IX
Reading edition
14 Juni.—Van ons voornemen om naar Damghan te gaan, hebben wij afgezien; uit berichten van karavanen blijkt dat de pest in hevige mate in die landstreek woedt en groote verwoestingen aanricht. Wij hebben daarom eene wijziging in ons reisplan gebracht en slaan de richting in naar Weramin, op omstreeks twaalf farsaks afstands van Teheran verwijderd.
Zoodra men de hoofdstad verlaten heeft, voert de weg door de muren en wallen van het oude Reï, tegenwoordig eenzaam en onbewoond, aan den voet van de Elbroez-keten gelegen. Ter rechterhand verrijst een fraaie toren uit den tijd der Seldsjoeken: links zien wij een kerkhof van de Parsis of aanhangers der oude leer van Zoroaster; de lijken worden daar ten prooi gelaten aan roofvogels, opdat niet de tot verrotting overgaande lichamen de aarde of het water zouden verontreinigen. Voorbij de oude vestingwerken van Reï beginnen fraaie tuinen, door hooge muren van leem omgeven en door prachtig geboomte overschaduwd: de vrouwen van de aanzienlijken te Teheran brengen in deze lusthoven meestal den zomer door. In de nabijheid bevindt zich het mausoleum van Shâh Abdoel-Azim, reeds van verre kenbaar door zijn vergulden koepel en de heerlijke bosschages van olmen en platanen, die het gebouw omringen. De aanblik van dit hoog vereerde heiligdom is voor onze tsjarvadars eene gereede aanleiding om zich te beklagen over de miskenning der rechten en privilegiën der godsdienst, die sedert de komst der Faranguis in Bladzijde 215Perzië hand over hand toeneemt. “Vroeger, zeiden zij, vond de misdadiger bij het graf van Shâh Abdoel-Azim eene onschendbare wijkplaats, waar hij zijn geheele verdere leven kon doorbrengen, terwijl uit de inkomsten der moskee in zijn onderhoud werd voorzien; thans is dat geheel veranderd. Wanneer de koning het beveelt, geven de mollahs geen voedsel aan den schuldige, die bij het graf eene wijkplaats zocht; door den honger gedreven, moet de ongelukkige zich dan wel overgeven.”
Terwijl onze tsjarvadars zoo met weemoed terugzien naar den goeden ouden tijd, naderen wij den berg en volgen de eerste uitloopers van den Damavend, waarvan de hooge besneeuwde top, door de ondergaande zon met purpergloed overgoten, zich heerlijk afteekent tegen den oranjekleurigen hemel en het blauwachtig grijze gesteente der bergen.
Op drie farsaks voorbij Teheran neemt het landschap eensklaps een ander karakter aan; ondanks de invallende duisternis bespeuren wij aan alle kanten, verloren tusschen het weelderige groen, een aantal dorpjes. Weldra giet de maan haar helder licht uit over de bloeiende vlakte, en flonkeren aan den hemel duizenden sterren, met een glans, waarvan wij ons in ons nevelig noorden, geen denkbeeld kunnen maken. Maaiers zijn overal aan den arbeid met het vellen der hooge halmen, die aanstonds door de vrouwen en kinderen tot schoven worden gebonden. Over dag is de hitte te sterk; het graan zou dan, bij het maaien, uit de halmen vallen; de nomaden, die in den oogsttijd hunne diensten aan de landeigenaars verhuren, brengen den geheelen dag slapende door onder een soort van matten afdakken, die op palen rusten. Eerst met den avond vangen zij hun arbeid aan, en gaan daarmede voort tot de zon weer boven de kimmen rijst.
De koelte van den avond schijnt het veld met nieuw leven te hebben bezield: de stilte van den middag wordt vervangen door honderden verschillende geluiden. Het gezang van de maaiers, het geblaf van de honden bij het voorbijtrekken van karavanen, het hinniken der paarden, het gepiep der duizenden krekels: al deze stemmen en geluiden bezielen en verlevendigen het open veld en vormen eene scherpe tegenstelling met de stilte, die thans in de steden heerscht.
Onze muilezeldrijvers, minder gevoelig voor de schoonheden der perzische nachten, zijn waarschijnlijk al voortgaande ingedommeld. Daar wij tegen een uur na middernacht nog niet ter plaatse onzer bestemming zijn gekomen, roepen wij hen ter verantwoording. Zij beweren dat zij een omweg hebben afgesneden, hetgeen zooveel zeggen wil, als dat zij verdwaald zijn. Inderdaad worden wij even daarna gestuit door een net van vrij smalle slooten, die elkander in alle richtingen kruisen. Vergeefs zoeken wij een uitweg of éene gelegenheid om de slooten te doorwaden; eindelijk, ziende hoe vermoeid onze paarden waren door dezen eindeloozen rit over een weeken, drassigen grond, besluiten wij stil te houden in een naburig gehucht, dat zijne ligging verraadt door het onophoudelijk geblaf der wachthonden.
Als wij het dorp binnentrekken, vertoonen zich boven de muren de toppen der katoenen slaapmutsen, die de landlieden gewoon zijn 's nachts te dragen; niet zonder ongerustheid ondervragen zij onze bedienden, om te vernemen wat ons reisgezelschap, door gewapende ruiters vooraf gegaan, op dit ongewone uur in het dorp komt doen.
“Wij zijn van den weg afgedwaald, antwoorden onze muilezeldrijvers; en uit vrees voor dieven zouden wij onze beesten gaarne onder dak brengen, in plaats van in het open veld te kampeeren.”
Aan de reizigers schenen de vriendelijke tsjarvadars niet eens te denken!
Men wijst ons nu het huis van den ket khoda, het grootste van het dorp, waar wij, naar het schijnt, een onderkomen zullen vinden. Een der tsjarvadars klopt aan de deur der woning; zij wordt geopend, en na eene vrij langdurige bespreking, treden wij in een donkeren gang, die naar den tuin loopt. Onder de boomen bevindt zich een ruime, met tegels geplaveide plaats, die thans voor slaapkamer dient. De bewoners van dit huis hebben hun nachtkwartier nog niet op het platte dak opgeslagen, waar men anders des zomers pleegt te slapen. Het is zoo helder, dat men al de slapers, naast elkander op hun saamgevouwen dekens uitgestrekt, herkennen kan.
Men biedt ons de beste plaatsen aan, tegen den muur van het huis; toen wij den wensch te kennen gaven om liever binnenshuis te mogen slapen, keek onze gastheer ons verwonderd aan; niettemin liet hij aanstonds een vertrek open sluiten. Ons nachtkwartier is spoedig gereed, en weldra was alles weer in diepe rust gedompeld, die slechts door onze aankomst voor eenige oogenblikken verstoord was geworden.
15 Juni.—Den volgenden morgen gingen wij om zes uur op weg, ten einde zooveel mogelijk de warmte te vermijden. De karavaan trekt eerst over de talrijke slooten, die ons den vorigen avond hebben tegen gehouden, en slaat den weg in naar eene roodachtige streep aan den horizon, die de grens der woestijn aanwijst. In dezen tijd des jaars toont het veld overal de bewijzen van eene zeldzame vruchtbaarheid; de zorgvuldig bebouwde akkers wisselen af met schilderachtige bosschages en boomgroepen, alom door de vlakte verspreid; zoo ver het oog reikt golft het goudgele koren en blinken de velden met witte papaverbloemen. Het is thans de tijd van de eerste inzameling van de opium. In de rijpe bollen maakt men van ter zijde, met een scherp snijdend werktuig, eene kleine opening; het daaruit vloeiende vocht wordt opgevangen in een kopje, dat aan den vinger van den landbouwer is vastgemaakt. Deze operatie wordt driemaal om de veertien dagen herhaald, waarna de plant al haar sap heeft verloren.
Na een moeilijken rit van vier uren midden door de akkers, waarbij wij, tot groot misnoegen van de dorpelingen, het te veld staande gewas moeten vertrappen, zie ik in de verte een hoogen toren met een kegelvormige spits en den geëmailleerden koepel eener moskee, oprijzende boven een uitgestrekt donkergroen bosch. Dat is het dorp Weramin. Bladzijde 216Weldra loopt nu onze weg midden door tuinen, waarvan de leemen muren elk uitzicht belemmeren.
Kersen-, abrikozen-, pruimen- en perzikenboomen staan in zoo groote menigte en zoo dicht op elkander, dat zij een ondoordringbaar bosch vormen: hunne takken zijn zoo overvloedig met vruchten beladen, dat het gebladerte daar ten deele onder verdwijnt. Een aantal knapen zijn bezig met het afplukken der roode en witte moerbeziën, zoo groot als duiveneieren, waarmede de reusachtige boomen bezaaid zijn; elders gloeien, onder het hooge geboomte, te midden van het donkere groen, de roode vruchten der granaten.

Minaret uit den tijd der Ghazneviden.
Weramin, een dorp van landbouwers, heeft geen behoorlijke karavanserai; maar dokter Tholozan heeft de noodige maatregelen genomen en ons zoo veel vermogende aanbevelingen verschaft, dat de ket khoda aanstonds bereid is, een gedeelte van zijn eigen huis tot onze beschikking te stellen. Toen wij aankwamen was de hitte bijna onuitstaanbaar; maar dit mocht ons niet weerhouden om, na het afleggen der gewone beleefdheidsbezoeken, eene wandeling te gaan doen naar de Mastsjed djoema, een prachtig gebouw, thans een bouwval. Uit vrees voor instorting van sommige deelen der moskee, wordt er geen dienst meer gedaan: het is dan ook den vreemdelingen geoorloofd, ongehinderd het bedehuis te bezoeken en zich onder het puin te laten begraven, als zij daar lust toe gevoelen.
Het monument staat op eenigen afstand van het dorp, te midden van velden, die thans onbebouwd en met onkruid en struikgewas begroeid zijn.

Citadel van Weramin.
Eene portiek, met fraaie mozaïeken van blauw gekleurde porseleinen tegels versierd, geeft toegang tot den ruimen voorhof voor het eigenlijke bedehuis, Bladzijde 218een der zijvleugels is ingestort, waardoor het mogelijk is met een enkelen blik het grondplan van het gebouw te overzien, dat zeer veel overeenkomt met dat van de Mastsjed Shâh van Kazbin. De zaal van den mihrab, versierd met uitmuntend bewerkte bloemen in reliëf, trekt vooral onze aandacht, ook door de eigenaardige schikking en dekoratie van het gewelf. Langs het puin naar boven klauterende, komen wij aan eene galerij zonder leuning, die rondom den koepel loopt.
Van hier overziet men de geheele vlakte. Ten zuiden, naar de zijde van de woestijn, breidt zich eene onafzienbare, rosachtig vale steppe uit. Ten noorden ziet men, tusschen de moskee en het gebergte, de leemen muren van een reusachtig fort; rondom deze vesting liggen, binnen een kring van zeven tot acht mijlen, als in een wijden gordel, een aantal op zich zelven staande forten, het best te vergelijken met de vooruit geschoven buitenwerken onzer vestingen. Het dorp zelf wordt verdedigd door eene vrij goed onderhouden citadel, die vermoedelijk deel uitmaakt van het stelsel van defensie.
16 Juni.—Met het aanbreken van den dageraad worden de paarden gezadeld, en gaan wij op weg om een bezoek te brengen aan het groote fort. Dit fort is een groot rechthoekig gebouw, van aarde en leem opgetrokken en voorzien van torens, die op onderlinge afstanden van dertig el zijn geplaatst. Naar het schijnt zijn de muren, evenals die van Koeyoendsjik of Khorsabad, opgetrokken van nog weeke vochtige tichelsteenen, die op elkander zijn gelegd en zoo eene vaste samenhangende massa hebben gevormd. Daar deze manier van bouwen nooit bij de Muzelmannen in gebruik was, hebben wij hier hoogst waarschijnlijk te doen met een werk uit den tijd der Sassaniden, blijkbaar ouder dan de wallen van Reï. Volgens de nog in den mond des volks voortlevende overlevering, zou dit kasteel gebouwd zijn door Feridoen, een der legendarische helden van de oude perzische poëzie, wiens naam ook door Firdoesi is verheerlijkt geworden. Natuurlijk is aan deze overlevering zeer weinig historische waarde toe te kennen; intusschen moeten wij ons voorloopig met deze zeer onbestemde berichten tevreden stellen, want binnen de omwalling vindt men noch een muur, noch een tumulus, waaruit eenig besluit zou kunnen worden getrokken omtrent den ouderdom en den oorsprong van deze vesting. Mijn echtgenoot helt tot de meening over dat deze kaleh, die door breede slooten overvloedig van versch water voorzien wordt, oorspronkelijk een versterkt kamp was.—Wij brengen ook een bezoek aan de verspreide forten, die wij gisteren van de galerij der moskee hebben gezien. Zij zijn gebouwd op zeer hooge terpen en bestaan uit vier zware torens, door muren verbonden; blijkbaar maakten zij deel uit van eene vestinglinie, die aanvallers uit Khorassan moest tegenhouden. Het grootste en best onderhouden van deze forten ligt in het dorp zelf: het is vierkant en insgelijks van leemen tichels gebouwd.
De citadel van Weramin was omgeven door eene breede gracht en een bedekten weg, waarvan men bij de andere forten geen spoor aantreft. De zeer oude muren zijn in later tijd bekleed geworden met ongebakken tichels; vermoedelijk verschilde de citadel niet van de andere kalehs, en werden de buitenwerken aangelegd door de Seldsjoeken of hunne eerste opvolgers, ter verdediging van de residentie van den gouverneur der provincie. De naam kasr (kasteel), bij voorkeur aan dit fort gegeven, schijnt dit vermoeden te bevestigen.
17 Juni.—De hitte is bijkans ondragelijk. Hoewel de zon reeds zeer dicht aan den horizon genaderd was, toen wij uitgingen om kwartels en zwaluwen te schieten, die in de korenakkers in menigte gevonden worden, waren wij bij onze tehuiskomst zoo verhit en uitgeput, dat wij ons stellig voorgenomen hebben, niet meer uit te gaan voor de avond is gevallen.
Nauwelijks waren wij in de woning teruggekeerd, of een verward geluid van stemmen deed zich hooren: wij vernamen kreten, uitroepen, verwenschingen; in ons anders zoo rustig verblijf verdringt zich nu eene rumoerige menigte. De ket khoda houdt van daag rechtzitting.
De koning is de opperste handhaver en uitvoerder der wet, maar hij draagt zijne macht over op zijne stadhouders, de gouverneurs der provinciën, en door hunne tusschenkomst aan de ontvangers der belastingen en aan de dorpshoofden, wier bevoegdheid evenwel niet verder reikt dan de behandeling van eenvoudige policie-overtredingen. De ket khoda's hebben het recht, kleine straffen op te leggen, zooals bij voorbeeld de bastonnade, of tot eene boete te veroordeelen. In ernstige gevallen moet de schuldige voor den gouverneur der provincie terecht staan, wiens bevoegdheid veel verder reikt, maar die niet tot den dood kan veroordeelen: dit recht komt uitsluitend aan den Shâh toe en kan ook aan de prinsen van den bloede worden toegekend. De rechtspleging voor onbeteekenende, alledaagsche gevallen is hoogst eenvoudig; de uitspraak laat niet lang op zich wachten; de kosten zijn schijnbaar gering, maar kunnen geweldig oploopen, omdat beide partijen geschenken aan den rechter zenden, ten einde hem voor zich te winnen.
Te Weramin komen geene ernstige zaken voor, en naar het schijnt wordt zonder aanziens des persoons recht gedaan; toch is het wel de moeite waard, zulk eene rechtzitting bij te wonen. De binnenplaats van het huis van den ket khoda dient tot gerechtszaal; in het midden bevindt zich een soort van geplaveid terras, ter wederzijde omgeven door bloemperken. Tegen vijf uren in den namiddag opent men eene sluis: het water overstroomt de perken en den boomgaard; een bediende begiet het terras, waarop men anders niet zou kunnen gaan zitten, zonder zich te branden. Zoodra het plaveisel goed droog en aangeveegd is, wordt daarop een groot tapijt van bruine vilt uitgespreid en een hoop dekens neergelegd. De ket khoda zet zich op het tapijt en leunt tegen de dekens; hij noodigt daarop den mirza (secretaris) uit, naast hem te komen zitten: tegenover den eersten rechter zetten zich twee bijzitters neder. Bedienden brengen daarop twee kandelabres met glazen bollen, om het uitwaaien van de vlam der kaarsen te beletten. Bladzijde 219Deze verlichting is ten eenemale overbodig, want de maan zal zoo straks verrijzen, en haar schijnsel is zoo helder, dat men volstrekt geen kunstlicht behoeft om zonder eenige moeite te kunnen lezen en schrijven.
Nadat deze toebereidselen zijn afgeloopen, verschijnen de partijen voor de rechtbank. De eischer spreekt het eerst en legt in kalme, gematigde bewoordingen zijne zaak bloot, evenwel niet zonder daarin eenige insinuaties aan het adres van zijne tegenpartij te mengen; deze hoort de beschuldiging rustig aan en draagt vervolgens, met de grootste kalmte, zijne verdediging voor. De zaak is nu geïnstrueerd. Na met zijne bijzitters geraadpleegd te hebben, wijst de ket khoda het vonnis, waarvan in den regel geen beroep is. De beide partijen verliezen nu haar bedaardheid en verwijderen zich elkander uitscheldende; dikwijls genoeg gebeurt het dat zij buiten gekomen, elkaar afrossen.
De kleine rechtsgedingen, waarbij wij tegenwoordig zijn, hebben bijna allen betrekking op diefstal van gevogelte, of wel op het verbreken van contracten tusschen landeigenaars en bij het jaar gehuurde knechts, die na gedurende den geheelen winter door hun meester onderhouden te zijn, hem juist bij het begin van den oogst verlaten hebben om elders meer geld te verdienen. Het oordeel van den rechter is billijk. Hij die eene kip gestolen heeft, moet er twee in de plaats geven; heeft hij geene kippen, dan moet hij aan den bestolene de waarde van twee dezer vogels vergoeden. De knecht, die zijn contract verbroken heeft, moet weer terugkeeren tot den meester, die hem den geheelen winter onderhouden heeft; verkiest hij dit niet, dan krijgt hij eene dracht stokslagen.
Maar nu komt er een belangwekkend geval. Bij de vorige rechtzitting was eene ernstige zaak aanhangig gemaakt: een tuinman van het dorp, Kaoly genaamd, had de vorige week verschillende vrachten fruit en komkommers naar Teheran gebracht. Toen hij met eenigen zijner confraters naar Weramin terugkeerde, werd hem onderweg zijn kleed ontstolen. Zoodra hij in zijn dorp was aangekomen, begaf Kaoly zich naar den rechter, om hem zijne vermoedens mede te deelen. “Ik heb de reis gemaakt met Reza, Ali, Hosein, Ismaïl en Yaya; terwijl de ezels uitrustten ben ik in slaap gevallen; en toen ik wakker werd miste ik mijne mooie koledja; mijne reisgenooten zijn de eenigen, die den diefstal hebben kunnen plegen.”
Aanstonds werden de boeren voor den rechter ontboden: zij waren zeer ontroerd en trachtten met overvloed van woorden hunne onschuld te betuigen.
De ket khoda beval toen aan zijn mirza, vijf juist even lange twijgjes af te snijden van een granaatboom, die, zooals ieder weet, met wonderbare krachten begaafd is. Hij gaf aan elk der beschuldigden een twijgje, met last om dat op de volgende zitting weer mee te brengen. “Het takje,” zoo voegde hij er bij, “zal in handen van den schuldige groeien.”
Dezen avond nu wachtten alle toehoorders met gespannen aandacht de oplossing van dit raadsel. De vijf beschuldigden worden binnen geleid en stellen den rechter hun granaattakje ter hand, die ze nauwkeurig beziet en vervolgens zegt: “Yaya, gij zijt een schurk: gij hebt de koledja gestolen!
—Gode zij dank; dat is niet waar.
—Gij liegt; want zie, gij hebt een stuk van uw takje afgesneden, om te beletten dat het langer zou zijn dan de anderen. Kaoly, begeef u met een soldaat naar de woning van Yaya: hij zal u uw kleed ter hand stellen, en vervolgens terugkeeren om vijf-en-twintig stokslagen te ontvangen.”
Nadat dit rechtvaardig vonnis was uitgesproken, werd de zitting opgeheven; de deuren worden gesloten, en de ket khoda geeft bevel, dat het middagmaal zal worden opgedragen. Na hem in al zijne majesteit als rechter te hebben aanschouwd, zullen wij hem nu als een gewoon mensch met zijn vingers zien eten.
De bedienden zetten een koperen blad op den grond, bijna zoo groot als eene tafel; de schotels, die in het midden zijn geplaatst, zijn gering in aantal, maar zien er zeer smakelijk en uitlokkend uit.
In het midden verrijst een heuvel van pilau, vermengd met fijngehakte kruiden, in schijfjes gesneden pompoenen en besproeid met melk; ter wederzijde van dien middenschotel staan croquetten van gehakt schapenvleesch en gevogelte, in piquante saus om bij de rijst te gebruiken; tusschen deze beide schotels ziet men aan de eene zijde een stapeltje komkommers, en aan de andere zijde dunne boterhammetjes, ten getale van twintig of dertig op elkaar gelegd. Glazen, borden, messen, vorken, karaffen zijn al te gader onbekende zaken; hoogstens zal men te Teheran vijf of zes aanzienlijken vinden, die met deze voor ons zoo onmisbare voorwerpen behoorlijk weten om te gaan.
Men verhaalt zelfs dat de Shâh, voor zijn eerste reis naar Europa, zich gedurende drie maanden liet onderrichten in het gebruik van een vork; daar deze oefening hem zeer lastig was gevallen, besloot hij zich daarvoor schadeloos te stellen en zich met de dames van den harem te vermaken, ten koste van zijne ministers. De heeren werden ten hove ten eten gevraagd. Daar de perzische etiquette vordert dat de koning alleen eet, kon Nasr ed-Din niet persoonlijk bij het diner tegenwoordig zijn; maar hij had zich met eenige dames achter een schut verborgen, dat hem toeliet toeschouwer te zijn van het feest.
De gasten verschenen op den bepaalden tijd en verheugden zich reeds in het vooruitzicht op de kostelijke spijzen uit 's konings keuken; maar de ooievaar, die bij den vos ten eten gevraagd was, kon geen langer gezicht zetten dan de ministers, toen zij bespeurden dat het op europeesche wijze toebereide maal ook met mes en vork gebruikt moest worden. De heeren hielden zich aanvankelijk goed: zij zetten zich neder en deden hun uiterste best om met de messen te snijden en met de vorken de spijzen op hun bord vast te houden en te grijpen; zij spraken elkander moed in en benijdden hun collega's die handig genoeg waren om zich niet in de tong of de lippen te prikken. De koning en zijne Bladzijde 220dames vermaakten zich kostelijk met de verlegenheid der heeren; tot eene der dames, van plaats willende verwisselen, tegen het schut stootte, dat met een zwaren slag omviel. Algemeene verwarring: de dames, die ongesluierd waren, bedekken zich het gelaat met haar kleed en vluchten weg; de niet minder verschrikte gasten houden zich de handen voor de oogen en werpen zich eindelijk met het aangezicht ter aarde, als om van den beleedigden souverein vergiffenis af te smeeken.
Te Weramin eet men met de vingers, na vooraf de handen gewasschen te hebben. Al de gasten, heeren en knechts, knielen in het rond om het blad, stroopen hun rechter mouw tot aan den elleboog op, leggen hunne linkerhand op de borst om hun kleed vast te houden, en brengen allen te gelijk de hand naar den schotel. Ieder grijpt zooveel pilau als hij met de hand omvatten kan, kneedt de rijst, kiest daarop de stukken vleesch uit, die hij begeert, vermengt die met de pilau en maakt van dit alles een bal, dien hij nu en dan in de melk dompelt. Is deze operatie afgeloopen, dan stopt hij dien bal in den wijd gapenden mond en slikt hem, bijna zonder kauwen, door. Het is geen gewoonte om gedurende den maaltijd te spreken of te drinken. Trouwens, hij die dit deed, zou te kort komen. Men eet niet, men voedert zich.
Zoodra het diner, dat zeker geen tien minuten duurt, is afgeloopen, worden de schotels en het blad weggenomen, waarna een bak rondgaat, gevuld met serkadjebin (azijn met rozenwater vermengd), die men gebruikt met diepe fraai bewerkte houten lepels; daarop wascht ieder zich de handen; rookt zijn pijp, spreekt een gebed, spreidt zijne dekens op den grond uit en legt zich daarop te slapen.
18 Juni.—Heden morgen hebben wij een bezoek gebracht aan den iman Zaddeh Yaya, een der belangrijkste monumenten van de streek, maar ook het eenige, dat gesloten is en waarover een wachter of bewaker is aangesteld.
Het gebouw is van binnen bekleed met fraaie gekleurde porseleinen tegels, waarvan er in den laatsten tijd verschillende gestolen en te Teheran voor zeer hoogen prijs verkocht zijn. Ten gevolge van deze herhaalde diefstallen, is de toegang tot het kleine heiligdom aan alle ongeloovigen ten strengste verboden; en aan dit verbod wordt des te stipter de hand gehouden, omdat de kapellen, die de graven der imans bevatten, in de oogen der Perzen heiliger zijn dan de moskeeën zelven. Toen wij het koninklijk bevelschrift aan den ket khoda lieten zien, zond hij zijn broeder met ons mede om alle moeilijkheden en botsingen te voorkomen. Die voorzorg bleek niet overtollig. Bij onze aankomst vonden wij de deur van het heiligdom bewaakt en verdedigd door boeren met stokken gewapend, geschaard rondom een mollah, met den witten tulband der priesters gedekt. Op het zien van den broeder van het dorpshoofd, lieten zij echter allen tegenstand varen, zoodat wij ongehinderd het gebouw konden bezoeken.
De iman Zaddeh Yaya dagteekent uit drie verschillende tijdperken; de moskee is uit de twaalfde eeuw, uit den tijd der Seldsjoeken; maar zij bevat een klein paviljoen met een puntig dak, dat veel overeenkomst heeft met de Ataba Koembaz van Narshivan. Dit paviljoen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd der Gazneviden, zoo als blijkt uit de wijze waarop men de verschillende onderdeelen van het monument onderling verbonden heeft. De prachtige, van den zuiversten metaal weerschijn glanzende gekleurde porceleinen tegels van den mihrab, van de lambrizeering en van het graf zijn eerst aangebracht na den bouw van den tweeden iman Zaddeh, en om ze te plaatsen, heeft men de oude decoratie moeten wegruimen.
Toen wij in het dorp Weramin terug kwamen, heerschte er op de marktplaats eene buitengewone drukte: het is marktdag, en de boeren uit den omtrek zijn naar het dorp gekomen om hun koren te verkoopen, dat in zakken van geitenhair, op den rug van muilezels wordt aangevoerd. Anderen brengen kippen ter markt, die met beide pooten zijn vastgebonden aan het pakzadel van hun ezel; vrouwen, die bijna ongesluierd zijn, bieden den voorbijgangers eieren, komkommers en meloenen te koop aan. Een weinig verder wordt de belangrijke beestenmarkt gehouden, waar schapen, lammeren, geiten en alleraardigste kleine grijze, zwart gestreepte ezels worden verkocht. De herders, die de bergen langs het bassin van de Kaspische-zee bewonen, zitten in de schaduw van een leem en muur op den grond. Hunne gelaatstrekken zijn hard en scherp geteekend; de kleur hunner huid is bijna zwart, als die der turkomansche stammen van Asterabad; zij dragen eene licht groene koledja en eene kolah (muts) van bruin laken, en houden een herdersstaf in hunne hand.
Het gaat hier al even als bij ons bij dergelijke gelegenheden. De koopers en verkoopers schreeuwen tegen elkander in, overvragen, dingen af, prijzen en verachten de koopwaar, en doen alle mogelijke moeite om elkander eene vlieg af te vangen; terwijl beiden toch zeer goed weten hoeveel het schaap of de geit werkelijk waard is, en beiden evenzeer te voren bij zich zelven hebben bepaald, de een wat hij geven, de ander waarvoor hij het beest afstaan wil. Ook hier heerscht de gewoonte, dat de eindelijk gesloten koop door handslag bevestigd wordt.

Op de markt te Weramin.
19 Juni—Wij leiden hier een aangenaam leven te Weramin. Onze opperkok weet op de uitnemendste wijze partij te trekken van onzen voorraad; elken morgen, als wij van onze verre tochten terug komen, vinden wij onze kamer frisch en in orde en de tafel beladen met mandjes vol abrikozen, pruimen en heerlijke kersen. Des avonds, als wij na zonsondergang terug keeren, beladen met kwartels en andere vogels, die wij in de velden en boomgaarden geschoten hebben, weet hij een heerlijken maaltijd te bereiden; op zijn raad zijn wij eindelijk ook overgegaan tot het drinken van karnemelk, in plaats van water, dat zeer zeker in deze warmte een ongezonde drank is. Karnemelk wordt op allerlei wijze, ook bij het bereiden der spijzen gebruikt; en nu wij er eenmaal aan gewoon Bladzijde 222zijn, smaakt zij ons iederen dag beter en zouden wij haar niet meer kunnen missen.
De ket khoda is gisteren naar de stad gegaan; zijn eerste bediende neemt heden avond zijn plaats op het terras in en zal op zijne beurt recht spreken tusschen den man en zijn naaste. Een bakker treedt voor: hij beklaagt zich dat een zijner klanten hem sedert geruimen tijd niets betaald heeft.
“Aga, zoo besluit hij zijne aanklacht, die man neemt alle dagen zes brooden van mij; gij begrijpt dus welke schade ik lijden zou, als gij hem niet dwingt zijne schuld te betalen. Zijn gedrag is des te schandelijker, omdat hij er zich in het dorp op beroemt, dat hij een deel van mijne waar weggooit.
—Hoeveel brooden koopt gij iederen dag van uwen bakker? vraagt de rechter aan den boer.
—Zes.
—Wat doet gij daarmede?
—Ik houd er een; ik geef er twee terug; ik leen de twee anderen, en het laatste gooi ik inderdaad weg.
—Verklaar u nader, en wacht u, mij voor den gek te houden.
—Het is toch duidelijk genoeg; ik heb gezegd: “ik behoud een brood”—dat eet ik zelf op; “ik geef er twee terug”; die geef ik aan mijn vader en mijne moeder; “ik leen er twee anderen”; die zijn voor mijne kinderen; en het brood dat ik weggooi, is voor mijne schoonmoeder.”
De rechter lachte en stuurde den boer weg met de belofte, dat hij nader op de zaak zou terug komen.
Het is opmerkelijk, het verschil gade te slaan tusschen het karakter van de meeste andere Oosterlingen, die over het algemeen ernstig van aard zijn, en de vroolijkheid der Perzen, wien het allerminst aan humor ontbreekt. De deftigheid der aanzienlijken is meer kunstmatig en voorgewend dan natuurlijk, en de dolste grappen worden altijd toegejuicht, mits ze geestig zijn; de koning en zijne vrouwen kunnen zich aan die algemeene stemming niet onttrekken en de verzoeking niet weerstaan om somwijlen aan de dolste invallen toe te geven.
Heeft Nasr ed-Din nog in den afgeloopen winter niet verlangd, dat een zijner ministers, zwaarlijvig als een turksche pasja, op een der vijvers van het paleis zou schaatsenrijden, opdat de koning zich zou kunnen vermaken met het schouwspel zijner wanhopige pogingen om staande te blijven en na telkens herhaalden val weer op de been te komen?
Eene der invloedrijkste dames van den koninklijken harem, die niet ingenomen was met de aanstelling van europeesche officieren bij het perzische leger, had zich onlangs een kleed laten maken, waarop een aantal soldaten, naar de laatste mode gekleed, waren afgebeeld. Bij het eerste bezoek, dat de Shâh haar bracht, strekte zij zich op den grond uit en rolde zich als een dwaas over het tapijt.
“Wat doet gij toch?” vroeg de koning verbaasd.
—Opvolger van Alexander, licht der wereld, koning der koningen, zie, hoe ik uw frankisch leger behandel,” antwoordde de prinses, schaterend van lachen.
20 Juni—Sedert eene week doorkruisen wij in alle richtingen den omtrek van Weramin; wij zullen nu ons uitstapje besluiten met een bezoek aan den iman Zaddeh Jaffary, waarvan alle landlieden met eerbied en ingenomenheid spreken. Hij is drie farsaks (achttien mijlen) van het dorp verwijderd.
Des nachts om twee uren gaan wij op weg. Bij het aanbreken van den dag zagen wij, op een zeer verwijderden heuvel, een blauwe stip: dat is de koepel van den iman Zaddeh. Daar wij nu de richting kennen, zenden wij onzen tsjarvadar terug, zetten onze paarden in galop, en komen weldra aan een vriendelijk dorpje, waarvan de nederige huizen zijn gegroept rondom eene door prachtige cypressen overschaduwde moskee.
Het gebouw is uit den tijd van Shâh Abbas: de ligging is allerschilderachtigst; maar uit een architektonisch oogpunt heeft het bedehuis niets te beteekenen.
Wij hebben besloten, nog dezen avond naar Teheran te vertrekken. De toebereidselen waren spoedig voltooid, en niet zonder zeker leedgevoel verlieten wij de gastvrije woning van den ket khoda.
21 Juni.—Om twee uren na middernacht kwam onze kleine karavaan, zonder eenigen tegenspoed ondervonden te hebben, bij de ruïnen van Reï. Daar de poorten van Teheran 's nachts gesloten zijn, raden onze bedienden ons aan, hier stil te houden en den dag af te wachten in een dier fraaie tuinen, waar de reiziger op elk uur thee, een pijp en ook logies kan vinden.
Wij kloppen aan; de deur wordt geopend; de paarden worden in den stal gebracht, en mijn gastheer haast zich om een geschikt nachtverblijf voor mij te zoeken. Na eene lamp te hebben opgestoken, noodigt hij mij uit hem te volgen, en gaat verder den tuin in. Op een open plek gekomen, waar de grond zorgvuldig is gelijk gemaakt, zet hij zijne lamp neder en wil zich verwijderen.
“Eer gij de thee gaat halen,” zeide ik tot hem, “zou ik gaarne hebben dat gij mij eene kamer wildet wijzen om mijne wapenen neer te leggen, zoodat ik gerust slapen kan.”
De kastelein nam zijne lamp weer op, en bracht mij toen geheel naar het achtereinde van den tuin, op een terras, omringd door boomen, die door het water eener kristalheldere, koele beek besproeid worden. Ditmaal kon ik niet wel anders dan met mijn logies tevreden zijn; ik bevind mij stellig in het prachtigste, schaduwrijkste en luchtigste vertrek van het geheele huis. Ik moet mij leeren verzoenen met het voor ons onmogelijke denkbeeld, om onder den blooten hemel te slapen; men brengt de noodige tapijten, kussens en dekens, en weldra ben ik in diepe rust gedompeld.
De rit heeft vier uren geduurd; de zon stond dan ook reeds een poos aan den hemel, eer ik ontwaakte. Haar stralen, zeer getemperd door het dichte looverdak boven mijn hoofd, hebben, eer zij ons bereiken, veel van hun kracht verloren; eindelijk echter dringen zij door het gebladerte heen en schijnen vlak op mijn gelaat; de betoovering is geweken: het is onmogelijk langer te slapen. Dit zou toch niet best meer gaan, want er Bladzijde 223is gezelschap uit Teheran gekomen, en de dames, die daarbij zijn, lachen en spreken en schreeuwen zoo luid, dat men wel wakker worden moet. In Perzië kiest men, naar het schijnt, de zeer vroege morgenuren voor dergelijke uitstapjes uit.
22 Juni.—Wij zijn door Teheran getrokken, waar de hitte ondragelijk is (vijf-en-veertig graden in de schaduw, in den tuin der zusters). Alle vreemde gezantschappen hebben de stad verlaten en de wijk genomen naar schilderachtige kleine dorpen, in de smalle boschrijke valleien aan den voet van de Elbroezketen.
De zaakgelastigde van Frankrijk, de graaf de Vieil-Castel, had ons de vriendelijke uitnoodiging gezonden, om voor ons vertrek, eenige dagen op zijn buitenverblijf te komen doorbrengen. Met veel genoegen maakten wij van die uitnoodiging gebruik. De zomerresidentie van de fransche legatie is het dorp Tadjrish; de woning ligt aan het boveneinde van eene vallei, waar het heerlijk koel is. De avonden zijn bijna koud, en in den talar, waar de lucht vrijen toegang heeft en waar eene van den berg afdalende beek doorstroomt, bedraagt de temperatuur doorgaans niet meer dan vijf-en-twintig graden (Celsius).
Heerlijke wandelingen omgeven aan alle kanten het dorp Tadjrish. Vooreerst heeft men den Bagh Firdoez, het eigendom van een schoonzoon des konings. Te midden van een grooten tuin, met prachtige boomen beplant, staat een onvoltooid paleis, dat reeds zeer veel van de vochtigheid geleden heeft en half tot een bouwval geworden is. Men vindt er eenige moderne ornamenten in pleister; de muren van den talar zijn in vakken verdeeld, waarop een italiaansche kladschilder tooneelen uit europeesche balletten, met zeer gedecolletteerde danseressen, heeft afgebeeld. Om aan de Perzen een juist denkbeeld te geven van onze westersche zeden, heeft dezelfde kunstenaar, in een afgelegen kabinetje, een mijnheer voorgesteld met een nankin pantalon, een grijs jasje, en een hoogen hoed op een oor, een dans uitvoerende voor eene dame, wier houding en toilet niet wel te beschrijven is. Het paleis van Bagh-Firdoez is juist geschikt om ons een denkbeeld te geven van het perzische leven: pracht en schooierige armoede naast elkaar. De lambrizeeringen van den salon zijn van heerlijk schoon gevlamd agaat, de deuren in mozaïek van cederhout en ivoor; maar de vloer der vertrekken bestaat uit plat getreden aarde, zonder eenige bedekking van hout of steen. Het paleis wordt niet meer onderhouden en is, zooals ik zeide, reeds half een bouwval. Binnen tien jaar zal het dak zijn ingestort; over twintig, zal er van het gebouw niets meer over zijn dan een vormlooze puinhoop. Dat is zoo de gewone gang van zaken in het Oosten.
De platanen van Bagh-Firdoez en van Tadjrish zijn door den gansenen omtrek beroemd. Een dezer boomen, binnen de omwalling van de moskee staande, is bijna door geheel Perzië bekend onder den naam van Tsjanare Tadjrish (plataan van Tadjrish). Men kan zich bezwaarlijk een denkbeeld maken van de grootte van dien boom, en vooral van den ontzaglijken omvang van den stam, die een omtrek heeft van vijftien el. Ongelukkig is het niet mogelijk zijne hoogte te schatten: de takken, niet minder dik dan zware boomen, strekken zich uit tusschen verschillende gebouwen, die ze ten deele bedekken en voor het oog verbergen. Deze boom is in werkelijkheid de moskee van Tadjrish; de geloovigen vereenigen zich onder zijn lommer om hunne gebeden op te zeggen; de kinderen komen bij den boom samen om van de mollahs onderricht te ontvangen; en toch blijft er nog ruimte over voor handelaars in thee en frisch water, om tusschen de wortels hun samovar, hun kruiken en kopjes te plaatsen.
19 Juli.—Naïeb Soltaneh, de jongste zoon van den koning, vernomen hebbende dat wij eerlang naar Ispahan zouden vertrekken, heeft mijn echtgenoot verzocht, een omweg te maken, ten einde eene afdamming, in den omtrek van Saveh, in oogenschouw te gaan nemen. Deze dam, door Shâh Abbas gemaakt, is onderloopsch geworden, en de prins zou het werk weder willen in orde maken, om zoodoende de opbrengst te vermeerderen van de provincie, waarvan hij gouverneur is.
Vergezeld van zijn adjudant, den generaal Abbas-Koely Khan, vertrekken wij naar Teheran. Over dag had de thermometer vijf-en-veertig graden in de schaduw geteekend; in den nacht daalde hij tot op twaalf graden. Men kan zich niet voorstellen, hoe onaangenaam en nadeelig die plotselinge overgangen van temperatuur zijn.
Op den middag van den volgenden dag trok de karavaan, hijgend en zwoegend, onder eene brandende zon, over den schaduwloozen weg, en bereikte de zware muren, die het groote dorp Pick omgeven. De generaal beval dat men ons naar de woning zou brengen van een kapitein, die het best ingerichte huis in het vlek bezat.
Aan ieder einde van de zaal, waarin men ons binnenleidt, bevindt zich, gelijkvloers, in den muur eene groote vierkante opening, het best met onze schoorsteenen te vergelijken, die in gemeenschap staat met een buis of pijp, welke eenige ellen boven het dak uitsteekt. Dat zijn twee windvangers, die aldus tegenover elkander geplaatst, een zeer sterken luchtstroom veroorzaken. Door de werking van dien gezegenden luchtstroom, door het besprenkelen van onze hoofden met koud water, en door gebruik van kokend heete thee, die de bedienden ons voorzetten, komen wij weder een weinig tot ons zelven.
21 Juli.—Na een dag rust, vervolgen wij des avonds laat onzen weg door eene droge en dorre vlakte. Welk een treurige aanblik biedt het landschap, als de zon opgaat. Nergens is een spoor van groen te bespeuren! Maar wij zijn niet ver meer verwijderd van de pleisterplaats, zooals onze gidsen zeggen, terwijl zij mij in de verte eene grijze stip wijzen, die bij de algemeen vaal-grauwe kleur van het landschap ter nauwernood zichtbaar is. Dat is het dorp Mamoeniëh, dat een zeer zonderlingen indruk maakt. De huizen, ter nauwernood drie el boven den grond verheven, zijn van ongebakken steenen gebouwd en gedekt met kleine koepeltjes, vlak naast elkaar geplaatst. De buitensporig Bladzijde 224hooge prijs van het hout in dit geheel van boomen ontbloote land, noodzaakt de bewoners om zoowel de muren als de daken hunner woningen uit aarde en leem saam te stellen. Zelfs de openingen voor deuren en vensters, zoo deze laatsten er zijn, zijn van hout ontbloot: des winters hangt men een tapijt voor den ingang; des zomers is de woning voor ieders blikken geopend.

Straat te Teheran.
Er groeit zelfs geen struik te Mamoeniëh: de boeren, die hun gansche leven in het dorp gesleten hebben, moeten dan ook, om groen en boomen te zien, wachten tot zij zijn aangekomen in die door koele, heldere beekjes besproeide tuinen en bosschages van het paradijs, dat Mohammed aan de geloovigen heeft beloofd. Ik hoop voor de muzelmannen, dat het water van het paradijs niet zoo brak en zout zal zijn als dat der putten, waarvan onze paarden ziek zijn geworden. De dorpelingen zijn er echter aan gewoon: zij ondervinden er geen hinder van en roemen zelfs den smaak. Bladzijde 313

Een derwisj.