VIII
Reading edition
1 Juni.—Sedert drie weken ben ik te Teheran, en nog ben ik niet verder gekomen dan in den tuin, waarop de vensters uitzien van de kamer, waarin mijn echtgenoot ziek ligt en langzamerhand in beterschap toeneemt. In welke droevige omstandigheden zijn wij te Teheran gekomen, en wat zou er van ons geworden zijn zonder de hulp en toewijding van dokter Tholozan, wiens goede diensten wij niet genoeg op prijs kunnen stellen. Deze bekwame geneeskundige, die vroeger een hoogen rang bekleedde bij het fransche leger, is sedert twee-en-twintig jaren de lijfarts des konings. In plaats van zich over te geven aan dat luie en gemakkelijke leven, dat voor de Europeanen in het Oosten zoo machtige bekoring heeft, heeft hij zich met grooten ijver toegelegd op de studie der lokale ziekten; en zijne werken over de cholera in Indië, over de pest in Mesopotamië en Perzië, en andere wetenschappelijke studiën zijn niet onopgemerkt gebleven bij de mannen van het vak. Dokter Tholozan is niet alleen de lijfarts, maar ook de vriend en vertrouwde raadsman des konings. Nasr ed-Din heeft inderdaad vriendschap voor hem opgevat, schenkt hem zijn vertrouwen en waardeert zijne kennis en zijne belangeloosheid; maar om aan het verlangen van het hof te voldoen, moest de koning zich ook omgeven door inlandsche geneesheeren, die het vertrouwen bezaten van de koninklijke familie, van de geestelijkheid en vooral van de dames uit den harem. Dit gaf soms aanleiding tot moeilijkheden en botsingen, die dokter Tholozan met zijn bedaard en gematigd karakter en verstandig overleg wist te boven te komen en uit den weg te ruimen, maar die bepaald nadeelig moeten zijn geweest voor de gezondheid des konings.
Nevens dokter Tholozan ben ik niet minder dank schuldig aan mijne buurvrouwen, de liefdezusters van Sint-Vincentius à Paulo, die mij in de ziekte van mijn echtgenoot trouw hebben bijgestaan. Zoodra zij mijne aankomst vernomen had, kwam de overste van het gesticht, zuster Caroline, mij aanbieden om mijn echtgenoot te laten overbrengen naar een paviljoen bij den ingang van het klooster, waar de hulpbehoevende, verlaten Christenen eene liefderijke verpleging vinden, die zij overal elders te vergeefs zouden zoeken; maar aangezien dokter Tholozan die verplaatsing niet raadzaam oordeelde, zijn wij gebleven in het huis, waar wij bij onze aankomst waren afgestapt.
Zoodra de zieke zoo ver hersteld was, dat ik hem alleen kon laten, ging ik een bezoek afleggen bij de zusters, om haar te bedanken voor de mij betoonde sympathie. Een blinde opende de deur; hij herkende mijne stem niet, en vroeg of ik de fransche dame was, onlangs van Tauris aangekomen. Op mijn bevestigend antwoord geleidt hij mij, langs vijvers, en met volkomen zekere schreden, naar de apotheek, waar zuster Caroline de geneesmiddelen laat bereiden voor de door haar ondersteunde armen. Het is van daag de dag der vrouwen, die in grooten getale zijn opgekomen en van de vrome edele zusters raad en hulp ontvangen. Bladzijde 210
Eerst voor weinige jaren hebben de liefdezusters te Teheran een klooster gesticht, waarin de kinderen van de weinige europeesche familiën, die in Perzië gevestigd zijn, hunne opvoeding kunnen ontvangen. De kloosterschool wordt ook bezocht door een aantal armenische meisjes; ook Muzelmannen hebben meer dan eens hunne dochters naar de school gezonden, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat de zusters niet zouden pogen de meisjes van godsdienst te doen veranderen. De meisjes krijgen onderricht in het lezen, schrijven, naaien, strijken en alle andere huishoudelijke bezigheden, voorts in de fransche taal en in de eerste beginselen van geschiedenis en aardrijkskunde. Het voornaamste is wel, dat zij een huishouden leeren besturen, waarvan de perzische vrouwen schier zonder uitzondering niet het flauwste begrip hebben.
De prinsessen van den bloede toonen zich jegens de zusters zeer welwillend en edelmoedig. De koning zelf geeft aan het klooster, als bewijs zijner ingenomenheid, eene jaarlijksche toelage van tweeduizend-vijfhonderd francs; uit een financieel oogpunt, is dus de toestand der missie gansch niet ongunstig. Ongelukkig worden de krachten der edele en moedige zusters maar al te vaak uitgeput door de vermoeienissen en ontberingen van eene zeer bezwaarlijke reis, en nog meer door den invloed van het klimaat; koortsen en kwijnende ziekten ondermijnen hare krachten, en de meesten bezwijken, na verloop van ettelijke jaren, in het verre vreemde land. Vooral te Oermiah, waar zij van europeesche geneeskundige hulp verstoken zijn, en waar men niet dan over Erzeroem of Tauris kan komen, is de sterfte zeer groot.
Van negen zusters, die in het vorige jaar waren aangekomen, zijn er drie kort na de aankomst gestorven, ten gevolge van gevatte koude bij het te paard doorwaden van rivieren; drie anderen bezweken aan typheuse koortsen of kwaadaardige ontsteking. Maar dit verhindert niet, dat altijd andere zusters gereed staan om de open gevallen plaatsen in te nemen en op hare beurt haar leven ten offer te brengen, want de liefde die haar drijft is machtiger dan alle gevaar, dan ziekte en dood. Inderdaad, de Kerk telt ze nog bij menigte, die helden en martelaars, die hunne ziel en hun leven hebben overgegeven aan Christus, die voor hen gestorven is.
3 Juni.—De krachten van mijn echtgenoot nemen voortdurend toe. Morgen zullen wij te voet naar den dokter gaan; en is deze wandeling niet te vermoeiend, dan zullen wij overmorgen door den Shâh worden ontvangen, die ons aanstonds, met de meeste bereidwilligheid, eene audiëntie heeft toegestaan.
De stam Kadjar of Kadsjar waartoe Nasr ed-Din Shâh behoort, is van turksch-tartaarschen oorsprong en uit Centraal-Azië afkomstig. De Kadsjaren waren reeds om hunne dapperheid beroemd, toen zij het leger van Tamerlan naar Perzië volgden. In de zeventiende eeuw splitste Shâh Abbas den stam in drie afdeelingen en droeg hun de verdediging op van de meest bedreigde grenzen van zijn uitgestrekt rijk. De eene afdeeling vestigde zich in Georgië, om dat land te verdedigen tegen de invallen der Lesghiërs; de andere vestigde zich te Merw in Khorassan, om de invallen van de Oezbeken af te weren; de derde afdeeling eindelijk, waarvan de thans regeerende dynastie afstamt, sloeg hare tenten op aan de oevers van de Kaspische-zee, in de nabijheid van de turkomansche stammen. De familie Kadsjar van Asterabad had zich reeds in tweeën gesplitst, toen zij nog in Armenië gevestigd was. De oudste tak, die uitgestrekte weilanden in het gebergte bezat, gold als de voornaamste, tot een lid van den jongeren tak, Fath-Ali Khan, tot de hooge waardigheid opklom van opperbevelhebber der legers van den koning van Perzië, Tahmasp II. Van dien tijd, dat is van omstreeks 1730, bekleedden de leden van dezen tak van het Kadsjaren-geslacht de voornaamste militaire ambten in het rijk; na den dood van Kerim Khan, toen binnenlandsche beroerten het rijk verscheurden en verschillende pretendenten elkander den troon betwistten, gelukte het, in 1794, Aga-Mohammed Khan, uit den stam der Kadsjaren, zich van het gezag meester te maken. Hij werd de stichter der tegenwoordige dynastie en toonde zich een verstandig en beleidvol regent. Het was eene ramp voor Perzië, dat hij reeds drie jaren na zijne troonsbeklimming, in 1797, werd vermoord.
Zijn neef en opvolger Fath-Ali Shâh heeft, in het begin dezer eeuw, zijdelings ook eene rol gespeeld in onze eigene historie. Napoleon namelijk, in onverzoenlijken oorlog met Engeland gewikkeld, trachtte den Shâh te bewegen om een bondgenootschap met hem aan te gaan en troepen uit te rusten voor een inval in Indië. Hij zond wapenen en officieren naar Perzië, en koesterde het voornemen een leger daarheen te zenden, ten einde Engeland op de meest kwetsbare plek van zijn uitgestrekt gebied te treffen. De britsche regeering, van dit een en ander volkomen op de hoogte, zond generaal Malcolm naar Perzië, die door de toekenning van een zeer aanzienlijk jaargeld den Shâh voor zich wist te winnen. De onderhandelingen met Frankrijk werden slepende gehouden, en in 1809 moest de fransche gezant, generaal Gardanne, uit Teheran vertrekken, zonder iets verkregen te hebben.
Na den val van Napoleon, toen de Engelschen niets meer van Perzië te duchten hadden, werd de betaling van het toegekende jaargeld plotseling gestaakt. Fath-Ali Shâh, die aan het geregeld uitbetalen dezer som gewend was, klaagde in bittere bewoordingen over deze handelwijze. De engelsche regeering beweerde dat het jaargeld maar voorloopig en tijdelijk was toegekend; en toen de koning het officiëele stuk liet halen om den engelschen gezant met den tekst zelven te weerleggen, zou deze, naar men verhaalt, het traktaat hebben verscheurd en de stukken ingeslikt.
Fath-Ali, die in zijne oorlogen tegen Rusland zeer ongelukkig was, bracht het laatste gedeelte van zijn leven, hij stierf in 1834, bijna uitsluitend in den harem door. De koning had zevenhonderd vrouwen en, als het gerucht waarheid spreekt, zeshonderd kinderen. Naar men zegt, beloopt het aantal zijner nakomelingen tegenwoordig meer dan Bladzijde 211vijfduizend; en daar de financiën des lands niet toelaten, eene zoo buitengewoon talrijke koninklijke familie behoorlijk te onderhouden, verkeeren de meesten van deze prinsen in zeer kommerlijke omstandigheden. Sommigen hebben zich zelfs genoodzaakt gezien, in dienst te treden bij aanzienlijke familiën te Teheran, ten einde tegen gebrek gevrijwaard te zijn. Fath-Ali Shâh liet zich veel voorstaan op zijne kloeke forsche gestalte en op zijn prachtigen zwarten baard, die op zijne borst afhing; hij liet dan ook in al zijne paleizen zijn portret plaatsen. Een bezoek aan zijne residentie Negaristan is alleen uit dien hoofde reeds de moeite waard.
Eene monumentale poort, ter wederzijde door wachthuizen geflankeerd, geeft toegang tot een prachtig park, voornamelijk beplant met die op eigenaardige manier besnoeide platanen, die men alleen in de perzische tuinen vindt. Onder de hooge takken kan de wind des nachts vrijelijk spelen en zoo de temperatuur afkoelen, die anders onder het dichte en lage gebladerte ondragelijk heet zou zijn. Eene prachtige avenue, uit vijf lanen nevens elkander bestaande, door helder stroomend water gescheiden, brengt u naar een ruim paviljoen, in de gedaante van een grieksch kruis, waarvan de vier armen met gekleurde vensters prijken. De middelste zaal is met een koepel gedekt en versierd met gekleurde en vergulde ornamenten van pleister. Achter dit paviljoen liggen de tuinen van den harem, die door gordijnen voor de oogen van onbescheiden bezoekers verborgen zijn.
In dit gedeelte van het park bevindt zich ook de eigenlijke woning van den souverein. Het is een rechthoekig gebouw; de buitenmuren hebben geene enkele vensteropening, want alle kamers komen op eene binnenplaats uit, die men bereikt door eene smalle lage deur en een bochtigen, nauwen gang. Op die binnenplaats vindt men een prachtig bassin van wit marmer; daaromheen loopt eene breede galerij, waarop de kamers uitkomen van de favorites, die allen in dit gedeelte van het paleis zijn gehuisvest. Haar kleine appartementen bestaan regelmatig uit twee smalle kamers, die haar licht ontvangen door de deur, welke alzoo noodwendig geopend moet blijven.
Midden in een der zijden van het gebouw verrijst het koninklijk paviljoen, van binnen versierd met eene groote muurschildering, waarop Fath-Ali Shâh is afgebeeld, omringd door de twaalf oudsten zijner zonen. Hij zit op een gouden, met edelgesteenten bezaaiden troon, waarboven zich een op gedraaide kolommen rustende troonhemel verheft; tusschen die kolommen staan vazen met bloemen van smaragden en turkozen. De koning is gekleed met eene koledja, waarvan de panden zijne saamgevouwen beenen bedekken, en draagt op het hoofd de tiara, met robijnen en diamanten bezet; hij leunt op een met parelen bestikt kussen, en houdt zijn sabel en zijn kalyan (pijp) in de handen. Zijne zonen, in vier rijen, drie aan drie, gerangschikt, dragen lange tunica's, die zich naar onder toe verwijden; de naden en de zoomen van die kleederen zijn met eene rij groote parelen bezet. De prinsen dragen geen tiara, zooals hun vader, maar een met edelgesteenten versierden diadeem: hun houding, hunne gelaatstrekken en hun kostuum herinneren onwillekeurig aan de figuren op onze oudste speelkaarten.
Op de zijwanden van de zaal heeft de schilder de gezanten van Engeland en Frankrijk afgebeeld, den generaal Gardanne en Sir John Malcolm, met lange roode kousen aan de voeten, zooals de perzische etiquette destijds voorschreef, wanneer men in tegenwoordigheid des konings verscheen. Achter deze beide figuren begint, in twee rijen boven elkander, eene lange reeks van portretten van ministers, staatsdienaars, legerhoofden, gekleed in wijde staatsiekleederen van kashmîr of goudbrokaat met bont omzoomd, met groote tulbanden of hooge mutsen op het hoofd en schitterende van edelgesteenten.
Om zich een juist denkbeeld te vormen van de eigenaardige levenswijze van een oostersch vorst, moet men niet verzuimen in ditzelfde paleis de onderaardsche zaal te bezoeken, waar Fath-Ali Shâh zich des zomers gewoonlijk ophield. Een smalle gang daalt met zachte glooiing af naar een voorportaal, dat toegang geeft tot eene achtkantige zaal, met een koepel gedekt, waarvan het bovenste gedeelte van mat glas is voorzien, zoodat er in de zaal altijd zekere schemering heerscht. Het vertrek is geheel met marmer bekleed: aan de eene zijde bevindt zich eene vrij steile glijbaan, met zerken van gevlamd agaat belegd. De dames van den harem zetten zich geheel naakt op die helling, en gleden zoo af naar een met water gevuld bassin midden in de zaal. In zijn ouderdom bracht de koning den meesten tijd door in dit onderaardsch vertrek, waar eene aangename frissche temperatuur heerschte, en waar hij zich vermaakte met de akrobatische oefeningen en gymnastische kunsten, die hij door zijne vrouwen liet uitvoeren.
Daar de oudste zoon van Fath-Ali Shâh nog bij het leven van zijn vader gestorven was, werd de oude monarch opgevolgd door zijn kleinzoon Mehemed Shâh, een zwak en onbeteekenend man, die in October 1848 overleed. Zijn achttienjarige zoon, Nasr ed-Din, de tegenwoordige Shâh, beklom toen den troon van Perzië.
5 Juni.—Heden morgen ontvingen wij een brief van dokter Tholozan, waarin hij ons mededeelt, dat de audiëntie bij den Shâh is bepaald op twee uren voor zonsondergang. Met het rijtuig van den eersten minister afgehaald, komen wij, na langs verschillende wachthuizen te zijn gegaan, op een der binnenhoven van het koninklijk paleis. De residentie van den Shâh, in het midden der stad gelegen, bestaat uit een aantal vrij eenvoudige gebouwen, omgeven door een wijden ringmuur, aan de binnenzijde bekleed met porseleinen tegels, waarop wachthoudende soldaten zijn afgebeeld. Hun gevuld gelaat is rooskleurig, hunne oogen zijn in een zwarten kring gevat en hunne wenkbrauwen loopen met eene dikke streep ineen. Een rooskleurige koledja en een kanariegele broek passen volkomen bij het komisch uiterlijk dezer geduchte krijgers.
De voornaamste sieraden van het paleis zijn de Bladzijde 212met fraaie blauwe tegels bekleede bassins en de prachtige boomen. Men brengt ons eerst naar een paviljoen, door een der zoons van Fath-Ali Shâh gebouwd. Het bovenste gedeelte der muren is geheel bedekt met groene, gele en blauwe tapijten, waarvan de kleurenmengeling geen aangenamen indruk maakt; de met wit en goud papier beplakte lambrizeeringen worden hier en daar opgeluisterd door die afschuwelijke landschappen, die men nog wel aan sommige ouderwetsche schoorsteenen ziet. Verscheidene portretten van europeesche vorsten hangen in deze zaal, nevens eene perzische schilderij, waarop Nasr ed-Din te paard is afgebeeld; onder de portretten staan langs de wanden een aantal piano's, waarvan ik niet weet of zij ooit bespeeld worden.

Nasr ed-Din, koning van Perzië.
Verschillende hofbedienden komen den salon, waarin wij gezeten zijn, binnenloopen en deelen ons mede dat de Shâh in den tuin is, waar hij ons zal ontvangen, om op zijn gemak te kunnen praten en aan de voorstelling elk officieel karakter te ontnemen. Na onze hoeden stevig op het hoofd te hebben gedrukt, ten einde niet in verzoeking te komen, ze in tegenwoordigheid van den souverein af te nemen, hetgeen in strijd zou zijn met alle etiquette, gaan wij naar buiten. Aan het einde van eene laan bespeuren wij Zijne Majesteit, langzaam voortwandelende, vergezeld van een secretaris, die hem uit eene fransche courant voorleest. Achter den koning volgen, op eenigen afstand, enkele zeer eenvoudig gekleede dienaars zonder livrei. De koning is drie-en-vijftig jaren oud, maar schijnt jonger; zijn haar, dat aan zijne ooren zichtbaar is, is zwart; zijne oogen zijn groot en vol uitdrukking; zijn neus is gekromd, zijne wangen zijn ingevallen; de kleur van zijn gelaat is donker; de knevel is zwart, maar de vrij slordige baard begint reeds grijs te worden. De etiquette verbiedt, een Shâh van Perzië met een scheermes aan te raken: 's konings barbier is mitsdien verplicht de hairen van Zijner Majesteits baard met een schaar af te knippen: eene vervelende operatie, die veel tijd kost en toch nooit goed gelukt. Het kostuum van Nasr ed-Din is hoogst eenvoudig. Een kashmiren jas, met vergulde tressen gesloten, hangt tot op de knieën; de witte pantalon reikt tot aan de enkels; een militaire kapotjas van donkerblauw laken met loshangende mouwen is om den hals vastgemaakt. Op het hoofd draagt de koning eene eenvoudige, zwart laken kollah; zijn kraagje, naar europeesch model, is omstrikt door eene smalle blauw satijnen das. Zijne opengewerkte schoenen laten de witte sokken zichtbaar; aan zijne kleine handen draagt hij witte katoenen handschoenen.
Wij volgen het voorbeeld van dokter Tholozan en gaan ter zijde van de allee staan. Toen de koning tot op tien ellen afstands van ons genaderd was, maakten wij eene buiging; deze groet werd tot tweemaal toe herhaald. Nasr ed-Din trad daarop naderbij.
“Wil Uwe Majesteit mij veroorloven, sprak toen dokter Tholozan, haar den heer en mevrouw Dieulafoy voor te stellen, twee mijner landgenooten, onlangs te Teheran aangekomen en aan wie Uwe Majesteit eene audiëntie heeft willen verleenen?
—Hoe, hernam de koning in het perzisch, is die jonkman eene vrouw?
—Ja, Majesteit; de heer en mevrouw Dieulafoy zijn belast met het overbrengen van depêches voor het fransche gezantschap; zij zijn mij door onze vrienden ten dringendste aanbevolen.
—Waarom, mevrouw, vroeg de koning mij toen in het fransch, hebt gij de gewone kleeding der europeesche dames niet behouden?

De harem van Fath-Ali Shâh.
—Omdat ik zoo gemakkelijker reis en niet in het oog val. Uwe Majesteit weet, welke bezwaren er in mohammedaansche landen aan verbonden zijn, wanneer eene vrouw met ongesluierd gelaat in het openbaar wil verschijnen; het schijnt mij zelfs toe, Bladzijde 214dat op dit punt, de oude gewoonten en godsdienstige voorschriften in Perzië nog strenger worden in acht genomen dan elders.
—Welken weg hebt gij genomen om naar Teheran te gaan?
—Over Tauris.
—Gij hebt toch die lange reis niet te paard afgelegd?
—Uwe Majesteit gelieve te bedenken dat het mij onmogelijk zou zijn in een kadjaveh neergehurkt te zitten; deze onbewegelijke houding zou mij op den duur ziek maken.
—Waar gaat gij nu heen?
—Naar Ispahan, Shiraz, Firoezabad, en vandaar naar Bagdad, Babylon en Susa.
—Gij hebt jaren noodig voor het volbrengen van zulk een tocht. Zult gij de noodige kracht hebben om zulk eene reis ten einde te brengen? Dat schijnt mij zeer twijfelachtig voor eene vrouw; maar hebt gij reeds in het Oosten gereisd, voor gij in Perzië kwaamt?
—Ik heb Algerië, Egypte en Marokko bezocht.
—En hebt gij overal in dat kostuum gereisd?
—Neen, Sire; ik heb het eerst voor goed aangetrokken, toen wij naar Perzië op weg gingen.
—Gij hebt zeer goed gehandeld, zeide de koning. In ons land kan eene vrouw niet ongesluierd reizen of op straat verschijnen, zonder een oploop te veroorzaken. Schijnt u dat zoo vreemd? Meent gij dan, dat wanneer eene perzische vrouw, gesluierd en in haar nationale kleederdracht, langs de boulevards te Parijs ging wandelen, zij niet de aandacht zou trekken en al spoedig een drom volk achter zich krijgen? Toch zouden de Franschen minder te verontschuldigen zijn dan mijne onderdanen, want zeer velen hunner zien hun leven lang geene andere vrouwen dan die tot hunne naaste familie behooren.
—Kunt gij schilderen? vroeg mij daarop de koning.
—Neen, Sire.
—Dat spijt mij; ik wenschte mijn portret te paard te laten maken. Al mijne portretten zijn afschuwelijk; ik heb te Parijs mijn buste laten maken, maar de prinsen vinden het niet goed.
—Welke zijn uwe bezigheden in Frankrijk? vroeg Nasr ed-Din daarop eensklaps aan mijn echtgenoot; hebt gij bij den oorlog van 1870 in het leger gediend?
—Ja, Sire, in het Loire-leger.
—Zoo, onder den generaal d'Aurelles de Paladine, ging de koning voort, die zeer goed op de hoogte scheen te zijn van den veldtocht in Frankrijk. Wat komt gij nu in Perzië doen?
—De regeering heeft mij opgedragen om de ruïnen te bestudeeren der monumenten, door Kaï Kosio, Darab en Shapoer gesticht.
—Lees Firdoesi. In den Shâh Nameh zult gij een schat van wetenswaardigheden en allerlei inlichtingen vinden. Maar welk belang kan Frankrijk bij die gebouwen hebben. Hoe oud zijt gij?
—Zeven-en-dertig jaar.
—Gij ziet er veel ouder uit,” hernam de koning met de meeste openhartigheid.
Dokter Tholozan deelde daarop den Shâh mede dat mijn: echtgenoot ernstig ziek was geweest en dat hij eerst voor den tweeden keer uitging.
“In dat geval, haakim (geneesheer), behoort gij uw vriend te genezen: dat is u wel toevertrouwd.” Daarop zich tot ons wendende: “Het zal mij aangenaam zijn u weer te zien.”
De koning maakte daarop eene beweging met de hand, ten teeken dat de audiëntie was afgeloopen. Wij treden terug en maken driemaal achtereen eene buiging. Nasr ed-Din verwijdert zich langs eene zijlaan, en wij verlaten het paleis.
De hovelingen verklaarden dat de Shâh zich buitengewoon vriendelijk en welwillend had getoond. De koning ziet iemand flink in het gelaat, en als hij lacht vertoonen zich twee rijen mooie hagelwitte tanden. Hij spreekt vrij goed fransch en had, om met ons te praten, geen hulp noodig, noch van zijn eersten tolk, noch van dokter Tholozan. Als wij soms zijne eenigszins zonderling gebouwde zinnen niet spoedig genoeg verstonden en op zijne vragen niet onverwijld antwoord gaven, trok hij op eene eigenaardige manier zijne neusvleugels op, waardoor zijn gelaat eene zeer onaangename uitdrukking kreeg.
Op verzoek van den Shâh hebben wij de photografische portretten gemaakt van de beide kinderen van zijne zuster, een knaapje en een meisje, die er beiden zeer aardig uitzien, en reeds geheel het voorkomen hebben van perzische prinsen, trotsch en deftig.