van zwaare Chineesche vaartuigen op Batavia, werdt in 't jaar 1654 een besluit genomen, om voor een groote jonk, wegens uit- en inkomende rechten, te doen betalen 1500 rijksdaalders, en voor een wangkan, zijnde een kleiner soort van vaartuig, 1000”. Op de hier aangehaalde plaats vindt men wangkan, elders wankang geschreven; doch Prof. G. Schlegel verzekert mij, dat de rechte uitspraak wangkang is. Omtrent den oorsprong verkeert hij echter geheel in het duister. „De Chineezen op Java”, dus schrijft hij mij, „zeggen zelven dat het niet Chineesch is”.

In het „Jav. Wdbk.” van Prof. Roorda wordt het woord mede wangkang geschreven en als gemeen aan de hooge en lage taal opgegeven. Hij verklaart het: „naam van een soort van Chineesche jonk.” Men zou hieruit opmaken, dat Prof. Roorda aan het woord een Polynesischen oorsprong toekent, en hiertegen pleit eigenlijk ook niets dan dat het zoo bepaald van Chineesche vaartuigen gebruikt wordt. Neemt men aan dat dit louter toevallig is, en dat het oorspronkelijke woord in het algemeen eene boot, een klein vaartuig beteekent, dan wordt de Polynesische oorsprong aanbevolen door de vergelijking van waa (vaa), waka (vaka), wangka, waardoor een kano in de talen der Taïtih- en Sandwichs-eilanden, van Nieuw-Zeeland, de Marquesas- en de Tonga-eilanden en van de Fidji-eilanden wordt aangeduid. De sluiting der open lettergrepen door den neusklank ng is, gelijk ieder weet, een zeer gewoon verschijnsel in den Polynesischen taalstam.

Talie.

Dit woord is in de meeste beteekenissen waarin het in onze taal eertijds gebruikelijk was of nog is (zie Kiliaan), niets anders dan het Fransche taille; maar in de beteekenis van touw is het stellig uit den Indischen Archipel afkomstig. Talie in den zin van touw heb ik reeds gevonden bij Baldaeus, maar de plaats is mij ontgaan. Gewoonlijk echter is het een zeewoord voor scheepstouwen, takel, takelage, en vooral gebruikt in samenstellingen, als taliehaak, taliereep, talielooper, noodtalie, inhaaltalie, reeftalie, Spaansche talie enz. In 't Maleisch en laag Javaansch is tali het gewone woord voor touw, het meest bekend door de tali-api of lont (lett. vuurtouw), om sigaren aan te steken; maar het woord is ook zeer bekend bij de Maleische zeevaarders om de scheepstouwen aan te duiden, die dikwijls collectief tali-toemali of tali-mali genoemd worden. Er kan dus weinig twijfel bestaan of wij hebben ook dit woord aan matrozen te danken, die het uit Oost-Indië medebrachten.

Pagaai.

Pagaai, Fr. Pagaie of Pagaye, is de korte, breede, niet op het vaartuig rustende, maar aan een kruk met de handen vastgehouden roeiriem, schepriem, of roeischop, waarmede de eilanders der Stille Zuidzee hunne kano's voortstuwen, maar die ook zeer veel gebruikt wordt bij de volken van den Indischen Archipel, en ook bij onze zeelieden, vooral op de oorlogschepen, niet onbekend is. Men heeft ook pagaaien met twee roeischoppen, die door snelle omdraaiing beurtelings met het water in aanraking gebracht worden. In het Engelsch heet de pagaai paddle en het roeien met dit werktuig, dat wij pagaaien noemen, wordt in het Engelsch to paddle genoemd.

Het woord pagaai is zoo al niet rechtstreeks van Maleischen oorsprong, stellig met den in het Maleisch daarvoor gebezigden naam verwant. De lange riem heet in het Maleisch dajoeng, de schepriem pengajoeh. Dit laatste komt af van kajoeh, waarvan de verbaalvorm mĕngajoeh het voortstuwen van een boot met schepriemen aanduidt. Denkbaar is het dat pagaai door verminking en afkorting van pĕngajoeh gevormd is; maar ik mag niet onopgemerkt laten dat kajoeh in het Javaansch ook door gajoeh wordt vervangen, waarvan pĕgajoeh of pagajoeh, met de beteekenis van de zaak die dient tot datgeen wat door het grondwoord aangeduid wordt, (zie Roorda's „Beknopte Jav. Spraakk.”, bl. 108) met volkomen regelmatigheid zou worden afgeleid. Ware deze vorm werkelijk in gebruik (en wie verzekert ons dat hij dit nergens is of nooit geweest is?), dan zou men zeker geen bezwaar maken pagaai als rechtstreeks daarvan gevormd te beschouwen.

Toko.

Toko is in Nederlandsch-Indië, zoowel onder de Europeanen als onder de inlanders, een winkel, een magazijn van allerlei koopwaren, een bazaar waar van alles te verkrijgen is. Men houdt het woord gewoonlijk voor Chineesch, ofschoon Prof. Roorda in zijn „Jav. Wdbk.”, in het art. toko, achter Chineesch een vraagteeken heeft geplaatst. Prof. Hoffmann, dien ik over dit woord raadpleegde, schreef mij daarover het volgende: „Wanneer het zeker is dat het woord toko niet tot de Indische talen behoort, maar Chineesch is, dan kan het, hoewel ik een samengesteld woord toko, dat zooveel als bazaar zou moeten beteekenen, nog niet gevonden heb, niets anders zijn dan eene samenstelling van Toe, Canton-dialect To, plaats, lokaal, en Koe, magazijn. Toe-koe of To-ko beteekent dan „het plaatselijk magazijn, het magazijn voor een bepaalde plaats”, in denzelfden zin als wij van plaatselijk bestuur, van lokale tongvallen spreken.”

Deze verklaring, hoewel niet onaannemelijk, toont echter dat toko, voor zoover bekend is, geene gewone Chineesche uitdrukking is. En wat de reserve betreft, door Prof. Hoffmann gemaakt: „wanneer het zeker is dat het woord toko niet tot de Indische talen behoort”, moet worden opgemerkt, dat het zeer gewaagd zou zijn die verzekering te geven. In het Jav. is toekoe, in sommige streken bijna als toko uitgesproken, het gewone woord voor koopen. Het beteekent wel-is-waar nooit een winkel of magazijn, maar hoe lichtelijk kan door de onkunde van Chineezen of Europeanen het woord in de beteekenis van winkel zijn overgegaan. Men kan zich b. v. zeer goed voorstellen dat men een winkel aanvankelijk een tokohuis, d. i. een koophuis, heeft genoemd, en uit tokohuis allengs tot enkel toko heeft afgekort.

Hoezeer het woord toko het burgerrecht in de Nederlandsche taal heeft erlangd, blijkt uit de zeer gewone samenstelling tokohouder. Ook begint men reeds aan eenige magazijnen of verkoophuizen in onze groote steden den naam van toko te geven.

Koelie.

Het woord is afkomstig uit het Tamiel of de taal van Malabar en beteekent een gehuurde arbeider, een daglooner, bij uitbreiding ook een sjouwer. Het is algemeen in gebruik in Britsch-Indië, en is ook in het Maleisch en Javaansch overgegaan in dezelfde beteekenis. De woordenboeken zijn in de opgave dier beteekenis doorgaans niet zeer nauwkeurig. De „Kunstwoordentolk” van Kramers-Bonte geeft wel-is-waar de algemeene beteekenis van daglooner, lastdrager op; maar laat dan volgen: „Hindoes uit eene der laagste kasten, die thans bij menigten naar de Britsche koloniën in West-Indië als veld- en plantage-bebouwers vertrekken.” Daarentegen zegt van Dale alleen: „Chineesche arbeider of arbeidster in dienst bij de Oostindische planters.” Lucas, die in zijn „Englisch-Deutsches Wörterbuch” slechts den meervoudvorm Coolies opgeeft, vermeldt ook wel de algemeene beteekenis van Handarbeiter, Lastträger, maar voegt er aan toe: „Leute welche zu niederen Arbeiten, besonders auf Mauritius zur Theecultur gebraucht werden.” Littré, „Dictionnaire de la langue Française”, had eerst den vorm coolis (uitgesproken couli) als enkelvoud opgegeven, met de verklaring: „Nom donné à des Indiens qui contractent des engagements pour aller travailler dans les diverses colonies européennes moyennant salaire,” met de etymologie: „Angl. coolee, de l'indoustani culi, laboureur qu'on loue à la journée, du turc culi, esclave, serviteur.” Dit artikel is reeds vrij verward; het wordt deels verbeterd, deels nog erger gemaakt door de bijvoegselen in het Supplement. Wat de spelling betreft merkt Littré daar terecht op: „l'orthographie coolis au singulier est mauvaise; il faut écrire cooli. Quant au pluriel on le formera regulièrement coolis. Cependant quelques-uns le forment à l'anglaise coolies.” Maar waarom wordt hier in het geheel de Engelsche schrijfwijze met oo behouden, waarvoor toch het Fransche aequivalent steeds ou is? Ik keur niet af dat men ook in het Fransch groom en niet groum schrijft, maar dit is een zuiver Engelsch woord, dat onveranderd behouden wordt; cooli, cooly of coolee is ook in het Engelsch een vreemd woord, dat er geen aanspraak op kan maken, in andere Europeesche talen overgenomen, een Engelsch karakter te behouden. Wat de beteekenis betreft, wil Littré in het Supplément, bijgevoegd zien: „2o. il se dit aussi des Chinois engagés comme travailleurs”, alsof een woord dat daglooner beteekent, van beteekenis verandert wanneer het van een Chineeschen, in plaats van een Hindoeschen, daglooner gezegd wordt.

Het minst nog schijnt Littré goedkeuring te verdienen op zijne bijvoeging of verbetering omtrent de afkomst: „La dérivation de l'anglais coolee, par l'indoustani culi, laboureur qu'on loue à la journée, du turc coli, esclave, serviteur, parait fausse. En effet M. L. Rousselet, „Rev. Anthrop.”. T. II, p. 267, dit que coolee est le nom d'une peuplade dite aussi Kôle ou Khôle, qui fournit des hommes robustes et d'une force remarquable, employés dans les villes de la côte aux rudes travaux”.

De schrijvers die ik heb geciteerd, hebben allen de ware en eenige beteekenis van Koeli op den achtergrond geschoven, en gedrukt op eenige bijzondere gevallen, waarin van koeli-diensten wordt gebruikt gemaakt. Het aantal van die bijzondere gevallen zou men nog zeer kunnen vermenigvuldigen en spreken, b. v., van Chineezen in dienst gesteld door de Europeesche tabaksplanters in Deli, Langkat en Serdang op Sumatra's Oostkust, of van Hindoes en Chineezen naar Suriname overgevoerd, om daar op de plantages het werk te verrichten, vroeger aan de negerslaven opgedragen. Maar ook op deze en meer andere dergelijke gevallen past altijd de algemeene beteekenis van het woord: een voor loon gehuurde arbeider. Strikt genomen heeft ook de nationaliteit daar niets mede te maken. Er zijn niet enkel Hindoesche en Chineesche, er zijn b. v. ook Javaansche koelies, en er zouden ook Makassaarsche koelies zijn, indien men eenmaal te rade werd te Makassaar gehuurd werkvolk naar de tabaksplantages van Oost-Borneo over te voeren. Kwam het woord niet uit het Oosten tot ons, en bleef het niet daardoor in het gebruik tot Oosterlingen beperkt, men zou ook onze daglooners koelies kunnen noemen.

De eenige min of meer van de oorspronkelijke afwijkende, maar toch nauw met haar verwante, beteekenis waarin het woord koeli voorkomt, is die van sjouwer of lastdrager. Ook de sjouwer verhuurt zijne diensten, maar niet voor lange termijnen of met vaste verbintenissen, maar slechts voor een enkele karwei, die meestal in weinige uren afloopt. Koelies van die soort worden zeker ook elders gevonden; maar zij zijn vooral in Nederlandsch-Indië te huis. Wie, die maar eenigszins in de literatuur der reisverhalen en novellen te huis is, waarvan Nederlandsch-Indië het tooneel vormt, is niet met de Bataviasche koelies bekend? Dat onze lexicographen wel van Hindoesche en Chineesche arbeiders, die zich als koelies verhuren, maar nooit van de Bataviasche koeli's gehoord hebben, is wel weder een van die treurige bewijzen, hoe weinig de Nederlanders hunne koloniën kennen in alles wat niet rechtstreeks de belangen der schatkist raakt! Men vraagt zich af door wie toch al die boeken over Indië gelezen, voor wie toch zij geschreven worden.

Het is hier de plaats niet om lang bij den Bataviaschen koelie stil te staan, die waarschijnlijk ook al in de laatste jaren, bij het opkomen van stoom- en tramwegen, en het verleggen der haven van Batavia naar Tandjong Priok, groote veranderingen in zijn bedrijf zal hebben ondervonden; ik zal alleen verwijzen naar de uitstekende schets die de heer W. L. Ritter, in zijn „Java, tooneelen uit het leven van Java's bewoners”, bij de afbeelding der Bataviasche koelies door den heer E. Hardouin, van deze klasse van menschen heeft gegeven (bl. 137–143). Al het eigenaardige van hun bedrijf en hunne levenswijze, en de onkreukbare eerlijkheid waardoor zij zich onderscheiden, worden daar met levendige kleuren geteekend. Ook de Padangsche koelies en de diensten die zij, veelal met grooten onwil, aan de expeditiën tijdens den Padri-oorlog bewijzen moesten, worden daarbij niet vergeten.

Het misverstand, dat Rousselet, en in navolging van hem Littré, koeli als eigenlijk de naam van een volksstam deed opvatten, is gemakkelijk te verklaren. Er leeft inderdaad in Britsch-Indië, met name in de provincie Guzeratte, een wilde roofstam, Koolees geheeten, verdeeld in talrijke clans, die ieder haar eigen opperhoofd hebben, en van oudsher befaamd als even gehard en dapper, als onrustig en bloeddorstig. Deze stam, die door de Britsche troepen met veel moeite bedwongen is, wordt kortelijk beschreven in Stocqueler's „Oriental interpreter”, p. 128. „The Portuguese”, zegt die schrijver, „used the name coolee as a term of reproach, and from them it has passed in the same sense in the English language. This must not be confounded with the word cooly, commonly used in Southern India, which is derived from the Tamil language, and merely means a labourer for hire”.

Kongsi.

Kongsi is in Ned.-Indië de gewone naam van de mijnvereenigingen der Chineezen, hetzij deze voor eigen rekening werken, als in Borneo's Westerafdeeling, hetzij ze in dienst staan van het Gouvernement, als op Bangka, hetzij ze voor een particuliere Maatschappij van Europeanen arbeiden, als op Blitong. Zoo b. v. Lange, „Het eiland Banka”, bl. 104: „De Chineezen welke een associatie door hen kongsie genaamd, uitmaken, worden bij den administrateur van het district gesignaleerd.” Dezelfde naam werd vroeger op Borneo ook toegepast op de vereenigingen van eenige dier mijnassociatiën tot grootere politieke lichamen. Zie mijn „Borneo's Westerafdeeling”, I, bl. 319.

Dit woord kongsi is inderdaad Chineesch, maar wordt door de Europeanen niet volkomen nauwkeurig gebruikt, daar het eigenlijk niet de geheele mijnvereeniging, maar hare bestuurders aanduidt, die intusschen de geheele vereeniging in alle publieke aangelegenheden in hare rechten en belangen vertegenwoordigen. Daar de Europeesche ambtenaren alleen met de eigenlijke Kongsies of de besturen te doen hebben, wordt het woord natuurlijk genoeg niet alleen van de besturen zelve gebruikt, maar ook van de maatschappijen, die slechts door tusschenkomst dier besturen met de Europeesche ambtenaren in betrekking komen. Het woord Kongsi is samengesteld uit de Chineesche woorden kong, publiek, en ssi of sse, bestuur. De huizen waarin de leden van het bestuur vergaderen en alles bewaard wordt wat aan de vereeniging gemeenschappelijk behoort, worden kongsihuizen genoemd, een naam dien wij door gemeentehuizen zouden kunnen verklaren.

Het woord kongsi heeft in Indië in het dagelijksch leven een ruimer beteekenis gekregen en wordt toegepast op iedere associatie van Chineezen voor handelszaken, industriëele ondernemingen, verpachtingen of wat ook (zie b. v. Kielstra in „de Gids” voor 1888, D. IV, bl. 62, 64), en wordt er, althans in het dagelijksch gesprek, ook wel tot de maatschappijen of associatiën van niet-Chineezen, b. v. tot eene spoorwegmaatschappij, uitgebreid.

Toptafel, Topbaan.

De Chineesche speelhuizen, die alleen in de hoofdsteden van Java mogen gehouden worden, en wel door hen die het uitsluitend recht daartoe hebben gepacht, worden in de administratieve taal toptafels of topbanen genoemd. Het eerste lid dezer namen is Chineesch, namelijk een samentrekking van toe-pŏ, to-pok of to-pho, hazard-spellen spelen, inzonderheid, zoo het schijnt, met kaarten.

Gewoonlijk onderscheidt men in Indië van het to-pho of Chineesche kaartspel, het pho of dobbelspel en het tafui, een spel dat met tinnen duiten of boonen gespeeld wordt, die men in kopjes telt op de wijze van het tjongkak- of dakon-spel der Maleiers en Javanen.(49) Ik moet de nadere verklaring dezer namen aan de Sinologen overlaten.

Toptafel komt o. a. voor in „Batavia in derzelver gelegenheid”, III, bl. 17: „Aan de luitenants der Chineezen zijn tot een bestaan gegeven de toptafels dier natie”; doch het is vreemd dat daar van de toptafels wordt onderscheiden het Chineesche spel pho en to-pho, dat gezegd wordt aan de kapiteins dier natie te zijn afgestaan. Het onderscheid schijnt hier niet juist te zijn gemaakt; ten minste zou uit de hierboven voorgestelde, ook door den heer G. Schlegel goedgekeurde afleiding volgen, dat de toptafel juist voor het to-pho-spel diende.

Zeer vreemd klinkt in onze ooren de uitdrukking topbaan. Wij verstaan door baan een geëffende vlakte, zooals inderdaad gevorderd wordt voor sommige spelen. De namen kolfbaan (of zooals men oudtijds ook zeide klosbaan), kegelbaan, kaatsbaan, zijn ons niet vreemd, maar dat plaatsen waar men zich met kaart- en dobbelspel bezighoudt, ook banen genoemd worden, is in strijd met ons hedendaagsch spraakgebruik. Intusschen schijnt baan, bij uitbreiding, ook de algemeene beteekenis te hebben gehad van speelplaats. Volgens Kiliaan beteekent bane: via, platea, planities, callis; maar hij scheidt daarvan af een tweede bane, met de beteekenis van area, locus ubi luditur, waarbij hij klosbaan (kolfbaan) en tuischbaan (elders door hem area aleatoria verklaard) als voorbeelden noemt. Mijns inziens is baan voor speelplaats hetzelfde woord als in den zin van gebaanden weg of vlakte, maar, nadat het in gebruik was gekomen in den zin van speelplaats voor spellen die eene geëffende baan vereischen, door minder eigenaardige uitbreiding voor iedere plaats gebruikt, die bepaaldelijk voor eenig spel bestemd was.

Mogol.

Mogol (vgl. het Eng. Moghul) is de echte Aziatische naam van den Tartaarschen volksstam, dien wij gewoonlijk, met invoeging eener n,(50) Mongolen noemen. De vorsten van dezen stam worden doorgaans „de groote Mogol” genoemd. De grondlegger van de dynastie der Mogols, die sedert het jaar 1526 haren zetel had in Delhi in Hindostan, was de beroemde Tamerlan, die dan ook veelal als de eerste Groote Mogol wordt aangemerkt. Zie b. v. Valentijn, IV, 2, bl. 165. Echter wordt ook de zevende Groote Mogol, Sjah Baber, wel eens als de eerste voorgesteld, omdat met hem de regeering dezer dynastie te Delhi aanvangt. De Nederlanders kwamen in den tijd hunner vestiging en veroveringen in Hindostan met de Groote Mogols dikwijls in aanraking; de Engelschen, die in hunne voetstappen traden en hen eindelijk geheel uit dit gebied verdrongen, hebben het gezag der Groote Mogols eerst allengs ondermijnd, en eindelijk, toen het niets meer dan een schaduw geworden was, in 1828 opgehouden te erkennen. Desniettemin komt de naam Groote Mogol, of enkel Mogol, niet enkel veelvuldig bij onze geschiedschrijvers voor, maar is hij ook overgebleven in de volkstaal, om een potentaat, een despoot, iemand die zich op zijn gezag, zelfs in geringe zaken, veel laat voorstaan, aan te duiden. Zoo wordt zelfs bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 348, een keukenmeid schertsenderwijze „een keuken-mogol” genoemd, in denzelfden zin waarin wel eens in het dagelijksch leven van de „keukenprinsessen” gesproken wordt.

Pikol, Pikkel.

Pikol, door velen, zonder eenige reden, als ware het een woord van Latijnschen of Franschen oorsprong, picol geschreven, is het Mal. en Jav. pikol of pikoel, dat eigenlijk dragen, inzonderheid over de schouders dragen (waartoe veelal een over den schouder liggende en aan beide in evenwicht gebrachte zijden beladen draagstok, pikolan, gebezigd wordt) beduidt, beteekent als zelfst. naamw. den last dien een man op deze wijze dragen kan, een schoudervracht. Daar zulk een last gemiddeld op honderd kati's, gelijkstaande met 125 Amst. ponden, begroot wordt, heeft pikol, volgens de bepalingen van de Nederlandsche Regeering, de bepaalde beteekenis van een gewicht van 125 Amst. ponden of 61.7613 kilogr. erlangd, en is men thans gewoon, zoowel in Indië, als ook in Nederland, de hoeveelheden van koloniale waren, b. v. koffie, suiker, tin enz., bij zulke pikols te berekenen. Hierdoor heeft dit woord, in deze bepaalde beteekenis dagelijks in de dagbladen voorkomende, het Nederlandsch burgerrecht verkregen. Zoo zegt men, b. v.: „Banka levert jaarlijks gemiddeld 80,000 pikols tin”; „de residentie Pasoeroean bracht in 1870 aan het Gouvernement 274,000 pikols koffie op.” De oude Preanger pikols van 225 Amst. ponden behooren thans nog slechts tot de geschiedenis.

Wanneer aan het woord pikol het Nederlandsch burgerrecht wordt toegekend, kan de vraag rijzen of het niet verkieslijk zou zijn, daaraan den reeds nu niet geheel ongebruikelijken verhollandschten vorm pikel te geven, die geheel met de gewone uitspraak overeenstemt, en waarvoor ook pleit het in Indië van pikol als werkwoord gevormde, en in den zin van over den schouder dragen en vervoeren van lasten gebruikte, vernederlandschte werkwoord pikelen.

Gelijk damar, pasar, klapa, rotan, pikir en vele andere Mal. of Jav. woorden in het Nederlandsch met verkorte vokaal en verdubbelde consonant worden uitgesproken (zie op dammer, passer, klapper, rotting, pikkeren), zoo kan ook uit pikol de nieuwe vorm pikkel ontstaan zijn.

Het woord pikkel is in het Ned. bekend: 1o. als bijvorm van bikkel (zie Franck, Etym. Wdbk. op bikkel); 2o. in de aan de Vlaamsche gewesten eigene beteekenis van voet of onderstel (b. v. van een tafel, een stoel, een pot)(51); 3o. in de beteekenis van zeker weegwerktuig, dat alleen plaatselijk schijnt bekend te zijn, waardoor deze beteekenis in onze woordenboeken niet vermeld wordt. Te Rotterdam en Dordrecht nam. is pikkel de naam van een werktuig uit drie palen bestaande, die van boven onderling met scharnieren verbonden en van onderen van ijzeren punten, waarmede zij tusschen de straatsteenen kunnen worden vastgezet, voorzien zijn. Tusschen die palen hangt een haak, waaraan een balans met schalen bevestigd wordt. Men bezigt dit weegwerktuig op de kaden bij het lossen van schepen. De arbeiders die met het wegen met de pikkel belast zijn, vormen in de genoemde plaatsen een soort van veem, en hieruit is de spreekwijze te verklaren: „die man is aan de pikkel”, d. i. hij behoort tot dat veem. Te Rotterdam (wellicht ook op andere plaatsen) zijn de pikkelloonen bij stedelijke verordening vastgesteld.

Dit weegwerktuig kan zijn naam ontleend hebben aan zijn vorm of aan zijn bestemming. In het eerste geval is misschien pikkel een verkorting van het Vlaamsche pikkelstoel, dat volgens Heremans un trépied, volgens van Dale een drievoet, elk meubelstuk dat op drie voeten rust, beteekent. Dit pikkelstoel zal wel met het bovengenoemde pikkel, voet van een stoel of tafel, samenhangen, maar hoe het aan de speciale beteekenis van een drie-voet komt, blijft zeer onduidelijk. Intusschen zijn het alleen de drie voeten, die niet oorspronkelijk tot het begrip van pikkel schijnen te behooren, die bij de pikkel als weegwerktuig aan den pikkelstoel doen denken.

Eenvoudiger is het wellicht aan te nemen dat pikkel als weegwerktuig het vernederlandschte pikol is, dat allengs zijne beteekenis van schoudervracht met die van een handelsgewicht heeft verwisseld. Misschien werd in den tijd der Compagnie ook in Nederland bij pikols gewogen. Men zal dus de weegloonen pikkel-loonen genoemd hebben, en vandaar het werktuig, waarmede gewogen werd, de pikkel.

Men zie in alles wat hier over het woord pikkel gezegd is, niet meer dan een poging om op een verwaarloosd woord opmerkzaam te maken, en om het raadsel van zijn oorsprong op te lossen. Groote waarschijnlijkheid durf ik zelf aan mijne oplossing niet toekennen.

Dikir.

De dikir is een gewone vorm van godsvereering in den Indischen Archipel, daarin bestaande, dat mannen en vrouwen zich vereenigen en onder het aanhoudend slaan op een gong of trom en het aanhoudend geroep van „lá iláha illaʾlláhoe” (er is geen God dan Allah), het lichaam gedurig heen- en weerschudden, waarbij sommigen in een staat van vervoering geraken en na allerlei sprongen en kronkelingen onder hevige stuiptrekkingen bewusteloos neerzijgen. Deze soort van godsvereering gaat echter niet altijd met zulke heftige verschijnselen gepaard. Men moet een onderscheid maken tusschen die eenvoudige dikirs, die reeds tot de eerste tijden van den Islam opklimmen en door Mohammed zelven in praktijk werden gebracht, en die meer omslachtige en kunstmatige, waardoor zich later de Çoefi's onderscheidden (zie Niemann's „Inleiding tot de kennis van den Islam”, bl. 352), en die wij bij de Derwisjen in Turkije en Egypte (zie Dozy, „het Islamisme”, bl. 330; Lane, „Modern Egyptians”, 5th ed., p. 243), en bij sommige dweepzieke sekten op Java, b. v. bij de zoogenaamde tiang doel (zie T. v. N.-I., Jg. 1855, D. II, bl. 14; Meded. v. wege het Ned. Zendelinggen., Jg. IV, bl. 241; mijn „Java”, D. I, bl. 339), ook op Borneo in den tijd van den Bandjermasinschen krijg bij de broederschap der beratip beamal (zie van Rees, „de Bandjermasinsche krijg”, D. II, bl. 186, Tijdschr. v. N.-I. Jg. 1869, D. II, bl. 197; Gramberg, „Madjapahit”, D. II, bl. 195) aantreffen. Wanneer wij b. v. bij Wallace, „Insulinde”, D. II, bl. 178 lezen: „Nadat wij van wal waren gestoken, begon de oude djoeragan eenige gebeden op te zeggen, waarop allen in het rond, onder begeleiding van eenige slagen op de gong, „lá iláha illaʾllahoe” antwoordden,” dan wordt daar ongetwijfeld een dikir beschreven, maar een dikir die geheel vrij is van de buitensporigheden der geestdrijverij. Ook de plechtige dikirs die op Java op den Moeloed-dag, den geboortedag van den Profeet, door de priesters gehouden worden (zie mijn „Java”, D. I, bl. 393, D. III, bl. 624), schijnen van die heftige vertooningen vrij te zijn. Men kan in Sprenger's „Leben und Lehre Mohammeds”, D. I, bl. 317 vv., of in de vertaling van dat stuk in „T. v. N.-I.” Jg. 1870, D. I, bl. 405, nalezen, hoe deze bijzondere vorm van godsvereering, die met de vijf voor elken dag voorgeschreven gebeden niets gemeens heeft, ontstaan is en zich ontwikkeld heeft.

Dikir is de Javaansche en, wat de uitspraak betreft, ook de Maleische vorm van het Arabische woord dzikr, dat vermelding, lofvermelding, verheerlijking, nam. van God, beteekent. De Arabische letter dzâl kan de Javaan niet uitspreken; zij wordt vanzelve d. Tusschen de sluitconsonanten k en r wordt, omdat de in de literaire taal gebruikelijke uitgang die de naamvallen aanwijst, verloren is gegaan, als vanzelve de vokaal der eerste letter vluchtig herhaald. (Vgl. het aangeteekende op Attar goel). Zoo ontstaat dus het woord dikir, dat door den heer Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”, bl. 211, minder goed sikir geschreven en daardoor moeilijk herkenbaar wordt. In den laatsten tijd las men in de Indische dagbladen ook dikwijls dzikir (en als werkwoord dzikirren); maar deze poging om den oorspronkelijken Arabischen vorm beter uit te drukken, is niet aan te bevelen in een woord dat niet in zijn Arabischen, maar in zijn Javaanschen vorm tot ons is gekomen.

Brani.

Brani is een Maleisch woord, waarvan wani het Javaansche aequivalent is, ofschoon de Javanen ook somtijds het Maleische woord gebruiken. Naar den aard dier talen, die wel bijzondere verbale vormen hebben, maar niet noodwendig substantief, adjectief en verbum onderscheiden, beteekenen deze woorden zoowel stoutmoedig zijn, durven, wagen, als stoutmoedig, dapper, driest, en een stoutmoedige, een dappere, een held. Het woord brani wordt niet slechts in Indië veel door de Europeanen gebruikt, maar is ook in Nederland in de volkstaal ingedrongen. Zoo lezen wij, b. v., bij van Maurik, „Van allerlei slag”, bl. 32: „Kijk ereis aan, die wil den brani uithangen”.

Pikeren, Pikkeren.

Deze woorden zijn ontleend aan het Maleische en Javaansche pikir, overdenking, overleg, gedachte, dat zelf weder niets anders is dan de inlandsche uitspraak van het Arabische fikr. Daar de Maleische taalstam geen f kent, gelijk de Arabische taal geen p, moest de f door haar naaste verwante de p vervangen worden; voor het overige werd pikir van fikr, gelijk dikir van dzikr gevormd. De verdubbeling der k in pikkeren, dat dikwijls in plaats van pikeren gebruikt wordt, is ook een gewoon, reeds meermalen door mij ter sprake gebracht verschijnsel; zie art. Rotting. In het Maleisch en Jav. wordt, naar den aard dier talen, pikir ook als werkwoord gebruikt, in den zin van overleggen, overdenken; bij den Indo-Europeaan wordt hetzelfde uitgedrukt door aan het inlandsche woord den Nederlandschen verbaalvorm te geven. Zie op Soebatten. Over iets pikkeren is eene gewone Ned.-Indische spreekwijze, zooals o. a. opgemerkt is door Gevers Deynoot, „Herinneringen eener reis naar Ned.-Indië”, bl. 41, en in van der Hoog's roman „Wonosari”, D. II, bl. 43, waar men leest: „wat loopt gij dan ook zoo te piekeren, zooals men zegt.”

Tang.

Dit woord zullen de meeste mijner lezers wel niet verwacht hebben hier aan te treffen. Het is dan ook slechts in de zeer bijzondere beteekenis die het als scheldwoord heeft, dat er hier sprake van kan zijn. De uitdrukkingen: een tang van een wijf, een oude tang, zouden, volgens eene gissing van Prof. de Vries in „de Taalbode”, II, 292, afkomstig zijn van seetang of zeetang, eene Europeesche verbastering van het Maleische seitan of sétan. Prof. Moltzer zegt daarvan in zijne aankondiging in „de Gids” voor 1872, II, 161: „Lepidius quam verius”, en drukt zijne overtuiging uit dat te eeniger tijd de ware eerste tang van een wijf uit het een of ander oud kluchtspel zal te voorschijn treden. Maar dit is geene verklaring. Zou de tang ook kunnen staan voor de persoon die er zich van bedient? Het is een werktuig dat men gebruiken kan om te slaan en te knijpen en vast te houden, en dat eene vrouw uit de volksklasse allicht ter hand vindt als zij haren toorn koelen wil. Onmogelijk schijnt mij die opvatting niet.

De gissing van Prof. de Vries is echter lang zoo onwaarschijnlijk niet als zij zich op het eerste gezicht voordoet, en kan ook nog wel voorgesteld worden op eene wijze, die haar meer aannemelijk maakt. Het woord seetan is oorspronkelijk niet Maleisch, maar het Arabische sjeitan (dat echter van het Hebr. Satan schijnt af te stammen), door de Maleiers en Javanen, wier spraakorganen de sj (of sch) van het Arabisch alphabet niet kunnen voortbrengen, als seitan of sétan uitgesproken. Daaruit schijnt in het zoogenaamd laag-Maleisch, dat is het door de Europeanen gesproken brabbel-Maleisch, sĕtang ontstaan, want ofschoon die vorm in onze Maleische woordenboeken en woordenlijsten, ook die van het laag-Maleisch, zooveel ik weet, nooit wordt opgegeven, vind ik hem reeds bij den ouden Bontius, „Hist. Nat. et Med. Ind. Orient.”, p. 79, waar hij van een kleinen gehoornden visch sprekende zegt: „Piscatores Indi vocabulo Arabico ipsum ican setáng vocant, i. e. piscem diabolum, vel quod cornua gerat, seu, quod ictus ejus admodum virulentus sit.” De betoning van de a in de laatste lettergreep, die Bontius door een accent aanwijst, vordert bepaaldelijk dat de e in de eerste als ĕ wordt uitgesproken. Echter is die verkorting van den klinker é bevreemdend, en alleen te verklaren uit eene verplaatsing van den klemtoon, zooals ook in andere talen soms plaats heeft. Men zegt wel te Amsterdam steeds vierkánt in plaats van víerkant, en te Groningen óverleg in plaats van overlég, ofschoon beide geheel met ons taaleigen strijden. Minder bezwaar heeft de verandering op het einde van de zuivere n in de nasale ng, die bijzonder aan het laag-Maleisch eigen is, zooals ik op Orang oetan en Rotting opmerkte. Stel nu (wat ik niet durf verzekeren, maar dat gemakkelijk kan worden uitgemaakt door ieder die eenigen tijd te Batavia heeft vertoefd) dat die vorm sĕtang nog heden in het straat-Maleisch in gebruik is, dan kan het woord licht door onze matrozen zijn opgevangen, en, met verwaarloozing der eerste toonlooze lettergreep, waardoor het tevens den vorm kreeg van een gewoon Nederlandsch woord (zie op art. Kaalkop) in de Nederlandsche volkstaal overgebracht. Ik vind orang sétan als een gebruikelijke laag-Maleische uitdrukking voor een duivelsch, een boosaardig mensch vermeld. Dezelfde beteekenis heeft dan sĕtang of tang.

Akal.

Dit uit Java medegebracht, maar eigenlijk ook al weder Arabisch woord, verneemt men uit den mond onzer Indo-Europeanen tot zelfs in de vergadering onzer volksvertegenwoordigers. In de zitting der Tweede Kamer van 16 November 1885 waarschuwde de heer van Gennep tegen de akals, die zouden kunnen worden aangewend om aan gelden voor een bepaald doel beschikbaar gesteld, ten nadeele der inlandsche bevolking, eene andere bestemming te geven, en de Nieuwe Rott. Courant van 16 Oct. 1888, beschuldigt, in navolging daarvan, in een artikel over de Indische begrooting den Minister van Koloniën van zulk een akal om de Begrooting ten koste van den Javaan te ontlasten. Ook de Indische pers maakt dikwijls van het woord gebruik, b.v.: „Er moest dus een akal gezocht worden, om met een zoet lijntje tot hen door te dringen.” (Kruseman, „Eenige dagen onder de Badoewies”, in „Java-bode” van 31 Oct. 1888.) Het zal dus noodig worden ook dit woord onder de aanwinsten onzer taal uit Indië op te teekenen. Het Arabische ʾaql door de Javanen en Maleiers akal uitgesproken, beteekent eigenlijk verstand, doorzicht, scherpzinnigheid, schranderheid; bij de Inlanders bepaaldelijk ook inzicht in de waarde der geheimzinnige teekenen, die de goede of kwade eigenschappen van paarden, buffels, vechthanen, en vele andere zaken bepalen. Maar bij de Indo-Europeanen wordt het, ook in navolging der Inlanders, veelvuldig gebruikt van behendigheden, sluwheden, listen, en bij dit gebruik laat het natuurlijk ook het meervoud toe.

Hegira.

Dit woord, waarvan de hierboven geplaatste, vroeger bij ons algemeene schrijfwijze eene navolging schijnt te zijn van het Fransche Hégire(52), is reeds behandeld in de „Oosterlingen” van Prof. Dozy, en zou dus hier achterwege zijn gebleven, zoo ik niet gewenscht had opmerkzaam te maken op een opstel van Dr. Snouck Hurgronje in de „Bijdragen van het Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Ind.” 5e Volgr., D. I, bl. 356, waarin hij aantoont, dat het Arabische woord Hidjra (want zoo luidt de juistere, thans ook door velen gevolgde, transscriptie) ten onrechte doorgaans door vlucht wordt vertaald. De wortel beteekent: afsnijden, verlaten, zich afwenden van personen of zaken, zich afscheiden. Dozy heeft de ware beteekenis niet over het hoofd gezien, zooals blijkt uit zijne verklaring: „het verlaten der geboorteplaats, het vertrek,” maar wordt toch ook weder minder juist, als hij er ook de vlucht aan toevoegt. Wie zijne geboorteplaats verlaat en zich van zijne stadgenooten afwendt, kan zeker daartoe gedwongen zijn en dus vluchten; maar Mohammed's vertrek van Mekka was geene vlucht, maar eene vrijwillige, lang overlegde en voorbereide daad, zooals dr. Snouck Hurgronje in bijzonderheden aantoont. Wij zouden der historische waarheid meer recht laten wedervaren door niet van de vlucht, maar van de uitwijking van Mohammed te spreken.

Adonis.

Adonis is in de Grieksche mythologie de naam van een schoonen jongeling, hartstochtelijk door Venus bemind, en, toen hij op de jacht door een ever gedood was, niet minder hartstochtelijk beweend. In den zin dezer mythe willen wij ons hier niet verdiepen. Ik herinner slechts dat in Syrië en Phoenicië, en later ook in Griekenland, ter eere van Adonis een jaarlijksch feest werd gevierd, vooral gekenmerkt door de luide jammerklachten der vrouwen. De hoofdzetel van dezen cultus was vroeger Byblus in Phoenicië, later Amathus op het eiland Cyprus. De naam Adonis is Phoenicisch en Hebreeuwsch, en samengesteld uit Adoon, dat heer beteekent, en het aangehecht voornaamwoord i, met de beteekenis van mijn. Adonis was dus oorspronkelijk niet de naam eener bijzondere Godheid; elke Godheid had Adoon kunnen genoemd worden, en in het Hebreeuwsch werd het woord in den meervoudvorm Adonai, vooral ook van den Eenigen God gebezigd. Voor de Grieken echter had dit woord, dat zij tegelijk met de Adonisfeesten uit het Oosten ontvangen hadden, eene zeer bepaalde beteekenis. Zonder zich om den oorspronkelijken zin te bekreunen, of dien zelfs te kennen, dachten velen daarbij alleen aan den schoonen, door Venus beminden jongeling.

In de moderne talen, ook in de onze, heeft het woord Adonis het karakter van een eigennaam weder verloren en beteekent het in het algemeen een jongeling van buitengewone schoonheid, en vooral, in scherts, een man, die zich inbeeldt schoon te zijn en zich beijvert om zich als zoodanig voor te doen, een pronker. De Vries en te Winkel in het „Nederlandsch Woordenboek” geven daarvan een voorbeeld uit „Willem Leevend”, dat gemakkelijk met andere te vermeerderen ware geweest. Maar zeer eigenaardig is het gebruik van het woord, als Adoons uitgesproken, in de taal der Kaapsche Boeren. Volgens Mansvelt's „Idioticon” noemen zij zoo den baviaan, zeker om met zijne afzichtige leelijkheid den spot te drijven.

Sjalot.

Ook deze naam eener algemeen bekende moesgroente stamt in zekeren zin uit het Oosten; want hij is ontleend aan de stad Askalon, eene der in het Oude Testament vermelde steden der Philistijnen. Het voorkomen van uitgestrekte uienvelden bij Askalon wordt vermeld bij Strabo en Stephanus Byzantinus. Die uien werden echter onderscheiden als eene bijzondere soort, reeds bij Theophrastus ascalonion krommyon, bij Plinius en Columella caepa ascalonia genoemd. Vandaar ook de tegenwoordige botanische naam der sjalot Allium ascalonicum.

De verbastering van dit ascalonia of ascalonium tot sjalot (Duitsch Schalotte, Eng. Shallot) schijnt aan de Franschen te moeten geweten worden, uit wier taal het tot de andere moderne talen schijnt te zijn overgebracht. Bij oud-Fransche schrijvers door Littré, art. échalote, aangehaald, vindt men de vormen escalone, eschaloingne en eschalote. Het onverstane woord schijnt in de uitspraak allengs meer verbasterd te zijn.

Maïs, Miloe, Djagoeng.

Deze drie en nog vele andere namen behooren aan de voortreffelijke graansoort, de Zea Mays der botanici, die, als men in aanmerking neemt hoe wijd hare cultuur over alle warme gewesten verspreid is, nevens de rijst als het eerste der voedselgewassen mag beschouwd worden. Dat de maïs uit Amerika afkomstig is, wordt thans nauwelijks meer betwijfeld, ofschoon vroeger, onder andere door Bonafous, „Hist. nat. du maïs”, (Paris, 1836), de meening is voorgestaan, dat de maïs lang vóór de ontdekking van Amerika in de oude wereld bekend was, en dat zij door de Arabieren en de kruisvaarders uit het Oosten naar Europa is gebracht. Zeker is het, dat de maïs, tijdens de ontdekking van Amerika, daar overal door de Indianen verbouwd werd, en dat men reeds maïsklossen (zoo noemt men gewoonlijk de dikke rolronde aren) in de graven der Inka's heeft gevonden. Vanhier, dat in de Vereenigde Staten, waar de cultuur van maïs een groot gewicht heeft erlangd, dit gewas nog met den naam van Indian corn wordt aangeduid. Ook is de naam maïs stellig uit Amerika tot ons overgekomen; men meent dat het de naam is, dien deze plant op Haïti droeg. (Zie Hernandez, „Hist. plantarum”, VI, 44). Van maïs (maïze) is afgeleid maïzena, zooals een fijn meel genoemd wordt, dat van de maïs wordt bereid, en in de laatste jaren ook bij ons een veelvuldig gebruik heeft erlangd in de samenstelling van poddingen.

Miloe, de naam dien de maïs bij inlanders en Europeanen in de Minahassa draagt, is eene verbastering van het Portugeesche milho, dat zelf niets anders is dan het Latijnsche milium. Onder den naam van milho worden in het Portugeesch verschillende soorten van gierstgrassen (Paniceae), zooals milho painço, milho miudo, enz., samengevat, maar hij is ook uitgebreid tot de maïs, die dan tot onderscheiding ook wel milho grosso, milho zaburro of milho da India wordt genoemd. Waarschijnlijk noemden de Portugeezen reeds in Amerika de maïs milho; ik vind ze althans millio genoemd bij Hartsinck, „Beschrijving van Guiana”, bl. 901. Met het graan zelf brachten zij dan ook dezen naam over naar Afrika en Oost-Indië, en in beide gewesten werd hij, meer of min verbasterd, door de Nederlanders van hen overgenomen. Bij de Marrée, „Beschrijving van de Goudkust”, D. I, bl. 82 en 93, vind ik milhio geschreven, maar in de Kaapkolonie is daaruit miellies of mielies ontstaan. Zie Tromp, „Herinneringen uit Zuid-Afrika”, bl. 28, 39, 164, en Mansvelt's „Kaapsch-Hollandsch Idioticon”. Met het Eng. adjectief mealy, meelachtig, dat laatstgenoemde vergelijkt, heeft mielies ongetwijfeld niets uitstaande.

Het voorkomen van den Portugeeschen naam der maïs tot in de Minahassa maakt het ongetwijfeld zeer waarschijnlijk, dat de verbreiding van dit gewas vooral aan Portugal moet worden toegeschreven. Maar ook Spanje heeft daartoe bijgedragen, en men beweert zelfs, dat reeds Columbus de maïs naar Spanje heeft gebracht, dat zij reeds in 1520 in dat land werd verbouwd, en dat zij vandaar naar Italië, Turkije en de Levant kwam.

Ook in Insulinde ontbreken de sporen van Spaansche herkomst niet. Rumphius, „Ambonsch Kruydboek”, D. V, bl. 203, zegt: „de Turkze Tarwe.... wast nu ook op vele plaatsen van deze Eilanden, wordt echter voor een uitlandsch gewas gehouden, door de Spanjaarden eerst ingevoerd. Men heet het op Maleyts Jagum, Baleys Jagum Castila. In Ternaten Bira Castela”. In deze namen is Jagum kennelijk het Maleisch-Javaansche Djagoeng, waarop ik zoo aanstonds terugkom, en Castela (Kastîla) beteekent Spaansch (van Kastilië). Bira doet denken aan den Makassaarschen naam der maïs Birâlle, in het Boegineesch Barälle of Warälle. Bärrä of Wärrä, beteekent in die taal het ontbolsterde graan, hetzij rijst, gierst of maïs (het Mal.-Jav. bĕras, Makass. berasá). Is bîra daarvan soms slechts een andere vorm en birâlle eene samentrekking voor bira castelle?(53) Zoo zou de anders vreemde l in birálle en bärälls eene natuurlijke verklaring gevonden hebben.

Op Java, waar de cultuur van de maïs van betrekkelijk jongen oorsprong schijnt te zijn, is zij thans een algemeen en hoogst gewichtig voedingsgewas, dat niet alleen door de inlanders, maar ook door de Europeanen, zelfs als zij Nederlandsch spreken, altijd met den naam djagoeng of djagong genoemd wordt. Houdt men dit Djagoeng voor een oorspronkelijk inlandsch woord, dan kan men het aanwenden om de meening omtrent de Oostersche herkomst van de plant te steunen; maar waarom zouden dan alle andere namen dezer graansoort in den Archipel gebruikelijk naar Spanje en Portugal als het land van herkomst wijzen? Het reeds vermelde djagoeng kastila, d. i. Spaansche djagoeng, door Rumphius vermeld als op Bali gebruikelijk, wijst ook daarheen, en toont tevens dat djagoeng op zichzelf eene ruimere beteekenis had; want waartoe zou anders het bepalende kastila dienen? Vergelijkt men djagoeng kastila met het Ternataansche bira kastila, dan zal men zich genoopt voelen aan djagoeng eene analoge beteekenis met bira toe te kennen. Ik waag omtrent dit woord de volgende gissing. Djawa beteekent gierst (zie mijn „Java”, D. II, bl. 3 en 5), of oorspronkelijk misschien in het algemeen graankorrel, dat dan in een land, waar oudtijds geen ander graan groeide dan gierst, natuurlijk toch de naam van dit graan werd. Later noemde men op Java de gierst djawawoet, samengetrokken uit djawa awoet, d. i. fijne korrel. De maïs zal men daarentegen djawa agoeng of djawa goeng, d. i. groote korrel, genoemd hebben, volkomen beantwoordende aan het Port. milho grosso. Later werd dan djawa goeng tot djagoeng samengetrokken.

Eer ik dit artikel besluit, wil ik nog even opmerken, dat de naam van Turksch koren of Turksche tarwe, waarmede wij in Nederland veelal de maïs noemen, eene navolging is van het Fransche blé de Turquie, ook Turquet. Het schijnt dat in dit land de maïs eerst uit de Levant is ingevoerd, toen zij haren tocht door het Zuiden van Europa volbracht had. De naam blé de Turquie wordt door Littré volstrekt afgekeurd.

Tamarinde.

Reeds in Dozy's „Oosterlingen” verklaard als tamr (of tamar) hindi, d. i. in het Arabisch Indische dadel. Zie ook „Glossaire des mots Espagnols et Port. dérivés de l'Arabe”, op Tamarindos. In het Fransch zegt men tamarin en voor den boom tamarinier, ofschoon men tegenwoordig in de dagbladen dagelijks tamar indien leest. De verklaring van het woord heeft grammatisch niet het minste bezwaar; maar waarin het punt van vergelijking tusschen de tamarinde en de dadels gelegen is, blijft raadselachtig, ook na raadpleging der plaats van Van Linschoten, „Itinerario”, bl. 99, die ik hier laat volgen. „De Malabaren heetent pulii, de Gusaratten en de ander Indianen ambilii, de Arabyers tamarindi, overmidts dat tamaras in Arabyen zijn, die men bij ons daalen heet(54), ende omdat se de Tamarinio anders geen beter gelijckenis weten te geven als naer de datylen ofte daalen, soo noemen se die Tamarindi (d. i. tamaren ofte daalen van Indië), waerom van de Portugesen ook tamarinio genoemd wordt.” Het moeten dus de vruchten zijn, die tot den naam Indische dadels hebben aanleiding gegeven; maar wanneer men bedenkt, dat de tamarindeboom (Tamarindus indica) tot de leguminosen behoort en eene lange peul draagt, die van zes tot twaalf kleine zaden bevat, en de dadel (Phoenix dactylifera) een palm is, met vleezige, slechts één zaad bevattende vruchten, dan gevoelt men, dat ook de overeenkomst tusschen de vruchten niet groot kan zijn. Zij schijnt hoofdzakelijk te bestaan in de trossen waarin beide groeien.

Notes in this chapter

Note 1 · De heer de Sturler drukt zich hier niet nauwkeurig uit, daar ook Corchorus tot de tiliaceeën behoort.Note 2 · Of Ganitri. Zie Filet, „Plantk. Wdbk.”, no. 2430. Op Amboina heet de boom Ai-manoek. Zie ald. no. 104.Note 3 · De pĕranakans zijn inderdaad steeds bastaard-Chineezen of mestiezen, daar de emigratie uit China aan vrouwen verboden is.Note 4 · Zulk eene s komt enkele malen ook vóór andere letters voor, b.v. stronk voor tronk (Lat. truncus), strubbel voor trubbel (Fr. en Eng. troublNote 5 · Men heeft ook voorgeslagen uit dit tôb het Ned. top te verklaren, het tusschenwerpsel waarmede een koop wordt aanvaard of toegeslagen. Hier Note 6 · Ik heb de woorden aangeteekend met vermelding der bladzijde, maar mij in de laatste vergist, zoodat ik de plaats niet kan weêrvinden.Note 7 · Sanggoel, Jav. en Soend., schijnt mij evenmin synoniem met geloeng, en evenzoo eene bijzondere soort daarvan te zijn.Note 8 · Ofschoon ik zelfs bij Paul Lacroix, „XVIIIe Siècle: Institutions, Usages et Costumes”, tot mijn spijt te vergeefs naar eenige melding van deNote 9 · Men zal licht begrijpen, dat kroewis een verbastering is van het Ned. kruis.Note 10 · Djoekong (= Djoekoeng) en sampan zijn door van Dale opgenomen. Deze woorden komen zeker enkele malen in geschriften over Indië voor; maar alNote 11 · Daar het woord zeldzaam schijnt, heeft Freytag een paar voorbeelden aangehaald, waarbij men nog voegen kan Ibn Bathoetha, IV, p. 247.Note 12 · Een dergelijk spel is ook bekend aan sommige stammen van Afrika. Zie v. d. Kellen in „T. v. h. Aardr. Gen.” Verslagen en Meded., 1887, bl. 5Note 13 · Zie op Moeson, Amfioen, Pampoesjes, en vooral ook de noot op het art. Banaan.Note 14 · Kiliaan op Pickel: „pes mensae, sedis”, op Pickelpot, „chytropus, olla pedes habens”. Heremans, „Ned.-Fr. Wdbk.”: „Pikkel, voet eener tafel,Note 15 · De g in dit woord stelt de djîm of djô der Oostersche alfabets voor, die wij thans gewoonlijk door dj uitdrukken. Zij stemt wel het best oveNote 16 · Die samentrekking ziet er oppervlakkig niet zeer waarschijnlijk uit, maar men wordt er als met noodwendigheid toe gebracht door die anders oNote 17 · Thans zegt men dadels, maar te Amsterdam hoort men nog steeds de Joden geconfijte dalen venten.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings