← Table of contents
Perzië, Chaldea en Susiane

III

Reading edition

12 April.—Toen wij gisteren aan de pleisterplaats kwamen, lieten wij ons, uitgeput van vermoeidheid, neervallen op een tapijt, dat in allerijl in eene der kamers van de karavanserai was uitgespreid. Sedert langen tijd had ik niet te paard gereden, en die rit van tien uren, stapvoets, had mij zoo uitermate vermoeid, dat ik bijna niet meer wist waar ik was of wat ik deed, en zelfs de geuren van pilau en kiëhbab mij onverschillig lieten. Dezen morgen gevoel ik mij veel beter: de eetlust is weergekeerd, en bij een flauw vuurtje gezeten, verslinden wij met ons beiden wat de gulzigheid der bedienden heeft overgelaten. Sedert ons vertrek van Djoelfa zijn wij ruim vijfhonderd el gestegen; de lente heeft op deze hooge bergvlakte haar invloed nog niet doen gevoelen. De lucht is zwaar bewolkt en ziet er dreigend genoeg uit: maar wij kunnen ons daardoor niet laten ophouden. De sneeuw, door een scherpen oostenwind voortgedreven, jaagt ons in het gezicht en overdekt ons met haar dichte vlokken. Toen de sneeuwjacht een weinig bedaarde en wij een weinig voor ons uit konden zien, bespeur ik aan onze voeten eene reeks van reusachtige molshoopen, die van den voet des bergs, welken wij zoo juist bestegen hebben, uitgaan en naar de vlakte afdalen. Reeds na ons vertrek uit Djoelfa was mijne aandacht getrokken geworden door diepe cirkelvormige kuilen langs den weg. Inlichtingen bij onze tsjarvadars ingewonnen, brachten mij op de hoogte.

De hooge bergvlakten van Perzië zijn van nature droog en onvruchtbaar; om ze voor bebouwing geschikt te maken, moeten de inwoners, in de nabijheid der bergketenen, onderaardsche sprengen opsporen, en het water door middel van lange uitgegraven galerijen of tunnels naar de hooge gronden voeren. Deze waterleidingen zijn niet gemetseld; de helling wordt met groote nauwkeurigheid berekend en bepaald; hare lengte bedraagt somtijds dertig tot veertig kilometers, en hare diepte, bij het punt van uitgang, ruim honderd el.

De welvaart, men mag bijna zeggen het leven van Perzië, hangt aan het aantal en het behoorlijk onderhoud van deze onderaardsche galerijen. De aanleg van eene nieuwe waterleiding maakt het mogelijk, eene zekere uitgestrektheid gronds in kultuur te brengen, en te midden der nieuw ontgonnen velden verrijst al spoedig een dorp. Raakt de waterleiding in verval, dan wordt de van water beroofde vlakte al ras een woestijn. Hoe slordig de Perzen ook mogen zijn, en hoe weinig zij zich in het algemeen bekommeren om de instandhouding van werken van openbaar nut, voor het behoorlijk onderhoud van hunne waterleidingen ontzien zij geene moeite.

Een blik op de geologische gesteldheid van den bodem overtuigt ons van de noodzakelijkheid dezer reusachtige werken. Perzië is een tafelland, rondom door bergen, waarvan sommigen eene aanzienlijke hoogte bereiken, ingesloten; de hoogvlakte, die zeer ongelijk van hoogte is en in het midden tot driehonderd el boven de zee daalt, wordt bovendien door enkele berg- en heuvelreeksen, meestal in de richting van het zuidoosten naar het noordwesten loopende, doorsneden. De geaardheid van den bodem en talrijke zoutvelden bewijzen dat in een vroeger tijdperk deze gansche terrasvormige vlakte met water was overdekt. Uit die zee verhieven zich de bergketenen en heuvelreeksen, die nu nog het tafelland begrenzen en doorsnijden. De steile hellingen en afgebrokkelde toppen dier bergen zijn geheel van aarde, en dus ook van boomen en plantengroei ontbloot; het regenwater stroomt alzoo ongehinderd naar beneden, dringt door den grond en verzamelt zich in uitgestrekte onderaardsche kommen en valleien, die zich ver en breed onder den bodem uitstrekken. De eerste bewoners van het land zagen zich genoodzaakt, deze onderaardsche wateren te gaan opsporen, ten einde de bebouwing van hun nieuw vaderland mogelijk te maken. Volgens Strabo zouden de eerste waterleidingen zijn aangelegd door de mythische koningin Semiramis. Polybius verhaalt dat Ecbatana gedrenkt werd door onderaardsche galerijen van buitengewone lengte, en van zoo oude dagteekening, dat de Perzen zelven niet den oorsprong dezer waterleidingen onbekend waren. Deze werken waren uitgevoerd op last van de eerste medische koningen; de werklieden, die deze galerijen hadden gegraven, genoten gedurende vijf geslachten de opbrengst van de aldus besproeide landen.

Tegenwoordig zijn deze waterleidingen voor het meerendeel privaat eigendom en worden voor zeer hooge prijzen verpacht; sommigen, in den omtrek van Teheran, vertegenwoordigen eene waarde van twee tot drie millioen en leveren jaarlijks een onzuiver inkomen op van omstreeks vierhonderdduizend francs. Om den aanleg en het onderhoud der waterleidingen gemakkelijker te maken, worden zij door middel van putten of kuilen, op onderlinge afstanden van twintig tot dertig el gegraven, met den bovengrond in gemeenschap gebracht. De uit deze putten afkomstige specie, die aan den rand Bladzijde 44wordt opgestapeld, vormt die reeksen van aardhoopen, die zoo zeer mijne nieuwsgierigheid hadden geprikkeld.

De oostenwind, die nog altijd even fel blaast, jaagt eindelijk de wolken uit elkander: de horizon wordt langzamerhand helder, en de zon schiet bleeke stralen over de wijde vlakte. Eensklaps schemeren minarets door den nevel; straks schitteren de blauw porseleinen tegels der koepels in het zonnelicht; en voor onze verraste blikken onthult zich Tauris, schilderachtig gelegen langs den oever eener rivier. Door de koude voortgedreven, heeft de karavaan meer spoed gemaakt, dan ik had durven verwachten. Reeds kunnen wij duidelijk de brug over de rivier en de eerste huizen der voorstad onderscheiden, toen onze lieden eensklaps stilstaan, een muilezel ontladen, kleine tapijten op den grond uitspreiden, en na zich met het gelaat naar Mekka gewend te hebben, rustig hun gebed beginnen op te zeggen. Deze aanval van godsdienstigheid is mij te onverklaarbaarder, omdat onze vrome muzelmannen tot dusver hunne godsdienstplichten zeer slecht hadden waargenomen. Weldra werd het mij duidelijk waarom de karavaan had moeten ophouden. Bij den opgang der brug stond een derwisj, die, door enkele toehoorders omringd, de heldendaden van Roestem verhaalde. De man maakte een alleszins gunstigen indruk; hij is rijzig van gestalte, zijne gebaren zijn vol majesteit en zijne pantomine is zoo sprekend en duidelijk, dat ook zij, die zijn turksch dialekt niet verstaan, toch zonder moeite den loop van zijn verhaal kunnen volgen. Zulk een voordracht, waarop de stedelingen weinig acht slaan, heeft eene onweerstaanbare aantrekkelijkheid voor de buitenlui; geen hunner, die niet blijft stilstaan, om door deze rondzwervende barden de groote daden te hooren verhalen der helden in hun strijd tegen de booze geesten en de toovenaars. Eindelijk staan de tsjarvadars weer op, en noodigen ons uit, dadelijk weer te paard te stijgen.

Een steenen brug brengt ons aan de overzijde der rivier, waar eene lange laan begint, door moestuinen en boomgaarden omzoomd. De deuren, die toegang geven tot deze tuinen, verdienen wel eene bijzondere vermelding: zij bestaan uit groote rechtopstaande zerken, die op twee harren draaien, in den dorpel en in de bovenpost bevestigd. De sluiting is niet minder merkwaardig: men bereikt het slot door middel van een gat in den steen; een lange houten sleutel dient om de klink op te lichten. Deze zeer primitieve en toch zeer soliede sluiting zou volkomen zijn, als er niet zulk een echt oostersch geduld toe noodig was om het slot te openen. De eigenaar van den tuin moet minstens een kwartier lang zijn sleutel in alle richtingen draaien, eer hij het slot kan openen; het gebeurt zelfs wel, dat hij in het eind zijn geduld verliest, en in vredesnaam maar over den muur klimt.

Talrijke karavanen ontmoeten elkander aan den ingang van Tauris; de voorsteden wemelen van bedelaars, uitgemergelde, afzichtelijke figuren, bij hoopen nevens den weg neergehurkt. Arme, halfnaakte kinderen roepen luid om eene aalmoes en grijpen zelfs met wanhopend gebaar de teugels onzer paarden, om ons eene gave als af te dwingen. Wij geven wat wij kunnen, en rijden dan zoo snel mogelijk voort, om van dit jammerlijk schouwspel bevrijd te geraken. Na een rit van omstreeks een uur door een doolhof van smalle en bochtige straten, komen wij eindelijk aan de armenische of christelijke wijk, in wier midden het fransche consulaat ligt, bewaakt door een troep havelooze soldaten. Daar vinden wij weder tafels, stoelen, bedden, waschkuipen: gedurende eenige dagen zullen wij weder naar europeeschen trant kunnen leven.

14 April.—Na Teheran is Tauris de volkrijkste stad van Perzië; in uitgestrektheid doet zij slechts voor Ispahan onder. Volgens Hamdoella Kaswini, werd de stad in 791 gesticht door de sultane Zobeïde, echtgenoot van den khalief Haroen al-Rashid, ter eere van een geneesheer, die haar van eene gevaarlijke ziekte genezen had. In de tiende eeuw werd Tauris door Soliman belegerd; de stad behaagde den overwinnaar zoo zeer, dat hij ten haren behoeve van zijn soldaten het recht afkocht van driedaagsche plundering, dat op alle met storm genomen steden werd toegepast.

Sedert dien tijd behoorde de hoofdstad van Azerbeïdsjan achtervolgens aan de Abassiden, aan de Seldsjukken, aan de Turken, aan de Perzen, aan de Russen. Bij den vrede van 1828 werd zij door Rusland aan Perzië terug gegeven, dat haar sedert behouden heeft. De stad heeft bij herhaling te lijden gehad van aardbevingen, die in den omtrek van het Araratgebergte gansch niet zeldzaam zijn. In 1726 verloor zij zeventigduizend inwoners, en in 1780 omstreeks veertigduizend. In 1831 werd zij geteisterd door de cholera; en in den laatsten tijd had zij te lijden door de invallen der Kurden, wier verwoestingen een nijpenden hongersnood ten gevolge hadden.

Alvorens de stad te bezoeken, moeten wij onze opwachting maken bij den gouverneur der provincie, wiens taak het in de eerste plaats is, de vreemdelingen te beschermen.

Het bestuur over de provincie Azerbeïdsjan, waarvan Tauris of Tebriz de hoofdstad is, komt van rechtswege toe aan den perzischen kroonprins. De erfgenaam van den troon in Perzië is echter niet altijd de oudste zoon van den Shâh, want het recht van erfopvolging komt uitsluitend toe aan de zonen, geboren uit prinsessen, behoorende tot het geslacht van Kadjar. De oudste zoon van Nasr ed-Din is gesproten uit eene moeder van lage geboorte; wordt aan den regel vastgehouden, dan kan hij, ondanks zijne verstandelijke ontwikkeling en zijne administratieve bekwaamheid, geen aanspraak maken op den troon, niettegenstaande hij zijn jongeren broeder in geestesgaven ver overtreft en zich jegens den staat zeer verdienstelijk heeft gemaakt.

De moesjteïd en zijne vicarissen.
De moesjteïd en zijne vicarissen.

De moesjteïd en zijne vicarissen.

De valyat, de erfgenaam van den troon, is de tweede zoon des konings. Zijn onderwijzer, Mirza Nizam, een gewezen kweekeling van de Polytechnische-school te Parijs, regelde de opvoeding van den jongen prins met verstand en overleg. Hij verloor echter daarbij de nationale eigenaardigheden te veel uit het oog: de mohammedaansche geestelijkheid Bladzijde 46van Tauris beklaagde zich bij den Shâh, dat de prins, in strijd met de geboden van den Korân, europeesche kleederen droeg. De gouverneur werd ontslagen en de opvoeding van den jongen prins aan andere handen toevertrouwd. De goedhartige, maar zwakke valyat kwam nu geheel onder den invloed van de mollahs en van zijne moeder, eene dweepzieke mohammedaansche. Deze paleisrevolutie heeft hare gevolgen gehad: de prins verloor alle gezag en werd zelfs door zijne bedienden op de meest schaamtelooze wijze bedrogen en bestolen. Eindelijk heeft de Shâh, onderricht van den verwarden toestand, zijn zoon naar Teheran terug geroepen, waar hij zeer afgezonderd leeft, omringd door priesters en derwîsjen. Ten einde de provincie Azerbeïdsjan te zuiveren van de roovers en bandieten, wier aantal onder het zwakke, weifelende bestuur van den valyat buitengewoon was toegenomen, heeft de koning het bestuur over dit gewest voorloopig opgedragen aan zijn oom, die ook de orde in de administratie moet herstellen. De nieuwe gouverneur, die eerst voor ongeveer drie weken is aangekomen, heeft reeds menige bastonnade laten toedienen; verscheidene handen, en ook hoofden laten af houwen; onze tsjarvadars verzekerden ons dan ook, dat het weder veilig begon te worden in het land, dat nog onlangs zoo hoogst onveilig en gevaarlijk te bereizen was, en ook in de stad zelve, waar elken nacht ettelijke moorden werden gepleegd.

Onze consul, de heer Bernay, volkomen vertrouwd met de regelen der perzische étiquette, heeft Zijne Excellentie kennis gegeven van onze aankomst te Tauris, en overeenkomstig het perzisch gebruik, laten vragen, op welken dag en welk uur hij met mijn echtgenoot aan het paleis zou mogen verschijnen. De gewoonte brengt mede, dat aan de bezoekers een collation wordt aangeboden, overeenkomstig hun rang: van daar dat het noodig is, eenigen tijd vooruit dag en uur der receptie te bepalen. Ook de Europeanen houden zich aan dezen regel.

Na het advies te hebben ingewonnen van zijn waarzegger en den officieelen kalender der goede en kwade dagen te hebben geraadpleegd, zond de gouverneur een zeer beleefd antwoord op het verzoek van den consul.

Na het ontbijt stegen alzoo de consul en mijn echtgenoot te paard, om zich naar het paleis te begeven, voorafgegaan door een talrijken drom van soldaten met geweren en bedienden met stokken gewapend, die voor den stoet een weg moesten banen door de nauwe en drukke straten van den bazar.—De gouverneur was zeer vriendelijk; op het collation, hoofdzakelijk uit zeer gesuikerde gebakjes bestaande, volgde koffie en thee, die door een aantal bedienden werden gepresenteerd; daarop gingen de brandende kalyans van hand tot hand, te beginnen bij den gouverneur en zijne omgeving, om te eindigen bij de schare, die voor de deuren en vensters van de zaal stond saamgedrongen om getuige te zijn van de receptie.

Bij de voorname staatsambtenaren is de biroen of het vertrek voor de mannen geheel gescheiden van de anderoen, die bepaaldelijk voor de vrouwen is bestemd; het eerstgenoemde gedeelte der woning is in zekeren zin publiek domein en staat voor iedereen open. De armste schooier treedt zonder schroom of aarzeling het paleis van den gouverneur eener provincie binnen; hij verschijnt in het voorhuis, groet de aanwezigen, gaat op zijn hurken zitten na zijne knieën met de panden van zijn kleed bedekt te hebben, vouwt de handen samen, zwijgt of praat al naar de gelegenheid zich voordoet, gebruikt thee of koffie wanneer die hem wordt aangeboden, en gaat weer heen, zonder dat iemand er aan denkt, hem te ondervragen. Het publiek stroomt dan ook regelmatig naar de binnenplaatsen der paleizen, overtuigd dat het daar steeds iets vinden zal, zijner aandacht en belangstelling waardig. Nu eens zijn het de laatste geurige rookwolken uit een kalyan, die ook de meest havelooze straatjongen vrijelijk mag inademen; dan weder wordt er een kop koffie buit gemaakt, of kan men de bastonnade zien toedienen, zoowel aan den onhandigen dief, die gisteren in den bazar op heeter daad werd betrapt, als aan den generaal, dien men een paar dagen later de parade zal zien kommandeeren. Dan zijn er nog bijzondere plechtigheden: het uitdeelen der geschenken van den Noe-roez (nieuwjaarsdag); de receptie van een aanzienlijken Farangui (Frank, Europeaan); het afsnijden van den neus en de ooren van een of anderen bandiet, die met de wapens in de hand werd gegrepen. Het bijwonen van eene terechtstelling is een feest voor den Oosterling;—trouwens in het Westen toont het publiek zich van een dergelijk schouwspel evenmin afkeerig.

Ieder aanzienlijke is hier steeds omringd door een talrijken drom van lieden, die misschien het best met de cliënten der romeinsche patriciërs kunnen vergeleken worden. Dit maakt dat ook de hoogst geplaatsten zeer gemakkelijk te naderen zijn: zonder eenige formaliteit wordt men bij de gouverneurs en ministers toegelaten. Zelfs de koning is volstrekt niet ongenaakbaar: bijna iedereen kan bij hem recht of bescherming komen vragen, hem zijne hulde aanbieden, en uit zijn mond woorden der wijsheid opvangen. Deze gemakkelijke omgang met beschaafde en welopgevoede, of door 's konings gunst tot hoogen rang verheven mannen draagt er niet weinig toe bij, om zelfs aan lieden uit de geringe klasse die gemakkelijkheid van manieren, dien beschaafden toon, die natuurlijke waardigheid en distinctie te geven, die niet kan nalaten de verwondering van Westerlingen op te wekken, en waardoor de lagere standen in het Oosten zich zoo gunstig onderscheiden van de heffe des volks in onze zoogenoemd meer beschaafde landen. Dank zij deze deels aangeboren, deels aangeleerde distinctie, zijn de Perzen in den omgang alleraangenaamst en zoo voorkomend mogelijk.... totdat ge iets met hen te verhandelen hebt, waarbij hun eigenbelang betrokken is. Dan vertoont zich eensklaps hun bedriegelijke sluwe aard, hunne gierige winzucht; dan verandert de gentleman van zoo even in een inhaligen, listigen, schacherenden koopman, en voelt ge uwe achting en genegenheid voor hen nog sneller bekoelen, dan zij die door hun beminnelijkheid en geestig vernuft hadden verworven. Bladzijde 47

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings