XXXIV
Reading edition
8 December—Drie dagen lang heeft de koorts ons, indien al niet aan onze legerstede, dan toch aan ons huis geketend, en het voortzetten der reis belet. Zoodra wij evenwel weer een voet konden verzetten, zijn wij zoo spoedig mogelijk Bladzijde 92Bassorah met zijne ongezonde lucht en vochtig heete temperatuur ontvlucht. Twee stoombooten varen in geregelden dienst tusschen die stad en Bagdad. De eene stoombootdienst is van eene engelsche maatschappij en vaart geregeld iedere week. De vrij eenvoudig ingerichte booten worden zoo zindelijk gehouden als met de gewoonten der reizigers, die steeds op het dek hunne spijzen gereed maken, bestaanbaar is. De andere dienst is door het turksche bestuur georganiseerd; deze booten varen tweemaal in de maand. Wij hebben plaats genomen op de Mossoel, eene turksche boot, die heden morgen, eene maand te laat, afvoer.
Het gaat hier alles op zijn turksch! Do gezagvoerder en de bemanning, die zeer ongeregeld betaald worden, moeten wel, om te leven, hunne toevlucht nemen tot maatregelen, die juist niet aangenaam zijn voor de reizigers. Het dek van de eerste klasse is opgepropt met kooien en manden vol kippen, die de matrozen te Bassorah hebben gekocht en die zij te Bagdad weder verkoopen, met twee of drie stuivers winst per stuk. De officieren, wier eerzucht verder reikt, kunnen dit den matrozen moeilijk verbieden, want zij zelven nemen met hunne koffers en pakken het geheele ruim in beslag.
Onze reisgenooten zijn, vooreerst, een Engelschman, die pas uit Indië is teruggekeerd, en die op de Mossoel plaats heeft genomen, omdat de turksche booten de reputatie hebben, veel meer aan den grond te raken dan de engelsche: hij hoopt dan gelegenheid te kunnen vinden om aan zijn hartstocht voor de jacht te kunnen bot vieren. Onze tweede reisgenoot is een Corsicaan, kapitein Dominici, die zelf langen tijd het bevel heeft gevoerd op de Mossoel en nu, nadat hij uit zijne betrekking is ontslagen, te Bagdad woont. Men behoeft niet lang met hem in gezelschap te zijn, om deelgenoot te worden van zijne grieven. Ongeveer een jaar geleden, kwam de turksche regeering op de gedachte, dat zij haar leveranciers eigenlijk evenmin behoefde te betalen als haar ambtenaren. Een der eersten, verbitterd over een eindeloos uitstel, verloor zijn geduld, en verklaarde dat hij geen zak kolen meer zou leveren, zoolang zijne rekening niet betaald was. De Mossoel wachtte op brandstof, toen de kapitein bevel ontving, onmiddellijk te vertrekken.
“De bakken zijn bijna ledig; ik kan niet vertrekken zonder kolen, zeide hij tot den pâsja, met het opzicht over de stoombootdienst belast.
—Dan hebben wij uw diensten niet meer van noode! Varen, en dan nog kolen verbranden op den koop toe!
—Het woord “onmogelijk” bestaat in onze fransche taal niet,” antwoordde de kapitein, zijne hand in zijn vest stekende.
De trossen worden losgegooid en de Mossoel vaart statig op den Tigris. Na verloop van twee dagen was er geen stukje steenkool meer te vinden, maar onze Corsicaan wist raad. De lading van de boot bestond uit sesam, een peulgewas, uit welks zaad eene uitmuntende olie wordt bereid.
“Voor den dag met het sesam! gooi het in het vuur!” beveelt de kapitein. De machine snuift en stampt, en na verloop van acht dagen komt de Mossoel zegepralend te Bagdad, na eene lading ter waarde van ruim dertigduizend francs in rook te hebben doen opgaan. De kapitein boette met het verlies van zijne betrekking voor de stoutmoedigheid, waarmede hij het woord zijns grooten Keizers in toepassing had gebracht; terwijl de opzichter van de dienst nog een aardig voordeeltje trok uit dit zonderlinge avontuur. De pâsja, nu overtuigd dat het zaak was de rekening van de steenkolen te betalen, stelde het gouvernement voor, om, bij gebrek aan geld, den leverancier tevreden te stellen met achthonderd kameelen, aan een oproerigen stam ontroofd. De leverancier had daar niets tegen; en recht in zijn schik dat hij nu in natura ongeveer de dubbele waarde ontving van hetgeen hij te vorderen had, deed hij op zijn beurt twee- à driehonderd van de meest versleten dieren aan den pâsja cadeau.
Eenige uren na ons vertrek van Bassorah, voeren wij langs Qoernah, op eene smalle landtong gelegen, aan welker benedeneinde de Euphraat en de Tigris samenvloeien, om vereenigd den Shatt el-Arab te vormen. Het landschap is zeer onbeteekenend: lage, half overstroomde oevers; moerassige weilanden, waarin magere koeien loopen te grazen, die tot den ruggegraat met slijk zijn bespat; voorts enkele boomen—ziedaar alles.
9 December—De vaart op den Tigris is in de hoogste mate eentonig; de wederzijdsche oevers zijn zoo hoog, dat het is alsof men tusschen twee dijken vaart, die alle uitzicht onderscheppen. Dezen morgen voeren wij langs de uitmonding van eene fraaie rivier, en hielden eenige oogenblikken later stil te Amarah. Deze stad is van zeer jonge dagteekening en dankt hare welvaart aan de karavanen uit Kermansha en Shoester, die granen en indigo aanvoeren, welke vervolgens naar Bagdad worden gebracht.

Het kanaal el-Asher te Bassorah.
10 December.—Babel is niet meer dan een vormelooze puinhoop; en Ezra, die als balling in de beroemde wereldstad vertoefde en het voorrecht mocht smaken, zijne landgenooten naar Jeruzalem terug te voeren, slaapt, volgens de overlevering, nog altijd aan de boorden van den Tigris. Daar eenige Joden aan boord van de Mossoel moesten worden opgenomen, heb ik van de weinige oogenblikken van oponthoud gebruik gemaakt, om haastig eene photografie te nemen van het graf van den profeet. Het tegenwoordige gebouw, dat, te oordeelen naar den koepel van aardewerk, uit den tijd van Shâh Abbas schijnt te dagteekenen, is zeker de plaatsvervanger van een zeer veel ouder monument: immers, volgens de overlevering, is deze plek reeds sedert overoude tijden eene heilige bedevaartsplaats. Nog in onze dagen, komen de Joden, op de hooge feesten, in grooten getale een bezoek brengen aan de laatste rustplaats van Ezra. Als de stoombootmaatschappijen, die op den Tigris dienst doen, de opbrengst moesten missen, voortspruitende uit het vervoer van christelijke, joodsche en mohammedaansche pelgrims, Bladzijde 94die de graven der profeten of der imams willen bezoeken, dan zouden zij ongetwijfeld bankroet gaan.
Onze engelsche reisgenoot had zich al herhaaldelijk beklaagd, dat hij reeds drie dagen aan boord was en nog niet op pelikanen of wilde eenden had kunnen schieten. “Het doel mijner reis is geheel gemist, riep hij mistroostig uit.
—Ga te Koet-el-Amarah, waar wij stilhouden, aan land, antwoordde de kapitein. Gij kunt dan op uw gemak de geheele streek afjagen, en na een oponthoud van drie dagen, gaat gij weer aan boord van de engelsche stoomboot Khalifa, die ook te Amarah ophoudt. De vlakte is rijk aan wild; en gij zult ongetwijfeld een overvloedigen buit maken, eer ge den tocht naar Bagdad hervat.”
Onze vriend heeft zich gehaast, overeenkomstig den raad van den kapitein te handelen; sedert zijn vertrek hebben wij tot driemaal aan den grond gezeten. Deze incidenten hebben gelukkig geene ernstige gevolgen gehad; nauwelijks hadden de zeer talrijke reizigers die het dek en de salons vulden, voor het meerendeel de boot verlaten, of deze begon zich los te werken uit de modder en kliefde weldra weder de breede wateren van den Tigris.
Ik heb van het oponthoud gebruik gemaakt om een bezoek te brengen aan een kleinen arabischen stam, die niet ver van de rivier is gekampeerd, onder tenten van geitenhaar. De mannen, die er vrij woest uitzien, zijn gekleed met een donkerbruin of blauw wollen hemd; de doek om hun hoofd is met een koord van kemelshaar omsnoerd; hun gang is zeer fier; meestal hebben zij eene lange lans in de hand. De bruinkleurige vrouwen, forsch en gespierd en even als de mannen gekleed, zijn bijna allen kenbaar aan de zilveren of koperen ringen, die zij in den neus en om de polsen dragen.—Naar men mij zegt, behooren deze lieden tot den stam der Beni-Laams, die zich vooral op de paardenfokkerij toeleggen. Zuidwaarts van Amarah vindt men de Beni Aboe-Mohammed, die bepaaldelijk in buffels handel drijven; in de vlakte nabij Bagdad wonen de Shamars, de machtigste nomaden van Babylonië en de onverzoenlijke vijanden der Turken. Metterdaad leven de Beni-Laams, de Beni Aboe-Mohammed en de Shamars eenvoudig van roof en diefstal, en hebben zij elkander onder dat opzicht niets te verwijten.
Voor- en tegenspoed wisselen elkander in dit ondermaansche af: de stuurman is tot de ontdekking gekomen dat de boot niet meer naar het roer luisterde; toen wij het laatst aan den grond raakten, is het roer gebroken. Aan dit ongeval danken wij een oponthoud van eenige uren en eene zeer levendige woordenwisseling tusschen den vroegeren en den tegenwoordigen gezagvoerder van de Mossoel. De brave kapitein Dominici heeft met een vloed van woorden zijn tegenstander vernietigd, en breedvoerig uitgeweid over zijne talrijke schipbreuken en de schokkende avonturen van zijn zeemansleven; hij heeft aangetoond hoe hij steeds een middel wist te vinden om, ook zonder roer, toch een schip te besturen, en dat niet maar op zulk eene ellendige rivier als de Tigris, maar midden door de klippen en stormen der zeeën van Patagonië! Gelukkig behoefden wij met de toovermiddelen van den dapperen Corsicaan geene proef te nemen; tegen den avond kon de Mossoel haar reis hervatten.
Niet zonder wrevel en ergernis heeft de kapitein bemerkt, dat een zijner passagiers liever op de eendenjacht ging, dan stil aan boord te blijven; om ons voor onze trouw aan zijn vaartuig te beloonen, heeft hij gisteravond ons medegedeeld, dat hij ons bij den boog van Ktesiphon aan land zou zetten. De booten hebben vier uur noodig om het schiereiland om te varen, waarop eenmaal de hoofdstad van Khosroës verrees, terwijl men te land dien tocht in twintig minuten kan doen. Wij zullen dus den tijd hebben om een blik te werpen op de ruïnen van het paleis, eer wij weder aan boord moeten gaan. Bovendien zal de kapitein ons door seinen waarschuwen.
Overeenkomstig de belofte van den gezagvoerder bracht de sloep ons tegen den middag naar den wal, tegenover een kolossaal gebouw, dat reeds in den loop van den morgen mijne aandacht getrokken had.
De dusgenoemde boog van Ktesiphon, geheel uit zware baksteenen opgetrokken, is eigenlijk eene een-en-negentig meter lange en vijf-en-dertig meter hooge façade, in het midden waarvan zich eene gewelfde zaal opent, die eene breedte heeft van vijf-en-twintig el. Deze talar beslaat de geheele tegenwoordige hoogte van het gebouw: het paleis ontleent daaraan den naam van Tag-Kesra, waaronder het nog bij de omwonende bevolking bekend is. Rechts en links van deze groote zaal of hal bevonden zich zijgalerijen, ongetwijfeld bestemd voor de lijfwacht, de hovelingen en de koninklijke schrijvers. Dergelijke vertrekken waren toch niet geschikt om tot vrouwenverblijf te dienen; bovendien, de koningen uit de dynastie der Sassaniden verborgen hunne vrouwen met evenveel naijverige zorg, als in onze dagen de strengste volgelingen van Mohammed doen.
In gewijzigden vorm vinden wij dus te Ktesiphon het koninklijk paleis terug, dat wij te Persepolis leerden kennen; wij vinden hier dezelfde onderscheiding tusschen de officieele residentie van den monarch en de vertrekken voor het huiselijk en familieleven bestemd; en het is van te meer belang deze bijzonderheid te constateeren, omdat in de kasteelen van Sarvistan en Firoez-Abâd de biroen en de anderoen niet aldus gescheiden, maar binnen dezelfde muren begrepen zijn.—De zijvertrekken van het paleis van Ktesiphon zijn allen verdwenen; ter nauwernood kan men uit de weinige brokstukken der scheidingsmuren en de fondamenten hunne grootte opmaken. De vertrekken van den harem en die van het personeel der hofhouding, welke zeer waarschijnlijk van ongebakken steenen waren gebouwd, zijn natuurlijk verdwenen, of liever zij bestaan nog slechts in de gedaante van lage tumuli, waarin men tot dusver niets gevonden heeft, behalve enkele parthische muntstukken Bladzijde 95en scherven van aardewerk. De munten der Sassaniden zijn te Tag Kesra veel minder zeldzaam dan die der Parthen.
Behalve twee poorten en den kolossalen middenboog, heeft de voorgevel geene enkele opening; maar daarentegen is hij versierd met vier rijen van rondbogen boven elkander, die door een soort van pilasters worden gedragen. Deze zuilen of pilasters, die men op het eerste gezicht louter voor ornament zou aanzien, moeten mede dienen om den reusachtigen muur stevigheid te verleenen, zoodat hij zonder verderen steun aan de vernielende werking van den tijd en aan de schokken van aardbevingen weerstand kan bieden. Volgens het zeggen der kroniekschrijvers zouden deze zuilen met zilver bekleed zijn geweest. Dit is niet zeer waarschijnlijk; maar eene bekleeding met verzilverde koperen platen, als bij de koepels van Koem en Shâh Abdoel-Azim, acht ik zeer wel mogelijk. In ieder geval moeten zij overpleisterd of op eenige andere wijze bekleed zijn geweest, want de steenen waaruit zij bestaan zijn zeer slordig bewerkt, en steken daardoor zeer af bij de schoone en zorgvuldige bewerking van de vlakke gedeelten der muren.
Treedt men de groote zaal binnen, dan wordt men onwillekeurig getroffen door de majesteit van deze kolossale hal en de stoutheid van het gewelf. Een gedeelte van dit gewelf is, volgens de sage, ingestort op den dag der geboorte van Mohammed; het andere is nog zeer goed bewaard gebleven en op regelmatige afstanden voorzien van aarden buizen, volgens de Arabieren bestemd om de lampen te vullen, die aan de zoldering waren opgehangen. Door de deur achter in de hal, kon de koning uit zijne bijzondere vertrekken zich rechtsstreeks naar zijn troonzetel begeven. Dan werd het zware voorhangsel voor den grooten boog ten deele opgelicht, zoodat de stralen der morgenzon in de zaal konden doordringen: dat was voor de hovelingen het teeken, dat de monarch bereid was, de hulde zijner onderdanen te ontvangen en hunne beden aan te hooren. Daar zat hij dan, op zijn elpenbeenen troon, omstuwd door zijne lijfwachten en dienaren; de vloer van de indrukwekkende zaal was met fijne matten belegd, waarover prachtige, veelkleurige tapijten waren gespreid; langs de vermoedelijk met stuc bekleede wanden waren, bij wijze van draperieën, kostbare weefsels opgehangen; en dit alles, ten deele in half donker gehuld, slechts beschenen door de van buiten invallende zonnestralen, moet inderdaad een tooverachtigen aanblik hebben opgeleverd.
De tijd en de menschen hebben zich aangegord ter vernietiging van dezen kolossus; maar de massa van het monument was zoo stevig, dat noch de Romeinen, noch de Arabieren, noch de Turken het ontzaggelijk geraamte hebben kunnen sloopen, en zich hebben moeten vergenoegen, met stuksgewijze de ondergeschikte deelen, als het ware de ledematen van het reusachtig gebouw, te vernielen. De omwalling is verdwenen; de voorhof voor de groote zaal, de zalen en vertrekken ter wederzijde ondergingen hetzelfde lot; maar wat nog over is gebleven getuigt nog steeds van de macht en den rijkdom der koningen, die te Ktesiphon hun zetel hadden.
11 December.—Het beklimmen van torens en minarets heeft voor mij niets aanlokkelijks. Buiten adem en badende in zweet, komt ge eindelijk, na tegen een smalle, donkere, min of meer bouwvallige trap van vier- of vijfhonderd treden te hebben opgeklauterd, op een plat of galerij, waar een koude wind u om de ooren blaast en eene verkoudheid op den hals jaagt. Blazend, hijgend, rillend, laat ge uw blik dwalen over eene verzameling van daken en schoorsteenen, over grijsachtige velden en donkergroene massaas; in stille bewondering staart ge naar een wemelenden nevel aan den horizon, die nu eens de zee en dan weder een bergketen moet voorstellen; na dit verwarde, onharmonische tooneel een poosje te hebben aangegaapt, daalt ge weer, met groote stappen, de altijd draaiende trap af, die u bijna duizelig en zeeziek maakt, zoodat ge u moet vasthouden aan een vies, vettig, glimmend touw, en recht dankbaar zijt, als ge eindelijk weer onder uwe voeten den vasten grond gevoelt, waarop de natuur gewild heeft dat wij ons bewegen zouden. Het is dus voor mij een vaste regel, geen torens te beklimmen.
Dezen stelregel, waarnaar ik in alle landen en onder alle hemelsbreedten gehandeld heb, herinner ik mij te laat, zooals het meer het geval is, nu ik met handen en voeten, met ellebogen en knieën, omhoog klauter tegen den muur van het paleis van Ktesiphon. Ik kan niet meer en houd even op. Ik ben op omstreeks twintig ellen boven den grond, en hang bijna aan eene uitstekende kroonlijst, die eene geschikte zitplaats aanbiedt voor de vleermuizen en uilen, de gewone gasten van deze ruïnen. Hoe zou ik mij haasten, naar beneden te komen, indien niet de blikken van onze matrozen en van de in den omtrek zwervende nomaden, met spottende nieuwsgierigheid, op mij gevestigd waren!... Oef! De eer is gered: ik sta boven op den rug van het gewelf. Ik heb waarlijk duur genoeg het recht betaald, om het historische landschap te mogen bewonderen, dat zich voor mijne voeten uitbreidt en dat heugenis draagt van wie weet hoe vele eeuwen.
Ik sta thans zoo hoog boven de vlakte van den Tigris, dat ik, met behulp van een kijker, niet enkel de plek kan overzien waar eenmaal Ktesiphon stond, en waar nu de bruine tenten der Arabieren verspreid staan rondom het grafteeken van Salomon den Reine, den beroemden barbier van Mohammed; maar ook aan de overzijde van de blauwe wateren der rivier de lage heuveltjes of tumuli kan onderscheiden, de eenige overblijfselen van de stad Seleucia. Bij een blik op de povere ruïnen dezer beide steden, zoo dicht in elkanders nabijheid gelegen, begrijpt men aanstonds, dat zij bestemd waren wederkeerig elkander in bedwang te houden; mocht de eene een vooruitgeschoven post van het Westen worden genoemd, aan de andere was de taak toevertrouwd om de grenzen van Perzië te verdedigen.

De boog van Ktesiphon.
Bladzijde 97
Ktesiphon, door de Parthen, misschien zelfs reeds door de laatste Achemeniden gesticht, vergroot of herbouwd door Ardeshir, den zoon van Babek, vooral onder de Sassaniden machtig en bloeiend, kon op eene betrekkelijk hooge oudheid roemen; toch wist de door Seleukos I, een der opvolgers van Alexander, gestichte en naar hem genoemde nieuwe grieksche stad in weinige jaren haar mededingster naar de kroon te steken en te overvleugelen. Zij werd een der hoofdstapelplaatsen van den oosterschen handel en telde in haar bloeitijd eene bevolking van meer dan zeshonderdduizend zielen. Ook na den val van het syrische rijk en onder de heerschappij der Romeinen behield Seleucia eene groote mate van vrijheid en autonomie; zij was en bleef eene grieksche stad, waar westersche denkbeelden en gewoonten heerschten en de westersche beschaving den boventoon voerde. Ongelukkig had zij van de grieksche traditie ook de zeer kwade gewoonte overgenomen om steeds te politiseeren; en evenals de oude grieksche staten aan deze politieke manie hun ondergang te danken hadden, zoo ook Seleucia, en na Seleucia nog menige andere stad en staat. De heftigste partijschappen verdeelden het volk; en daar politieke partijen steeds en overal in de eerste plaats haar eigen belang, den triomf harer stellingen en theoriën beoogen en het algemeen belang daarvoor doen wijken, zoo schroomden ook de partijhoofden te Seleucia niet, de hulp van vreemden en van vijanden in te roepen. Zoo geraakte de stad onder de macht der parthische koningen, die hun winterresidentie in Ktesiphon hadden; en zoo had zij mede haar deel te dragen van de ellende, die de herhaalde oorlogen tusschen de Parthen en de Romeinen over deze gansche streek brachten. In 116 na Chr. bezette Trajanus de stad en legde haar, nadat de bevolking in roekeloozen overmoed in opstand was gekomen, voor een deel in de asch; nog zwaarder slag trof haar eenige tientallen jaren later, in 165, toen zij door Lucius Verus geheel werd verwoest. Sedert was haar kracht gebroken. Door Septimius Severus, te gelijkertijd met Ktesiphon, veroverd, viel zij later in handen der Sassaniden en zonk allengs in vergetelheid weg. Ktesiphon bleef eene der hoofdsteden van het perzische rijk, tot het in 637 door den Khalief Omar veroverd en verwoest werd.
Met uitzondering van de overblijfselen eener aarden omvalling is van de hoofdstad van Seleukos geen enkel monument, geen enkel spoor overgebleven; de eenmaal zoo vruchtbare bodem, waarop zij zich verhief, wordt tegenwoordig alleen nog maar betreden door zwervende Arabieren, door enkele geitenherders, en in den herfst door inwoners van Bagdad, die nadat de felle zomerhitte geweken is, hunne tenten komen opslaan in de vlakke velden van den Tigris, om in het dichte kreupelhout ter wilde-zwijnenjacht te gaan.

Vrouwen van Bagdad.
De avond valt. Wij moeten de nauwkeurige studie van het paleis tot eene latere gelegenheid uitstellen, en naar den oever terugkeeren, waar de Mossoel weldra verschijnen zal. Wij volgen een door herders of stroopers gebaand pad, dat ons midden door kreupelhout en dicht struikgewas, aan de rivier brengt. Nauwelijks is de korte avondschemering voorbij en door de nachtelijke duisternis vervangen, of de temperatuur daalt met buitengewone snelheid. Op den vrij hoogen oever neergezeten, zie ik vergeefs uit naar de lichten van de stoomboot; hoe scherp ik ook luister, geen enkel geluid verkondigt de nadering van het zoo vurig verwachte schip. Kapitein Dominici, die ons als gids heeft vergezeld, wordt ongeduldig en onrustig: hij loopt heen en weer, en zorgt zeer slecht voor het vuur, dat hij op ons dringend verzoek heeft doen aanleggen. Nadat er een vol uur verloopen was, kon hij zich niet langer bedwingen.
“Ziet gij, zoo zegt hij, die vurig gekleurde rookwolken, Bladzijde 98die uit de vlakte opstijgen? Dat zijn de kampementen der nomaden, wier aantal zeer groot is. Zij kunnen ongemerkt door het kreupelhout naderbij sluipen; en als zij zien, hoe weinig talrijk wij zijn, zullen zij ons aanvallen en naakt uitschudden. Dooft daarom het vuur zoo spoedig mogelijk uit; strooit zand over de asch, die ons zou kunnen verraden, en laat ons langs den oever der rivier vluchten.”
Dat is evenwel gemakkelijker gezegd dan gedaan. Rechts wordt het kreupelhout steeds dichter; links is de steile oever op vele plaatsen ingestort of afgebrokkeld; zoolang de maan ons niet te hulp komt, kunnen wij in den donker niet verder gaan, tenzij wij ons aan het bijna zekere gevaar willen blootstellen, in den Tigris te storten. De angst voor de nomaden, de vrees in eene hinderlaag te zullen vallen, gevoegd bij de kwellingen van honger en koude, maken dat de traag voortkruipende uren ons eene eeuwigheid schijnen. Nog altijd komt de boot niet, en wij gaan beraadslagen over hetgeen ons te doen staat—hetgeen altijd een veeg teeken is. Goddank! daar plast iets in het water! Het is een zeilschip, dat naar Koet el-Amarah bestemd is en langs den oever vaart, waar wij in zoo treurigen toestand vertoeven. De gezagvoerder van het vaartuig is bereid ons op te nemen; en nadat wij een uur gevaren hebben, zien wij in de verte de lichten van de Mossoel. Kort na ons vertrek was de ongelukkige boot weer op eene modderbank vastgeraakt: uren lang heeft men moeten arbeiden om haar weer vlot te krijgen: van daar de vertraging.
Middernacht is reeds voorbij, als ik de kajuit binnentreed, die tegelijk tot salon, tot eetzaal en tot kabinet voor den kommandant en de eerste-klasse passagiers dient; de tafel is gedekt; de lamp werpt een uitlokkend schijnsel op den schotel met pilau; ik heb geen hinder meer van den kouden nachtwind en heb geen onwelkom bezoek van nomaden meer te duchten. Einde goed al goed.