XXXVI
Reading edition
18 December.—Gedurende mijn verblijf in Perzië heb ik voortdurend geprutteld tegen de wijze van regeeren en tegen de gebruiken des lands, al was ik niet blind voor de uitnemende geestesgaven en den kunstzin der Iraniërs. Nu ik de Turken heb leeren kennen, zijn de Perzen zeer hoog in mijne schatting gerezen; sedert den dag, waarop ik den voet op turksch gebied heb gezet, is het mij alsof ik uit het paradijs in de hel ben overgebracht.—En toch, zeide Marcel nog gisteren tot mij, toch hebben de snuggere staatslieden van Europa gemeend—of zich althans gehouden alsof zij het meenden—dat het voldoende was, onze politieke en administratieve inrichtingen naar het Oosten over te planten, om de Oosterlingen inderdaad ook onze beschaving deelachtig te maken. Voorwaar, niet door de europeesche instellingen en gebruiken in meerdere of mindere mate na te apen, zullen de mohammedaansche volken tot nieuw leven ontwaken; maar veeleer door op hun eigen weg, overeenkomstig hunne eigene traditiën, voort te gaan en zich te bewegen op de historische lijn hunner nationale ontwikkeling. Hoever staat het oude, half feodale Perzië nog boven het zoogenoemd naar europeesch model hervormde Turkije! Terwijl het gezag van den Sultan miskend en bespot wordt; terwijl de procureurs-generaal, hunne substituten en hunne zaptiëhs (gendarmen) onmachtig zijn om voor de veiligheid der vreemdelingen te waken, en het leven en de bezittingen der getrouwe rajahs te beschermen,—blijft Perzië, met zijne overoude staatsinrichting, het gezag van den Shâh eerbiedigen, en tevens dat van zijne plaatsvervangers, de satrapen of stadhouders, die machtig genoeg zijn om ook zonder gerechtshoven en zonder gendarmen, orde en rust en veiligheid van lijf en have te verzekeren.”

Lijkenkaravaan op weg naar Kerbela.
Ik moet bekennen, dat de antipathie van mijn echtgenoot tegen het officieele Turkije niet van grond ontbloot is; trouwens, om te kunnen beoordeelen, wat die zoogenaamde wedergeboorte Bladzijde 210van Turkije door den invloed der westersche denkbeelden te beteekenen heeft, moet men nog iets meer hebben gezien dan Constantinopel en de groote steden langs de kust der Middellandschezee, kosmopolitische karavanserais, waar het van Europeanen en Levantijnen wemelt en waar het eigenlijke turksche element meer en meer op den achtergrond gedrongen wordt. De vrees voor de westersche mogendheden; een zeker uiterlijk vernis van beschaving, dat de Oosterling in den omgang met Westerlingen spoedig overneemt; zekere buigzaamheid en plooibaarheid, welke vooral aan de officieele wereld, voor een deel uit zonen van tot den Islam bekeerde Armeniërs, Grieken, of Syriërs bestaande, eigen is: dit een en ander is wel geschikt om ook anders scherpzinnige lieden, maar die met den waren stand van zaken niet goed bekend zijn, te misleiden.
Wie de turksche regeering in al haar glorie wil leeren kennen en bewonderen, die moet zich niet tot Europa en de kustlanden bepalen, waar het oog der westersche dwarskijkers steeds geopend is, die moet dieper in Azië doordringen en zich bij voorbeeld naar Bagdad begeven, naar de tweede stad des rijks, en daar de gedragingen gadeslaan van dat heirleger van schaamtelooze dieven en afzetters, dat zich de turksche ambtenaarswereld noemt. Een paar staaltjes!—Een chaldeeuwsch bankier te Mossoel ging failliet. Onder de slachtoffers van deze ramp bevond zich ook een ambtenaar van de douane, die de kunst had verstaan om, ondanks zijn gering traktement, dat nog zeer ongeregeld werd uitbetaald, een kapitaal over te leggen van ruim zeshonderdduizend francs. Dit cijfer behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij ons herinneren hoe een ondergeschikt ambtenaar, met medeweten en medewerking van zijn chefs, een openbaar gebouw, waarvan de fondamenten nog niet eens waren gelegd, heeft laten bouwen, afbranden, herbouwen en nog eens afbranden, natuurlijk alles ten koste van de keizerlijke schatkist.—De militaire chefs hebben zich den palm niet willen laten ontrukken en er nog iets fraaiers op bedacht. Onlangs is, volgens hunne berichten, in eene hinderlaag een legerkorps vernield, dat geen voet buiten Bagdad had gezet. Deze verdichte nederlaag werd verzonnen om zekere fouten in het comptabel beheer goed te maken, om den onderhandschen verkoop van wapenen en krijgsvoorraad verborgen te kunnen houden, en om onder een of ander voorwendsel een aantal soldaten te kunnen doen verdwijnen, die geheel ten onrechte op de betalingslijsten waren gebracht, maar sinds lang naar huis gezonden.
De gouverneurs, die te Constantinopel met hunne liberale beginselen pronken en zich vrienden toonen van vooruitgang en verdraagzaamheid, de hoog geplaatste geestelijken, die door hunne vroomheid en hunne wetenschap achting afdwingen, huwen de dochters van oproerige sheikhs, verwittigen hunne schoonvaders van de bewegingen der troepen, waarschuwen hen als de groote karavanen zich op reis begeven, deelen hun mede welken weg zij volgen zullen, en zorgen steeds dat de roovers aan de tegen hen uitgezonden troepen ontsnappen en zonder gevaar de reizigers kunnen plunderen. De stam der Khamavend, die uit niet meer dan tweehonderd gezinnen bestaat, heeft op die wijze, sedert vijftig jaar, de macht van den Sultan getrotseerd, dank zij de medeplichtigheid der hooge ambtenaren, die daarvoor natuurlijk worden betaald.—De generaal, die zijne militaire opvoeding in Frankrijk heeft ontvangen en geene gelegenheid laat voorbijgaan om op zijne vaderlandsliefde en toewijding te stoffen, lokt een opstand bij de Sjamars uit, die hem de gelegenheid verschaft om eene expeditie tegen deze Arabieren op touw te zetten, waarbij honderden zijner soldaten doelloos zullen omkomen, maar waarbij hij zelf roem en wat nog beter is veel geld verdienen zal.
Dat zijn de Turken der nieuwere school: zij hebben al de gebreken en ondeugden hunner voorgangers, maar missen dezer oprechtheid; met den nieuwerwetschen rok en pantalon, hebben zij tevens de ondeugden van leugen en geveinsdheid aangenomen. Stel vooral geen vertrouwen in die vroolijke, aangename tafelgenooten, die zonder aarzelen uw fijnen wijn zullen drinken, en spottend met Mohammed en zijn Koran, varkensvleesch zullen eten en al de spijzen genieten, door de onreine handen der Franken toebereid;—ondanks hun liberalisme, waarmede zij weten dat zij de meeste Europeanen vangen kunnen, zouden zij de eersten zijn om de Christenen te vermoorden, als zij slechts zeker waren dat dit ongestraft geschieden kon. Want—en het hedendaagsche sceptische Europa vergeet dit maar al te zeer—wat ook in het gemoed van den Muzelman, en met name van den Turk, moge zijn uitgedoofd, het godsdienstig fanatisme leeft nog in volle kracht, en dat fanatisme openbaart zich in de eerste plaats in den wel onderdrukten, maar daarom des te felleren haat tegen den gevreesden en verfoeiden Christen. De Turk haat ons met een volkomen haat: hij haat ons omdat wij tot die ongeloovigen behooren, wier aanraking hem reeds ontreinigt; hij haat ons omdat wij hem de landen weer afnemen, die zijne krijgshaftige zegevierende voorvaderen op ons veroverd hadden; hij haat ons bovenal, omdat hij, ondanks zijne vooroordeelen en zijne opvoeding, dien verachten Christenhond als zijn meerdere en zijn meester erkennen en ontzien moet.
In hoeverre het ingeworteld fatalisme der Turken mede schuld heeft aan hun staatkundig en maatschappelijk verval, blijve in het midden gelaten; dit is zeker, dat hun geloof aan de absolute voorbeschikking, indien al niet de reden, dan toch het voorwendsel is voor eene onverantwoordelijke traagheid en zorgeloosheid, die hen onfeilbaar ten ondergang voert. Niet ten onrechte zegt het spreekwoord, dat overal waar een Turk den voet heeft gezet, de aarde geen kruid meer voortbrengt. Inderdaad, wat is er onder de turksche heerschappij geworden van de zoo gezegende landstreken langs den Tigris en den Euphraat? Deze landen, weleer de korenschuren van het Oosten, Bladzijde 211om wier vruchtbaarheid te roemen Herodotus schier geen woorden vinden kon, zijn thans niets meer dan onmetelijke moerassen, kweekplaatsen en brandpunten van de pest en van kwaadaardige koortsen, waarvan wij mede de noodlottige werking gevoelen. De landerijen zijn nog altijd vruchtbaar, maar bij gebrek aan behoorlijke irrigatie, kunnen zij niet in kultuur woorden gebracht en blijven zij braak liggen. Het getal der inwoners is in verband daarmede evenzeer verminderd. Bij het doorkruisen van de omstreken van Bagdad, die het grootste gedeelte van het jaar eene kale wildernis zijn, denkt men onwillekeurig terug aan die welbebouwde akkers van het oude Babylonië, waar het koren driehonderdvoudige vrucht voortbracht, waar het blad van de tarwe en van de gerst eene breedte had van vier vingers, en waar de maïs en de gierst zoo welig tierden, dat Herodotus maar liever niet zegt hoe hoog de stengel opschoot, uit vrees dat men hem niet gelooven zou. Is het mijne schuld, dat ik geen voet buiten het consulaat kan zetten, zonder telkens nieuwe bewijzen te vinden van de schromelijke verwaarlozing, waaraan Aziatisch Turkije ten prooi is? Te Bassorah zijnde, ging ik aan boord van een fregat, dat door een gebrek aan de schroef langzamerhand wegzinkt in de modder met al de millioenen welke het schip heeft gekost, zonder dat iemand eene hand uitsteekt om de ramp te voorkomen. Heden nog hebben wij op den rechteroever plaats genomen in een tramwagen, die ons, volgens het programma, in een kwartier of twintig minuten naar Kâzhemîne moest brengen; halverwege kwam men ons verzoeken om uit te stappen, omdat, zooals er met echt oostersch flegma werd bijgevoegd, de wagen zoo aanstonds zou derailleeren. De weg beschrijft namelijk op dat punt eene zeer scherpe bocht; de buitenste rail is nu zoo weggezakt, dat de wagen, als hij zijn rit vervolgde, omgeworpen zou worden. Deze toestand duurt nu reeds achttien maanden. Is het niet ongeloofelijk, dat de turksche administratie anderhalfjaar laat voorbijgaan, zonder den weg te herstellen? De maatschappij heeft bij het gevaarlijke punt eenige hamals (sjouwerlieden) geposteerd; als de wagen is ontspoord, stappen de reizigers uit en de hamals zetten met veel inspanning het rijtuig weer op de rails. Daar de afstand tusschen Kâzhemîne en Bagdad niet meer dan vier kilometers bedraagt en er met het in orde brengen van den wagen ongeveer een kwartier verloren gaat, maken de reizigers geen gebruik van den tramweg en doen als vroeger de reis te voet. Toch zou de herstelling van den weg niet meer dan een paar uren arbeid vorderen.
Ondanks den instinktmatigen afkeer der Turken van alles wat uit het Westen komt, zijn de inwoners van Bagdad toch niet weinig trotsch op hun tramweg, die eene schepping is van Midhat-Pâsja gedurende zijn kortstondig bestuur als stadhouder van Mesopotamië. Nooit koesterde eenig landvoogd zulke grootsche en verstrekkende hervormingsplannen; nooit won een vertegenwoordiger van het hof van Stamboel zich in Aziatisch Turkije zoo groote mate van populariteit. Midhat-Pâsja, met meer dan gewone verstandelijke gaven bedeeld, besefte wel wat eene goede administratie eigenlijk moest zijn, maar het haperde hem ten eenemale aan praktischen zin. Bij den aanleg van den tramweg van Bagdad naar Kâzhemîne, was het hem uitsluitend te doen, om aan de hoofdstad van zijn vilayet een volkomen rechten weg te schenken. De ingenieur, die het ontwerp moest maken, had de grootste moeite om hem aan het verstand te brengen, dat uithoofde van de vele scherpe krommingen van den Tigris, de weg onvermijdelijk de groote bochten van den oever wel moest volgen, wilde men niet telkens in de rivier zelve terecht komen. Hij gaf eindelijk toe; maar alleen de vrees, van eene uitgave te moeten doen, die door de inkomsten van zijne provincie niet kon worden gedekt, was in staat, hem van zijn oorspronkelijk denkbeeld te doen afzien, om in de lengte eene brug over den Tigris te laten bouwen.
De tramweg is dus op den rechteroever aangelegd, in de onmiddellijke nabijheid van een stoffigen weg, waaarop zich een aantal kooplieden en vrouwen bewegen. Tal van reizigers trekken heen en weer tusschen de beide steden, voor het meerendeel gezeten op kleine ezels, die onverschillig voortdraven langs den zoom van korenakkers, zeer onvoldoende beschut door eene reeks van palmen en oranjeboomen. De bebouwde zoom is echter zeer smal, en daarachter strekt zich de wijde onvruchtbare vlakte uit, slechts afgebroken door de ineengezakte en afgebrokkelde dijken van de oude kanalen. Aanstonds na het verlaten van Bagdad, waren mij de schitterende spitsen in het oog gevallen van de vier minarets van het grafteeken van den Imam Moessa; naderbij komende, onderscheidde ik tusschen het gebladerte twee sierlijke, vergulde koepels; maar van het gebouw zelf kon ik nog niets zien, daar liet achter de muren der stad verborgen bleef.
Voor de poort van Kâzhemîne stappen wij af, en gaan, onder geleide van onzen kawas, de stad in. Langs vrij zindelijke straten, althans in vergelijking met die van Bagdad, en door drukke bazars, komen wij op een groot plein, waarvan drie zijden door kraampjes en uitstallingen van groenten en allerlei levensmiddelen zijn ingenomen; aan de vierde zijde loopt een muur, waarin eene poort toegang geeft tot de moskee. Ik begeef mij onmiddellijk daarheen, niet vermoedende dat mij hier zou geweigerd worden, wat in alle moskeeën van Bagdad was vergund. Maar het bleek dat ik mij had vergist. In een oogenblik waren alle groenteboeren opgestaan, en versperden ons den toegang tot het heiligdom. Men beduidde ons, dat geen Christen in de grafmoskee van den Iman Moessa werd toegelaten; de menigte groeide van oogenblik tot oogenblik aan, en de opgewondenheid nam hand over hand toe. Wij kozen de wijste partij en verwijderden ons. Met den tramwagen keerden wij naar Bagdad terug; het was de laatste rit van den dag en de koetsier joeg zijn paarden zoo onbarmhartig voort, Bladzijde 212dat wij in den hotsenden en botsenden wagen letterlijk door elkander werden geworpen. Op de bepaalde plaats derailleerde de wagen en hadden wij een kwartiertje tijd om adem te scheppen.
19 December.—Ik heb een groot gedeelte van den dag besteed met een bezoek aan de begraafplaatsen en de grafteeken en op den linkeroever der rivier, op de plek waar eens het oude Bagdad stond. Eene uitgestorven stad, slechts door lijken bewoond, heeft niets uitlokkends. In Europa misschien niet, maar in Chaldea is dat anders: de groote toovenaar, de zon, schenkt aan alles leven en bekoring. De doodenakkers zijn hier nog minder somber en droevig dan zelfs te Stamboel of te Skutari; geene enkele afsluiting of omheining maakt scheiding tusschen de levenden en de dooden. De grootste van deze begraafplaatsen strekt zich uit rondom eene moskee, gebouwd op het graf van den broeder van Haroen ar-Rashîd. Eene prachtige laan van palmen voert naar het grafmonument. De graven zijn, naar gelang van de kunne der overledenen, overdekt met een zeer ruw bewerkten, min of meer platten of ronden koepel, waaraan niet de minste kunst is besteed.
Terwijl ik uit de verte mijne blikken vestigde op den blauwachtig grijzen toren van Akerkoef en op de vergulde minarets van Kâzhemîne, werd eensklaps mijne aandacht getrokken door sombere klaagtonen: een lijkstoet naderde met haastige schreden. Het lijk wordt op eene baar gedragen en is bedekt met een grooten shawl, waarop, aan het hoofdeneinde, eene soort van kroon is geplaatst. Eene vrouw werd grafwaarts gedragen. De stoet houdt stil bij een versch gedolven grafkuil; ik wil naderbij komen, maar de kawas houdt mij terug. Ik wil geen botsing uitlokken en blijf dus op een afstand, van waar ik toch kon zien wat er geschiedde. De baar werd vlak bij het graf neergezet; de naaste bloedverwanten schaarden zich in dichten kring daaromheen en hielden met opgeheven handen eene soort van gordijn vast, zoodat het lijk, bij het nederlaten in het graf, voor aller oogen verborgen was. Na verloop van weinige oogenblikken, had de aarde voor immer den sluier vervangen, dien de muzelmansche vrouw gedurende haar leven nooit mag afleggen, zoo vaak zij den kring der familie verlaat.
Nadat de schare zich verspreid had, verlieten wij op onze beurt het kerkhof en richtten onze schreden naar een monument, waarvan de koepels ter nauwernood boven den buitenmuur uitsteken. Wij kloppen; in eene met ijzer beslagen deur wordt een luik geopend; een deurwachter steekt de hand door de tralies, en vraagt een kran per persoon als fooi, alvorens de poort te openen. Marcel geeft hem het gevraagde, en wij betreden den voorhof van het graf van Jozua. Lange spreuken in hebreeuwsche letters zijn met lichtgroene kleur geschilderd boven de boog van eene tweede poort, die toegang geeft tot het inwendige van het gebouw. Weer wordt eene fooi gevraagd. Wij aarzelen een oogenblik, maar geven ook nu toe: men moet er iets voor over hebben om het graf te zien van iemand, die de zon heeft doen stilstaan. Wij treden het heiligdom binnen. De aanblik van eene met kalk gewitte zaal en van een blok ruw metselwerk is nooit bijzonder merkwaardig; maar wanneer men daarvoor een half uur heeft moeten onderhandelen en acht francs betalen, mag men met eenig recht beweeren, bestolen te zijn. Ondanks zijne meer dan buitengewone soberheid en kaalheid, staat het heiligdom zeer hoog aangeschreven bij de Joden, die op sommige tijden van het jaar in grooten getale ter bedevaart herwaarts trekken, niet alleen uit Bagdad, maar uit geheel Chaldea en Mesopotamië, waar hun aantal zeer groot is. De joodsche kolonie van Bagdad heeft den handel dier stad bijna geheel in handen en bestuurt alle geldelijke aangelegenheden van het vilayet, waarbij, het behoeft niet gezegd, niemand zich zoo wel bevindt als deze Joden zelven. De huizen van de joodsche wijk zien er minder terugstootend en gevangenisachtig uit dan de mohammedaansche huizen. Enkele vensters in de buitenmuren en getraliede balkons, die boven de straat uitsteken, geven aan de joodsche vrouwen de gelegenheid om, zonder zelven gezien te worden, toch te zien wat er op straat geschiedt. Deze vrouwen leiden een zeer afgezonderd en schijnbaar zeer eenvoudig leven; maar bij plechtige gelegenheden tooien zij zich met een schat van juweelen en edelgesteenten, die op zich zelven eene aanzienlijke fortuin vertegenwoordigen. Meermalen hoorde ik gewagen van de halssnoeren van zes rijen paarlen, waarmede de dochters van een rijken joodschen bankier pronkten, behalve de armbanden, broches, ringen, oorhangers van brillanten en de met edelgesteenten geborduurde mutsjes, waarmede deze Jodinnen, bij plechtige gelegenheden, de oogen verblinden.

Straat te Bagdad.
Om in het grafmonument van Zobeïde, de sultane-favorite van Haroen ar-Rashîd, door te dringen, zou men vleugels moeten hebben, en alzoo de openingen kunnen bereiken boven in de bevallige pyramide, welke het monument kroont: want de deur is toegemetseld. Dit is niet geschied om het graf der gemalin van een der machtigste monarchen van het Oosten voor ontwijding te bewaren, maar uit consideratie voor de dieven. Naar het schijnt, had eene rooverbende zich genesteld in dit monument, dat in de nabijheid staat van de karavanenwegen naar Hillah en naar Kerbela. De turksche regeering, die altijd een zeker zwak heeft voor bandieten en moordenaars, oordeelde het niet geraden, de bewoners van het monument met geweld te verjagen. In de verwarring zou men misschien een of anderen onhandigen roover hebben moeten gevangen nemen, en deze zou zijne makkers hebben kunnen verraden. De eene indiscretie lokt de andere uit, en wie weet, van welke onaangename zaken men op het spoor zou zijn gekomen. Er moest geen schandaal worden gemaakt! Daarom zond men, in plaats van gerechtsdienaars en gendarmen, op zekeren morgen toen men wist dat de roovers op expeditie waren, een troep metselaars, die onverwijld den eenigen toegang tot het Bladzijde 214graf moesten dicht metselen. De verdreven roovers, dankbaar voor de vriendelijke welwillendheid der regeering, braken nu ook den muur niet weer af, maar vestigden elders hun hoofdkwartier. Ik moet er echter bijvoegen, dat men in den muur een vierkant gat heeft gelaten, waardoor de vrome bezoekers het hoofd naar binnen kunnen steken.
De zaal is achthoekig en gedekt met een rijk versierd gewelf. De kale muren zijn met kalk gewit en van alle versiering ontbloot. Zobeïde rust niet alleen in het midden van het gebouw: de echtgenoote van een zeer machtigen arabischen sheikh heeft de gunst gevraagd en verkregen om nabij de sultane te mogen rusten, en is in hare nabijheid ter aarde besteld. De beide graven zijn van ruw metselwerk.
Van de bazars van Bagdad zal ik niet veel zeggen; men vindt daar de gewone voortbrengselen van de oostersche nijverheid: tapijten, zijden stoffen, borduursels, kleederen voor mannen en vrouwen, paardentuigen en dergelijke artikelen; maar ge zoudt hier vergeefs zoeken naar die kostbare wapenen, die geëmailleerde luxe-artikelen en die kostbare stoffen, die men te Kashar, te Ispahan en vooral te Constantinopel zoo vaak aantreft.
De rijkste bazars zijn niet de meest bezochte: voorwerpen van zekere waarde worden doorgaans bij den kooper aan huis bezorgd; maar daarentegen kan men zich moeilijk een denkbeeld maken van de drukte in de straten, waar engelsche katoentjes en russische snuisterijen worden verkocht, en vooral die heerlijke glazen ringen, welke zoo zeer de begeerlijkheid trekken van de arabische vrouwen, die met kippen-eieren of gevogelte ter markt komen.