← Table of contents
Perzië, Chaldea en Susiane

II

Reading edition

4 April.—Twee dagen zijn er gemoeid met het in orde brengen van het rijtuig, dat bij het oversteken der rivier gebroken was. Dank zij de bekwaamheid van russische en perzische smeden, komen wij eindelijk te Djoelfa, een armoedig dorp, aan den oever van den Aras, die hier de grensscheiding vormt tusschen Rusland en Perzië.

De Aras, de Araxes der oude geografen, de voornaamste rivier van het oude Medië, ontspringt op de bergen tusschen Kars en Erzeroem; hij loopt door Armenië en stort zich in de Kaspische-zee uit, na verschillende zijrivieren te hebben opgenomen, waarvan de Koera en de Djavat de voornaamsten zijn. Ik maak eene wandeling langs zijne oevers en op het oude kerkhof van Djoelfa; vervolgens keer ik naar het posthuis terug, waar mij een heerlijke pilau wacht met een kip en gestremde melk. Na den maaltijd vaar ik met een pont over de rivier en begeef mij naar de woning van den ontvanger der douane, voor wien de perzische consul te Tiflis ons een aanbevelingsbrief heeft medegegeven. Een aantal bedienden rooken of slapen voor de deur; een hunner neemt den brief aan, en noodigt ons uit, plaats te nemen op eene aarden bank, die tegen den muur is aangebracht. Na verloop van een kwartier komt hij terug met de boodschap dat de aga zijn middagdutje doet en ons na zijn ontwaken ontvangen zal.

De woning van dezen perzischen ambtenaar staat op een zandig pleintje, waaromheen in het rond eene menigte balen zijn opgestapeld, door de karavanen aangevoerd; de koopwaren blijven daar liggen, tot de verschuldigde rechten voldaan zijn. Achter dien stapel balen en pakken en kisten bespeur ik een klein huisje met een tuintje, waarboven telegraafdraden gespannen zijn. Dat is een station van de engelsche telegraaflijn, die dwars door Duitschland, Rusland en Perzië, het moederland met Hindostan verbindt en haar voortzetting vindt in den onderzeeschen kabel, die te Bender-Böeshehr, aan de Perzische golf begint. De directeur van het engelsche telegraafkantoor van Djoelfa, een Rus, helpt ons naar zijn beste vermogen, nu wij op het punt staan Perzië binnen te trekken. Hij spreekt uitmuntend fransch, en stelt zich met de meest mogelijke voorkomendheid tot onze beschikking, om paarden en bedienden te huren. Hij verwisselt ons russisch geld voor perzische munt; hij stelt aan onze muilezeldrijvers een eersten termijn van de overeengekomen huur ter hand, en waarschuwt ons ten ernstigste, in geen geval toe te geven aan den aandrang dier lieden, om hun onderweg nog eenig geld uit te betalen: de minste toegevendheid op dat punt zou waarschijnlijk ten gevolge hebben dat de tsjarvadars ons in den steek zouden laten voor wij Tauris hadden bereikt. Hij geeft mij ook eenige inlichtingen omtrent de manier van leven, waarin wij ons voortaan zullen hebben te schikken. Ik deed zeer verkeerd, toen ik klaagde over de russische posthuizen en hunne houten rustbanken: ook deze laatste sporen van comfort zal ik voortaan moeten missen. “Gij zult, zeide hij tot mij, geen ander onderkomen vinden dan karavanserais, waar de wind vrijelijk door heen blaast; voor matras den naakten grond; voor hoofdkussen het zadel van uw rijdier; gij zult zelfs de weelde moeten ontberen van op stroo te slapen: er is ook geen stroo meer voor de paarden, die sedert een maand genoodzaakt zijn, zich uitsluitend te voeden met het jonge gras, dat den bodem begint te bedekken.”

Juist toen alle toebereidselen gereed waren en het vertrek voor den volgenden morgen was bepaald, ging de deur open; de perzische ontvanger, door al zijne bedienden gevolgd, treedt met groote deftigheid binnen, legt de hand op zijn hart en biedt ons zijne diensten aan. Ik ben ook beleefd, neem oogenblikkelijk dezelfde houding aan, en vraag hem: “Heeft Uwe Excellentie goed geslapen?”—Hij aarzelt een oogenblik, en kijkt mij vragend aan, om te ontdekken of ik hem voor den gek houd; vervolgens biedt hij, met dezelfde kalme deftigheid, op nieuw zijne diensten aan. Zoodanig was mijne eerste kennismaking met de ambtenaren van Iran. Trouwens, toen ik dat heerschap met den titel van Excellentie aansprak, stelde ik hem veel te hoog. Hij is niets meer dan de ontvanger der douane, en daarbij pacht hij van den gouverneur van Azerbeïdsjan de bediening van het pontveer te Djoelfa.

Op alle trappen der hiërarchie worden alle ambten en bedieningen, in het rijk van den koning der koningen, aan den meestbiedende verkocht. Het veer wordt verpacht voor veertigduizend francs: maar de pachter is vrij om voor het overzetten zooveel te vragen als hij goed vindt, zonder dat iemand zich daarmede bemoeit. De gouverneur van Azerbeïdsjan ontvangt als traktement de opbrengst der douane; van zijn kant laat hij dus zoo hoog mogelijke rechten heffen en allerlei knevelarijen in praktijk brengen. Wie de betrekking van ontvanger te Bladzijde 39Djoelfa van hem verkrijgen wil, moet niet alleen een hooger bod doen dan al zijne mededingers, maar vooral een voldoenden waarborg opleveren, dat hij zich niet door gewetensbezwaren of iets dergelijks in de behoorlijke uitoefening van zijn ambt zal laten belemmeren.

7 April.—Op onze karavanenreis hebben wij de eerste pleisterplaats bereikt. De tocht heeft acht uren geduurd. Het genot van te paard te rijden en verlost te zijn van die afschuwelijke russische diligence, die telkens dreigde om te vallen, heeft mij alle vermoeienis doen vergeten. Toen wij Djoelfa verlaten hadden, hebben onze gidsen ons een grooten omweg laten maken, om in zeker dorp de flinke paarden, door den heer Ovnatamof, den directeur van het telegraafkantoor te Djoelfa, voor ons gehuurd, te verruilen tegen jammerlijke knollen, die bijna niet voort kunnen. De ruil werd zoo handig uitgevoerd, dat wij er in het eerst niets van bemerkten; de goede paarden keerden naar Djoelfa terug.

Vijf uren lang trokken wij door een woesten bergpas, waarop eene vlakte volgde, door hooge heuvelen doorsneden, die geheel van plantengroei zijn ontbloot, maar waarvan toch de kleur nu eens zweemt naar het zachtste groen, om dan, door allerlei schakeeringen heen, over te gaan tot het donkerste rood. Tegen het vallen van den avond beraadslaagden onze gidsen te zamen over de vraag, of wij zouden overnachten in een kurdisch kamp, aan onze rechterhand opgeslagen, dan of wij onze reis zouden vervolgen naar een dorp, aan den voet van den berg. Gedurende deze overleggingen waren de nomaden ons genaderd en staarden ons met weinig vriendelijke blikken aan; er werd dus besloten, dat wij onzen weg zouden vervolgen, hetgeen dan ook geschiedde, midden door het veld, in de richting van het dorp. Van een weg of pad was geen spoor te ontdekken: het is mij nog onbegrijpelijk, hoe wij, bij de volslagen duisternis die rondom heerschte, het dorp hebben kunnen vinden.

De karavanserai bestaat uit eene vrij ruime binnenplaats, door een leemen muur omringd, waartegen in het rond, van dezelfde stof, eene reeks vertrekjes of hokken met platte daken zijn gebouwd. Ieder reiziger krijgt zulk een vertrekje tot zijne beschikking; dadelijk na zijne aankomst, bergt hij daar zijn bagage en zijne mondbehoeften; maar daar de maand Maart in dit bergachtige land vrij koud is, maken de muilezeldrijvers van deze al te luchtige vertrekken geen gebruik, en logeeren liever in den stal, waar eene aangename warmte heerscht. Men wijst ons tot verblijf een klein vochtig vertrek aan, zonder venster, waarvan de deur, bij gebrek van een slot, met een touwtje gesloten wordt. Deze onderscheiding laat mij koud, en ik vraag de gunst om ook in den stal te mogen logeeren, even als de weinige reizigers, die voor ons zijn aangekomen. Er is ruimte genoeg, want de Perzen, die voor niets zoo bang zijn als voor koude en winterweer, gaan niet dan in den uitersten nood in dezen tijd des jaars op reis. Maar de kou is niet de eenige oorzaak van het afnemen van het getal karavanen: in het vorige jaar zijn de invallen der Kurden in bijzondere mate talrijk en noodlottig geweest; die woeste horden hebben de grensdorpen geplunderd, de bewoners vermoord, en de gansche provincie met schrik en ontzetting vervuld. De landlieden, wier leven en have bij uitzondering gespaard bleef, hebben toch hun akker niet kunnen bebouwen; door honger gedreven, hebben zij zelven het rooversbedrijf ter hand genomen, en de karavanen, die te zwak waren om zich te verdedigen, overvallen en uitgeplunderd.

Toen wij den eenzamen woesten bergpas doortrokken, voegden zich vijf of zes wel bereden en uitgeruste Perzen bij ons; in plaats van vooruit te rijden, vormden deze ruiters steeds de achterhoede, ons de eer latende, aan het hoofd der karavaan te rijden. Dezen avond hooren wij hen nu elkander geluk wenschen met het gunstige toeval, dat hun veroorloofd had de reis te doen in gezelschap van dappere Faranguis, die zoo zeldzaam door roovers worden aangevallen, want de bandieten kennen de kracht der europeesche wapenen, en weten ook dat de Westerlingen niet gewoon zijn zich te laten uitplunderen, zonder zich te verdedigen. Na ook voor den verderen tocht onze reisgezellen onze bescherming te hebben aangeboden, beginnen wij onze bagage te ontpakken. Met bewondering zien wij, hoe uitmuntend onze reisgenooten zijn uitgerust, hoe hun niets ontbreekt van hetgeen voor zulk eene karavanenreis noodig is; en wij verzuimen de gelegenheid niet, om ons hieromtrent zoo volledig mogelijk op de hoogte te stellen. Intusschen kunnen wij hetgeen ons ontbreekt eerst te Tauris aanschaffen: tot zoo lang moeten wij ons dus maar behelpen.

Groote zakken, van tapijtstof gemaakt en met lederen riemen gesloten, bevatten perzische bedden, bestaande uit een grooten dik gewatteerden deken van gekleurd katoen. Die deken wordt vierdubbel gevouwen; een der uiteinden wordt bij wijze van hoofdkussen opgerold, en het geheel op den grond uitgespreid; dit zeer praktische bed wordt in geheel Perzië gebruikt. In den winter gebruikt men daarbij nog een soort van laken of sprei; maar des zomers is dit geheel onnoodig, want het is ook hier niet de gewoonte, zijn kleeren uit te trekken als men gaat slapen. In diezelfde zakken wordt ook schoon ondergoed geborgen, benevens tapijten, die op de pleisterplaatsen op den grond worden uitgespreid.

In andere kleinere zakken bergt men allerlei huisraad: ketels en pannen, waschkommen en kannen, een samovar om thee te kunnen zetten, alsmede alle mondbehoeften, zooals rijst, brood, vleesch, groenten, suiker, enz., die men wel gedwongen is mede te nemen op eene reis, waarop men, aan de pleisterplaats gekomen, doorgaans niet veel anders vindt dan stroo voor de paarden en een nachtverblijf voor de ruiters.

Dien eersten avond op perzisch grondgebied doorgebracht, deed ik niet veel meer dan met een stillen naijver de uitrusting van onze reisgenooten opnemen; wij moesten ons behelpen met een dunne plaid voor matras, onze reiszakken voor hoofdkussen en een met bont gevoerden deken. Ook onze Bladzijde 40reiscantine bleek hoogst onvolledig: wij hebben niet genoeg keukengereedschap, en onze nieuwe bedienden, een kok en een hofmeester, beiden in lompen gehuld, beklagen zich dat zij niet de noodige schotels hebben en dus niet, zooals de perzische étiquette dat vordert, de verschillende gerechten tegelijk op tafel kunnen zetten. Ik stel hen zooveel mogelijk gerust, en geef hun de verzekering, dat ik mij te Tauris een geheel volledig eetservies en al het noodige gereedschap zal aanschaffen. Omstreeks tien uren is alles in de karavanserai in rust gedompeld; de lichten worden uitgeblazen, en men ziet niets meer dan de gloeiende vuurhaard, waarlangs zich nu en dan de donkere gestalte beweegt van een man, die half slapende eenige kolen op het vuur werpt.

Een jonge Armeniër.

Een jonge Armeniër.
Een jonge Armeniër.

8 April.—De tsjarvadar bashi (de opperste der muilezeldrijvers) wekt ons met den dageraad, door zijn luid geroep van: “Yah Allah!” De grond is wel hard, en ik ben zeer blij dat het dag is; want mijn geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten, is stijf. Weldra zijn wij allen op de been en tot vertrek gereed; de reiszakken van onze tochtgenooten zijn dicht gemaakt; elke muilezeldrijver neemt de vracht op van zijn paard, die met touwen aan het pakzadel is bevestigd; en wij verlaten de karavanserai, eenige muntstukjes achterlatende voor den huisbewaarder, wiens dankbetuigingen en goede wenschen ons nog uit de verte tegenklinken. Deze luide dankbetuigingen verwonderden mij eenigszins, als niet strookende met de gewoonte der Perzen; maar een onzer tochtgenooten van gisteren deelde mij mede, dat de meeste karavanserais, evenals de moskeeën, stichtingen zijn van particuliere liefdadigheid, en in den regel ook door de nakomelingen van den stichter worden onderhouden. Een door hen aangestelde huisbewaarder ontvangt de karavanen, en opent en sluit, 's morgens en 's avonds, de deuren; de reizigers zijn hem geene vergoeding hoegenaamd schuldig, hoe lang zij ook in de karavanserai verblijven, dan alleen voor zoo ver zij persoonlijke diensten van hem mochten verlangen. Hij geniet alleen eene geringe winst op het stroo, het hout en de melk, die hij aan de muilezeldrijvers verkoopt.

Deze karavanserais, wier aantal vroeger langs de groote gemeenschapswegen zeer belangrijk was, waren voor den handel van het grootste gewicht. Doorgaans goed gebouwd, door hooge muren met torens omringd, waren zij niet licht bij verrassing te nemen, en in behoorlijken staat van tegenweer. De vroegere koningen, wien de welvaart van hun volk en de bloei van hun rijk ter harte ging, stichtten eene menigte karavanserais; Shah Abbas liet er, volgens de kronieken, niet minder dan negenhonderd-negen-en-negentig bouwen, en verzekerde daardoor eene spoedige en gemakkelijke gemeenschap tusschen de verschillende deelen van zijn uitgestrekt rijk. De meeste van deze koninklijke karavanserais zijn tegenwoordig niet meer dan ruïnen, die de reizigers geene schuilplaats meer aanbieden, maar daarentegen de vereenigingspunten zijn geworden van roovers en bandieten, die zich daarin nestelen. Aan den ondergang dezer zoo nuttige gebouwen heeft echter niet alleen de tijd schuld: de opvolgers van Shâh Abbas, die niet zijn onbekrompen geest en helder inzicht hadden geërfd, verpachtten de karavanserais aan de meest biedenden, waardoor de pachters gedwongen werden de karavanen zooveel mogelijk geld af te persen. De gevolgen van deze averechtsche politiek bleven niet uit: de handel verminderde van dag tot dag, de koninklijke herbergen stonden ledig en werden eindelijk verlaten voor de particuliere karavanserais, waar de reizigers een goed en zeer goedkoop onderkomen konden vinden.

Derwisj en bedelaar te Maranda. (Blz 12.)
Derwisj en bedelaar te Maranda. (Blz 12.)

Derwisj en bedelaar te Maranda. (Blz 12.)

Wij trekken door vruchtbare en goed bebouwde valleien; men legt zich hier van ouds op de veeteelt, bepaaldelijk op de paardenfokkerij toe. Reeds in den tijd van Darius en zijne opvolgers moest deze provincie voor de koninklijke stallen twintigduizend veulens leveren. Boomen ontbreken geheel in dit eentonig landschap, slechts door enkele heuvelreeksen afgewisseld: nergens is een enkele stam, nergens zelfs kreupelhout te zien, dat eenige bescherming tegen de zonnestralen zou kunnen verleenen. Even zeldzaam als het geboomte zijn de gehuchten en alleen staande woningen. Sedert wij ons in Perzië bevinden, heb ik niet anders gezien dan meer of minder belangrijke dorpen en kampementen van nomaden; nergens eene boerewoning of hofstede te midden van velden en akkers. Het noordelijk gedeelte van Azerbeïdsjan ziet er dan ook, ondanks de welbekende vruchtbaarheid van den grond, onbeschrijfelijk doodsch en verlaten uit. De dorpen zelven liggen ver van elkander; en de reiziger Bladzijde 42mag zich gelukkig rekenen, als hij aan het eind van iedere dagreis een dorp vindt.

9 April.—Marande is een groot vlek met drie- of vierduizend inwoners; het is het oude Mandagarana van Ptolemaeus. Het stadje ligt aan den oever eener aardige rivier, in wier midden zilveren populieren en donkergroene wilgen welig groeien; het water, in een aantal beekjes gesplitst, stroomt met snel verval midden door de voornaamste straat. De huizen hebben slechts eene verdieping; zij zijn van in de zon gedroogde tichelsteenen gebouwd en hebben platte daken, door eene borstwering omgeven. Eene zware buitendeur geeft toegang tot de woning, die aan de straatzijde geen vensters heeft: de kamers ontvangen allen haar licht van de binnenplaats. Sommige aanzienlijke huizen hebben echter aan de rivierzijde een groot vierkant venster, van houten traliewerk voorzien, waardoor de vrouwen naar buiten kunnen kijken, zonder zelven gezien te worden.

Volgens de armenische traditie zouden de velden van Marande met die van Erivan op de onderscheiding aanspraak mogen maken, van het eerst na den zondvloed weder bewoond te zijn geworden. De traditie verhaalt zelfs, dat de aartsvader Noach, toen hij eindelijk, oud en des levens zat, den adem uitblies, te Marande werd begraven.

De karavanserai binnentredende, loop ik bijna een ouden bedelaar tegen het lijf: zijn van groeven en rimpels doorploegd gelaat en zijn sneeuwwitte baard getuigen, dat hij lange jaren op deze aarde heeft rondgewandeld. Zijne kleeding is bij uitstek schilderachtig; op het hoofd draagt hij een hoogen papash in den vorm van een suikerbrood; in betere dagen was hij gehuld in twee koledjas (eene soort van lange jassen of kaftans), de eene blauw, de andere rood. Maar tegenwoordig is het bovenkleed zoo gescheurd en het andere zoo versleten en uitgerafeld, dat de roode lappen heenkijken door de gaten in het blauwe kleed, en beiden een geheel vormen, waarvan het op het eerste gezicht niet gemakkelijk is de ware kleur te onderkennen. Maar hoe goed kleeden hem die pittoreske lompen, en hoe uitmuntend past die veelvervige rok bij het door ouderdom bijna eerwaardige voorkomen van dien grijzen bandiet!

Onze tegenwoordige herberg is van vrij wat beter gehalte dan die, waarin wij den vorigen nacht hebben doorgebracht. De binnenplaats is zeer ruim, en wij zijn gehuisvest in eene kamer met wit gepleisterde muren, voorzien van vensters, die met geolied papier zijn beplakt; een kleine schoorsteen, waarbij wij ons warmen kunnen, behoort niet tot de minste geriefelijkheden van dit vertrek. In den hoek bevindt zich eene deur, die naar eene smalle trap geleidt; ik bestijg die en kom op het platte dak, van waar ik gemakkelijk in de naburige woningen een kijkje kan nemen.—Te midden van eene binnenplaats staan eenige vrouwen met den heer des huizes te praten; niet vermoedende dat zij bespied worden, laten zij haar gelaat onbedekt; eene dienstbode, op den grond neergeknield, kneedt van koemest, gehakt stroo en aarde het leem, waarmede de breuken en scheuren in de muren worden hersteld.

De bazar, die van allerlei waren goed voorzien is, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van onze karavanserai. De levensmiddelen zijn er zoo goedkoop, dat onze tsjarvadars aan de verzoeking om een feestje aan te leggen, geen weerstand kunnen bieden. Een hunner, de redenaar van den troep, vraagt of hij ons een verzoek mag doen; dit toegestaan zijnde, verlangt hij uit naam van allen, twee tomans (eene perzische munt), om daarvoor een schaap en rijst te koopen, ten einde zich tot Tauris te kunnen voeden. De goede raadgevingen van den heer Ovnatamof komen mij te binnen; ik begin dan ook met te weigeren, en vraag vervolgens aan den spreker, waar het geld gebleven was, dat zij te Djoelfa ontvangen hadden.

“Dat moesten wij immers aan onze vrouwen en kinderen laten?” hervat de brave man.

Dit antwoord treft mij, en ik haal mijn echtgenoot over om de twee tomans uit te betalen, noodig voor den aankoop van het schaap.

10 April.—Wij hadden al spoedig berouw over onze goedhartigheid: heden morgen zijn al onze tsjarvadars stomdronken!—Halverwege onzen tocht maken wij een halt van ettelijke uren bij de ruïnen van een der negenhonderd-negen-en-negentig karavanseraïs, waarvan de stichting aan Shâh-Abbas wordt toegeschreven. Het gebouw is vierkant; hare uit fraaien rooden steen opgetrokken, van sterke torens voorziene muren maakten de karavanserai tot eene vesting, die bij vijandelijke invallen en strooptochten eene veilige schuilplaats bood. De half in puin gevallen poort prijkt met een fraai mozaïek van blauwe tegels en rooskleurige baksteenen. Ook deze karavanserai is gedurende langen tijd een waar rooversnest geweest, evenals zoovele anderen; onze tsjarvadars aarzelden en beefden als een riet, toen wij het bevel gaven, met de karavaan hier stil te houden, ten einde eene afbeelding van de karavanserai te maken.

Toen wij weder op weg waren, kwam een der gidsen naar mij toe en zeide op vertrouwelijken toon:

“Eene maand geleden zouden wij op deze vervloekte plek zijn uitgeplunderd geworden. Tegenwoordig zijn er minder roovers, omdat de prins, gouverneur dezer provincie, den prefect van policie te Tauris veertig slagen op de voetzolen heeft doen toedienen.

—Maar welke betrekking kan er dan bestaan tusschen het hoofd der policie en de bandieten? vroeg ik hem. Ik kan toch niet onderstellen dat een zoo hoog geplaatst ambtenaar, die voor de openbare veiligheid moet zorgen, tevens rooverhoofdman zal zijn.

—Gij vergist u. Bandieten en magistraatspersonen leven, ten onzen koste, in zeer goede onderlinge verstandhouding, antwoordde hij; maar sedert zijne laatste tuchtiging doet de prefect van policie zijn best om de rooverij tegen te gaan.

—Hoe kan hij dat doen, nadat hij zijn gezag verloren heeft?

—Maar zijn gezag is onveranderd gebleven, herneemt de spreker, niet zonder verbazing; eenige dagen nadat hij de welverdiende strafoefening had Bladzijde 43ondergaan, zond de prins, die verder geen reden had om boos op hem te zijn, hem een khalat of eerekleed, als vergoeding voor de geleden pijn; en nu onlangs heeft hij hem in zijn ambt hersteld.

—Maar dat is niet mogelijk: de gouverneur kan toch zijn vertrouwen niet schenken aan iemand, die publiek geschandvlekt is.

—Maar de bastonnade is geene schande, mijn jonge meester. En wie zou ook beter de rooverij kunnen tegengaan en beteugelen, dan de prefect? Hij heeft in persoonlijke betrekking gestaan met de bandieten, en weet aan welke straf hij zich blootstelt, als hij te veel toegevendheid jegens hen gebruikt. Zoo het Gode behaagt, zullen wij dan ook nu zonder gevaar of hinder te Tauris komen; zoo niet, zouden de voeten van Zijne Excellencie het moeten ontgelden.”

Na eene lange en vrij vermoeiende dagreis bereikten wij des avonds Sofia; den volgenden morgen van hier vertrekkende, kunnen wij nog in den voormiddag Tauris, de hoofdstad van Azerbeïdsjan, bereiken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings