← Table of contents
Perzië, Chaldea en Susiane

XX

Reading edition

25 September.—“Wij zullen voortaan onze eigene muziek hebben. In de karavaan zijn namelijk allerlei beroepen vertegenwoordigd: wij vinden er onder anderen een koopman in katten en een harpenaar. Vroeger zeer goede vrienden, hebben zij te zamen een muilezel gehuurd, onder voorwaarde dat ieder op zijn beurt daarop rijden zou; maar tegen hunne verwachting hebben zij twist gekregen, die zoo hoog is geloopen, dat zij nu geslagen vijanden zijn. De een beweerde, dat het miauwen der katten hem stoorde in zijne muzikale studiën; de ander hield staande dat zijne katten ziek en zenuwachtig werden van het ellendig getokkel van den harpspeler.

Tengevolge van deze ruzie heeft de kattenkoopman, die door de fortuin meer begunstigd is dan de jonger van Apollo, den tsjarvadar-bashi omgekocht, en zich zelven als den eenigen eigenaar van den muilezel doen erkennen. De ongelukkige muzikant, niet wetende wat te doen en vreezende in de karavanseraï achtergelaten te worden, is ons komen smeeken, dat wij hem in onze dienst zouden nemen. Hij zal onze maaltijden opvroolijken met zijne muziek, en tot belooning mag hij met zijn instrument plaats nemen op een onzer muildieren.

De harp van onzen bard heeft de gedaante van een boog en is voorzien van eene enkele snaar, waarop hij met de rechterhand met een houten hamer slaat, terwijl hij met de linkerhand, die geheel met wol omwikkeld is, het instrument vasthoudt. Die wollen band is geen ijdel sieraad: want zonder deze bedekking zou de kunstenaar groot gevaar loopen, zijne vingers te verbrijzelen, wanneer hij, in heilige geestdrift ontstoken, in den blinde op de snaar loshamert, en aan zijn instrument tonen ontlokt, niet minder welluidend dan die van een tamboerijn.

De vijand van onzen harpenaar, de koopman in katten, is een inwoner van Yezd, die een twintigtal fraaie angorakatten van Tauriz naar Bombay voert. Sedert eenige jaren reist hij onophoudelijk tusschen Perzië en Indië heen en weder; en naar het schijnt, levert zijn handel hem aardige winsten op.

De muzikant van de karavaan.
De muzikant van de karavaan.

De muzikant van de karavaan.

Zoo de oostersche katten al even weinig als hare europeesche zusters op klassieke muziek gesteld zijn, heeft men geen recht haar dat kwalijk te nemen; het komt mij zelfs voor, dat zij wel eenige reden hebben om uit haar humeur te zijn, nu zij gedwongen worden zulk eene lastige en onaangename reis te maken. Kan men voor een huiselijk poesje iets tergenders en ergers bedenken dan eene reis van zestig dagen per karavaan, gevolgd door een zeereis van dertien dagen? Metterdaad zou het niet mogelijk zijn, dieren van een zoo onafhankelijk en zoo moeilijk te temmen karakter als de katten, op deze wijze te vervoeren, indien de eigenaar niet stipt toezag, dat onder zijne bende de strengste tucht werd gehandhaafd. Bij de aankomst in de karavanserai zoekt de koopman een afgelegen vertrek uit, zoo ver mogelijk van den muzikant verwijderd; hij steekt twee ijzeren haken stevig in den grond en bevestigt daaraan een lang touw, waarvan de koorden worden vastgebonden, die aan de halsbanden der katten Bladzijde 190zijn vastgemaakt. De dieren worden gerangschikt naar hunne grootte, met eene tusschenruimte van een halve el; zij zitten of liggen op den linnen zak, waarin zij 's nachts verblijf houden. De jonge katjes worden met de moeder opgesloten in eene soort van kooi, waarvan de tralies ver genoeg van elkander verwijderd zijn, dat zij er uit kunnen kruipen.

Die bende brengt den geheelen dag half slapende en soezende door, en wordt eerst wakker, als de tijd voor voedering gekomen is. Dan geraakt alles in beweging: de katten springen, miaunen, schreeuwen, maken een leven dat hooren en zien vergaat. Zoodra de portie schapenvleesch is rondgedeeld, wordt alles weer stil; ieder eet rustig zijn deel op en gaat dan weer liggen dutten. De kleine katjes schijnen beter tegen de vermoeienissen van de reis bestand te zijn, dan de groote: zij spelen met elkander en denken er niet aan weg te loopen, terwijl de grootere katten onophoudelijk pogingen aanwenden, om met haar tanden en haar nagels de stevige touwen van geitenhair te verscheuren, waarmede zij gebonden zijn. Is de tijd voor het vertrek gekomen, dan wordt elke kat opgesloten in den zak, die haar tot tapijt verstrekte; de zakken worden twee aan twee gebonden en op een paard gelegd, dat zeker niet zeer ingenomen is met eene vracht, die onophoudelijk aan hare ontevredenheid lucht geeft door een concert van de meest wanluidende kreten.

De katten, die op deze wijze naar Indië vervoerd worden, zijn witte langharige angora's; ter plaatse der bestemming aangekomen, kosten zij vijftig tot zestig francs per stuk.

26 September.—Wij zijn te Abadeh, eene naar het schijnt vrij belangrijke stad, die niet alleen een telegraafkantoor, maar ook een gouverneur bezit. Deze laatste kan ons van dienst zijn: de tsjarvadar-bashi weigert, overeenkomstig zijne belofte, een dag te Abadeh op te houden, om ons den tijd te geven, een uitstapje te maken naar de de oase van Eklid, waar zich eene zeer merkwaardige moskee moet bevinden.

Mijn echtgenoot zou zeer ongaarne van dit uitstapje afzien; wij maken dus aanstonds van de gelegenheid gebruik om de tusschenkomst van den gouverneur in te roepen, die den tsjarvadar-bashi voor zich laat ontbieden. “Hoe, ellendige aardworm,” voert hij hem te gemoet, “gij hebt u bij geschreven overeenkomst verbonden om te Abadeh halt te houden en dezen heeren de gelegenheid te geven om naar Eklid te gaan, en gij weigert uwe belofte te houden! Weet gij wel, dat zoo Hunne Excellentiën goedvonden, uwe karavaan, met of zonder contract, tien dagen hier te doen blijven, ik u zou dwingen te gehoorzamen?

—Hakem (gouverneur), ik kan hier niet blijven. Mijne muildieren zijn sterk en kunnen zonder eenige moeite de reis vervolgen; vierhonderd muilezels eten op een dag vrij wat stroo en haver; ik heb verkeerd gedaan met te beloven, dat ik hier zou blijven, maar ik moet morgen vertrekken.

—Kunt gij zwemmen?” roept de gouverneur, terwijl hij zijn dienaren een wenk geeft.

Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken, of nog eer de tsjarvadar-bashi iets heeft kunnen zeggen, wordt hij door vier mannen bij de armen en beenen gegrepen en opgetild, met de bedoeling om hem in een vijver, midden op den binnenhof, te werpen. Gelukkig heb ik nog juist den tijd, de mannen tegen te houden en genade te vragen voor den ongelukkigen tsjarvadar: tot groote teleurstelling der toeschouwers, die zich reeds verheugden in het vooruitzicht, hem in het water te zien spartelen en met doorweekte en gescheurde kleederen uit den vijver te zien kruipen.

“O, Çaheb! zegt de tsjarvadar tot mij, gij redt mij het leven: ik ben zestig jaren oud en geheel van mijn streek door de woorden van den hakem; wat zou er van mij geworden zijn zonder uwe tusschenkomst. Mijne karavaan zal volgens uw bevel marcheeren, maar vertoef zoo kort mogelijk in den omtrek van Eklid; zoo ik ongelijk had, mijn woord te verbreken, heb ik u toch niet bedrogen, toen ik zeide dat de streek onveilig was.

—Houd uw mond, hondekind! schreeuwt de gouverneur. Wilt gij dat ik u tweehonderd stokslagen laat toedienen? Wie durft er te spreken van roovers in eene provincie, waarover ik het bewind voer? Allah zij geloofd! mijn zoon zal zelf deze doorluchtige vreemdelingen naar Eklid vergezellen en voor hunne veiligheid waken. Ga weg; morgen ochtend, tegen zonsopgang, moeten de paarden dezer heeren en van hunne bedienden hier zijn; zoo wil ik het!”

Dit alzoo geregeld zijnde, begeven wij ons naar den bazar, de eenige plaats waar de vreemdelingen in de steden van het Oosten zich een denkbeeld kunnen maken van den handel en de nijverheid der plaats. De bazar van Abadeh kenmerkt zich vooral door keurig snijwerk in hout; wij zien hier smaakvol bewerkte lepels, bekers, spiegels, inktkokers en juweelkistjes, waarop met zeer veel kunst het perzische wapen is uitgesneden.

Ondanks de bevelen van den hakem, vertrokken wij den volgenden morgen toch eerst vrij laat van Abadeh, en sloegen den weg in naar Eklid, vergezeld van den zoon van den gouverneur, een jonkman van omstreeks zestien jaren, die waarschijnlijk zeer tegen zijn zin den anderoen verlaten had, hem vóór drie maanden door zijn vader geschonken, om met ons een tocht naar het gebergte te ondernemen. Hij liet evenwel daarvan niets merken, maar deed alles wat in zijn vermogen was om ons aangenaam te zijn. Na een rit van omstreeks zes uren door een dor, heuvelachtig terrein, zien wij tegenover ons eene natuurlijke opening in de heuvelreeks, waarin zich de weg verliest.

“Het land Eklid begint achter die poort,” zeide onze gids; “maar wat willen toch de lieden, die ik daar op de hoogten zie?”

Nauwelijks heeft hij dit gezegd, of geweerschoten knallen en kogels vallen niet ver van ons op den grond.

“Zal men ons aanvallen, en moeten wij op die schoten antwoorden?” vroeg ik.

—Schiet in de lucht, zoodat die honden zien dat Bladzijde 191gij gewapend zijt; onderwijl zal ik onderzoeken wat dit beteekent. Allah moge ons beschermen! Draagt zorg, niemand van deze bandieten te kwetsen, want als er bloed vloeit, zullen wij allen vermoord worden. Misschien zal men ons plunderen; maar als gij voorzichtig zijt, zal u geen leed geschieden.”

Dit gezegd hebbende, zet hij zijn paard in galop, zwaait met zijn armen in de lucht en laat ons op den weg achter. De lieden op den heuvel bemerken spoedig de signalen van den zoon van den gouverneur; zij dalen in de vallei af, en omringen, ten getale van acht of tien, het paard van den jonkman. Hij wenkt ons nu, naderbij te komen, en weldra bevinden wij ons te midden van eenige bewoners van Eklid, met vuursteengeweren gewapend, waarmede zij op ons geschoten hebben.

Eklid is geen dorp, zoo als wij gedacht hadden, maar eene groote oase, die zich over eene lengte van bijna dertig mijlen uitstrekt aan den voet der uitloopers van de bergen van Loristan. Talrijke beken dalen van die bergen af en schenken aan het geheele plateau eene buitengewone vruchtbaarheid. De hooge ligging van de oase begunstigt de kultuur van vruchtboomen uit koudere streken, zoo als noten en appelboomen; maar het voornaamste voortbrengsel is koren, dat hier zoo rijke oogsten oplevert, dat de bewoners van deze gezegende streek nimmer de plaag hebben gekend van den hongersnood, die in Perzië dikwijls voorkomt, vooral ook tengevolge van het gemis van middelen van gemeenschap. Ongelukkig kan Eklid, in tijden van gebrek, niets van zijn overvloed mededeelen aan de omringende landstreek, want de vrees voor plundering houdt elk vervoer tegen.

Gedurende den laatsten hongersnood, nu drie jaren geleden, trachtten de boeren van Eklid koren naar Abadeh te brengen, maar zij moesten daarvan afzien, hoewel de afstand niet veel meer dan veertig mijlen bedraagt en een khalvar (driehonderd pond) koren te Eklid vijftien en te Abadeh zestig francs kostte. De bewoners van den omtrek wachtten de karavanen op bij den uitgang der oase, plunderden ze en vermoordden de kooplieden, die zich wilden verdedigen. Ook na het einde van den hongersnood behielden de bandieten de gewoonte om op dezen weg te stroopen: zij roofden de schapen van de herders en plunderden de kleine karavanen. De bewoners der oase beklaagden zich bij den koning: natuurlijk te vergeefs: Nasr ed-Din had persoonlijk noch door den hongersnood, noch door de rooverijen geleden, en bekommerde er zich dus niet om. De boeren richtten toen eene soort van eigene militie op, die de toegangen moest bewaken en onbekende ruiters, die hun weg namen naar Eklid, moesten tegenhouden.

De zeer uitgestrekte oase komt mij echter voor, minder schoon en vooral minder schilderachtig te zijn dan die van Koeroet. Zij wordt doorsneden door paden, die ter wederzijde door prachtige tuinen zijn omzoomd, waartusschen zich talrijke beekjes slingeren; maar de grond is zoo vlak, dat men zich moeielijk een denkbeeld maken kan van de uitgestrektheid der bouwlanden, terwijl de oase van Koeroet, die zich amphitheatersgewijze verheft, een veel grootscheren aanblik oplevert en met één oogopslag is te overzien. Nauwelijks hebben wij onze bagage en onze wapenen geborgen in de woning van een rijken grondbezitter, die op het oogenblik afwezig is, of wij vragen aanstonds dat men ons naar de moskee zal brengen. Men geleidt ons nu door een groot dorp, dat half in puin ligt, en vervolgens naar een bosschage van prachtige notenboomen; daar worden wij, zonder eenig tegenstribbelen, binnengeleid in eene kleine uit leem opgetrokken moskee; de zaal van den mihrab, gedekt met een afschuwelijken koepel van dezelfde gemeene bouwstof als de muren, is half eene ruïne. Daarentegen wordt het gebouw vrij netjes onderhouden: de muren zijn gewit en versierd met groen geschilderde teksten uit den Koran.

Ik weet niet, of ik mij boos zal maken, dan wel in stomme verbazing berusten. Hoe nu: wij hebben onzen tsjarvadar-bashi in ongelegenheid gebracht, ons zelven blootgesteld aan de kans om doodgeschoten te worden, en een omweg van zeventig kilometers gemaakt, en dat alles ter wille van eene hoogst alledaagsche leelijke dorpsmoskee.

Met het heilige voornemen, voortaan minder lichtgeloovig te zijn, verlaten wij de moskee en richten onze schreden naar de beroemde bronnen van Eklid. Het water welt op verschillende plaatsen uit de rots op en vormt verschillende diepe kommen, waarin reeds menige onvoorzichtige, die zich daarin baden wilde, is verdronken. Om niets over te slaan, bezoeken wij ook nog de volstrekt onbeteekenende bouwvallen van een klein paleis uit den tijd der Sofis, en keeren eindelijk naar ons logies terug, zeer vermoeid en nog meer ontstemd en teleurgesteld.

28 September.—Het klimaat van Eklid is, naar men zegt, zeer gezond, en dat is ook wel te begrijpen: de zuivere lucht, de overvloed van helder stroomend water, en de rijkdom van prachtig geboomte maken dit plekje grond tot eene bij uitzondering gezegende streek. De gezondheid der bewoners zou dan ook niets te wenschen overlaten, indien zij niet de verfoeilijke gewoonte hadden aangenomen van zich te kleeden in engelsch katoen, dat door kooplieden uit Ispahan naar Abadeh wordt gezonden; deze verkeerdheid, gevoegd bij de noodzakelijkheid om, bij het schoonmaken der bevloeiingsbeken, met de voeten in het water te staan, heeft hier longtering en rhumatiek inheemsch gemaakt.

Nog voor de dag was aangebroken, hoorden wij aan de buitenpoort onzer woning kloppen. Weldra was het voorhuis opgevuld met kranken, die gedurende den nacht met hunne bloedverwanten, uit den geheelen omtrek hierheen waren gekomen, in de hoop dat wij hen zouden kunnen genezen. Onder deze bezoekers bevinden zich ook twee schoone vrouwen van den stam der Bakhtyaris, die in de bergen van Loristan woont. Eene van haar vernam van een harer bedienden, die gisteren te Eklid vertoefde, dat wij daar waren aangekomen. Zij is aanstonds vertrokken, in gezelschap van hare zuster, en heeft den ganschen nacht doorgereisd, Bladzijde 192een kind medevoerende van vijfjaren, dat er jammerlijk zwak en lijdend uitziet en nog niet staan kan.

Het consult was bijna afgeloopen, toen de zoon van den gouverneur van Abadeh onze kamer binnentrad:

“De paarden zijn gereed, zeide hij; ik heb wachten voor uwe deur laten zetten om verderen aandrang van patiënten af te weren. Als gij naar de klachten van al deze lieden wilt luisteren, dan komt er nooit een einde aan. Wij moeten vertrekken, want wij hebben een langen weg af te leggen, wij hebben nog nauwelijks den tijd om vóór den nacht te Soerneh te komen, waar wij de karavaan moeten aantreffen.”

De kattenkoopman (Blz 188.)
De kattenkoopman (Blz 188.)

De kattenkoopman (Blz 188.)

De raad is goed, maar niet gemakkelijk in praktijk te brengen; nauwelijks zetten wij den voet buiten de deur, of wij worden bestormd door zieken, die allen tegelijk spreken, ons hunne kwalen vertellen, op hunne oogen, hun borst, hunne armen wijzen, en elkander al twistende verdringen en wegduwen, om tot ons te naderen. De wachters maken met moeite ruim baan, en wij rijden eindelijk weg.

Soerneh, waar wij na een rit van zes uren aankomen, is een klein stadje, door aarden wallen omringd; in vroeger tijd was het vlek vermoedelijk van meer beteekenis dan thans, want tusschen de tuinen ziet men nog de overblijfselen van eene oude vesting uit den tijd der Sassaniden. Op eenigen afstand van het dorp vindt men nog sporen van oude vestingwerken uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Bladzijde 265

Koning Shapoer en keizer Valerianus. (Blz. 271.)
Koning Shapoer en keizer Valerianus. (Blz. 271.)

Koning Shapoer en keizer Valerianus. (Blz. 271.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings